Elohim Bijbel

Deuteronomium 14

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Een heilig volk: rouw, reine en onreine dieren, de tiende

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zonen van Yahweh: geen rouwgebruiken

1Jullie zijn zonen van Yahweh, jullie Elohim. Jullie mogen jezelf geen sneden toebrengen en geen kale plek tussen jullie ogen maken voor een dode.
בָּנִ֣ים
(banim)
zonen
אַתֶּ֔ם
(atem)
jullie
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
van Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
לֹ֣א
(lo)
niet
תִתְגֹּֽדְד֗וּ
(titgodedu)
jullie zullen u insnijden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תָשִׂ֧ימוּ
(tasimu)
jullie zullen maken
קָרְחָ֛ה
(qarecha)
kale plek
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
עֵינֵיכֶ֖ם
(eineikhem)
jullie ogen
לָמֵֽת
(lamet)
voor een dode
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּנִים (banim), ‘zonen’: Israël is zoon van Yahweh (Exod. 4:22).

הִתְגֹּדֵד (hitgoded), ‘zich insnijden’, en een kale plek tussen de ogen (op het voorhoofd) zijn rouwgebruiken van andere volken.

Zie ook Lev. 21:5.

2Want jullie zijn een heilig volk voor Yahweh, jullie Elohim. En jullie heeft Yahweh gekozen om een volk te zijn dat Hem toebehoort, een eigen bezit, uit alle volken op het oppervlak van de grond.
כִּ֣י
(ki)
want
עַ֤ם
(am)
volk
קָדוֹשׁ֙
(qadosh)
heilig
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וּבְךָ֞
(uvekha)
en jou
בָּחַ֣ר
(bachar)
heeft gekozen
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לִֽהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לוֹ֙
(lo)
voor Hem
לְעַ֣ם
(leam)
tot volk van
סְגֻלָּ֔ה
(segula)
eigen bezit
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
הָֽעַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: zoals in Exod. 19:5, de kostbare schat van een koning.

Reine en onreine dieren

3Jullie mogen geen enkele gruwel eten.
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכַ֖ל
(tokhal)
je zult eten
כָּל
(kal)
elke
תּוֹעֵבָֽה
(toeva)
gruwel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’, zoals in Deut. 13:15.

Wat hierna volgt, zijn de dieren die Yahweh onrein noemt.

4Dit zijn de landdieren die jullie mogen eten: de stier, het schaap en de geit,
זֹ֥את
(zot)
dit is
הַבְּהֵמָ֖ה
(habehema)
het landdier
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תֹּאכֵ֑לוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
שׁ֕וֹר
(shor)
stier
שֵׂ֥ה
(se)
schaap van
כְשָׂבִ֖ים
(kesavim)
de schapen
וְשֵׂ֥ה
(vese)
en schaap van
עִזִּֽים
(izim)
geiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze lijst loopt parallel aan Lev. 11:2–23; wij gebruiken dezelfde dierennamen.

בְּהֵמָה (behemah), ‘landdier’, zoals in Lev. 11:2.

שֶׂה (seh) is een stuk kleinvee: ‘een van de schapen’ en ‘een van de geiten’.

5het hert, de gazelle, het damhert, de steenbok, de antilope, de wilde os en de berggeit.
אַיָּ֥ל
(ayal)
hert
וּצְבִ֖י
(utsevi)
en gazelle
וְיַחְמ֑וּר
(veyachmur)
en damhert
וְאַקּ֥וֹ
(veaqo)
en steenbok
וְדִישֹׁ֖ן
(vedishon)
en antilope
וּתְא֥וֹ
(uteo)
en wilde os
וָזָֽמֶר
(vazamer)
en berggeit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier staan zeven wilde dieren die in Leviticus niet genoemd worden: אַיָּל (ayyal), ‘hert’; צְבִי (tsevi), ‘gazelle’; יַחְמוּר (yachmur), ‘damhert’; אַקּוֹ (akko), ‘steenbok’; דִּישֹׁן (dishon), ‘antilope’; תְּאוֹ (te’o), ‘wilde os’; זֶמֶר (zemer), ‘berggeit’.

De weergave van deze namen is onzeker.

6Elk landdier dat gespleten hoeven heeft, twee geheel gespleten hoeven, en dat herkauwt: dat mogen jullie eten.
וְכָל
(vekhal)
en elk
בְּהֵמָ֞ה
(behema)
landdier
מַפְרֶ֣סֶת
(mafreset)
dat splijt
פַּרְסָ֗ה
(parsa)
een hoef
וְשֹׁסַ֤עַת
(veshosaat)
en dat splitst
שֶׁ֨סַע֙
(shesa)
een spleet
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
פְרָס֔וֹת
(perasot)
hoeven
מַעֲלַ֥ת
(maalat)
dat opbrengt
גֵּרָ֖ה
(gera)
herkauwing
בַּבְּהֵמָ֑ה
(babehema)
onder het landdier
אֹתָ֖הּ
(otah)
het
תֹּאכֵֽלוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Maar van de dieren die herkauwen of een gespleten hoef hebben, mogen jullie deze niet eten: de kameel, de haas en de klipdas. Want zij herkauwen wel, maar hun hoef is niet gespleten; zij zijn onrein voor jullie.
אַ֣ךְ
(akh)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֞ה
(ze)
dit
לֹ֤א
(lo)
niet
תֹֽאכְלוּ֙
(tokhlu)
jullie mogen eten
מִמַּֽעֲלֵ֣י
(mimaalei)
van hen die opbrengen
הַגֵּרָ֔ה
(hagera)
de herkauwing
וּמִמַּפְרִיסֵ֥י
(umimafrisei)
en van hen die splijten
הַפַּרְסָ֖ה
(haparsa)
de hoef
הַשְּׁסוּעָ֑ה
(hashesua)
de gespleten
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַ֠גָּמָל
(hagamal)
de kameel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַרְנֶ֨בֶת
(haarnevet)
de haas
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשָּׁפָ֜ן
(hashafan)
de klipdas
כִּֽי
(ki)
want
מַעֲלֵ֧ה
(maale)
opbrengend
גֵרָ֣ה
(gera)
herkauwing
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
וּפַרְסָה֙
(ufarsa)
en hoef
לֹ֣א
(lo)
niet
הִפְרִ֔יסוּ
(hifrisu)
zij splijten
טְמֵאִ֥ים
(temeim)
onrein
הֵ֖ם
(hem)
zij
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier staan de drie dieren die één kenmerk hebben (herkauwen, geen gespleten hoef) in andere volgorde dan in Lev. 11:4–6: kameel, haas, klipdas.

Wij vertalen zoals in Leviticus: גָּמָל (gamal), ‘kameel’; אַרְנֶבֶת (arnevet), ‘haas’; שָׁפָן (shafan), ‘klipdas’.

8Ook het varken, want het heeft wel een gespleten hoef, maar het herkauwt niet; het is onrein voor jullie. Van hun vlees mogen jullie niet eten en hun kadaver mogen jullie niet aanraken.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֠חֲזִיר
(hachazir)
het varken
כִּֽי
(ki)
want
מַפְרִ֨יס
(mafris)
splijtend
פַּרְסָ֥ה
(parsa)
hoef
הוּא֙
(hu)
het
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
גֵרָ֔ה
(gera)
herkauwing
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
ה֖וּא
(hu)
het
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
מִבְּשָׂרָם֙
(mibesaram)
van hun vlees
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכֵ֔לוּ
(tokhelu)
jullie zullen eten
וּבְנִבְלָתָ֖ם
(uvenivlatam)
en hun kadaver
לֹ֥א
(lo)
niet
תִגָּֽעוּ
(tigau)
jullie zullen aanraken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het varken heeft het andere kenmerk: wel een gespleten hoef, niet herkauwen (Lev. 11:7–8).

נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’.

9Dit mogen jullie eten van alles wat in het water is: alles wat vinnen en schubben heeft, dat mogen jullie eten.
אֶת
(et)
(obj.)
זֶה֙
(ze)
dit
תֹּֽאכְל֔וּ
(tokhlu)
jullie mogen eten
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
in het water
כֹּ֧ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
סְנַפִּ֥יר
(senapir)
vin
וְקַשְׂקֶ֖שֶׂת
(veqasqeset)
en schub
תֹּאכֵֽלוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Maar alles wat geen vinnen en schubben heeft, mogen jullie niet eten; het is onrein voor jullie.
וְכֹ֨ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
wat
אֵֽין
(ein)
niet is
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
סְנַפִּ֥יר
(senapir)
vin
וְקַשְׂקֶ֖שֶׂת
(veqasqeset)
en schub
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכֵ֑לוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
ה֖וּא
(hu)
het
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In Lev. 11:10–12 heten de dieren zonder vinnen en schubben ‘afschuwelijk’ (sheqets); hier staat alleen ‘onrein’.

11Elke reine vogel mogen jullie eten.
כָּל
(kal)
elke
צִפּ֥וֹר
(tsipor)
vogel
טְהֹרָ֖ה
(tehora)
rein
תֹּאכֵֽלוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Dit zijn degenen onder hen die jullie niet mogen eten: de arend, de lammergier en de zwarte gier,
וְזֶ֕ה
(veze)
en dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לֹֽא
(lo)
niet
תֹאכְל֖וּ
(tokhlu)
jullie mogen eten
מֵהֶ֑ם
(mehem)
van hen
הַנֶּ֥שֶׁר
(hanesher)
de arend
וְהַפֶּ֖רֶס
(vehaperes)
en de lammergier
וְהָֽעָזְנִיָּֽה
(vehaazeniya)
en de zwarte gier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de vogels (vers 12–18) zijn deels onzeker; wij volgen de weergave van Lev. 11:13–19.

נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’; פֶּרֶס (peres), ‘lammergier’; עָזְנִיָּה (ozniyyah), ‘zwarte gier’.

13de wouw, de valk en de zwarte wouw naar hun soort,
וְהָרָאָה֙
(veharaa)
en de wouw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֣אַיָּ֔ה
(haaya)
de valk
וְהַדַּיָּ֖ה
(vehadaya)
en de zwarte wouw
לְמִינָֽהּ
(leminah)
naar haar soort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers heeft drie namen: רָאָה (ra’ah), ‘wouw’; אַיָּה (ayyah), ‘valk’; דַּיָּה (dayyah), ‘zwarte wouw’.

In Lev. 11:14 staan alleen דָּאָה (da’ah), ‘wouw’, en ayyah.

Wij nemen aan dat ra’ah en da’ah dezelfde vogel zijn.

De weergave van dayyah is onzeker.

Zie ookLev 11:14
14elke raaf naar zijn soort,
וְאֵ֥ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
elke
עֹרֵ֖ב
(orev)
raaf
לְמִינֽוֹ
(lemino)
naar zijn soort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15de struisvogel, de nachtzwaluw, de meeuw en de havik naar zijn soort,
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
בַּ֣ת
(bat)
dochter van
הַֽיַּעֲנָ֔ה
(hayaana)
de struis
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתַּחְמָ֖ס
(hatachmas)
de nachtzwaluw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשָּׁ֑חַף
(hashachaf)
de meeuw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנֵּ֖ץ
(hanets)
de havik
לְמִינֵֽהוּ
(leminehu)
naar zijn soort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJob 30:29
16het steenuiltje, de ooruil en de purperkoet,
אֶת
(et)
(obj.)
הַכּ֥וֹס
(hakos)
het steenuiltje
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיַּנְשׁ֖וּף
(hayanshuf)
de ooruil
וְהַתִּנְשָֽׁמֶת
(vehatinshamet)
en de purperkoet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּנְשֶׁמֶת (tinshemet), ‘purperkoet’, zoals in Lev. 11:18.

Hier staat deze vogel naast het steenuiltje en de ooruil.

Zie ookLev 11:18
17de pelikaan, de aasgier en de aalscholver,
וְהַקָּאָ֥ת
(vehaqaat)
en de pelikaan
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
הָרָחָ֖מָה
(harachama)
de aasgier
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשָּׁלָֽךְ
(hashalakh)
de aalscholver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָאָת (qa’at), ‘pelikaan’; רָחָם (racham), ‘aasgier’; שָׁלָךְ (shalakh), ‘aalscholver’.

In Lev. 11:17–18 staat dezelfde groep in andere volgorde.

18de ooievaar, de reiger naar zijn soort, de hop en de vleermuis.
וְהַ֣חֲסִידָ֔ה
(vehachasida)
en de ooievaar
וְהָאֲנָפָ֖ה
(vehaanafa)
en de reiger
לְמִינָ֑הּ
(leminah)
naar haar soort
וְהַדּוּכִיפַ֖ת
(vehadukhifat)
en de hop
וְהָעֲטַלֵּֽף
(vehaatalef)
en de vleermuis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Alle gevleugelde wemelende dieren zijn onrein voor jullie; ze mogen niet gegeten worden.
וְכֹל֙
(vekhol)
en alle
שֶׁ֣רֶץ
(sherets)
wemelend dier van
הָע֔וֹף
(haof)
het gevleugelde
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
ה֖וּא
(hu)
het is
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
לֹ֖א
(lo)
niet
יֵאָכֵֽלוּ
(yeakhelu)
zij mogen gegeten worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁרֶץ הָעוֹף (sheretz ha’of), ‘gevleugelde wemelende dieren’: zoals in Lev. 11:20–23.

Anders dan in Leviticus wordt hier de uitzondering van de sprinkhanen niet genoemd.

20Elke reine vogel mogen jullie eten.
כָּל
(kal)
elke
ע֥וֹף
(of)
vogel
טָה֖וֹר
(tahor)
rein
תֹּאכֵֽלוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Je mag geen kadaver eten. Je mag het geven aan de vreemdeling die binnen je poorten is, zodat hij het eet, of je mag het verkopen aan een buitenlander. Want jij bent een heilig volk voor Yahweh, je Elohim. Je mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכְל֣וּ
(tokhlu)
jullie mogen eten
כָל
(kal)
elk
נְ֠בֵלָה
(nevela)
kadaver
לַגֵּ֨ר
(lager)
aan de vreemdeling
אֲשֶׁר
(asher)
die
בִּשְׁעָרֶ֜יךָ
(bishareikha)
binnen je poorten
תִּתְּנֶ֣נָּה
(titenena)
je mag het geven
וַאֲכָלָ֗הּ
(vaakhalah)
en hij zal het eten
א֤וֹ
(o)
of
מָכֹר֙
(makhor)
verkoop
לְנָכְרִ֔י
(lenakheri)
aan een buitenlander
כִּ֣י
(ki)
want
עַ֤ם
(am)
volk
קָדוֹשׁ֙
(qadosh)
heilig
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לֹֽא
(lo)
niet
תְבַשֵּׁ֥ל
(tevashel)
je zult koken
גְּדִ֖י
(gedi)
een bokje
בַּחֲלֵ֥ב
(bachalev)
in de melk van
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’: een dier dat uit zichzelf gestorven is.

Voor Israël zelf maakt het eten ervan onrein (Lev. 11:39–40; Lev. 17:15); hier mag het aan een vreemdeling gegeven worden.

נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand die niet bij het volk hoort en er niet woont.

Het verbod ‘een bokje niet koken in de melk van zijn moeder’ staat ook in Exod. 23:19 en Exod. 34:26.

De tiende

22Je moet zeker de tiende geven van heel de opbrengst van wat je zaait, wat jaar na jaar uit het veld komt.
עַשֵּׂ֣ר
(aser)
tienden geven
תְּעַשֵּׂ֔ר
(teaser)
je zult tienden geven
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
תְּבוּאַ֣ת
(tevuat)
de opbrengst van
זַרְעֶ֑ךָ
(zarekha)
je zaad
הַיֹּצֵ֥א
(hayotse)
wat uitkomt
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
שָׁנָ֥ה
(shana)
jaar
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’: een tiende deel van de opbrengst.

עַשֵּׂר תְּעַשֵּׂר (asser te’asser), ‘je moet zeker de tiende geven’.

23Je moet eten voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, op de plaats die Hij kiest om Zijn naam daar te laten wonen. De tiende van je graan, je nieuwe wijn en je olie, en de eerstgeborenen van je runderen en je kleinvee. Zo leer je alle dagen Yahweh, je Elohim, te vrezen.
וְאָכַלְתָּ֞
(veakhalta)
en je zult eten
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בַּמָּק֣וֹם
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִבְחַר֮
(yivchar)
Hij zal kiezen
לְשַׁכֵּ֣ן
(leshaken)
om te laten wonen
שְׁמ֣וֹ
(shemo)
Zijn naam
שָׁם֒
(sham)
daar
מַעְשַׂ֤ר
(masar)
de tiende van
דְּגָֽנְךָ֙
(deganekha)
je graan
תִּֽירֹשְׁךָ֣
(tiroshekha)
je nieuwe wijn
וְיִצְהָרֶ֔ךָ
(veyitsharekha)
en je olie
וּבְכֹרֹ֥ת
(uvekhorot)
en de eerstgeborenen van
בְּקָרְךָ֖
(beqarekha)
je runderen
וְצֹאנֶ֑ךָ
(vetsonekha)
en je kleinvee
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תִּלְמַ֗ד
(tilmad)
je leert
לְיִרְאָ֛ה
(leyira)
te vrezen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘nieuwe wijn’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’ (vers gewonnen olijfolie).

לְשַׁכֵּן שְׁמוֹ (leshakken shemo), ‘Zijn naam laten wonen’: Yahweh woont met Zijn naam op de plaats die Hij kiest.

24Als de weg te lang voor je is en je het niet kunt dragen. Omdat de plaats ver van je is die Yahweh, je Elohim, kiest om Zijn naam daar te stellen, wanneer Yahweh, je Elohim, je zegent,
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יִרְבֶּ֨ה
(yirbe)
zal groot zijn
מִמְּךָ֜
(mimekha)
voor jou
הַדֶּ֗רֶךְ
(haderekh)
de weg
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֣א
(lo)
niet
תוּכַ֘ל
(tukhal)
je kunt
שְׂאֵתוֹ֒
(seeto)
het dragen
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִרְחַ֤ק
(yirchaq)
het ver is
מִמְּךָ֙
(mimekha)
van jou
הַמָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יִבְחַר֙
(yivchar)
Hij zal kiezen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לָשׂ֥וּם
(lasum)
om te stellen
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
Zijn naam
שָׁ֑ם
(sham)
daar
כִּ֥י
(ki)
wanneer
יְבָרֶכְךָ֖
(yevarekhkha)
Hij zegent jou
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: de oogst naar de plaats brengen.

לָשׂוּם שְׁמוֹ (lasum shemo), ‘Zijn naam stellen’: dezelfde gedachte als ‘laten wonen’ in vers 23.

25Dan moet je het voor geld ruilen, het geld in je hand vastbinden en gaan naar de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest.
וְנָתַתָּ֖ה
(venatata)
dan zul je geven
בַּכָּ֑סֶף
(bakasef)
voor geld
וְצַרְתָּ֤
(vetsarta)
en je zult binden
הַכֶּ֨סֶף֙
(hakesef)
het geld
בְּיָ֣דְךָ֔
(beyadekha)
in je hand
וְהָֽלַכְתָּ֙
(vehalakhta)
en je zult gaan
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִבְחַ֛ר
(yivchar)
Hij zal kiezen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בּֽוֹ
(bo)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנָתַתָּ בַּכָּסֶף (venatatta bakesef), letterlijk ‘geef het voor geld’: de oogst wordt voor geld ingeruild.

צָרַר (tsarar), ‘vastbinden’: het geld wordt in een doek of zak gebonden en in de hand gehouden.

26Geef het geld uit aan alles waar je naar verlangt: runderen, kleinvee, wijn, sterke drank en alles wat je maar vraagt. Eet daar voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, en verheug je, jij en je huishouden.
וְנָתַתָּ֣ה
(venatata)
en je zult geven
הַכֶּ֡סֶף
(hakesef)
het geld
בְּכֹל֩
(bekhol)
voor alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תְּאַוֶּ֨ה
(teave)
verlangt
נַפְשְׁךָ֜
(nafshekha)
je ziel
בַּבָּקָ֣ר
(babaqar)
voor runderen
וּבַצֹּ֗אן
(uvatson)
en voor kleinvee
וּבַיַּ֨יִן֙
(uvayayin)
en voor wijn
וּבַשֵּׁכָ֔ר
(uvashekhar)
en voor sterke drank
וּבְכֹ֛ל
(uvekhol)
en voor alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תִּֽשְׁאָלְךָ֖
(tishalekha)
zal vragen van jou
נַפְשֶׁ֑ךָ
(nafshekha)
je ziel
וְאָכַ֣לְתָּ
(veakhalta)
en je zult eten
שָּׁ֗ם
(sham)
daar
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וְשָׂמַחְתָּ֖
(vesamachta)
en je zult je verheugen
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
וּבֵיתֶֽךָ
(uveitekha)
en je huishouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּאַוֶּה נַפְשֶׁךָ (te’aweh nafshekha), letterlijk ‘wat je ziel verlangt’.

שֵׁכָר (shekhar), ‘sterke drank’, zoals in Lev. 10:9.

27De Leviet die binnen je poorten is, mag je niet verlaten, want hij heeft geen deel en geen erfdeel bij je.
וְהַלֵּוִ֥י
(vehalevi)
en de Leviet
אֲשֶׁר
(asher)
die
בִּשְׁעָרֶ֖יךָ
(bishareikha)
binnen je poorten
לֹ֣א
(lo)
niet
תַֽעַזְבֶ֑נּוּ
(taazvenu)
je zult hem verlaten
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
חֵ֥לֶק
(cheleq)
deel
וְנַחֲלָ֖ה
(venachala)
en erfdeel
עִמָּֽךְ
(imakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: een stuk land als bezit.

De Levieten krijgen geen eigen land; zij leven van de tienden en de offers.

De tiende in het derde jaar

28Aan het einde van drie jaar moet je de hele tiende van je opbrengst van dat jaar naar buiten brengen. En je moet die neerleggen binnen je poorten.
מִקְצֵ֣ה
(miqtse)
aan het einde van
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֗ים
(shanim)
jaren
תּוֹצִיא֙
(totsi)
je zult brengen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
מַעְשַׂר֙
(masar)
de tiende van
תְּבוּאָ֣תְךָ֔
(tevuatekha)
je opbrengst
בַּשָּׁנָ֖ה
(bashana)
in het jaar
הַהִ֑וא
(hahi)
dat
וְהִנַּחְתָּ֖
(vehinachta)
en je zult neerleggen
בִּשְׁעָרֶֽיךָ
(bishareikha)
binnen je poorten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het derde jaar blijft de tiende in de eigen stad; hij is dan voor de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe (vers 29).

29Dan komt de Leviet, die geen deel en geen erfdeel bij je heeft. En ook de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen je poorten zijn. Zij eten en worden verzadigd, zodat Yahweh, je Elohim, je zegent in al het werk van je hand dat je doet.
וּבָ֣א
(uva)
en hij zal komen
הַלֵּוִ֡י
(halevi)
de Leviet
כִּ֣י
(ki)
want
אֵֽין
(ein)
niet is
לוֹ֩
(lo)
aan hem
חֵ֨לֶק
(cheleq)
deel
וְנַחֲלָ֜ה
(venachala)
en erfdeel
עִמָּ֗ךְ
(imakh)
met jou
וְ֠הַגֵּר
(vehager)
en de vreemdeling
וְהַיָּת֤וֹם
(vehayatom)
en de wees
וְהָֽאַלְמָנָה֙
(vehaalmana)
en de weduwe
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בִּשְׁעָרֶ֔יךָ
(bishareikha)
binnen je poorten
וְאָכְל֖וּ
(veakhelu)
en zij zullen eten
וְשָׂבֵ֑עוּ
(vesaveu)
en zij zullen verzadigd worden
לְמַ֤עַן
(lemaan)
opdat
יְבָרֶכְךָ֙
(yevarekhkha)
Hij zegent jou
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּכָל
(bekhal)
in alle
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
יָדְךָ֖
(yadekha)
je hand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
תַּעֲשֶֽׂה
(taase)
je doet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)