Hebreeën 10
Eén offer voor altijd, de weg door de voorhang, de waarschuwing en de oproep tot volharding
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De wet is een schaduw
σκιά (skia), ‘schaduw’: zoals in 8:5. εἰκών (eikon), ‘beeld’: het eigenlijke beeld, de afdruk die de zaak zelf laat zien; de wet heeft alleen de schaduw. πράγματα (pragmata), ‘dingen, zaken’: de zaken zelf. εἰς τὸ διηνεκές (eis to dienekes), ‘voor altijd, onafgebroken’: de woorden kunnen bij ‘aanbieden’ of bij ‘volmaken’ horen; wij zetten ze bij ‘volmaken’. τελειόω (teleioo), ‘volmaken’: het doel bereiken, zoals in 7:19 en 9:9.
Zie ook Hebr. 7:19; Hebr. 8:5; Hebr. 9:9.
De SBLGNT markeert bij δύναται (dynatai), ‘kan zij’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks stelt een vraag: ‘Zouden zij anders niet opgehouden zijn …?’
Wij houden de vraagvorm. συνείδησις ἁμαρτιῶν (syneidesis hamartion), ‘geweten van zonden’: het bewustzijn dat de zonden nog niet weggenomen zijn. κεκαθαρισμένους (kekatharismenous), ‘gereinigd’: voltooide vorm, een reiniging die blijft gelden; zie 9:14.
De SBLGNT markeert bij κεκαθαρισμένους (kekatharismenous), ‘gereinigd’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἀφαιρέω (afaireo), ‘wegnemen’: in vers 11 staat het sterkere περιαιρέω (periaireo), ‘volledig wegnemen, rondom wegdoen’.
Het bloed van stieren en bokken is dat van de verzoendag (Lev. 16:14–15).
Zie ook Lev. 16:14–15; Hebr. 9:13.
Het lichaam dat voor Hem bereid is
Vanaf hier tot en met vers 7 een aanhaling van Ps. 40:7–9 (Hebreeuwse telling; NL 40:6–8).
Het is een toespraak van de Zoon, bij Zijn komst in de wereld: wij maken ze rood, met deze Uitleg.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Slachtoffer en graanoffer wilde U niet.
Oren hebt U voor mij gegraven.’
De Griekse tekst heeft: ‘Offer en offergave hebt U niet gewild, maar een lichaam hebt U voor Mij bereid’: dus θυσία en προσφορά (thysia, prosfora) voor ‘slachtoffer en graanoffer’, en σῶμα (soma), ‘lichaam’, voor ‘oren’. κατηρτίσω (kateartiso), ‘U hebt bereid’: ook ‘U hebt toegerust, klaargemaakt’.
Zie ook Ps. 40:7–9; Hebr. 2:12–13; Hebr. 10:10.
Vervolg van Ps. 40:7.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Brandoffer en zondeoffer hebt U niet gevraagd’.
De Griekse tekst heeft εὐδόκησας (eudokesas), ‘U hebt behagen gehad’; het Hebreeuwse ‘gevraagd’ wordt hier ‘behagen gehad’. ὁλοκαύτωμα (holokautoma), ‘brandoffer’; περὶ ἁμαρτίας (peri hamartias), ‘voor zonde’, ‘zondeoffer’, zoals in Rom. 8:3.
Zie ook Ps. 40:7; Rom. 8:3.
Vervolg van Ps. 40:8–9.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Toen zei ik: Zie, ik ben gekomen.
In de boekrol staat over mij geschreven.
Om Uw wil te doen, mijn Elohim, heb ik lust.
Uw wet is diep in mijn binnenste.’
De Griekse tekst heeft hier ‘om te doen, Elohim, Uw wil’ en laat ‘heb ik lust’ en ‘Uw wet is diep in mijn binnenste’ weg; ‘mijn Elohim’ is ‘Elohim’. κεφαλίς (kefalis), ‘boekrol’: letterlijk ‘rolletje, roltop’. ἥκω (heko), ‘ik ben gekomen’.
De Zoon spreekt tot de Vader: ‘U’ en ‘Uw’, met hoofdletters.
Zie ook Ps. 40:8–9.
ἀνώτερον (anoteron), ‘eerder, hierboven’: de schrijver neemt de woorden van vers 5–6 nog eens op.
Hij zet de vier soorten offers naast elkaar.
Wij maken ook deze herhaling rood, omdat het de aangehaalde woorden van de Zoon zijn; de woorden ‘Dat zijn offers die volgens de wet worden aangeboden’ zijn van de schrijver (zwart).
Zie ook Ps. 40:7; Hebr. 10:5–6.
De SBLGNT markeert bij Θυσίας … προσφορὰς (Thysias … prosforas), ‘offers … offergaven’, en bij νόμον (nomon), ‘wet’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
τότε εἴρηκεν (tote eireken), ‘toen heeft Hij gezegd’: de verleden tijd staat in de voltooide vorm. ἀναιρέω (anaireo), ‘wegnemen, afschaffen’.
‘Het eerste’ is het offeren van vers 8, ‘het tweede’ de wil van Elohim doen. ἵστημι (histemi), ‘vestigen, doen standhouden’.
De woorden ‘Hij neemt het eerste weg …’ zijn van de schrijver (zwart).
Zie ook Ps. 40:8–9.
De SBLGNT markeert bij ποιῆσαι (poiesai), ‘te doen’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἁγιάζω (hagiazo), ‘heiligen’: toewijden aan Elohim, afzonderen. ἡγιασμένοι ἐσμέν (hegiasmenoi esmen), ‘wij zijn geheiligd’: een toestand die blijft. προσφορά (prosfora), ‘aanbieding, offergave’: hier het aanbieden van het lichaam van de Messias. ἐφάπαξ (efapax), ‘eens voor altijd’: zoals in 7:27 en 9:12.
Zie ook Hebr. 7:27; Hebr. 9:12; Hebr. 10:14.
De SBLGNT markeert bij ἐσμέν (esmen), ‘wij zijn’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Eén offer voor altijd
ἕστηκεν (hesteken), ‘staat’: de priester staat dienst te doen, tegenover de gezeten Zoon in vers 12. λειτουργέω (leitourgeo), ‘dienst doen’. καθ’ ἡμέραν (kath’ hemeran), ‘dag na dag’: dagelijks; de wet kent daarnaast het jaarlijkse offer van vers 3. περιαιρέω (periaireo), ‘volledig wegnemen’: zie bij vers 4.
Zie ook Hebr. 7:27; Exod. 29:38–42.
Het Grieks heeft geen komma tussen ‘aangeboden’ en ‘voor altijd’: εἰς τὸ διηνεκές (eis to dienekes), ‘voor altijd’, kan bij ‘offer’ horen (een offer dat voor altijd geldt) of bij ‘gaan zitten’ (Hij zit voor altijd).
Wij zetten het bij ‘gaan zitten’; beide lezingen zijn mogelijk en passen bij vers 14. οὗτος (houtos), ‘Deze’: de Messias.
‘Aan de rechterhand van Elohim’: zie Ps. 110:1.
Zie ook Ps. 110:1; Hebr. 1:3; Hebr. 8:1.
De SBLGNT markeert bij οὗτος (houtos), ‘Deze’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
τετελείωκεν (teteleioken), ‘heeft volmaakt’: voltooide vorm, een volmaaktheid die blijft; ἁγιαζομένους (hagiazomenous), ‘die geheiligd worden’: een tegenwoordige tijd, het gaat om een voortgaande handeling.
Het Grieks laat open of dit ‘volmaken’ al volledig is of nog voortgaat; wij vertalen letterlijk.
Zie ook Hebr. 10:10.
Het Grieks heeft ‘Want nadat Hij gezegd heeft’ (μετὰ γὰρ τὸ εἰρηκέναι, meta gar to eirekenai) en maakt de zin niet af: de hoofdzin (‘dan zegt Hij …’) ontbreekt, of de zin loopt door in vers 17.
Wij laten dat zo staan.
De Geest getuigt in de woorden van het Schriftcitaat dat volgt; zie vers 16.
Zie ook Hebr. 3:7.
De SBLGNT markeert bij εἰρηκέναι (eirekenai), ‘gezegd hebben’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Aanhaling van Jer. 31:33–34 (zelfde telling in de app).
Het is een toespraak van Yahweh in de eerste persoon: rood, met ‘zegt Yahweh’ zwart. κύριος is hier Yahweh, zoals ons Hebreeuws heeft.
Zie ook 8:10–12.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Ik leg Mijn wet in hun binnenste, en op hun hart schrijf Ik haar’.
De Griekse tekst heeft hier ‘Mijn wetten op hun harten, en op hun gedachten zal Ik ze schrijven’; in 8:10 staat dezelfde aanhaling met ‘in hun gedachten’ en ‘op hun harten’.
Hier is het ‘verbond met hen’ (πρὸς αὐτούς, pros autous), in 8:10 ‘met het huis van Israël’.
Zie ook Jer. 31:33; Hebr. 8:10.
De SBLGNT markeert bij τὴν διάνοιαν (ten dianoian), ‘de gedachten’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Slot van de aanhaling uit Jer. 31:34.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Ik zal hun schuld vergeven, en aan hun zonde zal Ik niet meer denken’.
De Griekse tekst heeft ‘aan hun zonden en hun wetteloosheden zal Ik beslist niet meer denken’. ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’: zoals Rom. 4:7 (Ps. 32:1).
Zie ook Jer. 31:34; Rom. 4:7; Hebr. 8:12.
De SBLGNT markeert bij καί (kai), ‘en’, en bij μνησθήσομαι (mnesthesomai), ‘zal Ik denken’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Laten wij naderen
Met vers 19 begint het praktische deel. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook zusters in de gemeente; zo ook in 13:22. παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’: openlijk spreken, vrije toegang. εἴσοδος (eisodos), ‘toegang’. τὰ ἅγια (ta hagia), ‘het heiligdom’, zoals in 8:2 en 9:24.
‘Door het bloed van Yeshua’ is het middel van de toegang.
De verzen 19–22 vormen één Griekse zin: ‘Daar wij … hebben … laten wij naderen.’
Zie ook Hebr. 4:16; Hebr. 9:12; Hebr. 9:24.
Het Grieks heeft: ‘een nieuwe en levende weg die Hij voor ons ingewijd heeft door de voorhang, dat wil zeggen Zijn vlees’. πρόσφατος (prosfatos), ‘nieuw, vers’. ἐγκαινίζω (enkainizo), ‘inwijden’, zoals in 9:18. διὰ τοῦ καταπετάσματος (dia tou katapetasmatos), ‘door de voorhang’: het Grieks laat open of ‘Zijn vlees’ de voorhang is (die geopend wordt) of het middel waardoor de weg gaat.
De voorhang van het heiligdom: zie 6:19 en 9:3.
Zie ook Hebr. 6:19; Hebr. 9:3; Hebr. 9:8.
προσέρχομαι (proserchomai), ‘naderen’: het werkwoord van 4:16. πληροφορία (plerofhoria), ‘volle zekerheid’. ῥαντίζω (rantizo), ‘besprenkelen’: zie 9:13, 19, 21.
‘Rein water’ (ὕδωρ καθαρόν, hydor katharon) herinnert aan Ezech. 36:25 (‘Ik zal rein water over jullie sprenkelen’) en aan het wassen van de priesters in Lev. 8:6.
Het Grieks heeft de deelwoorden ‘besprenkeld’ en ‘gewassen’ bij het onderwerp ‘wij’; wij maken er twee korte zinnen van zonder iets toe te voegen.
Zie ook Ezech. 36:25; Lev. 8:6; Hebr. 4:16; Hebr. 9:13; Tit. 3:5.
ὁμολογία (homologia), ‘belijdenis’: zoals in 3:1 en 4:14. ἀκλινής (aklines), ‘onwankelbaar’: niet buigend, niet overhellend. ἐπαγγέλλομαι (epangellomai), ‘beloven’: ‘Hij die beloofd heeft’ is Elohim, zoals in 6:13–18.
Zie ook Hebr. 3:1; Hebr. 4:14; Hebr. 6:13–18.
κατανοέω (katanoeo), ‘letten op, aandachtig bekijken’. παροξυσμός (paroxysmos), ‘aansporing’: het Griekse woord wijst op een prikkel; hier ten goede, naar liefde en goede werken.
ἐπισυναγωγή (episynagoge), ‘samenkomst’: letterlijk ‘bijeenkomen’; zoals 2 Tess. 2:1 het ‘bijeenkomen bij Hem’ noemt.
‘Onze eigen samenkomst’: de samenkomst van de gelovigen onder elkaar.
‘De dag’ (ἡ ἡμέρα, he hemera) is de dag van de komst van de Heer, de ‘dag van de Heer’ uit de profeten; het Grieks zegt niet meer.
Het Grieks gaat hier van ‘wij’ over op ‘jullie’ (βλέπετε, blepete).
Zie ook 2 Tess. 2:1; 1 Kor. 3:13; 1 Tess. 5:4.
Opzettelijk zondigen
ἑκουσίως (hekousios), ‘opzettelijk, vrijwillig’. ἁμαρτανόντων (hamartanonton), ‘zondigend’: een tegenwoordig deelwoord; het kan gaan om voortdurend, gewoontegetrouw zondigen. ἐπίγνωσις (epignosis), ‘volle kennis’.
Het vers stelt opzettelijk zondigen tegenover zonden per vergissing (Lev. 4:2; zie ook 9:7); Num. 15:27–31 maakt hetzelfde onderscheid.
Zie ook 6:4–8.
Zie ook Hebr. 6:4–8; Num. 15:27–31; Lev. 4:2.
ἐκδοχή (ekdoche), ‘verwachting, het uitzien’. φοβερός (foberos), ‘vreeswekkend’. ζῆλος πυρός (zelos pyros), ‘ijver van vuur’: de heilige ijver van Elohim, die als vuur is.
Het beeld herinnert aan Jes. 26:11 (‘het vuur voor Uw vijanden zal hen verteren’). ὑπεναντίος (hypenantios), ‘tegenstander’.
Zie ook Jes. 26:11; Hebr. 12:29.
ἀθετέω (atheteo), ‘terzijde stellen, verwerpen’: iets ongeldig verklaren. οἰκτιρμοί (oiktirmoi), ‘ontferming’.
De regel van de twee of drie getuigen staat in Deut. 17:6 (waar het om afgoderij gaat, Deut. 17:2–5) en Deut. 19:15.
Zie ook Deut. 17:2–7; Deut. 19:15.
καταπατέω (katapateo), ‘met voeten treden’. κοινός (koinos), ‘gewoon, onrein’: iets wat niet heilig is; zoals Rom. 14:14. ἡγιάσθη (hegiasthe), ‘hij werd geheiligd’: het Grieks laat open wie geheiligd is (de afvallige, zoals wij vertalen, of de Zoon); wij volgen de eerste lezing. ἐνυβρίζω (enybrizo), ‘beledigen, smaden’.
‘De Geest van de genade’ herinnert aan Zach. 12:10 (‘een geest van genade en smeking’). τιμωρία (timoria), ‘straf’.
Zie ook Zach. 12:10; Hebr. 6:6; Hebr. 9:13–14.
Twee aanhalingen van Deut. 32:35–36 (Hebreeuwse telling; zelfde in NL).
Ons Hebreeuws heeft: ‘Mij komen wraak en vergelding toe’.
De Griekse tekst heeft ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal vergelden’, zoals ook Rom. 12:19.
Het is een toespraak van Elohim in de eerste persoon: rood.
Het tweede citaat, ‘Yahweh zal Zijn volk oordelen’, is de aanhaling van Deut. 32:36 (ons Hebreeuws: ‘Yahweh zal recht doen aan Zijn volk’); hier spreekt de schrijver over Yahweh, dus zwart. κύριος is hier Yahweh. ἐκδίκησις (ekdikesis), ‘wraak’: ook ‘recht doen’, ‘vergelding’.
Zie ook Deut. 32:35–36; Rom. 12:19.
De SBLGNT markeert bij ἀνταποδώσω (antapodoso), ‘Ik zal vergelden’, een variant, en bij Κρινεῖ κύριος (Krinei kyrios), ‘Yahweh zal oordelen’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἐμπίπτω (empipto), ‘vallen in’.
‘De handen van de levende Elohim’ herinnert aan 2 Sam. 24:14 (‘laat ons toch in de hand van Yahweh vallen’).
‘De levende Elohim’ staat ook in 3:12, 9:14 en 12:22.
Zie ook 2 Sam. 24:14; Hebr. 3:12.
Houd vol in het geloof
ἀναμιμνῄσκομαι (anamimnesko), ‘terugdenken aan, zich herinneren’. φωτίζω (fotizo), ‘verlichten’: zoals in 6:4. ἄθλησις (athlesis), ‘strijd’: het woord komt uit de wedstrijden; hier een strijd van lijden. ὑπομένω (hypomeno), ‘volharden’, ‘doorstaan’.
Zie ook Hebr. 6:4.
θεατρίζω (theatrizo), ‘tot schouwspel maken’: openlijk blootstellen, als in een theater (θέατρον). ὀνειδισμός (oneidismos), ‘smaad’; θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’. κοινωνοί (koinonoi), ‘deelgenoten’.
Het Grieks heeft τοῦτο μέν … τοῦτο δέ (touto men … touto de), ‘dit enerzijds … dat anderzijds’.
δέσμιος (desmios), ‘gevangene’; ἁρπαγή (harpage), ‘roof’; ὕπαρξις (hyparxis), ‘bezit’.
De brief zegt niet wie de gevangenen waren of wie de bezittingen roofde.
De SBLGNT markeert bij δεσμίοις (desmiois), ‘gevangenen’, ἑαυτούς (heautous), ‘zelf’, en ὕπαρξιν (hyparxin), ‘bezitting’, varianten.
Wij volgen de SBLGNT.
παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’, zoals in vers 19 en in 3:6. μισθαποδοσία (misthapodosia), ‘beloning’: het uitbetaalde loon.
Zie ook Hebr. 3:6.
De SBLGNT markeert bij μεγάλην μισθαποδοσίαν (megalen misthapodosian), ‘grote beloning’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Vanaf hier tot en met vers 38 een aanhaling uit Hab. 2:3–4 (Hebreeuwse telling; zelfde in NL), met bijvoeging van ‘nog een zeer korte tijd’ (ὅσον ὅσον, hoson hoson), een uitdrukking als in Jes. 26:20 (‘voor heel even’).
Het is een toespraak van Yahweh in de eerste persoon (Hab. 2:2: ‘Yahweh antwoordde mij’): wij maken ze rood.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Als het draalt, wacht erop, want het komt zeker, het komt niet te laat’ (het visioen).
De Griekse tekst heeft: ‘Hij die komt, zal komen en niet talmen’: een persoon, ὁ ἐρχόμενος (ho erchomenos), ‘Hij die komt’. χρονίζω (chronizo), ‘talmen, uitblijven’.
Zie ook Hab. 2:3; Jes. 26:20; Matt. 11:3.
Vervolg van Hab. 2:4.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Zie, opgeblazen, niet recht is zijn ziel in hem.
Maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw.’
De Griekse tekst zet de zinsdelen in een andere volgorde: ‘Mijn rechtvaardige zal uit geloof leven, en als hij terugdeinst, heeft Mijn ziel geen behagen in hem’.
Hij voegt ‘Mijn’ toe bij ‘rechtvaardige’, heeft ‘geloof’ (πίστις, pistis) waar ons Hebreeuws ‘trouw’ (אֱמוּנָה, emunah) heeft en ‘Mijn ziel’ waar het Hebreeuws ‘zijn ziel’ heeft. ὑποστέλλω (hypostello), ‘terugdeinzen, zich terugtrekken’.
Zie ook Rom. 1:17 en Gal. 3:11, waar dezelfde woorden zonder ‘Mijn’ staan.
Zie ook Hab. 2:4; Rom. 1:17; Gal. 3:11.
De SBLGNT markeert bij μου (mou), ‘Mijn’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ὑποστολή (hypostole), ‘het terugdeinzen’; ἀπώλεια (apoleia), ‘verderf’; περιποίησις (peripoiesis), ‘behoud, verwerving’; ψυχή (psyche), ‘ziel’: ook ‘leven’, het hele mensenleven.
Het Grieks heeft ‘wij zijn niet van het terugdeinzen tot verderf, maar van het geloof tot behoud van de ziel’; wij vertalen ‘horen niet bij … maar bij …’.
Zie ook Hebr. 10:38.