Elohim Bijbel

Jeremia 14

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De droogte, het gebed van het volk en Yahweh's antwoord over de valse profeten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De droogte

1Het woord van Yahweh dat tot Jeremia kwam over de droogte.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הָיָ֤ה
(haya)
was
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
עַל
(al)
over
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de zaken van
הַבַּצָּרֽוֹת
(habatsarot)
de droogtes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַבַּצָּרוֹת (batsarot), ‘droogtes’: een woord in het meervoud, dat langdurige droogte aanduidt.

Het woord דִּבְרֵי (divrei) betekent ‘woorden’ of ‘zaken’.

Dit vers opent het gedeelte over de droogte.

Zie ookJer 17:8
2Juda treurt en zijn poorten kwijnen weg. Zij zitten in rouw op de grond. Het gejammer van Jeruzalem stijgt op.
אָבְלָ֣ה
(avela)
treurt
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּשְׁעָרֶ֥יהָ
(usheareiha)
en haar poorten
אֻמְלְל֖וּ
(umlelu)
kwijnen weg
קָדְר֣וּ
(qaderu)
zijn in rouw
לָאָ֑רֶץ
(laarets)
op de grond
וְצִוְחַ֥ת
(vetsivchat)
en het gejammer van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
עָלָֽתָה
(alata)
stijgt op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וְצִוְחַת (tsevachat), ‘gejammer’: een luide kreet van wanhoop.

De poorten zijn de plaats van recht en handel; dat zij ‘kwijnen’ betekent dat het leven in de stad stilvalt.

3Hun edelen sturen hun jongeren naar het water. Zij komen bij de putten, maar vinden geen water. Zij keren terug met lege vaten. Beschaamd en vernederd bedekken zij hun hoofd.
וְאַדִּ֣רֵיהֶ֔ם
(veadireihem)
en hun edelen
שָׁלְח֥וּ
(shalechu)
sturen
צְעִירֵיהֶ֖ם
(tseireihem)
hun jongeren
לַמָּ֑יִם
(lamayim)
naar water
בָּ֣אוּ
(bau)
zij komen
עַל
(al)
bij
גֵּבִ֞ים
(gevim)
putten
לֹא
(lo)
niet
מָ֣צְאוּ
(matseu)
vinden zij
מַ֗יִם
(mayim)
water
שָׁ֤בוּ
(shavu)
zij keren terug
כְלֵיהֶם֙
(keleihem)
hun vaten
רֵיקָ֔ם
(reiqam)
leeg
בֹּ֥שׁוּ
(boshu)
zij zijn beschaamd
וְהָכְלְמ֖וּ
(vehakhelemu)
en vernederd
וְחָפ֥וּ
(vechafu)
en bedekken
רֹאשָֽׁם
(rosham)
hun hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּבִים (gevim), ‘putten’: kuilen of regenbakken waarin regenwater werd opgevangen.

4Vanwege de grond, die gebarsten is omdat er geen regen in het land was, zijn de landbouwers beschaamd. Zij bedekken hun hoofd.
בַּעֲב֤וּר
(baavur)
vanwege
הָאֲדָמָה֙
(haadama)
de grond
חַ֔תָּה
(chata)
is gebarsten
כִּ֛י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
הָיָ֥ה
(haya)
was
גֶ֖שֶׁם
(geshem)
regen
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
בֹּ֥שׁוּ
(boshu)
zijn beschaamd
אִכָּרִ֖ים
(ikarim)
landbouwers
חָפ֥וּ
(chafu)
zij bedekken
רֹאשָֽׁם
(rosham)
hun hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַתָּה (chattah), ‘is gebarsten’: het werkwoord betekent letterlijk ‘is ontzet, is gebroken’.

Droge aarde barst open.

Wij vertalen ‘gebarsten’.

5Zelfs de hinde in het veld werpt haar jong en laat het achter, want er is geen gras.
כִּ֤י
(ki)
want
גַם
(gam)
zelfs
אַיֶּ֨לֶת֙
(ayelet)
de hinde
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
יָלְדָ֖ה
(yaleda)
werpt
וְעָז֑וֹב
(veazov)
en verlaat het
כִּ֥י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֖ה
(haya)
was
דֶּֽשֶׁא
(deshe)
gras
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De wilde ezels staan op de kale heuvels en snuiven de wind op als jakhalzen. Hun ogen kwijnen weg, want er is geen groen.
וּפְרָאִים֙
(uferaim)
en wilde ezels
עָמְד֣וּ
(amedu)
staan
עַל
(al)
op
שְׁפָיִ֔ם
(shefayim)
kale heuvels
שָׁאֲפ֥וּ
(shaafu)
snuiven
ר֖וּחַ
(ruach)
wind
כַּתַּנִּ֑ים
(katanim)
als jakhalzen
כָּל֥וּ
(kalu)
kwijnen weg
עֵינֵיהֶ֖ם
(eineihem)
hun ogen
כִּי
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
er is geen
עֵֽשֶׂב
(esev)
groen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּתַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’: wilde honden die in de woestijn leven.

Het woord kan ook andere woestijndieren aanduiden.

שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: zoals in Jer. 3:2 en 12:12.

Het gebed van het volk

7Als onze schuld tegen ons getuigt, Yahweh, handel dan omwille van Uw naam. Want onze afvalligheden zijn talrijk. Tegen U hebben wij gezondigd.
אִם
(im)
als
עֲוֺנֵ֨ינוּ֙
(avoneinu)
onze schuld
עָ֣נוּ
(anu)
getuigen
בָ֔נוּ
(banu)
tegen ons
יְהוָ֕ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲשֵׂ֖ה
(ase)
handel
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמֶ֑ךָ
(shemekha)
Uw naam
כִּֽי
(ki)
want
רַבּ֥וּ
(rabu)
zijn talrijk
מְשׁוּבֹתֵ֖ינוּ
(meshuvoteinu)
onze afvalligheden
לְךָ֥
(lekha)
tegen U
חָטָֽאנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשׁוּבֹתֵינוּ (meshuvoteinu), ‘onze afvalligheden’: letterlijk ‘ons terugwijken’, het zich afkeren van Yahweh.

Zie ook Jer. 2:19.

עָנוּ בָנוּ (anu vanu), ‘getuigen tegen ons’: het woord heeft de betekenis van een getuigenis voor de rechter.

8Hoop van Israël, zijn Redder in de tijd van nood! Waarom bent U als een vreemdeling in het land, als een reiziger die zich keert om te overnachten?
מִקְוֵה֙
(miqve)
hoop van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מֽוֹשִׁיע֖וֹ
(moshio)
zijn Redder
בְּעֵ֣ת
(beet)
in de tijd van
צָרָ֑ה
(tsara)
nood
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
תִֽהְיֶה֙
(tihye)
bent U
כְּגֵ֣ר
(keger)
als een vreemdeling
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וּכְאֹרֵ֖חַ
(ukheoreach)
en als een reiziger
נָטָ֥ה
(nata)
die zich keert
לָלֽוּן
(lalun)
om te overnachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְוֵה יִשְׂרָאֵל (miqveh Yisra’el), ‘Hoop van Israël’: een naam voor Yahweh.

Zie ook Jer. 17:13.

מוֹשִׁיעוֹ (moshi’o), ‘zijn Redder’: de stam ישע (yasha) betekent ‘redden’.

9Waarom bent U als een verbijsterde man, als een held die niet kan redden? En U bent in ons midden, Yahweh, en Uw naam is over ons uitgeroepen. Laat ons niet achter.
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
תִֽהְיֶה֙
(tihye)
bent U
כְּאִ֣ישׁ
(keish)
als een man
נִדְהָ֔ם
(nidham)
verbijsterd
כְּגִבּ֖וֹר
(kegibor)
als een held
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֣ל
(yukhal)
kan
לְהוֹשִׁ֑יעַ
(lehoshia)
redden
וְאַתָּ֧ה
(veata)
en U
בְקִרְבֵּ֣נוּ
(beqirbenu)
in ons midden
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשִׁמְךָ֛
(veshimkha)
en Uw naam
עָלֵ֥ינוּ
(aleinu)
over ons
נִקְרָ֖א
(niqra)
is uitgeroepen
אַל
(al)
niet
תַּנִּחֵֽנוּ
(tanichenu)
laat ons achter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִדְהָם (nidham), ‘verbijsterd’: dit woord komt alleen hier voor.

Het betekent ‘iemand die door schrik verstijfd is’.

‘Uw naam is over ons uitgeroepen’: wij horen bij U. Zie ook Deut. 28:10.

Yahweh wijst het gebed af

10Zo zegt Yahweh tegen dit volk: „Zo graag zwierven zij rond. Zij hielden hun voeten niet in. En Yahweh heeft geen behagen in hen. Nu gedenkt Hij hun schuld en straft Hij hun zonden.”
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לָעָ֣ם
(laam)
tegen het volk
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
כֵּ֤ן
(ken)
zo
אָֽהֲבוּ֙
(ahavu)
zij hielden ervan
לָנ֔וּעַ
(lanua)
te zwerven
רַגְלֵיהֶ֖ם
(ragleihem)
hun voeten
לֹ֣א
(lo)
niet
חָשָׂ֑כוּ
(chasakhu)
hielden zij in
וַיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
רָצָ֔ם
(ratsam)
heeft behagen in hen
עַתָּה֙
(ata)
nu
יִזְכֹּ֣ר
(yizkor)
gedenkt Hij
עֲוֺנָ֔ם
(avonam)
hun schuld
וְיִפְקֹ֖ד
(veyifqod)
en straft Hij
חַטֹּאתָֽם
(chatotam)
hun zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers staat zwart: Yahweh wordt er in de derde persoon genoemd (‘En Yahweh heeft geen behagen in hen’).

אָהֲבוּ לָנוּעַ (ahavu lanua), ‘zij hielden ervan te zwerven’: ze zochten andere goden en bondgenoten in plaats van Yahweh.

11Yahweh zei tegen mij: „Bid niet voor het welzijn van dit volk.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
tegen mij
אַל
(al)
niet
תִּתְפַּלֵּ֛ל
(titpalel)
bid
בְּעַד
(bead)
voor
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
לְטוֹבָֽה
(letova)
voor het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Jer. 11:14, waar Yahweh Jeremia ook verbiedt voor het volk te bidden.

12Wanneer zij vasten, luister Ik niet naar hun roep. Wanneer zij brandoffer en graanoffer brengen, heb Ik geen behagen in hen. Want Ik maak een einde aan hen, met het zwaard, met honger en met pest.”
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יָצֻ֗מוּ
(yatsumu)
zij vasten
אֵינֶ֤נִּי
(eineni)
Ik ben niet
שֹׁמֵ֨עַ֙
(shomea)
horend
אֶל
(el)
naar
רִנָּתָ֔ם
(rinatam)
hun roep
וְכִ֧י
(vekhi)
en wanneer
יַעֲל֛וּ
(yaalu)
zij brengen op
עֹלָ֥ה
(ola)
brandoffer
וּמִנְחָ֖ה
(umincha)
en graanoffer
אֵינֶ֣נִּי
(eineni)
Ik ben niet
רֹצָ֑ם
(rotsam)
behagend in hen
כִּ֗י
(ki)
want
בַּחֶ֨רֶב֙
(bacherev)
met het zwaard
וּבָרָעָ֣ב
(uvaraav)
en met honger
וּבַדֶּ֔בֶר
(uvadever)
en met pest
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
מְכַלֶּ֥ה
(mekhale)
maak een einde aan
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּבַדֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich snel verspreidt.

Zwaard, honger en pest worden in Jeremia vaak samen genoemd.

רִנָּתָם (rinnatam), ‘hun roep’: zie Jer. 11:14.

De valse profeten

13Ik zei: „Ach, Heer Yahweh! Zie, de profeten zeggen tegen hen: ‘Jullie zullen geen zwaard zien en er zal geen honger voor jullie zijn. Want Ik geef jullie ware vrede op deze plaats.’”
וָאֹמַ֞ר
(vaomar)
en ik zei
אֲהָ֣הּ
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
הַנְּבִאִ֜ים
(haneviim)
de profeten
אֹמְרִ֤ים
(omerim)
zeggen
לָהֶם֙
(lahem)
tegen hen
לֹֽא
(lo)
niet
תִרְא֣וּ
(tiru)
zullen jullie zien
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וְרָעָ֖ב
(veraav)
en honger
לֹֽא
(lo)
niet
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
כִּֽי
(ki)
want
שְׁל֤וֹם
(shelom)
vrede van
אֱמֶת֙
(emet)
waarheid
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal Ik geven
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
בַּמָּק֖וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲהָהּ אֲדֹנָי יְהוִה (ahah Adonai Yahweh), ‘Ach, Heer Yahweh’: ahah is een kreet van schrik of pijn.

Zie Jer. 1:6 voor de uitleg bij ‘Heer Yahweh’.

De profeten spreken alsof Yahweh het zegt; daarom staat ‘Ik’ met een hoofdletter.

אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: hier ‘ware, blijvende’ vrede.

14Yahweh zei tegen mij: „Leugen profeteren de profeten in Mijn naam. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hen niets geboden en Ik heb niet tot hen gesproken. Een leugenachtig visioen, waarzeggerij, een nietigheid en het bedrog van hun eigen hart: dat profeteren zij jullie.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
שֶׁ֚קֶר
(sheqer)
leugen
הַנְּבִאִים֙
(haneviim)
de profeten
נִבְּאִ֣ים
(nibeim)
profeteren
בִּשְׁמִ֔י
(bishmi)
in Mijn naam
לֹ֤א
(lo)
niet
שְׁלַחְתִּים֙
(shelachtim)
heb Ik hen gezonden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
צִוִּיתִ֔ים
(tsivitim)
heb Ik hen geboden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
דִבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
heb Ik gesproken
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tot hen
חֲז֨וֹן
(chazon)
visioen van
שֶׁ֜קֶר
(sheqer)
leugen
וְקֶ֤סֶם
(veqesem)
en waarzeggerij
וֶֽאֱלִיל֙
(veelil)
en nietigheid
וְתַרְמִ֣ית
(vetarmit)
en bedrog van
לִבָּ֔ם
(libam)
hun hart
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
מִֽתְנַבְּאִ֥ים
(mitnabeim)
profeteren
לָכֶֽם
(lakhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וֶאֱלִיל (ve’elil), ‘en een nietigheid’: het woord betekent ‘nietig, waardeloos’.

Elders staat het in het meervoud voor de nietige goden (elilim).

Hier is het waarschijnlijk iets nietigs.

וְקֶסֶם (qesem), ‘waarzeggerij’: het raadplegen van tekens; zie Deut. 18:10.

Lezing

In de geschreven tekst staat ואלול (ve’elul); de overlevering leest וֶאֱלִיל (ve’elil), ‘en een nietigheid’.

In de geschreven tekst staat ותרמות (vetarmut); de overlevering leest וְתַרְמִית (vetarmit), ‘en bedrog’.

Wij volgen de lezing.

15Daarom, zo zegt Yahweh: „Over de profeten die in Mijn naam profeteren, terwijl Ik hen niet gezonden heb. Zij zeggen: ‘Zwaard en honger zullen er niet zijn in dit land.’ Door zwaard en honger zullen die profeten omkomen.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עַֽל
(al)
over
הַנְּבִאִ֞ים
(haneviim)
de profeten
הַנִּבְּאִ֣ים
(hanibeim)
die profeteren
בִּשְׁמִי֮
(bishmi)
in Mijn naam
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
לֹֽא
(lo)
niet
שְׁלַחְתִּים֒
(shelachtim)
heb hen gezonden
וְהֵ֨מָּה֙
(vehema)
en zij
אֹֽמְרִ֔ים
(omerim)
zeggen
חֶ֣רֶב
(cherev)
zwaard
וְרָעָ֔ב
(veraav)
en honger
לֹ֥א
(lo)
niet
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
בַּחֶ֤רֶב
(bacherev)
door zwaard
וּבָֽרָעָב֙
(uvaraav)
en door honger
יִתַּ֔מּוּ
(yitamu)
zullen omkomen
הַנְּבִאִ֖ים
(haneviim)
de profeten
הָהֵֽמָּה
(hahema)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De aanhef ‘Daarom, zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood.

16En het volk aan wie zij profeteren, zal in de straten van Jeruzalem liggen, neergeworpen door de honger en het zwaard. Er is niemand die hen begraaft, hen, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters. Zo stort Ik hun eigen kwaad over hen uit.”
וְהָעָ֣ם
(vehaam)
en het volk
אֲשֶׁר
(asher)
aan wie
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
נִבְּאִ֣ים
(nibeim)
profeteren
לָהֶ֡ם
(lahem)
hun
יִֽהְי֣וּ
(yihyu)
zullen zijn
מֻשְׁלָכִים֩
(mushlakhim)
neergeworpen
בְּחֻצ֨וֹת
(bechutsot)
in de straten van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
הָרָעָ֣ב
(haraav)
de honger
וְהַחֶ֗רֶב
(vehacherev)
en het zwaard
וְאֵ֤ין
(veein)
en er is niemand
מְקַבֵּר֙
(meqaber)
die begraaft
לָהֵ֔מָּה
(lahema)
hen
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
נְשֵׁיהֶ֔ם
(nesheihem)
hun vrouwen
וּבְנֵיהֶ֖ם
(uveneihem)
en hun zonen
וּבְנֹֽתֵיהֶ֑ם
(uvenoteihem)
en hun dochters
וְשָׁפַכְתִּ֥י
(veshafakhti)
en Ik stort uit
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
רָעָתָֽם
(raatam)
hun kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Jeremia's klaagzang

17„Zeg dit woord tegen hen:” „Mijn ogen stromen over van tranen, nacht en dag, en zij houden niet op. Want de maagd, de Dochter van mijn volk, is gebroken met een grote breuk, met een zeer pijnlijke slag.
וְאָמַרְתָּ֤
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tegen hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
תֵּרַ֨דְנָה
(teradna)
laat stromen
עֵינַ֥י
(einay)
mijn ogen
דִּמְעָ֛ה
(dima)
tranen
לַ֥יְלָה
(layla)
nacht
וְיוֹמָ֖ם
(veyomam)
en dag
וְאַל
(veal)
en niet
תִּדְמֶ֑ינָה
(tidmeina)
laten zij ophouden
כִּי֩
(ki)
want
שֶׁ֨בֶר
(shever)
breuk
גָּד֜וֹל
(gadol)
grote
נִשְׁבְּרָ֗ה
(nishbera)
is gebroken
בְּתוּלַת֙
(betulat)
de maagd
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
מַכָּ֖ה
(maka)
slag
נַחְלָ֥ה
(nachla)
pijnlijke
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De opdracht ‘Zeg dit woord tegen hen’ is van Yahweh en staat rood.

Wat Jeremia daarna zegt, staat zwart.

Het Hebreeuws zegt niet duidelijk of Yahweh of Jeremia hier schreit; vergelijk Jer. 8:23 (Hebreeuwse telling).

בְּתוּלַת בַּת עַמִּי (betulat bat ammi), ‘de maagd, de Dochter van mijn volk’: het volk als een jonge vrouw. ‘Dochter’ is hier een vaste naam, zoals ‘Dochter Sion’.

18Als ik het veld in ga, zie: doden door het zwaard. En als ik de stad binnenkom, zie: de ziekten van de honger. Ook profeet en priester trekken rond in een land dat zij niet kennen.”
אִם
(im)
als
יָצָ֣אתִי
(yatsati)
ik uitga
הַשָּׂדֶ֗ה
(hasade)
naar het veld
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
חַלְלֵי
(challei)
doorboorden van
חֶ֔רֶב
(cherev)
het zwaard
וְאִם֙
(veim)
en als
בָּ֣אתִי
(bati)
ik binnenkom
הָעִ֔יר
(hair)
in de stad
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
תַּחֲלוּאֵ֣י
(tachaluei)
ziekten van
רָעָ֑ב
(raav)
honger
כִּֽי
(ki)
want
גַם
(gam)
zowel
נָבִ֧יא
(navi)
profeet
גַם
(gam)
als
כֹּהֵ֛ן
(kohen)
priester
סָחֲר֥וּ
(sacharu)
trekken rond
אֶל
(el)
naar
אֶ֖רֶץ
(erets)
een land
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָדָֽעוּ
(yadau)
weten zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָחֲרוּ (sachru), ‘trekken rond’: het werkwoord betekent ‘rondtrekken’, ook ‘handeldrijven’.

De betekenis is onzeker.

Profeet en priester dwalen in een land dat zij niet kennen.

Het gebed om redding

19Hebt U Juda helemaal verworpen? Walgt Uw ziel van Sion? Waarom hebt U ons geslagen, zodat er voor ons geen genezing is? Wij hoopten op vrede, maar er is niets goeds. Wij hoopten op een tijd van genezing, maar zie: schrik.
הֲמָאֹ֨ס
(hamaos)
volledig verworpen
מָאַ֜סְתָּ
(maasta)
hebt U verworpen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אִם
(im)
of
בְּצִיּוֹן֙
(betsiyon)
Sion
גָּעֲלָ֣ה
(gaala)
walgt
נַפְשֶׁ֔ךָ
(nafshekha)
Uw ziel
מַדּ֨וּעַ֙
(madua)
waarom
הִכִּיתָ֔נוּ
(hikitanu)
hebt U ons geslagen
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
מַרְפֵּ֑א
(marpe)
genezing
קַוֵּ֤ה
(qave)
wij hopen
לְשָׁלוֹם֙
(leshalom)
op vrede
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niets
ט֔וֹב
(tov)
goeds
וּלְעֵ֥ת
(uleet)
en op een tijd van
מַרְפֵּ֖א
(marpe)
genezing
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
בְעָתָֽה
(beata)
schrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

גָּעֲלָה (ga’alah), ‘walgt’: een sterk woord voor afkeer.

Zie ook Lev. 26:11.

בְעָתָה (be’atah), ‘schrik’: plotselinge ontzetting.

20Wij erkennen onze goddeloosheid, Yahweh, de schuld van onze vaders. Want wij hebben tegen U gezondigd.
יָדַ֧עְנוּ
(yadanu)
wij erkennen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
רִשְׁעֵ֖נוּ
(rishenu)
onze goddeloosheid
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
אֲבוֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
כִּ֥י
(ki)
want
חָטָ֖אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לָֽךְ
(lakh)
tegen U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Versmaad ons niet, omwille van Uw naam. Onteer de troon van Uw heerlijkheid niet. Denk eraan en verbreek Uw verbond met ons niet.
אַל
(al)
niet
תִּנְאַץ֙
(tinats)
versmaad ons
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
שִׁמְךָ֔
(shimkha)
Uw naam
אַל
(al)
niet
תְּנַבֵּ֖ל
(tenabel)
onteer
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
כְבוֹדֶ֑ךָ
(kevodekha)
Uw heerlijkheid
זְכֹ֕ר
(zekhor)
denk eraan
אַל
(al)
niet
תָּפֵ֥ר
(tafer)
verbreek
בְּרִֽיתְךָ֖
(beritekha)
Uw verbond
אִתָּֽנוּ
(itanu)
met ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּסֵּא כְבוֹדֶךָ (kisse khevodekha), ‘de troon van Uw heerlijkheid’: Jeruzalem of de tempel; zie Jer. 17:12.

22Zijn er onder de nietigheden van de volken regenbrengers? Of geven de hemelen zelf regenbuien? Bent U het niet, Yahweh, onze Elohim? Wij hopen op U, want U hebt dit alles gemaakt.
הֲיֵ֨שׁ
(hayesh)
is er
בְּהַבְלֵ֤י
(behavlei)
onder de nietigheden van
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
מַגְשִׁמִ֔ים
(magshimim)
die regen geven
וְאִם
(veim)
of
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemelen
יִתְּנ֣וּ
(yitenu)
geven
רְבִבִ֑ים
(revivim)
regenbuien
הֲלֹ֨א
(halo)
niet
אַתָּה
(ata)
U
ה֜וּא
(hu)
bent het
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
וּ֨נְקַוֶּה
(uneqave)
en wij hopen
לָּ֔ךְ
(lakh)
op U
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֥ה
(ata)
U
עָשִׂ֖יתָ
(asita)
hebt gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֵֽלֶּה
(ele)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּהַבְלֵי (havlei), ‘de nietigheden van’: het woord בְּהַבְלֵי komt van הֶבֶל (hevel), ‘ademtocht, nietigheid’.

Het zijn de goden van de volken.

רְבִבִים (revivim), ‘regenbuien’: zoals in Deut. 32:2.