Openbaring 17
De grote hoer op het beest, Babylon de grote, en het oordeel dat over haar komt
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De grote hoer
κρίμα (krima), ‘oordeel’: een uitspraak van een rechter, een vonnis. πόρνη (porne), ‘hoer’: in het Oude Testament beeldt een stad die Elohim ontrouw is een hoer uit (Jes. 1:21; Jes. 23:17; Nah. 3:4).
‘Vele wateren’: vergelijk Jer. 51:13, waar Babel ‘aan vele wateren woont’; vers 15 legt de wateren uit.
De engel is een van de engelen met de 7 schalen van hoofdstuk 16; dezelfde woorden ‘Kom, ik zal je laten zien’ komen terug in 21:9, waar het over de bruid van het Lam gaat.
Zie ook Jes. 1:21; Jes. 23:17; Nah. 3:4; Jer. 51:13; Openb. 16:1; Openb. 21:9.
De SBLGNT markeert bij ὑδάτων (hydaton), ‘wateren’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
πορνεύω (porneuo), ‘ontucht plegen’ en πορνεία (porneia), ‘ontucht’: ook in het Oude Testament het beeld voor trouwbreuk tegenover Elohim. μεθύσκω (methysko), ‘dronken worden’.
Vergelijk Jer. 51:7: ‘Babel was een gouden beker in de hand van Yahweh … de volken dronken van haar wijn’.
De woorden van de engel lopen door tot vers 2; zij staan zwart.
Zie ook Jer. 51:7; Openb. 14:8; Openb. 18:3.
De vrouw op het scharlakenrode beest
ἐν πνεύματι (en pneumati), ‘in de Geest’: zoals in 1:10 en 4:2. ἔρημος (eremos), ‘woestijn’. κόκκινος (kokkinos), ‘scharlakenrood’. βλασφημία (blasfemia), ‘lastering’: de namen van het beest zijn lasterlijk tegen Elohim (13:1, ‘namen van lastering’).
De 7 koppen en 10 hoorns zijn die van het beest uit de zee (13:1) en van de draak (12:3).
Zie ook Openb. 1:10; Openb. 4:2; Openb. 12:3; Openb. 13:1.
De SBLGNT markeert bij γέμοντα (gemonta), ‘vol’, en bij ἔχων (echon), ‘hebbend’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
περιβάλλω (periballo), ‘omhullen, kleden’; πορφυροῦς (porfyrous), ‘purper’; κόκκινος (kokkinos), ‘scharlaken’. χρυσόω (chrysoo), ‘met goud tooien’ (letterlijk ‘vergulden’). μαργαρίτης (margarites), ‘parel’. βδέλυγμα (bdelygma), ‘gruwel’: een afschuwelijk afgodsding.
Het Grieks heeft ‘vol’ (onzijdig, γέμον, gemon) bij de beker, daarna ‘van gruwelen’ (tweede naamval) en ‘de onreine dingen’ (vierde naamval); wij vertalen wat er staat en maken geen glad Grieks.
Vergelijk Jer. 51:7 voor de gouden beker.
Zie ook Jer. 51:7; Openb. 18:16.
De SBLGNT markeert hier varianten bij καὶ (kai), ‘en’ en bij χρυσίῳ (chrysio), ‘met goud’.
Wij volgen de SBLGNT.
μυστήριον (mysterion), ‘geheimenis’: het woord staat onverbonden naast ‘naam’ en ‘Babylon’.
Het kan een deel van de opschrift zijn (‘Geheimenis: Babylon de grote …’) of een toelichting van Johannes (‘een naam … een geheimenis’); wij laten het Grieks zo en zetten een komma. Βαβυλών (Babylon): de tekst zegt niet welke plaats bedoeld is, en wij kiezen niet.
In het Oude Testament heet de stad ‘Babel’ (Gen. 11:9; Jes. 13:19).
Zie ook Gen. 11:9; Jes. 13:19; Openb. 14:8; Openb. 16:19; Openb. 18:2.
De verbazing van Johannes
μάρτυς (martys), ‘getuige’: die getuigd hebben van Yeshua; vergelijk 6:9; 11:7; 12:11, 12:17. μεθύουσα (methyousa), ‘dronken’. θαῦμα (thauma), ‘verbazing’; θαυμάζω (thaumazo), ‘zich verbazen’: ‘ik verbaasde mij met grote verbazing’.
Zie ook Openb. 6:9; Openb. 11:7; Openb. 16:6; Openb. 18:24.
De SBLGNT markeert bij καί (kai), ‘en’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Het geheimenis van de vrouw en van het beest
De engel gaat de verbazing van Johannes uitleggen: ‘Ik zal je het geheimenis zeggen’. βαστάζω (bastazo), ‘dragen’.
De woorden ‘was en is niet’ en ‘er zal zijn’ klinken als een tegenbeeld van ‘Hij die is en die was en die komt’ (1:4, 1:8). μέλλει ἀναβαίνειν (mellei anabainein), ‘staat op het punt op te komen’. ἄβυσσος (abyssos), ‘afgrond’: zoals in 9:1 en 11:7. ἀπώλεια (apoleia), ‘ondergang’. παρέσται (paresetai), ‘er zal zijn’, letterlijk ‘aanwezig zal zijn’.
‘Het boek van het leven’ en ‘sinds de grondlegging van de wereld’ staan ook in 13:8.
Het Grieks heeft ‘van wie de naam niet geschreven is’ als bijzin; wij maken er een eigen zin van.
Zie ook Openb. 1:4; Openb. 1:8; Openb. 11:7; Openb. 13:3; Openb. 13:8; Openb. 20:15; Openb. 21:27.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ὑπάγει (hypagei), ‘gaat’; θαυμασθήσονται (thaumasthesontai), ‘zullen zich verbazen’; de woorden τὸ ὄνομα (to onoma), ‘de naam’; en de woorden τὸ θηρίον ὅτι ἦν (to therion hoti en), ‘het beest dat het was’.
Wij volgen de SBLGNT.
ὁ νοῦς ὁ ἔχων σοφίαν (ho nous ho echon sofian), ‘het verstand dat wijsheid heeft’: een oproep om na te denken, zoals in 13:18.
De tekst zegt dat de 7 koppen zowel 7 bergen als (vers 10) 7 koningen zijn; hij noemt geen stad of volk.
Wij geven de woorden en kiezen niet.
Zie ook Openb. 13:18.
De SBLGNT markeert bij de woorden ἑπτά εἰσιν (hepta eisin), ‘7 zijn’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘De vijf zijn gevallen, de een is, de ander is nog niet gekomen’: het Grieks geeft geen namen en geen tijd; wij kiezen niet.
In Dan. 7:17 en 7:23 staan ‘koning’ en ‘koninkrijk’ bijna door elkaar; het Grieks βασιλεύς (basileus) is ‘koning’. ὀλίγον (oligon), ‘kort, een korte tijd’.
Zie ook Dan. 7:17; Dan. 7:23.
De SBLGNT markeert bij de woorden αὐτὸν δεῖ (auton dei), ‘hem moet’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ὄγδοος (ogdoos), ‘achtste’: het beest is ‘zelf de achtste’ en toch ‘uit de 7’.
Het Grieks verklaart dit niet verder; wij laten het zo.
De SBLGNT markeert bij αὐτός (autos), ‘zelf’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De 10 hoorns en het Lam
‘Tien koningen’: vergelijk Dan. 7:24. βασιλεία (basileia), ‘koninkrijk’: zij hebben nog geen koninkrijk.
‘Één uur’ (μίαν ὥραν, mian horan): een korte tijd; het woord ‘uur’ staat ook in 18:10, 18:17 en 18:19.
Zie ook Dan. 7:24; Openb. 18:10; Openb. 18:17; Openb. 18:19.
γνώμη (gnome), ‘voornemen, inzicht’: wat iemand zich voorneemt of meent.
Wij vertalen γνώμη overal met ‘voornemen’ (ook in vers 17).
De SBLGNT markeert bij de woorden γνώμην ἔχουσιν (gnomen echousin), ‘voornemen hebben zij’, en bij καί (kai), ‘en’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘Heer van de heren en Koning van de koningen’ (κύριος κυρίων … βασιλεὺς βασιλέων): de titels van Elohim, ‘de Elohim van de goden en de Heer van de heren’ (Deut. 10:17; vergelijk Dan. 2:47), worden hier aan het Lam gegeven; zie ook 19:16. κλητός (kletos), ‘geroepen’; ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkoren’; πιστός (pistos), ‘trouw’.
Het Grieks heeft bij ‘geroepen, uitverkoren en trouw’ geen werkwoord; wij vullen ‘zijn’ aan.
De woorden van de engel lopen door tot het einde van vers 14.
Zie ook Deut. 10:17; Dan. 2:47; Openb. 19:16.
Het oordeel over de hoer
De wateren (vers 1) worden uitgelegd.
Het Grieks noemt vier groepen: λαοί (laoi), ‘volken’; ὄχλοι (ochloi), ‘menigten’; ἔθνη (ethne), ‘naties’; γλῶσσαι (glossai), ‘talen’ (in deze reeks vertalen wij ἔθνη met ‘naties’, zoals in 10:11; elders ‘volken’); de vierdelige reeks komt in Openbaring vaker voor (zie 5:9; 7:9; 10:11; 11:9; 13:7; 14:6) in steeds andere woorden en volgorde.
Vergelijk Jes. 8:7, waar ‘de vele wateren van de Rivier’ het leger van Assyrië zijn.
Zie ook Jes. 8:7; Openb. 5:9; Openb. 7:9; Openb. 10:11; Openb. 11:9; Openb. 13:7; Openb. 14:6.
ἐρημόω (eremoo), ‘verwoesten, leeg maken’.
De beelden van ‘naakt maken’, ‘het vlees opeten’ en ‘met vuur verbranden’ lijken op Ezech. 16:37–41 en Ezech. 23:25–29, waar de minnaars zich tegen de ontrouwe stad keren.
Zie ook Ezech. 16:37–41; Ezech. 23:25–29; Openb. 18:8.
De SBLGNT markeert bij γυμνήν (gymnen), ‘naakt’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘Elohim heeft in hun hart gegeven’: Elohim richt hun voornemen; het Grieks spreekt van ‘Zijn voornemen’ (γνώμη, gnome) en van ‘één voornemen’. τελέω (teleo), ‘voltooien’: zoals in 15:1 en 15:8; de ‘woorden van Elohim’ worden voltooid.
Zie ook Openb. 10:7; Openb. 15:1.
De SBLGNT markeert bij de woorden μίαν γνώμην (mian gnomen), ‘één voornemen’, en bij τελεσθήσονται (telesthesontai), ‘zullen voltooid worden’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘De grote stad’: de vrouw is de stad.
Het Grieks noemt hier geen naam; vergelijk 14:8, 16:19 en 18:10. βασιλεία (basileia), ‘koningschap, heerschappij’: zij heeft die ‘over de koningen van de aarde’.
Hiermee eindigen de woorden van de engel, die in vers 1 begonnen.
Zie ook Openb. 14:8; Openb. 16:19; Openb. 18:10.