Romeinen 14
De zwakken en de sterken: spijzen, dagen, oordelen en aanstoot
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Neem elkaar aan
ἀσθενέω (astheneo), ‘zwak zijn’.
‘Zwak in het geloof’ is hier iemand die zich aan regels over eten en dagen houdt (de verzen 2–6).
De tekst noemt niet wie de zwakken en de sterken zijn; de verzen 2 en 14 laten zien dat het gaat om wat men mag eten. προσλαμβάνομαι (proslambanomai), ‘aannemen’: tot de eigen kring toelaten; zo ook in vers 3. διάκρισις (diakrisis), ‘geschil, onderscheiding’; διαλογισμός (dialogismos), ‘overweging, mening’.
Het Grieks is kort: ‘niet tot geschillen van overwegingen’.
Zie ook 1 Kor. 8:7–13; 1 Kor. 10:23–33; Rom. 15:1.
λάχανα (lachana), ‘groenten’.
De tekst zegt niet waarom de zwakke geen vlees eet.
Dat kan zijn omdat het vlees voor afgoden geofferd kon zijn, zoals in 1 Kor. 8 en 10, of omdat het niet rein was; Paulus zegt het niet.
Zie ook 1 Kor. 8:1–13; 1 Kor. 10:25–27.
ἐξουθενέω (exoutheneo), ‘minachten’: als niets beschouwen. κρίνω (krino), ‘oordelen’: dit werkwoord komt in dit hoofdstuk steeds terug (verzen 3, 4, 5, 10, 13, 22). προσλαμβάνομαι (proslambanomai), ‘aannemen’: zie vers 1; Elohim heeft zowel wie eet als wie niet eet aangenomen.
οἰκέτης (oiketes), ‘huisknecht’: een knecht van het huis; ‘andermans’ (ἀλλότριος, allotrios) is de knecht van een ander.
‘Zijn eigen heer’: de meester van de knecht; ‘de Heer’ (κύριος, kyrios) is hier Yeshua, zie de verzen 6–9.
Bij ‘de Heer’ verschillen sommige oude handschriften.
κρίνω (krino), ‘oordelen’: hier ‘voor belangrijker houden’. ἡμέραν παρ᾽ ἡμέραν (hemeran par hemeran), ‘dag boven dag’: de ene dag hoger dan de andere.
De tweede helft zegt letterlijk ‘de ander oordeelt elke dag’: dat wil zeggen dat voor hem elke dag gelijk is; wij schrijven ‘even belangrijk’.
De tekst noemt niet welke dagen, bijvoorbeeld de sabbat of vastendagen. πληροφορέω (pleroforeo), ‘volledig overtuigen’. νοῦς (nous), ‘verstand’.
Zie ook Gal. 4:10.
φρονέω (fronoeo), ‘denken aan, let op’. εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘danken’.
Wie eet en wie niet eet, doet het beide met dank aan Elohim.
‘De Heer’ (κύριος, kyrios): Yeshua; zie de verzen 8–9.
Wij zijn van de Heer
Het Grieks heeft ‘voor zichzelf’ (ἑαυτῷ, heauto) in de derde persoon: niemand leeft of sterft voor zichzelf alleen.
κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier Yeshua, zie vers 9.
Het Griekse ‘voor de Heer’ (τῷ κυρίῳ, to kyrio) en ‘van de Heer’ (τοῦ κυρίου, tou kyriou) laat zien dat de Heer de eigenaar is.
ἔζησεν (ezesen), ‘werd levend, leefde’: een enkele handeling in het verleden, hier de opstanding. κυριεύω (kyrieuo), ‘Heer zijn over’, ‘heersen’: verwant aan κύριος (kyrios), ‘Heer’.
‘Doden en levenden’ omvat allen.
Zie ook Hand. 10:42; 1 Tess. 5:10.
βῆμα (bema), ‘rechterstoel’: de zetel van de rechter, zoals in Hand. 12:21 en Hand. 25:6. ἐξουθενέω (exoutheneo), ‘minachten’: zie vers 3.
Zie ook 2 Kor. 5:10; Hand. 12:21; Hand. 25:6.
Bij ‘van Elohim’ verschillen sommige oude handschriften.
Aanhaling van Jes. 45:23, in de Griekse vorm.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Bij Mijzelf heb Ik gezworen … dat voor Mij elke knie zich zal buigen en elke tong zal zweren’.
De Griekse tekst begint met ‘Zo waar Ik leef, zegt de Heer’ (vergelijk Num. 14:28, ‘Zo waar Ik leef, spreekt Yahweh’) en heeft ‘elke tong zal Elohim loven’ (ἐξομολογέω, exomologeo, ‘loven, belijden’) waar ons Hebreeuws ‘zweren’ heeft.
Omdat Yahweh in de eerste persoon spreekt, schrijven wij ‘zegt Yahweh’ en zetten wij de woorden rood.
Vergelijk Filip. 2:10–11.
Zie ook Jes. 45:23; Num. 14:28; Filip. 2:10–11.
λόγον διδόναι (logon didonai), ‘rekenschap geven’: antwoord geven over wat men gedaan heeft.
Geen aanstoot geven
Het Grieks speelt met κρίνω (krino): ‘laten wij niet meer oordelen … oordeel dit liever’. πρόσκομμα (proskomma), ‘aanstoot’: iets waaraan men zich stoot; σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’: de val die men veroorzaakt.
Vergelijk Rom. 9:32–33, ‘steen van aanstoot’.
Zie ook Rom. 9:33; 1 Kor. 8:9.
κοινός (koinos), ‘gewoon, gemeenschappelijk’: in de Joodse spraak wat niet rein is, niet geschikt om te eten of aan Elohim te wijden; wij vertalen ‘onrein’.
‘In de Heer Yeshua’: Paulus’ overtuiging steunt op Hem.
Vergelijk Mark. 7:15, 7:18–19.
Zie ook Mark. 7:15; Hand. 10:14–15.
λυπέω (lypeo), ‘bedroefd maken’: ook ‘kwetsen’. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: de levenswandel. ἀπόλλυμι (apollymi), ‘te gronde richten’: ook ‘laten verloren gaan’. βρῶμα (broma), ‘spijs’: wat gegeten wordt.
Zie ook 1 Kor. 8:11.
‘Het goede van jullie’ (ὑμῶν τὸ ἀγαθόν): de tekst zegt niet wat dat goede is; het kan hun vrijheid, hun geloof of de goede boodschap zijn. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’.
βασιλεία τοῦ θεοῦ (basileia tou theou), ‘het koninkrijk van Elohim’. βρῶσις (brosis), ‘eten’, πόσις (posis), ‘drinken’. δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’; εἰρήνη (eirene), ‘vrede’; χαρά (chara), ‘vreugde’.
De Griekse woorden ‘in de Heilige Geest’ kunnen bij alle drie horen of alleen bij ‘vreugde’.
δουλεύω (douleuo), ‘als knecht dienen’. εὐάρεστος (euarestos), ‘welgevallig’, zoals in 12:1–2. δόκιμος (dokimos), ‘goedgekeurd’: beproefd en geschikt bevonden.
διώκω (dioko), ‘najagen’: zie 12:13. οἰκοδομή (oikodome), ‘opbouw’: letterlijk ‘het bouwen van een huis’.
Zie ook 1 Kor. 14:12; 1 Kor. 14:26.
Wat uit geloof is
κατάλυε (katalye), ‘breek af’: een gebouw slopen; ‘het werk van Elohim’ is de gemeente of een broer of zuster die Hij gebouwd heeft. καθαρός (katharos), ‘rein’. διὰ προσκόμματος ἐσθίοντι (dia proskommatos esthionti), ‘die met aanstoot eet’: het kan bedoelen dat iemand eet en daardoor een ander aanstoot geeft, of dat iemand eet en zelf struikelt.
De tekst kiest niet.
Het Griekse ‘waarin je broer struikelt’ heeft geen eigen werkwoord ‘doen’; wij vullen ‘te doen’ aan. προσκόπτω (proskopto), ‘struikelen’; σκανδαλίζω (skandalizo), ‘ten val brengen’: hier lijdend, ‘ten val komen’; ἀσθενέω (astheneo), ‘zwak worden’.
Bij de laatste twee werkwoorden verschillen sommige oude handschriften.
κατὰ σεαυτόν (kata seauton), ‘bij jezelf’: voor jezelf, zonder het anderen op te dringen. μακάριος (makarios), ‘gelukkig’. κρίνω (krino), ‘oordelen’: hier ‘veroordelen’. δοκιμάζω (dokimazo), ‘goedkeuren’: eerst beproeven en dan goedkeuren; zie 12:2.
διακρίνομαι (diakrinomai), ‘twijfelen’: innerlijk twijfelen. κατακρίνω (katakrino), ‘veroordelen’; de voltooide tijd (κατακέκριται) zegt: hij is veroordeeld. ἐκ πίστεως (ek pisteos), ‘uit geloof’: hier ‘uit overtuiging’, zie vers 22. ἁμαρτία (hamartia), ‘zonde’.