Filippenzen 3
Pas op voor wie op het vlees vertrouwt, winst wordt verlies om de Messias, jagen naar het doel en ons burgerschap
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Verheug jullie in de Heer
τὸ λοιπόν (to loipon), ‘verder’: letterlijk ‘het overige’. χαίρετε (chairete), ‘verheug jullie’: het Griekse woord is ook een gewone groet; wij kiezen ‘verheug jullie’ zoals in 4:4. ὀκνηρός (oknēros), ‘vervelend’: eigenlijk ‘traag, aarzelend’. ἀσφαλής (asfales), ‘zekerheid’: wat vastheid geeft.
De brief zegt niet welke dingen Paulus herhaalt.
Pas op voor de honden
κύων (kyon), ‘hond’: in de Bijbel vaak een scheldwoord, zie bijvoorbeeld 1 Sam. 17:43.
De brief noemt niet wie met ‘de honden’ en ‘de slechte werkers’ bedoeld worden. κατατομή (katatome), ‘verminking’: ‘wegsnijding’; het woord klinkt als περιτομή (peritome), ‘besnijdenis’, in het volgende vers.
Vergelijk Gal. 5:12.
Zie ook 1 Sam. 17:43; Gal. 5:12.
περιτομή (peritome), ‘besnijdenis’: de brief noemt hier de gemeente van de Messias ‘de besnijdenis’, wie Elohim in de Geest dient. λατρεύω (latreuo), ‘dienen’: de eredienst verrichten. καυχάομαι (kauchaomai), ‘roemen’. σάρξ (sarx), ‘vlees’: zoals in Galaten ook de zwakke menselijke natuur en wat men uit zichzelf heeft; de verzen 4–6 sommen op wat Paulus daarvan kan noemen. πνεύματι θεοῦ (pneumati theou), ‘door de Geest van Elohim’: ook ‘in de geest van Elohim’.
Zie ook Gal. 3:3; Kol. 2:11.
Paulus’ eigen voorrechten
De opsomming noemt voorrechten: besneden op de achtste dag (zie Lev. 12:3), uit Israël, uit de stam Benjamin, ‘Hebreeër uit Hebreeën’ en Farizeeër.
Het Griekse woord Ἑβραῖος (Hebraios) wijst op Hebreeuwse afkomst en taal; de brief zegt niet meer. νόμος (nomos), ‘wet’: zie Gal. 2:16 voor het Hebreeuwse tora, ‘onderwijs, instructie’.
Zie ook Lev. 12:3; Hand. 22:3; Hand. 23:6; Hand. 26:5; 2 Kor. 11:22.
διώκω (dioko), ‘vervolgen’: hetzelfde Griekse woord staat in 3:12 en 3:14, waar wij ‘jagen’ schrijven; het woord betekent zowel ‘achtervolgen’ als ‘najagen’. ἄμεμπτος (amemptos), ‘onberispelijk’: zonder aanklacht; zoals in 2:15.
In het Grieks staat ‘ijver’ in een vorm die de SBLGNT met een variantmarkering aangeeft.
Zie ook Hand. 8:3; Hand. 9:1–2; Gal. 1:13–14.
Winst wordt verlies om de Messias
κέρδος (kerdos), ‘winst’, en ζημία (zemia), ‘verlies’: woorden uit de boekhouding.
Het Grieks heeft ‘winsten’ in het meervoud.
μενοῦνγε (menounge), ‘ja zeker’: het woord zet het voorafgaande kracht bij of verbetert het. ὑπερέχον (hyperechon), ‘uitnemende’: wat uitsteekt boven al het andere. σκύβαλα (skybala), ‘afval’: wat men weggooit; het woord is grof en wordt ook voor mest of etensresten gebruikt.
De Griekse zin loopt door in vers 9: ‘opdat ik de Messias win en in Hem gevonden word’.
πίστις Χριστοῦ (pistis Christou), ‘het geloof in de Messias’: zoals in Galaten kan de Griekse genitief ook ‘het geloof/de trouw van de Messias’ betekenen. δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’. ἐκ θεοῦ (ek theou), ‘uit Elohim’: de gerechtigheid die van Elohim komt.
De Griekse zin is lang; wij splitsen hem bij ‘en in Hem gevonden word’.
Zie ook Gal. 2:16; Gal. 3:22.
ἐξανάστασις (exanastasis), ‘opstanding uit’: een zeldzame vorm die alleen hier staat; hij is gevormd van ἀνάστασις (anastasis), ‘opstanding’. εἴ πως (ei pos), ‘of op enigerlei wijze’: Paulus spreekt voorzichtig.
Jagen naar het doel
τελειόω (teleioo), ‘volmaakt maken’: tot het einddoel brengen. καταλαμβάνω (katalambano), ‘grijpen’: Paulus noemt zowel dat hij wil grijpen als dat hij door de Messias gegrepen is.
De brief zegt niet wat hij wil grijpen; vers 14 noemt ‘de prijs’. διώκω (dioko), ‘jagen’: zie 3:6.
ἐπεκτείνομαι (epekteinomai), ‘zich uitstrekken’: het beeld van een hardloper die zich naar de finish strekt. ἐπιλανθάνομαι (epilanthanomai), ‘vergeten’.
βραβεῖον (brabeion), ‘prijs’: de prijs voor de winnaar van een wedstrijd, zoals in 1 Kor. 9:24. ἄνω κλῆσις (ano klesis), ‘roeping omhoog’: ook ‘roeping naar boven’; de tekst laat open of de roeping uit de hemel komt of naar de hemel leidt.
Zie ook 1 Kor. 9:24.
τέλειος (teleios), ‘volmaakt’: ook ‘volwassen, rijp’.
Paulus zegt in 3:12 dat hij zelf nog niet volmaakt is; het woord kan hier ‘rijp’ betekenen. φρονέω (froneo), ‘denken’: zie 2:2. ἀποκαλύπτω (apokalypto), ‘onthullen’.
Ons burgerschap is in de hemelen
συμμιμητής (symmimetes), ‘samen navolger’: een zeldzaam woord dat alleen hier staat; het kan ‘samen met mij navolgers’ of ‘samen navolgers’ betekenen. τύπος (typos), ‘voorbeeld’: afdruk, model. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: een manier van leven.
‘Ons’ zijn Paulus en zijn medewerkers, zoals Timoteüs in 1:1.
Zie ook 1 Kor. 4:16; 1 Kor. 11:1; 1 Tess. 1:6.
‘Vijanden van het kruis’: de brief noemt niet wie bedoeld worden. κλαίων (klaion), ‘huilend’.
In het Grieks is ‘de vijanden van het kruis van de Messias’ een bijstelling aan het eind van de zin; wij zetten haar vooraan en splitsen de zin.
Zie ook Gal. 6:12–14.
κοιλία (koilia), ‘buik’: de eetlust of de eigen begeerten; de tekst zegt niet met welke groep dit gezegd wordt.
Het Grieks heeft vier delen met ‘van wie’; wij maken er korte zinnen van. αἰσχύνη (aischyne), ‘schande’. τὰ ἐπίγεια (ta epigeia), ‘het aardse’: wat bij de aarde hoort, tegenover ‘in de hemelen’ in vers 20.
πολίτευμα (politeuma), ‘burgerschap’: het woord betekent ook ‘gemeenschap van burgers, staat’; het hoort bij πολιτεύομαι (politeuomai), ‘leven als burger’, in 1:27.
Filippi was een Romeinse kolonie (Hand. 16:12). ἐν οὐρανοῖς (en ouranois), ‘in de hemelen’. σωτήρ (soter), ‘Redder’. ἀπεκδέχομαι (apekdechomai), ‘verwachten’: vol verlangen wachten.
Zie ook Filip. 1:27; Hand. 16:12.
μετασχηματίζω (metaschematizo), ‘omvormen’: het uiterlijk veranderen, verwant aan σχῆμα (schema), ‘uiterlijk’, in 2:7. σύμμορφος (symmorfos), ‘gelijkvormig’: verwant aan μορφή (morfe), ‘gestalte’. ταπείνωσις (tapeinosis), ‘vernedering’: een toestand van zwakheid. ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderschikken’: zoals in Ef. 1:22 en Kol. 3:18.
De Griekse zin is lang; splitsen zou de redenering breken.
Zie ook 1 Kor. 15:28; 1 Kor. 15:42–44.