Jeremia's vraag over de goddelozen, Yahweh's antwoord en Zijn klacht over Zijn erfdeel
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Waarom gaat het de goddelozen goed?
1U bent rechtvaardig, Yahweh, wanneer ik een rechtszaak tegen U voer. Toch wil ik met U over het recht spreken. Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig? Waarom leven alle trouwbrekers zorgeloos?
צַדִּ֤יק
(tsadiq)
rechtvaardig
אַתָּה֙
(ata)
U bent
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
wanneer
אָרִ֖יב
(ariv)
ik een rechtszaak voer
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
tegen U
אַ֤ךְ
(akh)
toch
מִשְׁפָּטִים֙
(mishpatim)
rechtszaken
אֲדַבֵּ֣ר
(adaber)
zal ik spreken
אוֹתָ֔ךְ
(otakh)
met U
מַדּ֗וּעַ
(madua)
waarom
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
weg van
רְשָׁעִים֙
(reshaim)
goddelozen
צָלֵ֔חָה
(tsalecha)
is voorspoedig
שָׁל֖וּ
(shalu)
zijn zorgeloos
כָּל
(kal)
alle
בֹּ֥גְדֵי
(bogedei)
trouwbrekers
בָֽגֶד
(baged)
trouwbreuk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָרִיב (ariv), ‘ik voer een rechtszaak’: de stam ריב (riv) betekent ‘een rechtszaak voeren, twisten’.
Jeremia erkent dat Yahweh rechtvaardig is, maar legt Hem een vraag voor.
מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtszaken’: kwesties van recht. Dezelfde vraag staat in Job 21:7 en Hab. 1:13.
בֹּגְדֵי בָגֶד (bogedei voged), ‘trouwbrekers’: letterlijk ‘wie trouweloos handelen met trouweloosheid’. Het woord geeft nadruk.
2U hebt hen geplant, en zij hebben ook wortel geschoten. Zij groeien en brengen zelfs vrucht voort. U bent dichtbij in hun mond, maar ver van hun nieren.
נְטַעְתָּם֙
(netatam)
U hebt hen geplant
גַּם
(gam)
ook
שֹׁרָ֔שׁוּ
(shorashu)
zij hebben wortel geschoten
יֵלְכ֖וּ
(yelekhu)
zij gaan voort
גַּם
(gam)
ook
עָ֣שׂוּ
(asu)
zij maken
פֶ֑רִי
(peri)
vrucht
קָר֤וֹב
(qarov)
dichtbij
אַתָּה֙
(ata)
U
בְּפִיהֶ֔ם
(befihem)
in hun mond
וְרָח֖וֹק
(verachoq)
en ver
מִכִּלְיוֹתֵיהֶֽם
(mikilyoteihem)
van hun nieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִכִּלְיוֹתֵיהֶם (mikkilyoteihem), ‘van hun nieren’: de nieren zijn de plaats van het innerlijk.
Zie Jer. 11:20.
Zij spreken vroom, maar hun hart is ver van Yahweh.
3Maar U, Yahweh, kent mij. U ziet mij, en U toetst hoe mijn hart bij U is. Sleep hen weg als schapen voor de slacht. Zet hen apart voor de dag van het doden.
וְאַתָּ֤ה
(veata)
maar U
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יְדַעְתָּ֔נִי
(yedatani)
kent mij
תִּרְאֵ֕נִי
(tireni)
U ziet mij
וּבָחַנְתָּ֥
(uvachanta)
en U toetst
לִבִּ֖י
(libi)
mijn hart
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
bij U
הַתִּקֵם֙
(hatiqem)
sleep hen weg
כְּצֹ֣אן
(ketson)
als schapen
לְטִבְחָ֔ה
(letivcha)
voor de slacht
וְהַקְדִּשֵׁ֖ם
(vehaqdishem)
en zet hen apart
לְי֥וֹם
(leyom)
voor de dag van
הֲרֵגָֽה
(harega)
het doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Hoelang nog treurt het land en verdort het gras van heel het veld? Vanwege het kwaad van wie erin wonen zijn de dieren en de vogels weggevaagd. Want zij zeggen: „Hij zal ons einde niet zien.”
עַד
(ad)
tot
מָתַי֙
(matay)
wanneer
תֶּאֱבַ֣ל
(teeval)
treurt
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְעֵ֥שֶׂב
(veesev)
en gras van
כָּל
(kal)
heel
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
יִיבָ֑שׁ
(yivash)
verdort
מֵרָעַ֣ת
(meraat)
vanwege het kwaad van
יֹֽשְׁבֵי
(yoshevei)
de bewoners van
בָ֗הּ
(bah)
het
סָפְתָ֤ה
(safeta)
zijn weggevaagd
בְהֵמוֹת֙
(behemot)
dieren
וָע֔וֹף
(vaof)
en vogels
כִּ֣י
(ki)
want
אָמְר֔וּ
(ameru)
zij zeggen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִרְאֶ֖ה
(yire)
zal zien
אֶת
(et)
(obj.)
אַחֲרִיתֵֽנוּ
(acharitenu)
ons einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wie is ‘Hij’ in ‘Hij zal ons einde niet zien’?
Het kan Yahweh zijn (dan: Hij let niet op wat er met ons gebeurt) of Jeremia (dan: hij zal zien wat er met ons gebeurt).
Wij schrijven ‘Hij’ met een hoofdletter.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen hier ‘onze wegen’ in plaats van ‘ons einde’.
5„Als je met voetgangers hebt gerend en zij hebben je uitgeput, hoe kun je dan wedijveren met paarden? Je voelt je veilig in een land van vrede, maar hoe zul je het doen in het struikgewas van de Jordaan?
כִּ֣י
(ki)
als
אֶת
(et)
met
רַגְלִ֥ים
(raglim)
voetgangers
רַ֨צְתָּה֙
(ratsta)
je hebt gerend
וַיַּלְא֔וּךָ
(vayalukha)
en zij hebben je uitgeput
וְאֵ֥יךְ
(veeikh)
en hoe
תְּתַֽחֲרֶ֖ה
(tetachare)
kun je wedijveren
אֶת
(et)
met
הַסּוּסִ֑ים
(hasusim)
de paarden
וּבְאֶ֤רֶץ
(uveerets)
en in een land van
שָׁלוֹם֙
(shalom)
vrede
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
בוֹטֵ֔חַ
(boteach)
ben vertrouwend
וְאֵ֥יךְ
(veeikh)
en hoe
תַּעֲשֶׂ֖ה
(taase)
zul je doen
בִּגְא֥וֹן
(bigon)
in het struikgewas van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
בִּגְאוֹן הַיַּרְדֵּן (ge’on haYarden), ‘het struikgewas van de Jordaan’: het woord בִּגְאוֹן betekent ‘trots’ en wordt hier gebruikt voor de dichte begroeiing langs de rivier, waar leeuwen zich schuilhielden.
Zie ook Jer. 49:19 en Zach. 11:3.
Yahweh antwoordt Jeremia met een vraag: wie nu al uitgeput raakt, hoe houdt hij het later vol?
6Want ook je broers en het huis van je vader, ook zij hebben je verraden. Ook zij roepen luid achter je aan. Vertrouw hen niet, ook al spreken zij vriendelijke woorden tegen je.
כִּ֧י
(ki)
want
גַם
(gam)
ook
אַחֶ֣יךָ
(acheikha)
je broers
וּבֵית
(uveit)
en huis van
אָבִ֗יךָ
(avikha)
je vader
גַּם
(gam)
ook
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
בָּ֣גְדוּ
(bagedu)
hebben verraden
בָ֔ךְ
(bakh)
jou
גַּם
(gam)
ook
הֵ֛מָּה
(hema)
zij
קָרְא֥וּ
(qareu)
hebben geroepen
אַחֲרֶ֖יךָ
(achareikha)
achter je
מָלֵ֑א
(male)
vol
אַל
(al)
niet
תַּאֲמֵ֣ן
(taamen)
vertrouw
בָּ֔ם
(bam)
hen
כִּֽי
(ki)
want
יְדַבְּר֥וּ
(yedaberu)
zij spreken
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tegen je
טוֹבֽוֹת
(tovot)
goede dingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Over alle kale heuvels in de woestijn zijn verwoesters gekomen. Want het zwaard van Yahweh verslindt van het ene einde van het land tot het andere einde van het land. Er is geen vrede voor enig vlees.
עַֽל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
שְׁפָיִ֣ם
(shefayim)
kale heuvels
בַּמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
in de woestijn
בָּ֚אוּ
(bau)
zijn gekomen
שֹֽׁדְדִ֔ים
(shodedim)
verwoesters
כִּ֣י
(ki)
want
חֶ֤רֶב
(cherev)
zwaard
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
van Yahweh
אֹֽכְלָ֔ה
(okhela)
verslindt
מִקְצֵה
(miqtse)
van het einde van
אֶ֖רֶץ
(erets)
land
וְעַד
(vead)
en tot
קְצֵ֣ה
(qetse)
het einde van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
אֵ֥ין
(ein)
er is geen
שָׁל֖וֹם
(shalom)
vrede
לְכָל
(lekhal)
voor alle
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf vers 12 spreekt de profeet: Yahweh wordt in de derde persoon genoemd (‘het zwaard van Yahweh’).
Daarom staan vers 12 en 13 zwart.
בָּשָׂר (basar), ‘vlees’: een woord voor alle levende wezens. ‘Er is geen vrede voor enig vlees’ betekent dat niemand ontkomt.
שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: heuvels zonder begroeiing, vaak plaatsen van afgodsdienst; zie ook Jer. 3:2.
13Zij hebben tarwe gezaaid en doornen geoogst. Zij hebben zich afgemat, maar het heeft hun niets opgeleverd. Zij zullen zich schamen voor jullie opbrengsten, vanwege de brandende toorn van Yahweh.
זָרְע֤וּ
(zareu)
zij hebben gezaaid
חִטִּים֙
(chitim)
tarwe
וְקֹצִ֣ים
(veqotsim)
en doornen
קָצָ֔רוּ
(qatsaru)
zij hebben geoogst
נֶחְל֖וּ
(nechlu)
zij hebben zich uitgeput
לֹ֣א
(lo)
niet
יוֹעִ֑לוּ
(yoilu)
zal baten
וּבֹ֨שׁוּ֙
(uvoshu)
en zij zullen zich schamen
מִתְּבוּאֹ֣תֵיכֶ֔ם
(mitevuoteikhem)
voor jullie opbrengsten
מֵחֲר֖וֹן
(mecharon)
vanwege de gloed van
אַף
(af)
toorn van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws gaat hier over van ‘zij’ naar ‘jullie’: מִתְּבוּאֹתֵיכֶם (mitevu’atekhem), ‘voor jullie opbrengsten’.
14Zo zegt Yahweh: „Over al Mijn boze buren, die het erfdeel aantasten dat Ik Mijn volk Israël heb laten erven: zie, Ik ruk hen weg van hun grond. Ook het huis van Juda ruk Ik uit hun midden weg.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
שְׁכֵנַי֙
(shekhenay)
Mijn buren
הָֽרָעִ֔ים
(haraim)
de boze
הַנֹּֽגְעִים֙
(hanogeim)
die aantasten
בַּֽנַּחֲלָ֔ה
(banachala)
het erfdeel
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הִנְחַ֥לְתִּי
(hinchalti)
Ik heb laten erven
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Ik
נֹֽתְשָׁם֙
(notesham)
ruk hen uit
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
אַדְמָתָ֔ם
(admatam)
hun grond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
אֶתּ֥וֹשׁ
(etosh)
ruk Ik uit
מִתּוֹכָֽם
(mitokham)
uit hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁכֵנַי הָרָעִים (shekhenay hara’im), ‘Mijn boze buren’: de omringende volken die Juda aantasten.
Welke volken bedoeld zijn, noemt de tekst niet.
De aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood, ook ‘over al Mijn boze buren’.
15Maar het zal gebeuren: nadat Ik hen heb uitgerukt, zal Ik Mij weer over hen ontfermen. Ik zal hen terugbrengen, ieder naar zijn erfdeel en ieder naar zijn land.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
nadat
נָתְשִׁ֣י
(nateshi)
Ik heb uitgerukt
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
אָשׁ֖וּב
(ashuv)
zal Ik terugkeren
וְרִֽחַמְתִּ֑ים
(verichamtim)
en Ik zal Mij over hen ontfermen
וַהֲשִׁבֹתִ֛ים
(vahashivotim)
en Ik zal hen terugbrengen
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְנַחֲלָת֖וֹ
(lenachalato)
naar zijn erfdeel
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
לְאַרְצֽוֹ
(leartso)
naar zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְרִחַמְתִּים (verachamtim), ‘en Ik zal Mij over hen ontfermen’: de stam רחם (racham) hoort bij ‘schoot, baarmoeder’ (rechem) en betekent ‘zich ontfermen’.
Ook de volken die Yahweh uitrukt, krijgen een toekomst.
16Het zal gebeuren: als zij echt de wegen van Mijn volk leren en bij Mijn naam zweren, ‘Zo waar Yahweh leeft’, zoals zij Mijn volk hebben geleerd te zweren bij de Baäl, dan zullen zij midden in Mijn volk opgebouwd worden.
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
לָמֹ֣ד
(lamod)
leren
יִלְמְדוּ֩
(yilmedu)
zij zullen leren
אֶת
(et)
(obj.)
דַּֽרְכֵ֨י
(darkhei)
wegen van
עַמִּ֜י
(ami)
Mijn volk
לְהִשָּׁבֵ֤עַ
(lehishavea)
te zweren
בִּשְׁמִי֙
(bishmi)
bij Mijn naam
חַי
(chay)
leeft
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
לִמְּדוּ֙
(limedu)
zij leerden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
לְהִשָּׁבֵ֖עַ
(lehishavea)
te zweren
בַּבָּ֑עַל
(babaal)
bij de Baäl
וְנִבְנ֖וּ
(venivnu)
dan zullen zij gebouwd worden
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
עַמִּֽי
(ami)
Mijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּבָּעַל (baBa’al), ‘bij de Baäl’: het Hebreeuws heeft het lidwoord.
Zie Jer. 11:13.
Chai Yahweh, ‘zo waar Yahweh leeft’, is een vaste eedformule; zie bijvoorbeeld Richt. 8:19.