Elohim Bijbel

Spreuken 28

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Rechtvaardige en goddeloze, rijke en geringe

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Goddelozen vluchten terwijl niemand hen achtervolgt, maar rechtvaardigen zijn vol vertrouwen als een jonge leeuw.
נָ֣סוּ
(nasu)
zij vluchten
וְאֵין
(veein)
en niemand
רֹדֵ֣ף
(rodef)
achtervolgt
רָשָׁ֑ע
(rasha)
goddeloze
וְ֝צַדִּיקִ֗ים
(vetsadiqim)
maar rechtvaardigen
כִּכְפִ֥יר
(kikhfir)
als een jonge leeuw
יִבְטָֽח
(yivtach)
zijn vol vertrouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: sterk, en niemand die hem schrik aanjaagt.

Het werkwoord ‘vluchten’ staat in het meervoud, het woord ‘goddeloze’ in het enkelvoud. Wij vertalen beide in het meervoud.

2Door de overtreding van een land zijn haar vorsten talrijk. Maar door een mens met inzicht en kennis blijft het zo lang bestaan.
בְּפֶ֣שַֽׁע
(befesha)
door de overtreding van
אֶ֭רֶץ
(erets)
een land
רַבִּ֣ים
(rabim)
talrijk
שָׂרֶ֑יהָ
(sareiha)
zijn vorsten
וּבְאָדָ֥ם
(uveadam)
maar door een mens
מֵבִ֥ין
(mevin)
met inzicht
יֹ֝דֵ֗עַ
(yodea)
die kennis heeft
כֵּ֣ן
(ken)
zo
יַאֲרִֽיךְ
(yaarikh)
blijft het lang bestaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is kort en moeilijk.

Letterlijk staat er aan het einde: ‘zo verlengt het’.

Er staat niet wat er lang duurt.

Wij nemen ‘het land’ als wat blijft bestaan en vullen ‘bestaan’ in. Ook mogelijk is dat de mens met inzicht zelf lang leeft.

3Een berooide man die geringen onderdrukt: een regen die alles wegspoelt, en er is geen brood.
גֶּ֣בֶר
(gever)
een man
רָ֭שׁ
(rash)
berooide
וְעֹשֵׁ֣ק
(veosheq)
en onderdrukker van
דַּלִּ֑ים
(dalim)
geringen
מָטָ֥ר
(matar)
een regen
סֹ֝חֵ֗ף
(sochef)
die wegspoelt
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָשׁ (rash), ‘berooide’: iemand die zelf niets bezit.

Een berooide die geringen onderdrukt, is als een regenbui die de oogst wegspoelt in plaats van laat groeien.

סֹחֵף (sochef), ‘wegspoelend’: een woord dat maar weinig voorkomt; wij vertalen ‘die alles wegspoelt’.

4Wie de wet verlaten, prijzen de goddeloze. Maar wie de wet bewaren, strijden tegen hen.
עֹזְבֵ֣י
(ozevei)
wie verlaten
ת֭וֹרָה
(tora)
wet
יְהַֽלְל֣וּ
(yehallu)
zij prijzen
רָשָׁ֑ע
(rasha)
goddeloze
וְשֹׁמְרֵ֥י
(veshomerei)
en wie bewaren
ת֝וֹרָ֗ה
(tora)
wet
יִתְגָּ֥רוּ
(yitgaru)
zij strijden
בָֽם
(bam)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.

Hier gaat het om Gods wet.

In vers 7 is het ‘onderwijs’, zoals de vader of de wijze het geeft; in vers 9 is het weer Gods wet.

יִתְגָּרוּ (yitgaru), ‘zij strijden’: zij laten zich met hen in een strijd of twist in.

5Kwade mensen begrijpen het recht niet, maar wie Yahweh zoeken, begrijpen alles.
אַנְשֵׁי
(anshei)
mensen van
רָ֭ע
(ra)
kwaad
לֹא
(lo)
niet
יָבִ֣ינוּ
(yavinu)
begrijpen
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
וּמְבַקְשֵׁ֥י
(umevaqshei)
en wie zoeken
יְ֝הוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יָבִ֥ינוּ
(yavinu)
begrijpen
כֹֽל
(kol)
alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Beter een berooide die in zijn onberispelijkheid wandelt dan wie verdraaid is op twee wegen, ook al is hij rijk.
טֽוֹב
(tov)
beter
רָ֭שׁ
(rash)
een berooide
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
die wandelt
בְּתֻמּ֑וֹ
(betumo)
in zijn onberispelijkheid
מֵעִקֵּ֥שׁ
(meiqesh)
dan wie verdraaid is van
דְּ֝רָכַ֗יִם
(derakhayim)
twee wegen
וְה֣וּא
(vehu)
terwijl hij
עָשִֽׁיר
(ashir)
rijk is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּרָכַיִם (derachayim) is een tweevoud: ‘twee wegen’.

Wie op twee wegen tegelijk loopt, is niet eerlijk en niet eenduidig.

Zo ook vers 18.

Het eerste deel komt overeen met Spr. 19:1.

7Wie het onderwijs bewaart, is een zoon met inzicht. Maar wie omgaat met veelvraten, maakt zijn vader te schande.
נוֹצֵ֣ר
(notser)
wie bewaart
תּ֭וֹרָה
(tora)
onderwijs
בֵּ֣ן
(ben)
een zoon
מֵבִ֑ין
(mevin)
met inzicht
וְרֹעֶה
(veroe)
maar wie omgaat met
זֽ֝וֹלְלִ֗ים
(zolelim)
veelvraten
יַכְלִ֥ים
(yakhlim)
maakt te schande
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זוֹלְלִים (zolelim), ‘veelvraten’: zoals in Deut. 21:20.

רֹעֶה (ro’eh) betekent letterlijk ‘weidt’ of ‘is vriend van’: wie omgaat met zulke mensen.

8Wie zijn vermogen vermeerdert met rente en winst, verzamelt het voor wie zich over de geringen ontfermt.
מַרְבֶּ֣ה
(marbe)
wie vermeerdert
ה֭וֹנוֹ
(hono)
zijn vermogen
בְּנֶ֣שֶׁךְ
(beneshekh)
met rente
וְתַרְבִּ֑ית
(vetarbit)
en winst
לְחוֹנֵ֖ן
(lechonen)
voor wie zich ontfermt over
דַּלִּ֣ים
(dalim)
geringen
יִקְבְּצֶֽנּוּ
(yiqbetsenu)
verzamelt hij het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹן (hon), ‘vermogen’.

נֶשֶׁךְ (neshech), ‘rente’, en תַּרְבִּית (tarbit), ‘winst’: wat iemand bovenop het geleende vraagt.

Zo ook Lev. 25:36–37, Exod. 22:24 en Deut. 23:20–21.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is וּבְתַרְבִּית, ‘en met winst’.

Het gelezen woord (qere) is וְתַרְבִּית, ‘en winst’.

Wij volgen het gelezen woord; de betekenis verschilt nauwelijks.

9Wie zijn oor afwendt van het horen van de wet, zelfs zijn gebed is een gruwel.
מֵסִ֣יר
(mesir)
wie afwendt
אָ֭זְנוֹ
(azeno)
zijn oor
מִשְּׁמֹ֣עַ
(mishemoa)
van het horen van
תּוֹרָ֑ה
(tora)
wet
גַּֽם
(gam)
zelfs
תְּ֝פִלָּת֗וֹ
(tefilato)
zijn gebed
תּוֹעֵבָֽה
(toeva)
gruwel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: iets wat Yahweh verafschuwt.

Zie ook Ps. 66:18.

10Wie oprechten op een slechte weg laat dwalen, valt zelf in zijn kuil. Maar onberispelijken beërven het goede.
מַשְׁגֶּ֤ה
(mashge)
wie laat dwalen
יְשָׁרִ֨ים
(yesharim)
oprechten
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op een weg
רָ֗ע
(ra)
slechte
בִּשְׁחוּת֥וֹ
(bishchuto)
in zijn kuil
הֽוּא
(hu)
hij zelf
יִפּ֑וֹל
(yipol)
valt
וּ֝תְמִימִ֗ים
(utemimim)
maar onberispelijken
יִנְחֲלוּ
(yinchalu)
beërven
טֽוֹב
(tov)
het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁחוּת (shachut), ‘kuil’: een kuil om dieren in te vangen.

Vergelijk Ps. 7:16.

11Een rijke man is een wijze in zijn eigen ogen, maar een geringe met inzicht doorgrondt hem.
חָכָ֣ם
(chakham)
een wijze
בְּ֭עֵינָיו
(beeinav)
in zijn eigen ogen
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
עָשִׁ֑יר
(ashir)
rijke
וְדַ֖ל
(vedal)
maar een geringe
מֵבִ֣ין
(mevin)
met inzicht
יַחְקְרֶֽנּוּ
(yachqerenu)
doorgrondt hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דַּל (dal), ‘geringe’: iemand zonder aanzien en zonder bezit, ook wel ‘arme’ genoemd.

12Als rechtvaardigen jubelen, is er veel luister. Maar als goddelozen opstaan, wordt de mens gezocht.
בַּעֲלֹ֣ץ
(baalots)
wanneer jubelen
צַ֭דִּיקִים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
רַבָּ֣ה
(raba)
veel
תִפְאָ֑רֶת
(tifaret)
luister
וּבְק֥וּם
(uvequm)
maar wanneer opstaan
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
יְחֻפַּ֥שׂ
(yechupas)
wordt gezocht
אָדָֽם
(adam)
een mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּעֲלֹץ (ba’aloz), ‘als zij jubelen’: zij zijn blij en winnen.

יְחֻפַּשׂ (yechuppas), ‘wordt gezocht’: men moet de mens opsporen, want hij verbergt zich. Vergelijk vers 28.

13Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet slagen. Maar wie ze belijdt en laat varen, ontvangt ontferming.
מְכַסֶּ֣ה
(mekhase)
wie bedekt
פְ֭שָׁעָיו
(peshaav)
zijn overtredingen
לֹ֣א
(lo)
niet
יַצְלִ֑יחַ
(yatsliach)
zal slagen
וּמוֹדֶ֖ה
(umode)
maar wie belijdt
וְעֹזֵ֣ב
(veozev)
en laat varen
יְרֻחָֽם
(yerucham)
ontvangt ontferming
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Gelukkig de mens die voortdurend bevreesd is. Maar wie zijn hart verhardt, valt in het onheil.
אַשְׁרֵ֣י
(ashrei)
gelukkig
אָ֭דָם
(adam)
de mens
מְפַחֵ֣ד
(mefached)
die bevreesd is
תָּמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
וּמַקְשֶׁ֥ה
(umaqshe)
maar wie verhardt
לִ֝בּ֗וֹ
(libo)
zijn hart
יִפּ֥וֹל
(yipol)
valt
בְּרָעָֽה
(beraa)
in het onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְפַחֵד (mefached), ‘bevreesd’: wie bang is voor het kwaad en daarom voorzichtig leeft, of wie in vrees voor Yahweh leeft.

Het Hebreeuws zegt niet voor wie.

15Een brullende leeuw en een hongerige beer: een goddeloze heerser over een gering volk.
אֲרִי
(ari)
een leeuw
נֹ֭הֵם
(nohem)
brullende
וְדֹ֣ב
(vedov)
en een beer
שׁוֹקֵ֑ק
(shoqeq)
hongerige
מֹשֵׁ֥ל
(moshel)
heerser
רָ֝שָׁ֗ע
(rasha)
goddeloze
עַ֣ל
(al)
over
עַם
(am)
volk
דָּֽל
(dal)
gering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹקֵק (shoqeq), ‘hongerig’: het woord betekent ook ‘rondrennend’ of ‘hunkerend’.

Het gaat om een dier dat prooi zoekt.

דַל (dal), ‘gering’: arm en zonder macht.

16Een vorst zonder verstand is rijk aan afpersingen. Wie winstbejag haat, verlengt zijn dagen.
נָגִ֗יד
(nagid)
een vorst
חֲסַ֣ר
(chasar)
zonder
תְּ֭בוּנוֹת
(tevunot)
verstand
וְרַ֥ב
(verav)
en rijk aan
מַעֲשַׁקּ֑וֹת
(maashaqot)
afpersingen
שֹׂ֥נֵא
(sone)
wie haat
בֶ֝֗צַע
(betsa)
winstbejag
יַאֲרִ֥יךְ
(yaarikh)
verlengt
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּצַע (betsa), ‘winstbejag’: winst die men met geweld of oneerlijkheid pakt.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is שֹׂנְאֵי, ‘haters van’; het gelezen woord (qere) is שֹׂנֵא, ‘wie haat’.

Wij volgen het gelezen woord.

17Een mens die belast is met het bloed van een persoon, vlucht tot in de kuil. Laat niemand hem steunen.
אָ֭דָם
(adam)
een mens
עָשֻׁ֣ק
(ashuq)
belast
בְּדַם
(bedam)
met het bloed van
נָפֶשׁ
(nafesh)
een persoon
עַד
(ad)
tot
בּ֥וֹר
(bor)
de kuil
יָ֝נ֗וּס
(yanus)
vlucht hij
אַל
(al)
niet
יִתְמְכוּ
(yitmekhu)
laat steunen
בֽוֹ
(bo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דַּם־נָפֶשׁ (dam nefesh), ‘het bloed van een persoon’: bloedschuld, de schuld van wie iemand heeft gedood.

Zo iemand vlucht tot in de kuil; waarschijnlijk is dat het graf.

Niemand mag hem helpen ontkomen.

18Wie onberispelijk wandelt, wordt gered. Maar wie op twee wegen verdraaid is, valt in één keer.
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wie wandelt
תָּ֭מִים
(tamim)
onberispelijk
יִוָּשֵׁ֑עַ
(yivashea)
wordt gered
וְנֶעְקַ֥שׁ
(veneqash)
maar verdraaid van
דְּ֝רָכַ֗יִם
(derakhayim)
twee wegen
יִפּ֥וֹל
(yipol)
valt
בְּאֶחָֽת
(beechat)
in één keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּאֶחָת (be’echat), ‘in één keer’: ook mogelijk ‘op een van de twee wegen’.

19Wie zijn grond bewerkt, wordt verzadigd met brood. Maar wie lege dingen najaagt, wordt verzadigd met armoede.
עֹבֵ֣ד
(oved)
wie bewerkt
אַ֭דְמָתוֹ
(admato)
zijn grond
יִֽשְׂבַּֽע
(yisba)
wordt verzadigd
לָ֑חֶם
(lachem)
met brood
וּמְרַדֵּ֥ף
(umeradef)
maar wie najaagt
רֵ֝קִ֗ים
(reqim)
lege dingen
יִֽשְׂבַּֽע
(yisba)
wordt verzadigd
רִֽישׁ
(rish)
met armoede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Spr. 12:11, waar bijna dezelfde spreuk staat.

רֵיקִים (reqim), ‘lege dingen’: het woord betekent ook ‘leeglopers’.

20Een man van betrouwbaarheid is rijk aan zegeningen. Maar wie zich haast om rijk te worden, blijft niet ongestraft.
אִ֣ישׁ
(ish)
een man van
אֱ֭מוּנוֹת
(emunot)
betrouwbaarheid
רַב
(rav)
rijk aan
בְּרָכ֑וֹת
(berakhot)
zegeningen
וְאָ֥ץ
(veats)
maar wie haast heeft
לְ֝הַעֲשִׁ֗יר
(lehaashir)
om rijk te worden
לֹ֣א
(lo)
niet
יִנָּקֶֽה
(yinaqe)
blijft ongestraft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Partijdigheid is niet goed. En voor een stuk brood begaat een man een overtreding.
הַֽכֵּר
(haker)
het kennen van
פָּנִ֥ים
(panim)
gezichten
לֹא
(lo)
niet
ט֑וֹב
(tov)
goed
וְעַל
(veal)
en voor
פַּת
(pat)
een stuk
לֶ֝֗חֶם
(lechem)
brood
יִפְשַׁע
(yifsha)
begaat een overtreding
גָּֽבֶר
(gaver)
een man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֵּר פָּנִים (hakker panim), letterlijk ‘gezichten kennen’: een oordeel laten afhangen van wie iemand is.

Zo ook Spr. 24:23 en Deut. 1:17.

22Een man met een boos oog haast zich naar rijkdom. Hij weet niet dat gebrek hem zal overkomen.
נִֽבֳהָ֥ל
(nivohal)
haastig
לַה֗וֹן
(lahon)
naar rijkdom
אִ֭ישׁ
(ish)
een man
רַ֣ע
(ra)
boos van
עָ֑יִן
(ayin)
oog
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יֵ֝דַע
(yeda)
weet hij
כִּי
(ki)
dat
חֶ֥סֶר
(cheser)
gebrek
יְבֹאֶֽנּוּ
(yevoenu)
hem zal overkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַע עַיִן (ra ayin), ‘boos oog’: afgunst en gierigheid; zo ook Spr. 23:6.

Vergelijk Deut. 15:9.

חֶסֶר (cheser), ‘gebrek’: armoede.

23Wie een mens terechtwijst, vindt daarna meer gunst dan wie met de tong vleit.
מ֘וֹכִ֤יחַ
(mokhiach)
wie terechtwijst
אָדָ֣ם
(adam)
een mens
אַ֭חֲרַי
(acharay)
daarna
חֵ֣ן
(chen)
gunst
יִמְצָ֑א
(yimtsa)
zal vinden
מִֽמַּחֲלִ֥יק
(mimachaliq)
meer dan wie vleit
לָשֽׁוֹן
(lashon)
met de tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַחֲרַי (acharai), ‘daarna’: na verloop van tijd.

מַחֲלִיק (machaliq) betekent ‘glad maken’: met gladde woorden vleien.

24Wie zijn vader en zijn moeder berooft en zegt: „Het is geen overtreding”, is een metgezel van een man die verwoest.
גּוֹזֵ֤ל
(gozel)
wie berooft
אָ֘בִ֤יו
(aviv)
zijn vader
וְאִמּ֗וֹ
(veimo)
en zijn moeder
וְאֹמֵ֥ר
(veomer)
en zegt
אֵֽין
(ein)
niet
פָּ֑שַׁע
(pasha)
overtreding
חָבֵ֥ר
(chaver)
een metgezel
ה֝֗וּא
(hu)
hij is
לְאִ֣ישׁ
(leish)
van een man
מַשְׁחִֽית
(mashchit)
die verwoest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Exod. 20:12 en Spr. 19:26.

חָבֵר (chaver), ‘metgezel’: een maat, iemand die met hem optrekt.

25Wie hebzuchtig is, wekt twist op. Maar wie op Yahweh vertrouwt, wordt overvloedig gevoed.
רְחַב
(rechav)
wijd van
נֶ֭פֶשׁ
(nefesh)
ziel
יְגָרֶ֣ה
(yegare)
wekt op
מָד֑וֹן
(madon)
twist
וּבוֹטֵ֖חַ
(uvoteach)
en wie vertrouwt
עַל
(al)
op
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
יְדֻשָּֽׁן
(yedushan)
wordt overvloedig gevoed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְחַב־נֶפֶשׁ (rechav nefesh), letterlijk ‘wijd van ziel’: iemand met een grote begeerte, hebzuchtig.

יְדֻשָּׁן (yedushan), ‘wordt vet gemaakt’: hij wordt rijk gevoed en komt tot bloei.

26Wie op zijn eigen hart vertrouwt, is een dwaas. Maar wie in wijsheid wandelt, ontkomt.
בּוֹטֵ֣חַ
(boteach)
wie vertrouwt
בְּ֭לִבּוֹ
(belibo)
op zijn hart
ה֣וּא
(hu)
hij
כְסִ֑יל
(kesil)
een dwaas
וְהוֹלֵ֥ךְ
(veholekh)
en wie wandelt
בְּ֝חָכְמָ֗ה
(bechakhema)
in wijsheid
ה֣וּא
(hu)
hij
יִמָּלֵֽט
(yimalet)
ontkomt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Wie aan een berooide geeft, heeft geen gebrek. Maar wie zijn ogen verbergt, heeft veel vervloekingen.
נוֹתֵ֣ן
(noten)
wie geeft
לָ֭רָשׁ
(larash)
aan een berooide
אֵ֣ין
(ein)
niet
מַחְס֑וֹר
(machsor)
gebrek
וּמַעְלִ֥ים
(umalim)
en wie verbergt
עֵ֝ינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
רַב
(rav)
veel
מְאֵרֽוֹת
(meerot)
vervloekingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְאֵרוֹת (me’erot), ‘vervloekingen’: de vloek van de berooiden die men niets geeft.

28Als goddelozen opstaan, verbergt de mens zich. Maar als zij omkomen, worden de rechtvaardigen talrijk.
בְּק֣וּם
(bequm)
bij het opstaan van
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
יִסָּתֵ֣ר
(yisater)
verbergt zich
אָדָ֑ם
(adam)
een mens
וּ֝בְאָבְדָ֗ם
(uveavedam)
en bij hun omkomen
יִרְבּ֥וּ
(yirbu)
worden talrijk
צַדִּיקִֽים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie vers 12: bijna dezelfde gedachte.