Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De dood van Samuël
1Samuël stierf. Heel Israël kwam bijeen en rouwde om hem. Zij begroeven hem in zijn huis in Rama. Toen stond David op en ging naar de woestijn Paran.
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וַיִּקָּבְצ֤וּ
(vayiqavetsu)
en zij kwamen samen
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וַיִּסְפְּדוּ
(vayispedu)
en zij rouwden
ל֔וֹ
(lo)
om hem
וַיִּקְבְּרֻ֥הוּ
(vayiqberuhu)
en zij begroeven hem
בְּבֵית֖וֹ
(beveito)
in zijn huis
בָּרָמָ֑ה
(barama)
in Rama
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיֵּ֖רֶד
(vayered)
en daalde af
אֶל
(el)
naar
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
de woestijn van
פָּארָֽן
(paran)
Paran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Rama is waarschijnlijk Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël (1 Sam. 1:1; 7:17).
De juiste plek is onzeker.
Vaak wordt gedacht aan een plaats in het bergland ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
De woestijn Paran ligt in het zuiden, in de Sinaï en de Negev (Egypte/Israël); zie ook Num. 10:12.
Uitleg
De dood van Samuël wordt in 1 Sam. 28:3 nog eens genoemd, als inleiding op het bezoek van Saul aan de vrouw van En-Dor.
2Er was een man in Maon. Zijn bezit was in Karmel. De man was zeer rijk. Hij had 3000 schapen en 1000 geiten. Hij was zijn schapen aan het scheren in Karmel.
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en een man
בְּמָע֜וֹן
(bemaon)
in Maon
וּמַעֲשֵׂ֣הוּ
(umaasehu)
en zijn bezit
בַכַּרְמֶ֗ל
(bakarmel)
in Karmel
וְהָאִישׁ֙
(vehaish)
en de man
גָּד֣וֹל
(gadol)
groot
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְל֛וֹ
(velo)
en voor hem
צֹ֥אן
(tson)
schapen
שְׁלֹֽשֶׁת
(sheloshet)
drie
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וְאֶ֣לֶף
(veelef)
en duizend
עִזִּ֑ים
(izim)
geiten
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
בִּגְזֹ֥ז
(bigzoz)
bij het scheren
אֶת
(et)
(obj.)
צֹאנ֖וֹ
(tsono)
zijn schapen
בַּכַּרְמֶֽל
(bakarmel)
in Karmel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Maon ligt in het bergland van Juda, ongeveer 13 kilometer ten zuiden van Hebron; het is waarschijnlijk Tell Ma'in (Westelijke Jordaanoever).
Karmel is hier een stad in Juda, dicht bij Maon, waarschijnlijk Khirbet el-Kirmil (Westelijke Jordaanoever).
De berg Karmel aan de kust is een andere plaats met dezelfde naam.
3De man heette Nabal. Zijn vrouw heette Abigaïl. De vrouw was verstandig en mooi van gestalte. De man was hard en slecht in zijn daden. Hij was een Kalebiet.
וְשֵׁ֤ם
(veshem)
en de naam van
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
נָבָ֔ל
(naval)
Nabal
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
אֲבִגָ֑יִל
(avigayil)
Abigaïl
וְהָאִשָּׁ֤ה
(vehaisha)
en de vrouw
טֽוֹבַת
(tovat)
goed van
שֶׂ֨כֶל֙
(sekhel)
verstand
וִ֣יפַת
(vifat)
en mooi van
תֹּ֔אַר
(toar)
gestalte
וְהָאִ֥ישׁ
(vehaish)
en de man
קָשֶׁ֛ה
(qashe)
hard
וְרַ֥ע
(vera)
en slecht
מַעֲלָלִ֖ים
(maalalim)
in daden
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
כָלִבִּֽי
(kalibi)
Kalebiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָבָל (naval), ‘dwaas’: de naam van de man betekent ‘dwaas’.
Abigaïl zegt dat zelf in vers 25.
Lezing
Het Hebreeuws is hier geschreven als כְּלִבּוֹ (kelibbo), ‘naar zijn hart’.
Er staat een leesvorm in de kantlijn: כָּלִבִּי (kalibbi), ‘Kalebiet’.
Wij volgen de leesvorm.
Een Kalebiet is een nakomeling van Kaleb, aan wie Hebron toekwam (Joz. 14:13–14).
Dat past bij de streek van Hebron, Maon en Karmel.
7Nu heb ik gehoord dat je scheerders hebt. Je herders zijn bij ons geweest. Wij hebben hen niet beledigd. Er is hun niets ontbroken, al de dagen dat zij in Karmel waren.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
שָׁמַ֔עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
כִּ֥י
(ki)
dat
גֹזְזִ֖ים
(gozezim)
scheerders
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jou
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
הָרֹעִ֤ים
(haroim)
de herders
אֲשֶׁר
(asher)
die
לְךָ֙
(lekha)
van jou
הָי֣וּ
(hayu)
zij waren
עִמָּ֔נוּ
(imanu)
bij ons
לֹ֣א
(lo)
niet
הֶכְלַמְנ֗וּם
(hekhlamnum)
wij hebben hen beledigd
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נִפְקַ֤ד
(nifqad)
werd vermist
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
מְא֔וּמָה
(meuma)
iets
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֖י
(yemei)
dagen van
הֱיוֹתָ֥ם
(heyotam)
hun zijn
בַּכַּרְמֶֽל
(bakarmel)
in Karmel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron.
8Vraag het aan je jongens, dan zullen zij het je vertellen. Laat de jongens gunst vinden in je ogen. Want wij zijn op een goede dag gekomen. Geef toch aan je dienaren en aan je zoon David wat je hand vindt.’”
שְׁאַ֨ל
(sheal)
vraag
אֶת
(et)
(obj.)
נְעָרֶ֜יךָ
(neareikha)
je jongens
וְיַגִּ֣ידוּ
(veyagidu)
en zij zullen vertellen
לָ֗ךְ
(lakh)
aan jou
וְיִמְצְא֨וּ
(veyimtseu)
en zij zullen vinden
הַנְּעָרִ֥ים
(hanearim)
de jongens
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in je ogen
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
op
י֥וֹם
(yom)
een dag
ט֖וֹב
(tov)
goed
בָּ֑נוּ
(banu)
wij zijn gekomen
תְּנָה
(tena)
geef
נָּ֗א
(na)
toch
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
תִּמְצָ֤א
(timtsa)
zal vinden
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
je hand
לַעֲבָדֶ֔יךָ
(laavadeikha)
aan je dienaren
וּלְבִנְךָ֖
(ulevinkha)
en aan je zoon
לְדָוִֽד
(ledavid)
aan David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹם טוֹב (yom tov), ‘goede dag’: een feestdag.
Het scheren van de schapen was een feest met eten en drinken.
David noemt zichzelf ‘je zoon’. Dat is een beleefde vorm tegenover een oudere man.
10Nabal antwoordde de dienaren van David: „Wie is David? En wie is de zoon van Isaï? Tegenwoordig zijn er veel dienaren die zich losrukken, ieder van zijn heer.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
נָבָ֜ל
(naval)
Nabal
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדֵ֤י
(avdei)
dienaren van
דָוִד֙
(david)
David
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en zei
מִ֥י
(mi)
wie
דָוִ֖ד
(david)
David
וּמִ֣י
(umi)
en wie
בֶן
(ben)
zoon van
יִשָׁ֑י
(yishay)
Isaï
הַיּוֹם֙
(hayom)
de dag
רַבּ֣וּ
(rabu)
zijn veel geworden
עֲבָדִ֔ים
(avadim)
dienaren
הַמִּתְפָּ֣רְצִ֔ים
(hamitparetsim)
die zich losrukken
אִ֖ישׁ
(ish)
man
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
van het gezicht van
אֲדֹנָֽיו
(adonav)
zijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De vraag ‘Wie is de zoon van Isaï?’ klinkt als de woorden van Saul in 1 Sam. 20:27.
11Moet ik dan mijn brood en mijn water nemen? En mijn vlees dat ik heb geslacht voor mijn scheerders? Moet ik dat geven aan mannen van wie ik niet weet waar zij vandaan komen?”
וְלָקַחְתִּ֤י
(velaqachti)
en ik zal nemen
אֶת
(et)
(obj.)
לַחְמִי֙
(lachmi)
mijn brood
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מֵימַ֔י
(meimay)
mijn water
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
טִבְחָתִ֔י
(tivchati)
mijn geslachte vlees
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
טָבַ֖חְתִּי
(tavachti)
ik heb geslacht
לְגֹֽזְזָ֑י
(legozezay)
voor mijn scheerders
וְנָֽתַתִּי֙
(venatati)
en ik zal geven
לַֽאֲנָשִׁ֔ים
(laanashim)
aan mannen
אֲשֶׁר֙
(asher)
van wie
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik weet
אֵ֥י
(ei)
waar vandaan
מִזֶּ֖ה
(mize)
dit
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טִבְחָה (tivchah), ‘geslacht vlees’: het vlees van de dieren die voor het feest geslacht zijn.
13David zei tegen zijn mannen: „Gord ieder zijn zwaard om.” Zij gordden ieder hun zwaard om. Ook David gordde zijn zwaard om. Ongeveer 400 man trokken achter David omhoog. 200 bleven bij de bagage.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
דָּוִ֨ד
(david)
David
לַאֲנָשָׁ֜יו
(laanashav)
tegen zijn mannen
חִגְר֣וּ
(chigru)
gord om
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶת
(et)
(obj.)
חַרְבּ֗וֹ
(charbo)
zijn zwaard
וַֽיַּחְגְּרוּ֙
(vayachgeru)
en zij gordden om
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶת
(et)
(obj.)
חַרְבּ֔וֹ
(charbo)
zijn zwaard
וַיַּחְגֹּ֥ר
(vayachgor)
en gordde om
גַּם
(gam)
ook
דָּוִ֖ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
חַרְבּ֑וֹ
(charbo)
zijn zwaard
וַֽיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en zij trokken omhoog
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
דָוִ֗ד
(david)
David
כְּאַרְבַּ֤ע
(kearba)
ongeveer vier
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וּמָאתַ֖יִם
(umatayim)
en tweehonderd
יָשְׁב֥וּ
(yashevu)
bleven
עַל
(al)
bij
הַכֵּלִֽים
(hakelim)
de bagage
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Een van de jongens vertelde het aan Abigaïl, de vrouw van Nabal. Hij zei: „Zie, David heeft boodschappers uit de woestijn gestuurd om onze heer te zegenen. Maar hij is tegen hen uitgevallen.
וְלַאֲבִיגַ֨יִל֙
(velaavigayil)
en aan Abigaïl
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
נָבָ֔ל
(naval)
Nabal
הִגִּ֧יד
(higid)
vertelde
נַֽעַר
(naar)
jongen
אֶחָ֛ד
(echad)
één
מֵהַנְּעָרִ֖ים
(mehanearim)
van de jongens
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
שָׁלַח֩
(shalach)
stuurde
דָּוִ֨ד
(david)
David
מַלְאָכִ֧ים
(malakhim)
boodschappers
מֵֽהַמִּדְבָּ֛ר
(mehamidbar)
uit de woestijn
לְבָרֵ֥ךְ
(levarekh)
om te zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנֵ֖ינוּ
(adoneinu)
onze heer
וַיָּ֥עַט
(vayaat)
en hij viel uit
בָּהֶֽם
(bahem)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְבָרֵךְ (levarech), ‘zegenen’: hier een groet met een zegenwens.
Wij houden het woord ‘zegenen’ aan.
וַיָּעַט (vaya'at), ‘hij viel uit’: het werkwoord betekent letterlijk ‘zich storten op’. Nabal viel de boodschappers heftig aan met woorden.
15Die mannen zijn zeer goed voor ons geweest. Wij zijn niet beledigd. Wij hebben niets vermist, al de dagen dat wij met hen optrokken, toen wij in het veld waren.
וְהָ֣אֲנָשִׁ֔ים
(vehaanashim)
en de mannen
טֹבִ֥ים
(tovim)
goed
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הָכְלַ֨מְנוּ֙
(hakhelamnu)
wij zijn beledigd
וְלֹֽא
(velo)
en niet
פָקַ֣דְנוּ
(paqadnu)
wij hebben vermist
מְא֔וּמָה
(meuma)
iets
כָּל
(kal)
alle
יְמֵי֙
(yemei)
dagen van
הִתְהַלַּ֣כְנוּ
(hithalakhnu)
wij liepen rond
אִתָּ֔ם
(itam)
met hen
בִּֽהְיוֹתֵ֖נוּ
(bihyotenu)
bij ons zijn
בַּשָּׂדֶֽה
(basade)
in het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Weet dus nu en bedenk wat u moet doen. Want het kwaad is besloten tegen onze heer en tegen heel zijn huis. Hij is een zoon van Belial. Niemand kan tegen hem spreken.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
דְּעִ֤י
(dei)
weet
וּרְאִי֙
(urei)
en zie
מַֽה
(ma)
wat
תַּעֲשִׂ֔י
(taasi)
je zult doen
כִּֽי
(ki)
want
כָלְתָ֧ה
(kaleta)
is besloten
הָרָעָ֛ה
(haraa)
het kwaad
אֶל
(el)
tegen
אֲדֹנֵ֖ינוּ
(adoneinu)
onze heer
וְעַ֣ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
heel
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּלִיַּ֔עַל
(beliyaal)
Belial
מִדַּבֵּ֖ר
(midaber)
van spreken
אֵלָֽיו
(elav)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Abigaïl haastte zich. Zij nam 200 broden, twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroosterd koren, 100 rozijnenkoeken en 200 vijgenkoeken. Zij legde dat op de ezels.
וַתְּמַהֵ֣ר
(vatemaher)
en zij haastte zich
אֲבִיגַ֡יִל
(avigayil)
Abigaïl
וַתִּקַּח֩
(vatiqach)
en zij nam
מָאתַ֨יִם
(matayim)
tweehonderd
לֶ֜חֶם
(lechem)
brood
וּשְׁנַ֣יִם
(ushenayim)
en twee
נִבְלֵי
(nivlei)
zakken van
יַ֗יִן
(yayin)
wijn
וְחָמֵ֨שׁ
(vechamesh)
en vijf
צֹ֤אן
(tson)
schapen
עֲשׂוּיֹת֙
(asuyot)
toebereide
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
סְאִים֙
(seim)
maten
קָלִ֔י
(qali)
geroosterd koren
וּמֵאָ֥ה
(umea)
en honderd
צִמֻּקִ֖ים
(tsimuqim)
rozijnenkoeken
וּמָאתַ֣יִם
(umatayim)
en tweehonderd
דְּבֵלִ֑ים
(develim)
vijgenkoeken
וַתָּ֖שֶׂם
(vatasem)
en zij legde
עַל
(al)
op
הַחֲמֹרִֽים
(hachamorim)
de ezels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סְאָה (se'ah), ‘maat’: ongeveer 7 liter.
Vijf maten zijn dus ongeveer 35 liter geroosterd koren.
נֵבֶל (nevel), ‘zak’: een leren wijnzak. Het woord heeft dezelfde medeklinkers als de naam Nabal.
צִמּוּקִים (tsimmuqim), ‘rozijnenkoeken’, en דְּבֵלִים (develim), ‘vijgenkoeken’: gedroogd en geperst fruit.
21David had gezegd: „Voor niets heb ik alles bewaakt wat deze man in de woestijn heeft. Niets van alles wat van hem is, is vermist. Hij heeft mij kwaad vergolden voor goed.
וְדָוִ֣ד
(vedavid)
en David
אָמַ֗ר
(amar)
had gezegd
אַךְ֩
(akh)
wel
לַשֶּׁ֨קֶר
(lasheqer)
voor niets
שָׁמַ֜רְתִּי
(shamarti)
ik heb bewaakt
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
לָזֶה֙
(laze)
van deze
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְלֹא
(velo)
en niet
נִפְקַ֥ד
(nifqad)
werd vermist
מִכָּל
(mikal)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֖וֹ
(lo)
van hem
מְא֑וּמָה
(meuma)
iets
וַיָּֽשֶׁב
(vayashev)
en hij gaf terug
לִ֥י
(li)
aan mij
רָעָ֖ה
(raa)
kwaad
תַּ֥חַת
(tachat)
in plaats van
טוֹבָֽה
(tova)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Zo moge Elohim doen aan de vijanden van David, en zo moge Hij daaraan toevoegen: Als ik van alles wat hij heeft tot de morgen iemand laat overblijven die tegen de muur plast.”
כֹּה
(ko)
zo
יַעֲשֶׂ֧ה
(yaase)
moge doen
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
לְאֹיְבֵ֥י
(leoyevei)
aan de vijanden van
דָוִ֖ד
(david)
David
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
יֹסִ֑יף
(yosif)
moge toevoegen
אִם
(im)
als
אַשְׁאִ֧יר
(ashir)
ik zal laten overblijven
מִכָּל
(mikal)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֛וֹ
(lo)
van hem
עַד
(ad)
tot
הַבֹּ֖קֶר
(haboqer)
de morgen
מַשְׁתִּ֥ין
(mashtin)
die plast
בְּקִֽיר
(beqir)
tegen de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is een eed.
De formule is dezelfde als in Ruth 1:17.
מַשְׁתִּין בְּקִיר (mashtin beqir), ‘iemand die tegen de muur plast’: een gezegde voor een man. David zweert dat hij geen enkele man van Nabal laat leven.
Lezing
Het Hebreeuws heeft ‘aan de vijanden van David’.
Het kan een verzachting zijn van ‘aan David zelf’.
24Zij viel aan zijn voeten en zei: „Op mij, mijn heer, op mij rust de schuld. Laat uw slavin toch spreken in uw oren. Luister naar de woorden van uw slavin.
וַתִּפֹּל֙
(vatipol)
en zij viel
עַל
(al)
op
רַגְלָ֔יו
(raglav)
zijn voeten
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zij zei
בִּי
(bi)
op mij
אֲנִ֥י
(ani)
ik
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
הֶֽעָוֺ֑ן
(heavon)
de schuld
וּֽתְדַבֶּר
(utedaber)
en laat spreken
נָ֤א
(na)
toch
אֲמָֽתְךָ֙
(amatekha)
uw slavin
בְּאָזְנֶ֔יךָ
(beazeneikha)
in uw oren
וּשְׁמַ֕ע
(ushema)
en luister
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
אֲמָתֶֽךָ
(amatekha)
uw slavin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָמָה (amah), ‘slavin’, en שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’: twee woorden voor een vrouwelijke dienaar.
25Laat mijn heer zijn hart toch niet richten op deze man van Belial, op Nabal. Want zoals zijn naam is, zo is hij. Nabal is zijn naam en dwaasheid is bij hem. Maar ik, uw slavin, heb de jongens van mijn heer, die u hebt gestuurd, niet gezien.
אַל
(al)
niet
נָ֣א
(na)
toch
יָשִׂ֣ים
(yasim)
richte
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
אֶת
(et)
(obj.)
לִבּ֡וֹ
(libo)
zijn hart
אֶל
(el)
op
אִישׁ֩
(ish)
man van
הַבְּלִיַּ֨עַל
(habeliyaal)
Belial
הַזֶּ֜ה
(haze)
deze
עַל
(al)
op
נָבָ֗ל
(naval)
Nabal
כִּ֤י
(ki)
want
כִשְׁמוֹ֙
(kishmo)
zoals zijn naam
כֶּן
(ken)
zo
ה֔וּא
(hu)
is hij
נָבָ֣ל
(naval)
Nabal
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
is zijn naam
וּנְבָלָ֖ה
(unevala)
en dwaasheid
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij hem
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en ik
אֲמָ֣תְךָ֔
(amatekha)
uw slavin
לֹ֥א
(lo)
niet
רָאִ֛יתִי
(raiti)
ik heb gezien
אֶת
(et)
(obj.)
נַעֲרֵ֥י
(naarei)
jongens van
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁלָֽחְתָּ
(shalachta)
u hebt gestuurd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָבָל (naval), ‘dwaas’, en נְבָלָה (nevalah), ‘dwaasheid’, een schandelijke daad.
26Nu dan, mijn heer. Zo waar Yahweh leeft en zo waar u leeft: Yahweh heeft u tegengehouden om in bloedschuld te komen en uzelf met uw hand te redden. Laten uw vijanden nu zijn als Nabal, en allen die kwaad zoeken tegen mijn heer.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
אֲדֹנִ֗י
(adoni)
mijn heer
חַי
(chay)
leeft
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
וְחֵֽי
(vechei)
en leeft
נַפְשְׁךָ֙
(nafshekha)
uw ziel
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
מְנָעֲךָ֤
(menaakha)
heeft u tegengehouden
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִבּ֣וֹא
(mibo)
van komen
בְדָמִ֔ים
(bedamim)
in bloedschuld
וְהוֹשֵׁ֥עַ
(vehoshea)
en redden
יָדְךָ֖
(yadekha)
uw hand
לָ֑ךְ
(lakh)
voor u
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
יִֽהְי֤וּ
(yihyu)
laten zijn
כְנָבָל֙
(kenaval)
als Nabal
אֹיְבֶ֔יךָ
(oyeveikha)
uw vijanden
וְהַֽמְבַקְשִׁ֥ים
(vehamvaqshim)
en zij die zoeken
אֶל
(el)
tegen
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
רָעָֽה
(raa)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed.
Zie ook Richt. 8:19.
בְּדָמִים (bedamim), ‘in bloeden’: bloedschuld, de schuld van onschuldig vergoten bloed. Zie ook Deut. 22:8.
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, ‘leven’: in de eed ‘zo waar uw ziel leeft’ vertalen wij ‘zo waar u leeft’, zoals in 1 Sam. 20:3. Elders vertalen wij ‘uw leven’.
28Vergeef toch de overtreding van uw slavin. Want Yahweh zal voor mijn heer zeker een vast huis maken, omdat mijn heer de oorlogen van Yahweh voert. Kwaad zal in heel uw leven niet bij u gevonden worden.
שָׂ֥א
(sa)
vergeef
נָ֖א
(na)
toch
לְפֶ֣שַׁע
(lefesha)
de overtreding van
אֲמָתֶ֑ךָ
(amatekha)
uw slavin
כִּ֣י
(ki)
want
עָשֹֽׂה
(aso)
maken
יַעֲשֶׂה֩
(yaase)
zal maken
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
לַֽאדֹנִ֜י
(ladoni)
voor mijn heer
בַּ֣יִת
(bayit)
huis
נֶאֱמָ֗ן
(neeman)
vast
כִּי
(ki)
want
מִלְחֲמ֤וֹת
(milchamot)
oorlogen van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
נִלְחָ֔ם
(nilcham)
voert
וְרָעָ֛ה
(veraa)
en kwaad
לֹא
(lo)
niet
תִמָּצֵ֥א
(timatse)
zal gevonden worden
בְךָ֖
(bekha)
in u
מִיָּמֶֽיךָ
(miyameikha)
van uw dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂא (sa), ‘vergeef’: van נָשָׂא (nasa), letterlijk ‘dragen’.
Bij schuld en overtreding betekent het ‘vergeven’.
בַּיִת נֶאֱמָן (bayit ne'eman), ‘een vast huis’: een huis dat blijft bestaan, dus een koningsgeslacht dat standhoudt. Zie ook 2 Sam. 7:16.
29Staat er een mens op om u te vervolgen en uw leven te zoeken? Dan zal het leven van mijn heer ingebonden zijn in de bundel van de levenden, bij Yahweh, uw Elohim. Het leven van uw vijanden zal Hij wegslingeren, uit de holte van de slinger.
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en zal opstaan
אָדָם֙
(adam)
een mens
לִרְדָפְךָ֔
(lirdafekha)
om u te vervolgen
וּלְבַקֵּ֖שׁ
(ulevaqesh)
en om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֶׁ֑ךָ
(nafshekha)
uw ziel
וְֽהָיְתָה֩
(vehayeta)
en zal zijn
נֶ֨פֶשׁ
(nefesh)
ziel van
אֲדֹנִ֜י
(adoni)
mijn heer
צְרוּרָ֣ה
(tserura)
ingebonden
בִּצְר֣וֹר
(bitsror)
in de bundel van
הַחַיִּ֗ים
(hachayim)
de levenden
אֵ֚ת
(et)
bij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
נֶ֤פֶשׁ
(nefesh)
ziel van
אֹיְבֶ֨יךָ֙
(oyeveikha)
uw vijanden
יְקַלְּעֶ֔נָּה
(yeqaleena)
Hij zal slingeren
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
in het midden van
כַּ֥ף
(kaf)
holte van
הַקָּֽלַע
(haqala)
de slinger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צְרוֹר הַחַיִּים (tseror hachayyim), ‘de bundel van de levenden’: een bundel of buidel waarin kostbare dingen veilig worden bewaard.
Zo bewaart Yahweh het leven van David.
Het is een beeld van veilige bewaring.
De slinger is het tegenbeeld: het leven van de vijanden wordt weggeworpen.
31Dan zal dit voor u geen aanleiding tot wankelen zijn. Voor het hart van mijn heer zal het geen struikelblok zijn: het vergieten van bloed zonder reden en het zelf redden van mijn heer. Wanneer Yahweh mijn heer goed doet, denk dan aan uw slavin.”
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
זֹ֣את
(zot)
dit
לְךָ֡
(lekha)
voor u
לְפוּקָה֩
(lefuqa)
tot wankelen
וּלְמִכְשׁ֨וֹל
(ulemikhshol)
en tot struikelblok van
לֵ֜ב
(lev)
hart
לַאדֹנִ֗י
(ladoni)
voor mijn heer
וְלִשְׁפָּךְ
(velishpakh)
en tot vergieten van
דָּם֙
(dam)
bloed
חִנָּ֔ם
(chinam)
zonder reden
וּלְהוֹשִׁ֥יעַ
(ulehoshia)
en tot redden
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
ל֑וֹ
(lo)
voor zichzelf
וְהֵיטִ֤ב
(veheitiv)
en zal goed doen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לַֽאדֹנִ֔י
(ladoni)
aan mijn heer
וְזָכַרְתָּ֖
(vezakharta)
en u zult denken aan
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמָתֶֽךָ
(amatekha)
uw slavin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פּוּקָה (puqah), ‘wankelen’: een zeldzaam woord, alleen hier.
Abigaïl bedoelt: doordat David nu geen bloedschuld op zich laadt, hoeft zijn geweten later niet te wankelen.
Het Hebreeuws laat open of het struikelblok het bloedvergieten zelf is of de gedachte eraan.
34Maar zo waar Yahweh leeft, de Elohim van Israël, die mij heeft tegengehouden om jou kwaad te doen. Want je haastte je en kwam mij tegemoet. Anders was er voor Nabal tot het licht van de morgen niemand overgebleven die tegen de muur plast.”
וְאוּלָ֗ם
(veulam)
maar
חַי
(chay)
leeft
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מְנָעַ֔נִי
(menaani)
heeft mij tegengehouden
מֵהָרַ֖ע
(mehara)
van kwaad doen
אֹתָ֑ךְ
(otakh)
aan jou
כִּ֣י
(ki)
want
לוּלֵ֣י
(lulei)
als niet
מִהַ֗רְתְּ
(mihart)
je haastte je
וַתָּבֹאת֙
(vatavot)
en je kwam
לִקְרָאתִ֔י
(liqrati)
mij tegemoet
כִּ֣י
(ki)
want
אִם
(im)
als
נוֹתַ֧ר
(notar)
was overgebleven
לְנָבָ֛ל
(lenaval)
aan Nabal
עַד
(ad)
tot
א֥וֹר
(or)
licht van
הַבֹּ֖קֶר
(haboqer)
de morgen
מַשְׁתִּ֥ין
(mashtin)
die plast
בְּקִֽיר
(beqir)
tegen de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven vorm is וַתָּבֹאתִי (vattavo'ti), ‘en ik kwam’.
De leesvorm is וַתָּבֹאת (vattavo't), ‘en je kwam’.
35David nam uit haar hand wat zij hem had gebracht. Hij zei tegen haar: „Ga in vrede naar je huis. Zie, ik heb naar je stem geluisterd en ik heb je gunstig ontvangen.”
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
דָּוִד֙
(david)
David
מִיָּדָ֔הּ
(miyadah)
uit haar hand
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הֵבִ֖יאָה
(hevia)
zij had gebracht
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וְלָ֣הּ
(velah)
en tot haar
אָמַ֗ר
(amar)
zei hij
עֲלִ֤י
(ali)
ga omhoog
לְשָׁלוֹם֙
(leshalom)
in vrede
לְבֵיתֵ֔ךְ
(leveitekh)
naar je huis
רְאִי֙
(rei)
zie
שָׁמַ֣עְתִּי
(shamati)
ik heb geluisterd
בְקוֹלֵ֔ךְ
(beqolekh)
naar je stem
וָאֶשָּׂ֖א
(vaesa)
en ik heb opgeheven
פָּנָֽיִךְ
(panayikh)
je gelaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Abigaïl kwam bij Nabal. Zie, hij had een maaltijd in zijn huis, als de maaltijd van een koning. Het hart van Nabal was vrolijk in hem en hij was zeer dronken. Zij vertelde hem niets, klein of groot, tot het licht van de morgen.
וַתָּבֹ֣א
(vatavo)
en kwam
אֲבִיגַ֣יִל
(avigayil)
Abigaïl
אֶל
(el)
naar
נָבָ֡ל
(naval)
Nabal
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
לוֹ֩
(lo)
voor hem
מִשְׁתֶּ֨ה
(mishte)
maaltijd
בְּבֵית֜וֹ
(beveito)
in zijn huis
כְּמִשְׁתֵּ֣ה
(kemishte)
als de maaltijd van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְלֵ֤ב
(velev)
en het hart van
נָבָל֙
(naval)
Nabal
ט֣וֹב
(tov)
vrolijk
עָלָ֔יו
(alav)
in hem
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
שִׁכֹּ֖ר
(shikor)
dronken
עַד
(ad)
tot
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הִגִּ֣ידָה
(higida)
zij vertelde
לּ֗וֹ
(lo)
hem
דָּבָ֥ר
(davar)
zaak
קָטֹ֛ן
(qaton)
klein
וְגָד֖וֹל
(vegadol)
en groot
עַד
(ad)
tot
א֥וֹר
(or)
licht van
הַבֹּֽקֶר
(haboqer)
de morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37's Morgens, toen de wijn uit Nabal was weggegaan, vertelde zijn vrouw hem deze zaken. Toen stierf zijn hart in zijn binnenste. Hij werd als een steen.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
בְּצֵ֤את
(betset)
bij het uitgaan van
הַיַּ֨יִן֙
(hayayin)
de wijn
מִנָּבָ֔ל
(minaval)
uit Nabal
וַתַּגֶּד
(vataged)
en vertelde
ל֣וֹ
(lo)
hem
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de zaken
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיָּ֤מָת
(vayamat)
en stierf
לִבּוֹ֙
(libo)
zijn hart
בְּקִרְבּ֔וֹ
(beqirbo)
in zijn binnenste
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
הָיָ֥ה
(haya)
werd
לְאָֽבֶן
(leaven)
tot een steen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Zijn hart stierf in zijn binnenste en hij werd als een steen’: hij werd verlamd, waarschijnlijk door een beroerte.
Wat er medisch gebeurde, zegt de tekst niet.
Na ongeveer tien dagen (vers 38) sterft hij, en de tekst ziet daarin de hand van Yahweh.
39David hoorde dat Nabal dood was. Hij zei: „Gezegend is Yahweh, die het geschil over mijn smaad uit de hand van Nabal heeft uitgevochten. Hij heeft zijn dienaar tegengehouden van kwaad. Het kwaad van Nabal heeft Yahweh op zijn eigen hoofd laten terugkomen.” Daarna stuurde David een bericht en sprak met Abigaïl, om haar tot vrouw te nemen.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
דָּוִד֮
(david)
David
כִּ֣י
(ki)
dat
מֵ֣ת
(met)
gestorven was
נָבָל֒
(naval)
Nabal
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּר֣וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
רָב֩
(rav)
heeft uitgevochten
אֶת
(et)
(obj.)
רִ֨יב
(riv)
geschil van
חֶרְפָּתִ֜י
(cherpati)
mijn smaad
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
נָבָ֗ל
(naval)
Nabal
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַבְדּוֹ֙
(avdo)
zijn dienaar
חָשַׂ֣ךְ
(chasakh)
heeft tegengehouden
מֵֽרָעָ֔ה
(meraa)
van kwaad
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
רָעַ֣ת
(raat)
kwaad van
נָבָ֔ל
(naval)
Nabal
הֵשִׁ֥יב
(heshiv)
heeft teruggebracht
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּרֹאשׁ֑וֹ
(berosho)
op zijn hoofd
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
דָּוִד֙
(david)
David
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
בַּאֲבִיגַ֔יִל
(baavigayil)
met Abigaïl
לְקַחְתָּ֥הּ
(leqachtah)
om haar te nemen
ל֖וֹ
(lo)
voor zich
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רִיב (riv), ‘geschil’: een rechtszaak of twist.
Yahweh heeft de zaak van David bepleit en beslist.
Zie ook 1 Sam. 24:16.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘David stuurde’. Uit vers 40 blijkt dat hij zijn dienaren stuurde.
41Zij stond op en boog zich met haar gezicht naar de grond. Zij zei: „Zie, uw slavin is een dienares om de voeten te wassen van de dienaren van mijn heer.”
וַתָּ֕קָם
(vataqam)
en zij stond op
וַתִּשְׁתַּ֥חוּ
(vatishtachu)
en zij boog zich neer
אַפַּ֖יִם
(apayim)
gezicht
אָ֑רְצָה
(aretsa)
naar de grond
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zij zei
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אֲמָֽתְךָ֙
(amatekha)
uw slavin
לְשִׁפְחָ֔ה
(leshifcha)
tot dienares
לִרְחֹ֕ץ
(lirchots)
om te wassen
רַגְלֵ֖י
(raglei)
voeten van
עַבְדֵ֥י
(avdei)
dienaren van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Abigaïl stond haastig op en reed op de ezel, met vijf van haar meisjes die haar volgden. Zij ging achter de boodschappers van David aan en werd zijn vrouw.
וַתְּמַהֵ֞ר
(vatemaher)
en zij haastte zich
וַתָּ֣קָם
(vataqam)
en zij stond op
אֲבִיגַ֗יִל
(avigayil)
Abigaïl
וַתִּרְכַּב֙
(vatirkav)
en zij reed
עַֽל
(al)
op
הַחֲמ֔וֹר
(hachamor)
de ezel
וְחָמֵשׁ֙
(vechamesh)
en vijf
נַעֲרֹתֶ֔יהָ
(naaroteiha)
haar meisjes
הַהֹלְכ֖וֹת
(haholekhot)
die gingen
לְרַגְלָ֑הּ
(leraglah)
aan haar voet
וַתֵּ֗לֶךְ
(vatelekh)
en zij ging
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
מַלְאֲכֵ֣י
(malakhei)
boodschappers van
דָוִ֔ד
(david)
David
וַתְּהִי
(vatehi)
en zij werd
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)