Het oordeel over de aarde en over Juda: de dag van Yahweh is nabij
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het woord van Yahweh aan Sefanja
1Het woord van Yahweh dat tot Sefanja kwam, de zoon van Kushi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia, in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda.
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֗ה
(haya)
kwam
אֶל
(el)
tot
צְפַנְיָה֙
(tsefanya)
Sefanja
בֶּן
(ben)
zoon van
כּוּשִׁ֣י
(kushi)
Kushi
בֶן
(ben)
zoon van
גְּדַלְיָ֔ה
(gedalya)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲמַרְיָ֖ה
(amarya)
Amarja
בֶּן
(ben)
zoon van
חִזְקִיָּ֑ה
(chizqiya)
Hizkia
בִּימֵ֛י
(bimei)
in de dagen van
יֹאשִׁיָּ֥הוּ
(yoshiyahu)
Josia
בֶן
(ben)
zoon van
אָמ֖וֹן
(amon)
Amon
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צְפַנְיָה (Tsefanyah), ‘Sefanja’: de naam betekent ‘Yahweh heeft verborgen’ of ‘Yahweh heeft beschermd’.
Een andere man met deze naam was de tweede priester in Jeruzalem (2 Kon. 25:18).
כּוּשִׁי (Kushi), ‘Kushi’: de naam betekent ‘de Kushiet’, iemand uit Kush. Wat dat over zijn afkomst zegt, laat de tekst open.
Het Hebreeuws noemt Hizkia hier niet ‘koning’. Of hij de koning Hizkia is (2 Kon. 18:1), zegt de tekst niet.
Josia, de zoon van Amon: zie 2 Kon. 21:19 en 22:1; ook 2 Kron. 34:1.
2„Ik zal alles volledig wegvagen van het oppervlak van de grond, godsspraak van Yahweh.
אָסֹ֨ף
(asof)
wegvagen
אָסֵ֜ף
(asef)
Ik zal wegvagen
כֹּ֗ל
(kol)
alles
מֵעַ֛ל
(meal)
van op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten.
Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt.
Wij zetten de formule in rood als ze midden in Zijn woorden staat.
אָסֹף אָסֵף (asof asef), ‘Ik zal alles volledig wegvagen’: letterlijk ‘wegvagend zal Ik wegvagen’. Het werkwoord אָסַף (asaf) betekent meestal ‘verzamelen’; hier betekent het ‘wegnemen’. De dubbele vorm maakt de zin sterk, zoals ‘sterven zul je sterven’.
הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’: de bodem waarop mens en dier leven.
3Ik zal mens en dier wegvagen. Ik zal de vogels van de hemel en de vissen van de zee wegvagen, en de struikelblokken met de goddelozen. Ik zal de mens uitroeien van het oppervlak van de grond, godsspraak van Yahweh.
אָסֵ֨ף
(asef)
Ik zal wegvagen
אָדָ֜ם
(adam)
mens
וּבְהֵמָ֗ה
(uvehema)
en dier
אָסֵ֤ף
(asef)
Ik zal wegvagen
עוֹף
(of)
de vogels van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
וּדְגֵ֣י
(udegei)
en de vissen van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וְהַמַּכְשֵׁל֖וֹת
(vehamakhshelot)
en de struikelblokken
אֶת
(et)
(obj.)
הָרְשָׁעִ֑ים
(hareshaim)
de goddelozen
וְהִכְרַתִּ֣י
(vehikhrati)
en Ik zal uitroeien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָדָ֗ם
(haadam)
de mens
מֵעַ֛ל
(meal)
van op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het vers gaat van groot naar klein: mens, dier, vogels, vissen.
Vergelijk Hos. 4:3.
הַמַּכְשֵׁלוֹת (hammakhshelot), ‘de struikelblokken’: wat mensen laat struikelen, hier waarschijnlijk afgoden en wat tot zonde verleidt. De zin ‘en de struikelblokken met de goddelozen’ is kort en moeilijk. Het werkwoord ‘Ik zal wegvagen’ nemen wij over uit het begin van het vers.
4Ik strek Mijn hand uit tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem. Ik roei van deze plaats uit wat overgebleven is van de Baäl, de naam van de afgodspriesters samen met de priesters.
וְנָטִ֤יתִי
(venatiti)
en Ik zal uitstrekken
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עַל
(al)
tegen
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
יוֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְהִכְרַתִּ֞י
(vehikhrati)
en Ik zal uitroeien
מִן
(min)
uit
הַמָּק֤וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאָ֣ר
(shear)
wat overgebleven is van
הַבַּ֔עַל
(habaal)
de Baäl
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֥ם
(shem)
de naam van
הַכְּמָרִ֖ים
(hakemarim)
de afgodspriesters
עִם
(im)
met
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
וְנָטִיתִי יָדִי (venatiti yadi), ‘Ik strek Mijn hand uit’: een beeld voor ingrijpen.
הַבַּעַל (haBa’al), ‘de Baäl’: met lidwoord, de bekende god van het land. שְׁאָר (she’ar), ‘wat overgebleven is’: de overgeblevenen, de rest; de Baäl-dienst wordt tot op het laatste restje weggedaan. Vergelijk de hervorming van Josia in 2 Kon. 23:4–5.
כְּמָרִים (kemarim), ‘afgodspriesters’: een woord dat alleen voor priesters van andere goden wordt gebruikt; zie 2 Kon. 23:5 en Hos. 10:5. De ‘priesters’ (hakohanim) zijn de gewone priesters. Of zij priesters van Yahweh zijn die ook andere goden dienden, zegt de tekst niet.
5Ik roei ook uit wie zich op de daken neerwerpen voor het leger van de hemel. Ik roei ook uit wie zich neerwerpen en zweren bij Yahweh, en wie zweren bij hun koning.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּשְׁתַּחֲוִ֥ים
(hamishtachavim)
wie zich neerwerpen
עַל
(al)
op
הַגַּגּ֖וֹת
(hagagot)
de daken
לִצְבָ֣א
(litsva)
voor het leger van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּֽשְׁתַּחֲוִים֙
(hamishtachavim)
wie zich neerwerpen
הַנִּשְׁבָּעִ֣ים
(hanishbaim)
die zweren
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
bij Yahweh
וְהַנִּשְׁבָּעִ֖ים
(vehanishbaim)
en die zweren
בְּמַלְכָּֽם
(bemalkam)
bij hun koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord.
‘Ik roei ook uit’ nemen wij over uit vers 4, ook voor de tweede zin; zo ook in vers 6.
עַל הַגַּגּוֹת (al haggagot), ‘op de daken’: op de platte daken werden altaren gebouwd (2 Kon. 23:12).
צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: zon, maan en sterren, die als goden werden vereerd (2 Kon. 21:3; 23:5).
Lezing
בְּמַלְכָּם (bemalkam): de klinkers geven ‘bij hun koning’.
Met andere klinkers is het ‘bij Milkom’, de god van Ammon (1 Kon. 11:5).
Wij vertalen ‘hun koning’, zoals ‘jullie koning’ in Amos 5:26.
6Ik roei ook uit wie zich van Yahweh afkeren, en wie Yahweh niet hebben gezocht en Hem niet hebben geraadpleegd.”
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנְּסוֹגִ֖ים
(hanesogim)
wie zich afkeren
מֵאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
van achter
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַאֲשֶׁ֛ר
(vaasher)
en die
לֹֽא
(lo)
niet
בִקְשׁ֥וּ
(biqshu)
hebben gezocht
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
דְרָשֻֽׁהוּ
(derashuhu)
hebben Hem geraadpleegd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנְּסוֹגִים מֵאַחֲרֵי יְהוָה (hannesogim me’acharei Yahweh), ‘wie zich van Yahweh afkeren’: letterlijk ‘die zich terugtrekken van achter Yahweh’.
בִּקֵּשׁ (biqqesh) en דָּרַשׁ (darash) staan hier naast elkaar. Wij vertalen biqqesh ‘zoeken’ en darash ‘raadplegen’, zodat het verschil zichtbaar blijft. In Amos 5:4 staat darash als ‘zoeken’.
Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’ (zie Amos 1:8).
הַס (has), ‘wees stil’: een uitroep om uit ontzag te zwijgen. Vergelijk Amos 6:10.
יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh zichtbaar ingrijpt en oordeelt. Zie de Uitleg bij Joël 1:15 en Amos 5:18. Sefanja 1:14–18 beschrijft die dag uitvoerig.
זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een dier dat geslacht wordt voor een offermaal. Het oordeel is hier het offermaal dat Yahweh zelf bereidt. De tekst zegt niet wie de genodigden (קְרֻאָיו, qeru’av) zijn en wie het slachtoffer is.
9Op die dag straf Ik ieder die over de drempel springt, en wie het huis van hun heren vullen met geweld en bedrog.
וּפָקַדְתִּ֗י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עַ֧ל
(al)
over
כָּל
(kal)
ieder
הַדּוֹלֵ֛ג
(hadoleg)
die springt
עַל
(al)
over
הַמִּפְתָּ֖ן
(hamiftan)
de drempel
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
הַֽמְמַלְאִ֛ים
(hammalim)
die vullen
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אֲדֹנֵיהֶ֖ם
(adoneihem)
hun heren
חָמָ֥ס
(chamas)
met geweld
וּמִרְמָֽה
(umirma)
en bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַדּוֹלֵג עַל הַמִּפְתָּן (hadoleg al hammiftan), ‘die over de drempel springt’: waarschijnlijk een heidens gebruik; vergelijk 1 Sam. 5:5, waar de priesters van Dagon niet op de drempel treden.
בֵּית אֲדֹנֵיהֶם (bet adoneihem), ‘het huis van hun heren’: het huis van hun meesters of van hun goden. Wat bedoeld wordt, is onzeker.
10Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Yahweh. Een kreet klinkt vanaf de Vispoort, gejammer vanuit het tweede stadsdeel en een grote ineenstorting vanaf de heuvels.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֜וּא
(hahu)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
ק֤וֹל
(qol)
het geluid van
צְעָקָה֙
(tseaqa)
een kreet
מִשַּׁ֣עַר
(mishaar)
vanaf de poort van
הַדָּגִ֔ים
(hadagim)
de vissen
וִֽילָלָ֖ה
(vilala)
en gejammer
מִן
(min)
vanuit
הַמִּשְׁנֶ֑ה
(hamishne)
het tweede stadsdeel
וְשֶׁ֥בֶר
(veshever)
en een instorting
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
מֵהַגְּבָעֽוֹת
(mehagevaot)
vanaf de heuvels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Vispoort (ligging onzeker): De Vispoort lag in de noordmuur van Jeruzalem.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Het tweede stadsdeel (Mishne; ligging onzeker): Het tweede stadsdeel (Mishne) was een later bijgebouwde wijk van Jeruzalem, waarschijnlijk in het noordwesten van de oude stad.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
שַׁעַר הַדָּגִים (Sha’ar haddagim), ‘Vispoort’: een poort in Jeruzalem; de ligging is onzeker (2 Kron. 33:14).
הַמִּשְׁנֶה (hammishneh), ‘het tweede stadsdeel’: een deel van de stad dat later is bijgebouwd (2 Kon. 22:14).
שֶׁבֶר גָּדוֹל (shever gadol), ‘een grote ineenstorting’: het geluid van instortende muren; zie ‘ineenstorting’ in Amos 6:6.
11Jammer, bewoners van de Maktes, want heel het volk van Kanaän is vernietigd. Allen die met zilver beladen zijn, zijn uitgeroeid.
הֵילִ֖ילוּ
(heililu)
jammert
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
הַמַּכְתֵּ֑שׁ
(hamakhtesh)
de Maktes
כִּ֤י
(ki)
want
נִדְמָה֙
(nidma)
is vernietigd
כָּל
(kal)
heel
עַ֣ם
(am)
het volk van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
נִכְרְת֖וּ
(nikhretu)
zijn uitgeroeid
כָּל
(kal)
allen
נְטִ֥ילֵי
(netilei)
die beladen zijn met
כָֽסֶף
(kasef)
zilver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie De Maktes (Jeruzalem; ligging onzeker): De Maktes (‘vijzel’, ‘holte’) was een wijk van Jeruzalem, waarschijnlijk een laag gelegen deel van de stad, misschien het Tyropoeondal.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
הַמַּכְתֵּשׁ (hammakhtesh), ‘de Maktes’: letterlijk ‘de holte’ of ‘de vijzel’.
Het is een wijk in Jeruzalem, waarschijnlijk in een laag gelegen deel.
De ligging is onzeker.
כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: hier de handelaren van de stad; ‘Kanaän’ kan ook ‘koopman’ betekenen (vergelijk Hos. 12:8).
נְטִילֵי כֶסֶף (netilei khesef), ‘die met zilver beladen zijn’: het woord נָטִיל (natil) komt alleen hier voor. Sommigen denken aan ‘zilverwegers’. De betekenis is onzeker.
נִדְמָה (nidmah), ‘is vernietigd’: het kan ook ‘is tot zwijgen gebracht’ betekenen.
12Het zal gebeuren in die tijd: Ik doorzoek Jeruzalem met lampen. Ik straf de mannen die op hun droesem zijn verstard, die in hun hart zeggen: ‘Yahweh doet geen goed en Hij doet geen kwaad.’
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֔יא
(hahi)
die
אֲחַפֵּ֥שׂ
(achapes)
Ik zal doorzoeken
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בַּנֵּר֑וֹת
(banerot)
met lampen
וּפָקַדְתִּ֣י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עַל
(al)
over
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הַקֹּֽפְאִים֙
(haqofeim)
die verstard zijn
עַל
(al)
op
שִׁמְרֵיהֶ֔ם
(shimreihem)
hun droesem
הָאֹֽמְרִים֙
(haomerim)
die zeggen
בִּלְבָבָ֔ם
(bilvavam)
in hun hart
לֹֽא
(lo)
niet
יֵיטִ֥יב
(yeitiv)
doet goed
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָרֵֽעַ
(yarea)
doet kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
בַּנֵּרוֹת (bannerot), ‘met lampen’: Yahweh doorzoekt de stad tot in de donkere hoeken.
הַקֹּפְאִים עַל שִׁמְרֵיהֶם (haqof’im al shimreihem), ‘die op hun droesem zijn verstard’: een beeld van wijn die ongeroerd op de droesem blijft staan. Het gaat om mensen die tevreden zijn gaan leunen op hun eigen rust.
Zij denken dat Yahweh niet ingrijpt: ‘Hij doet geen goed en Hij doet geen kwaad’.
13Hun rijkdom wordt plundering en hun huizen een woestenij. Zij bouwen huizen, maar zij zullen er niet in wonen. Zij planten wijngaarden, maar zij zullen de wijn ervan niet drinken.”
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal worden
חֵילָם֙
(cheilam)
hun rijkdom
לִמְשִׁסָּ֔ה
(limshisa)
tot plundering
וּבָתֵּיהֶ֖ם
(uvateihem)
en hun huizen
לִשְׁמָמָ֑ה
(lishmama)
tot woestenij
וּבָנ֤וּ
(uvanu)
en zij zullen bouwen
בָתִּים֙
(batim)
huizen
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
יֵשֵׁ֔בוּ
(yeshevu)
zullen zij wonen
וְנָטְע֣וּ
(venateu)
en zij zullen planten
כְרָמִ֔ים
(keramim)
wijngaarden
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
יִשְׁתּ֖וּ
(yishtu)
zullen zij drinken
אֶת
(et)
(obj.)
יֵינָֽם
(yeinam)
hun wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dezelfde dreiging staat in Amos 5:11 en Deut. 28:30.
15Die dag is een dag van woede, een dag van benauwdheid en nood, een dag van verwoesting en vernietiging. Een dag van duisternis en donkerte; een dag van wolken en dikke nevel.
י֥וֹם
(yom)
dag van
עֶבְרָ֖ה
(evra)
woede
הַיּ֣וֹם
(hayom)
die dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
י֧וֹם
(yom)
dag van
צָרָ֣ה
(tsara)
benauwdheid
וּמְצוּקָ֗ה
(umetsuqa)
en nood
י֤וֹם
(yom)
dag van
שֹׁאָה֙
(shoa)
verwoesting
וּמְשׁוֹאָ֔ה
(umeshoa)
en vernietiging
י֥וֹם
(yom)
dag van
חֹ֨שֶׁךְ֙
(choshekh)
duisternis
וַאֲפֵלָ֔ה
(vaafela)
en donkerte
י֥וֹם
(yom)
dag van
עָנָ֖ן
(anan)
wolken
וַעֲרָפֶֽל
(vaarafel)
en dikke nevel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is bijna gelijk aan Joël 2:2: ‘een dag van duisternis en donkerte, een dag van wolken en dikke nevel’.
עֶבְרָה (evrah), ‘woede’: een uitbarsting van toorn.
17„Ik breng de mens in nood, en zij zullen lopen als blinden, want zij hebben tegen Yahweh gezondigd. Hun bloed wordt uitgestort als stof en hun vlees als drek.”
וַהֲצֵרֹ֣תִי
(vahatseroti)
en Ik zal in nood brengen
לָאָדָ֗ם
(laadam)
de mens
וְהָֽלְכוּ֙
(vehalekhu)
en zij zullen lopen
כַּֽעִוְרִ֔ים
(kaivrim)
als blinden
כִּ֥י
(ki)
want
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
חָטָ֑אוּ
(chatau)
zij hebben gezondigd
וְשֻׁפַּ֤ךְ
(veshupakh)
en zal worden uitgestort
דָּמָם֙
(damam)
hun bloed
כֶּֽעָפָ֔ר
(keafar)
als stof
וּלְחֻמָ֖ם
(ulechumam)
en hun vlees
כַּגְּלָלִֽים
(kagelalim)
als drek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַהֲצֵרֹתִי (vahatserotti), ‘Ik breng in nood’: letterlijk ‘Ik maak het benauwd’.
18Zelfs hun zilver, zelfs hun goud kan hen niet bevrijden op de dag van de woede van Yahweh. In het vuur van Zijn ijver wordt heel de aarde verteerd. Want een volledig einde, ja een schrikwekkend einde, maakt Hij van alle bewoners van de aarde.
גַּם
(gam)
zelfs
כַּסְפָּ֨ם
(kaspam)
hun zilver
גַּם
(gam)
zelfs
זְהָבָ֜ם
(zehavam)
hun goud
לֹֽא
(lo)
niet
יוּכַ֣ל
(yukhal)
kan
לְהַצִּילָ֗ם
(lehatsilam)
hen bevrijden
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag van
עֶבְרַ֣ת
(evrat)
de woede van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבְאֵשׁ֙
(uveesh)
en in het vuur van
קִנְאָת֔וֹ
(qinato)
Zijn ijver
תֵּאָכֵ֖ל
(teakhel)
wordt verteerd
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּֽי
(ki)
want
כָלָ֤ה
(kala)
een volledig einde
אַךְ
(akh)
ja
נִבְהָלָה֙
(nivhala)
een schrikwekkend einde
יַֽעֲשֶׂ֔ה
(yaase)
maakt Hij
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: de brandende inzet van Yahweh voor wat Hem toebehoort.
כָּלָה אַךְ נִבְהָלָה (kalah akh nivhalah), ‘een volledig einde, ja een schrikwekkend einde’: de woorden zijn kort en kunnen ook ‘een einde, ja een haastig einde’ betekenen.
Vers 18 eindigt met bijna dezelfde woorden als 3:8.