Open in de app Alle boeken Spreuken ← 27 29 → Spreuken 28 Rechtvaardige en goddeloze, rijke en geringe
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1 Goddelozen vluchten terwijl niemand hen achtervolgt, maar rechtvaardigen zijn vol vertrouwen als een jonge leeuw.
וְ֝צַדִּיקִ֗ים
(vetsadiqim)
maar rechtvaardigen
כִּכְפִ֥יר
(kikhfir)
als een jonge leeuw
יִבְטָֽח
(yivtach)
zijn vol vertrouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: sterk, en niemand die hem schrik aanjaagt.
Het werkwoord ‘vluchten’ staat in het meervoud, het woord ‘goddeloze’ in het enkelvoud. Wij vertalen beide in het meervoud.
2 Door de overtreding van een land zijn haar vorsten talrijk. Maar door een mens met inzicht en kennis blijft het zo lang bestaan.
בְּפֶ֣שַֽׁע
(befesha)
door de overtreding van
שָׂרֶ֑יהָ
(sareiha)
zijn vorsten
וּבְאָדָ֥ם
(uveadam)
maar door een mens
מֵבִ֥ין
(mevin)
met inzicht
יֹ֝דֵ֗עַ
(yodea)
die kennis heeft
יַאֲרִֽיךְ
(yaarikh)
blijft het lang bestaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is kort en moeilijk.
Letterlijk staat er aan het einde: ‘zo verlengt het’.
Er staat niet wat er lang duurt.
Wij nemen ‘het land’ als wat blijft bestaan en vullen ‘bestaan’ in. Ook mogelijk is dat de mens met inzicht zelf lang leeft.
3 Een berooide man die geringen onderdrukt: een regen die alles wegspoelt, en er is geen brood.
וְעֹשֵׁ֣ק
(veosheq)
en onderdrukker van
סֹ֝חֵ֗ף
(sochef)
die wegspoelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָשׁ (rash), ‘berooide’: iemand die zelf niets bezit.
Een berooide die geringen onderdrukt, is als een regenbui die de oogst wegspoelt in plaats van laat groeien.
סֹחֵף (sochef), ‘wegspoelend’: een woord dat maar weinig voorkomt; wij vertalen ‘die alles wegspoelt’.
4 Wie de wet verlaten, prijzen de goddeloze. Maar wie de wet bewaren, strijden tegen hen.
עֹזְבֵ֣י
(ozevei)
wie verlaten
יְהַֽלְל֣וּ
(yehallu)
zij prijzen
וְשֹׁמְרֵ֥י
(veshomerei)
en wie bewaren
יִתְגָּ֥רוּ
(yitgaru)
zij strijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.
Hier gaat het om Gods wet.
In vers 7 is het ‘onderwijs’, zoals de vader of de wijze het geeft; in vers 9 is het weer Gods wet.
יִתְגָּרוּ (yitgaru), ‘zij strijden’: zij laten zich met hen in een strijd of twist in.
5 Kwade mensen begrijpen het recht niet, maar wie Yahweh zoeken, begrijpen alles.
אַנְשֵׁי
(anshei)
mensen van
יָבִ֣ינוּ
(yavinu)
begrijpen
וּמְבַקְשֵׁ֥י
(umevaqshei)
en wie zoeken
יָבִ֥ינוּ
(yavinu)
begrijpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Beter een berooide die in zijn onberispelijkheid wandelt dan wie verdraaid is op twee wegen, ook al is hij rijk.
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
die wandelt
בְּתֻמּ֑וֹ
(betumo)
in zijn onberispelijkheid
מֵעִקֵּ֥שׁ
(meiqesh)
dan wie verdraaid is van
דְּ֝רָכַ֗יִם
(derakhayim)
twee wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּרָכַיִם (derachayim) is een tweevoud: ‘twee wegen’.
Wie op twee wegen tegelijk loopt, is niet eerlijk en niet eenduidig.
Zo ook vers 18.
Het eerste deel komt overeen met Spr. 19:1.
7 Wie het onderwijs bewaart, is een zoon met inzicht. Maar wie omgaat met veelvraten, maakt zijn vader te schande.
נוֹצֵ֣ר
(notser)
wie bewaart
מֵבִ֑ין
(mevin)
met inzicht
וְרֹעֶה
(veroe)
maar wie omgaat met
זֽ֝וֹלְלִ֗ים
(zolelim)
veelvraten
יַכְלִ֥ים
(yakhlim)
maakt te schande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זוֹלְלִים (zolelim), ‘veelvraten’: zoals in Deut. 21:20.
רֹעֶה (ro’eh) betekent letterlijk ‘weidt’ of ‘is vriend van’: wie omgaat met zulke mensen.
8 Wie zijn vermogen vermeerdert met rente en winst, verzamelt het voor wie zich over de geringen ontfermt.
מַרְבֶּ֣ה
(marbe)
wie vermeerdert
ה֭וֹנוֹ
(hono)
zijn vermogen
בְּנֶ֣שֶׁךְ
(beneshekh)
met rente
וְתַרְבִּ֑ית
(vetarbit)
en winst
לְחוֹנֵ֖ן
(lechonen)
voor wie zich ontfermt over
יִקְבְּצֶֽנּוּ
(yiqbetsenu)
verzamelt hij het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹן (hon), ‘vermogen’.
נֶשֶׁךְ (neshech), ‘rente’, en תַּרְבִּית (tarbit), ‘winst’: wat iemand bovenop het geleende vraagt.
Zo ook Lev. 25:36–37, Exod. 22:24 en Deut. 23:20–21.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is וּבְתַרְבִּית , ‘en met winst’.
Het gelezen woord (qere) is וְתַרְבִּית , ‘en winst’.
Wij volgen het gelezen woord; de betekenis verschilt nauwelijks.
9 Wie zijn oor afwendt van het horen van de wet, zelfs zijn gebed is een gruwel.
מֵסִ֣יר
(mesir)
wie afwendt
מִשְּׁמֹ֣עַ
(mishemoa)
van het horen van
תְּ֝פִלָּת֗וֹ
(tefilato)
zijn gebed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: iets wat Yahweh verafschuwt.
Zie ook Ps. 66:18.
10 Wie oprechten op een slechte weg laat dwalen, valt zelf in zijn kuil. Maar onberispelijken beërven het goede.
מַשְׁגֶּ֤ה
(mashge)
wie laat dwalen
יְשָׁרִ֨ים
(yesharim)
oprechten
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op een weg
בִּשְׁחוּת֥וֹ
(bishchuto)
in zijn kuil
וּ֝תְמִימִ֗ים
(utemimim)
maar onberispelijken
יִנְחֲלוּ
(yinchalu)
beërven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁחוּת (shachut), ‘kuil’: een kuil om dieren in te vangen.
Vergelijk Ps. 7:16.
11 Een rijke man is een wijze in zijn eigen ogen, maar een geringe met inzicht doorgrondt hem.
בְּ֭עֵינָיו
(beeinav)
in zijn eigen ogen
וְדַ֖ל
(vedal)
maar een geringe
מֵבִ֣ין
(mevin)
met inzicht
יַחְקְרֶֽנּוּ
(yachqerenu)
doorgrondt hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דַּל (dal), ‘geringe’: iemand zonder aanzien en zonder bezit, ook wel ‘arme’ genoemd.
12 Als rechtvaardigen jubelen, is er veel luister. Maar als goddelozen opstaan, wordt de mens gezocht.
בַּעֲלֹ֣ץ
(baalots)
wanneer jubelen
צַ֭דִּיקִים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
תִפְאָ֑רֶת
(tifaret)
luister
וּבְק֥וּם
(uvequm)
maar wanneer opstaan
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
יְחֻפַּ֥שׂ
(yechupas)
wordt gezocht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּעֲלֹץ (ba’aloz), ‘als zij jubelen’: zij zijn blij en winnen.
יְחֻפַּשׂ (yechuppas), ‘wordt gezocht’: men moet de mens opsporen, want hij verbergt zich. Vergelijk vers 28.
13 Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet slagen. Maar wie ze belijdt en laat varen, ontvangt ontferming.
מְכַסֶּ֣ה
(mekhase)
wie bedekt
פְ֭שָׁעָיו
(peshaav)
zijn overtredingen
יַצְלִ֑יחַ
(yatsliach)
zal slagen
וּמוֹדֶ֖ה
(umode)
maar wie belijdt
וְעֹזֵ֣ב
(veozev)
en laat varen
יְרֻחָֽם
(yerucham)
ontvangt ontferming
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie ook Ps. 32:5 en Job 31:33.
14 Gelukkig de mens die voortdurend bevreesd is. Maar wie zijn hart verhardt, valt in het onheil.
אַשְׁרֵ֣י
(ashrei)
gelukkig
מְפַחֵ֣ד
(mefached)
die bevreesd is
תָּמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
וּמַקְשֶׁ֥ה
(umaqshe)
maar wie verhardt
בְּרָעָֽה
(beraa)
in het onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְפַחֵד (mefached), ‘bevreesd’: wie bang is voor het kwaad en daarom voorzichtig leeft, of wie in vrees voor Yahweh leeft.
Het Hebreeuws zegt niet voor wie.
15 Een brullende leeuw en een hongerige beer: een goddeloze heerser over een gering volk.
שׁוֹקֵ֑ק
(shoqeq)
hongerige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוֹקֵק (shoqeq), ‘hongerig’: het woord betekent ook ‘rondrennend’ of ‘hunkerend’.
Het gaat om een dier dat prooi zoekt.
דַל (dal), ‘gering’: arm en zonder macht.
16 Een vorst zonder verstand is rijk aan afpersingen. Wie winstbejag haat, verlengt zijn dagen.
תְּ֭בוּנוֹת
(tevunot)
verstand
מַעֲשַׁקּ֑וֹת
(maashaqot)
afpersingen
יַאֲרִ֥יךְ
(yaarikh)
verlengt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּצַע (betsa), ‘winstbejag’: winst die men met geweld of oneerlijkheid pakt.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is שֹׂנְאֵי , ‘haters van’; het gelezen woord (qere) is שֹׂנֵא , ‘wie haat’.
Wij volgen het gelezen woord.
17 Een mens die belast is met het bloed van een persoon, vlucht tot in de kuil. Laat niemand hem steunen.
בְּדַם
(bedam)
met het bloed van
נָפֶשׁ
(nafesh)
een persoon
יָ֝נ֗וּס
(yanus)
vlucht hij
יִתְמְכוּ
(yitmekhu)
laat steunen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דַּם־נָפֶשׁ (dam nefesh), ‘het bloed van een persoon’: bloedschuld, de schuld van wie iemand heeft gedood.
Zo iemand vlucht tot in de kuil; waarschijnlijk is dat het graf.
Niemand mag hem helpen ontkomen.
18 Wie onberispelijk wandelt, wordt gered. Maar wie op twee wegen verdraaid is, valt in één keer.
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wie wandelt
תָּ֭מִים
(tamim)
onberispelijk
יִוָּשֵׁ֑עַ
(yivashea)
wordt gered
וְנֶעְקַ֥שׁ
(veneqash)
maar verdraaid van
דְּ֝רָכַ֗יִם
(derakhayim)
twee wegen
בְּאֶחָֽת
(beechat)
in één keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּאֶחָת (be’echat), ‘in één keer’: ook mogelijk ‘op een van de twee wegen’.
19 Wie zijn grond bewerkt, wordt verzadigd met brood. Maar wie lege dingen najaagt, wordt verzadigd met armoede.
אַ֭דְמָתוֹ
(admato)
zijn grond
יִֽשְׂבַּֽע
(yisba)
wordt verzadigd
וּמְרַדֵּ֥ף
(umeradef)
maar wie najaagt
רֵ֝קִ֗ים
(reqim)
lege dingen
יִֽשְׂבַּֽע
(yisba)
wordt verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie ook Spr. 12:11, waar bijna dezelfde spreuk staat.
רֵיקִים (reqim), ‘lege dingen’: het woord betekent ook ‘leeglopers’.
20 Een man van betrouwbaarheid is rijk aan zegeningen. Maar wie zich haast om rijk te worden, blijft niet ongestraft.
אֱ֭מוּנוֹת
(emunot)
betrouwbaarheid
בְּרָכ֑וֹת
(berakhot)
zegeningen
וְאָ֥ץ
(veats)
maar wie haast heeft
לְ֝הַעֲשִׁ֗יר
(lehaashir)
om rijk te worden
יִנָּקֶֽה
(yinaqe)
blijft ongestraft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Partijdigheid is niet goed. En voor een stuk brood begaat een man een overtreding.
הַֽכֵּר
(haker)
het kennen van
יִפְשַׁע
(yifsha)
begaat een overtreding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַכֵּר פָּנִים (hakker panim), letterlijk ‘gezichten kennen’: een oordeel laten afhangen van wie iemand is.
Zo ook Spr. 24:23 en Deut. 1:17.
22 Een man met een boos oog haast zich naar rijkdom. Hij weet niet dat gebrek hem zal overkomen.
נִֽבֳהָ֥ל
(nivohal)
haastig
לַה֗וֹן
(lahon)
naar rijkdom
יְבֹאֶֽנּוּ
(yevoenu)
hem zal overkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רַע עַיִן (ra ayin), ‘boos oog’: afgunst en gierigheid; zo ook Spr. 23:6.
Vergelijk Deut. 15:9.
חֶסֶר (cheser), ‘gebrek’: armoede.
23 Wie een mens terechtwijst, vindt daarna meer gunst dan wie met de tong vleit.
מ֘וֹכִ֤יחַ
(mokhiach)
wie terechtwijst
יִמְצָ֑א
(yimtsa)
zal vinden
מִֽמַּחֲלִ֥יק
(mimachaliq)
meer dan wie vleit
לָשֽׁוֹן
(lashon)
met de tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַחֲרַי (acharai), ‘daarna’: na verloop van tijd.
מַחֲלִיק (machaliq) betekent ‘glad maken’: met gladde woorden vleien.
24 Wie zijn vader en zijn moeder berooft en zegt: „Het is geen overtreding”, is een metgezel van een man die verwoest.
גּוֹזֵ֤ל
(gozel)
wie berooft
וְאִמּ֗וֹ
(veimo)
en zijn moeder
פָּ֑שַׁע
(pasha)
overtreding
חָבֵ֥ר
(chaver)
een metgezel
לְאִ֣ישׁ
(leish)
van een man
מַשְׁחִֽית
(mashchit)
die verwoest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie ook Exod. 20:12 en Spr. 19:26.
חָבֵר (chaver), ‘metgezel’: een maat, iemand die met hem optrekt.
25 Wie hebzuchtig is, wekt twist op. Maar wie op Yahweh vertrouwt, wordt overvloedig gevoed.
וּבוֹטֵ֖חַ
(uvoteach)
en wie vertrouwt
יְדֻשָּֽׁן
(yedushan)
wordt overvloedig gevoed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רְחַב־נֶפֶשׁ (rechav nefesh), letterlijk ‘wijd van ziel’: iemand met een grote begeerte, hebzuchtig.
יְדֻשָּׁן (yedushan), ‘wordt vet gemaakt’: hij wordt rijk gevoed en komt tot bloei.
26 Wie op zijn eigen hart vertrouwt, is een dwaas. Maar wie in wijsheid wandelt, ontkomt.
בּוֹטֵ֣חַ
(boteach)
wie vertrouwt
בְּ֭לִבּוֹ
(belibo)
op zijn hart
וְהוֹלֵ֥ךְ
(veholekh)
en wie wandelt
בְּ֝חָכְמָ֗ה
(bechakhema)
in wijsheid
יִמָּלֵֽט
(yimalet)
ontkomt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Wie aan een berooide geeft, heeft geen gebrek. Maar wie zijn ogen verbergt, heeft veel vervloekingen.
לָ֭רָשׁ
(larash)
aan een berooide
וּמַעְלִ֥ים
(umalim)
en wie verbergt
עֵ֝ינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
מְאֵרֽוֹת
(meerot)
vervloekingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְאֵרוֹת (me’erot), ‘vervloekingen’: de vloek van de berooiden die men niets geeft.
28 Als goddelozen opstaan, verbergt de mens zich. Maar als zij omkomen, worden de rechtvaardigen talrijk.
בְּק֣וּם
(bequm)
bij het opstaan van
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
יִסָּתֵ֣ר
(yisater)
verbergt zich
וּ֝בְאָבְדָ֗ם
(uveavedam)
en bij hun omkomen
יִרְבּ֥וּ
(yirbu)
worden talrijk
צַדִּיקִֽים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie vers 12: bijna dezelfde gedachte.