Het gebod aan de priesters, de trouweloosheid en de vermoeide Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het gebod aan de priesters
1En nu, dit gebod is voor jullie, priesters.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
voor jullie
הַמִּצְוָ֥ה
(hamitsva)
het gebod
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִצְוָה (mitsvah), ‘gebod’: dit gebod is wat in de volgende verzen staat: de waarschuwing aan de priesters en de herinnering aan het verbond met Levi.
2Als jullie niet luisteren en niet ter harte nemen om Mijn naam eer te geven, zegt Yahweh van de legermachten, dan zend Ik de vloek onder jullie. Ik vervloek jullie zegeningen. Zelfs heb Ik ze al vervloekt, want jullie nemen het niet ter harte.
אִם
(im)
als
לֹ֣א
(lo)
niet
תִשְׁמְע֡וּ
(tishmeu)
jullie luisteren
וְאִם
(veim)
en als
לֹא֩
(lo)
niet
תָשִׂ֨ימוּ
(tasimu)
jullie nemen
עַל
(al)
ter
לֵ֜ב
(lev)
harte
לָתֵ֧ת
(latet)
om te geven
כָּב֣וֹד
(kavod)
eer
לִשְׁמִ֗י
(lishmi)
aan Mijn naam
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְשִׁלַּחְתִּ֤י
(veshilachti)
dan zend Ik
בָכֶם֙
(bakhem)
onder jullie
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּאֵרָ֔ה
(hameera)
de vloek
וְאָרוֹתִ֖י
(vearoti)
en Ik vervloek
אֶת
(et)
(obj.)
בִּרְכֽוֹתֵיכֶ֑ם
(birkhoteikhem)
jullie zegeningen
וְגַם֙
(vegam)
en zelfs
אָרוֹתִ֔יהָ
(arotiha)
heb Ik ze vervloekt
כִּ֥י
(ki)
want
אֵינְכֶ֖ם
(einekhem)
jullie niet
שָׂמִ֥ים
(samim)
nemen
עַל
(al)
ter
לֵֽב
(lev)
harte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׂים עַל לֵב (sim al lev), ‘ter harte nemen’: letterlijk ‘op het hart zetten’.
Hetzelfde als in Hag. 1:5 (‘let goed op’), maar hier gaat het om het eer geven aan Yahweh’s naam.
מְאֵרָה (me’erah), ‘vloek’: de vloek uit het verbond. Zie Deut. 28:15–20. De priesters zouden de zegen moeten uitspreken (Num. 6:23–27); nu keert Yahweh hun zegeningen om in vloeken.
אָרוֹתִיהָ (arotiha), ‘Ik heb ze vervloekt’: de verleden tijd staat tegenover de toekomende tijd in het begin van het vers. De vloek werkt al.
Dat kan de oogst zijn (zoals in 3:11) of het nageslacht van de priesters.
Wij kiezen ‘nageslacht’.
לָכֶם (lakhem), ‘voor jullie’: het kan ook ‘tot jullie nadeel’ betekenen. Wij vertalen ‘jullie nageslacht’.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen hier ‘arm’ in plaats van ‘nageslacht’ (uit het geheugen, niet gecontroleerd).
Wij volgen de Masoretische tekst.
פֶּרֶשׁ (peresh), ‘mest’: de mest en ingewanden van de offerdieren worden buiten het kamp verbrand (Exod. 29:14; Lev. 4:11–12; Lev. 16:27). De priesters krijgen dat in hun gezicht en worden ernaartoe gedragen: zij worden behandeld als het afval van het offer.
4Dan zullen jullie weten dat Ik dit gebod naar jullie heb gestuurd, zodat Mijn verbond met Levi blijft bestaan, zegt Yahweh van de legermachten.
וִֽידַעְתֶּ֕ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּ֚י
(ki)
dat
שִׁלַּ֣חְתִּי
(shilachti)
Ik heb gezonden
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
naar jullie
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
הַמִּצְוָ֣ה
(hamitsva)
het gebod
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
לִֽהְי֤וֹת
(lihyot)
om te zijn
בְּרִיתִי֙
(beriti)
Mijn verbond
אֶת
(et)
met
לֵוִ֔י
(levi)
Levi
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּרִיתִי אֶת לֵוִי (beriti et Levi), ‘Mijn verbond met Levi’: het verbond met de stam Levi, de priesterstam.
Zie Num. 25:12–13 (het verbond van vrede met Pinechas), Deut. 33:8–10 en Jer. 33:21.
לִהְיוֹת (lihyot), ‘om te zijn’: het kan betekenen ‘zodat Mijn verbond met Levi blijft bestaan’ of ‘zodat dit gebod Mijn verbond met Levi wordt’. Wij kiezen de eerste.
5Mijn verbond met hem was het leven en de vrede. Ik gaf ze hem als ontzag, en hij vreesde Mij. Voor Mijn naam beefde hij.
בְּרִיתִ֣י
(beriti)
Mijn verbond
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
was
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
הַֽחַיִּים֙
(hachayim)
het leven
וְהַ֨שָּׁל֔וֹם
(vehashalom)
en de vrede
וָאֶתְּנֵֽם
(vaetenem)
en Ik gaf ze
ל֥וֹ
(lo)
hem
מוֹרָ֖א
(mora)
ontzag
וַיִּֽירָאֵ֑נִי
(vayiraeni)
en hij vreesde Mij
וּמִפְּנֵ֥י
(umipenei)
en voor het aangezicht van
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
נִחַ֥ת
(nichat)
beefde
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַחַיִּים וְהַשָּׁלוֹם (hachayyim vehashalom), ‘het leven en de vrede’: de twee gaven van het verbond.
Vergelijk Num. 25:12 (‘Mijn verbond van vrede’).
מוֹרָא (mora), ‘ontzag’, en וַיִּירָאֵנִי (vayyira’eni), ‘en hij vreesde Mij’: dezelfde stam, ‘ontzag’ en ‘vrezen’. Yahweh gaf het leven en de vrede, en de Leviet gaf ontzag terug. Het Hebreeuws zegt: ‘Ik gaf ze hem, ontzag, en hij vreesde Mij.’
נִחַת (nichat), ‘beefde’: van het werkwoord חָתַת (chatat), ‘vervuld zijn van schrik’. Hier is het ontzag voor Yahweh’s naam, niet angst.
6De wet van waarheid was in zijn mond, en onrecht werd niet gevonden op zijn lippen. In vrede en oprechtheid liep hij met Mij, en velen bracht hij terug van de schuld.
תּוֹרַ֤ת
(torat)
de wet van
אֱמֶת֙
(emet)
waarheid
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
was
בְּפִ֔יהוּ
(befihu)
in zijn mond
וְעַוְלָ֖ה
(veavla)
en onrecht
לֹא
(lo)
niet
נִמְצָ֣א
(nimtsa)
werd gevonden
בִשְׂפָתָ֑יו
(bisfatav)
op zijn lippen
בְּשָׁל֤וֹם
(beshalom)
in vrede
וּבְמִישׁוֹר֙
(uvemishor)
en in oprechtheid
הָלַ֣ךְ
(halakh)
liep hij
אִתִּ֔י
(iti)
met Mij
וְרַבִּ֖ים
(verabim)
en velen
הֵשִׁ֥יב
(heshiv)
bracht hij terug
מֵעָוֺֽן
(meavon)
van schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרַת אֱמֶת (torat emet), ‘de wet van waarheid’: תּוֹרָה (torah) is ‘wet’ of ‘onderricht’.
De priester onderwijst de wet.
Zie Deut. 33:10.
עַוְלָה (avlah), ‘onrecht’: letterlijk ‘onrecht, valsheid’. Niet te verwarren met עֹלָה (olah), ‘brandoffer’.
מִישׁוֹר (mishor), ‘oprechtheid’: letterlijk ‘vlakheid, effenheid’, dus een rechte weg.
הֵשִׁיב מֵעָוֺן (heshiv me’avon), ‘bracht terug van de schuld’: hij bracht mensen terug van de weg van de schuld; het woord עָוֺן (avon) staat voor schuld en wat tot schuld leidt.
8Maar jullie zijn van de weg afgeweken. Jullie hebben velen laten struikelen in de wet. Jullie hebben het verbond van Levi verdorven, zegt Yahweh van de legermachten.
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
סַרְתֶּ֣ם
(sartem)
zijn afgeweken
מִן
(min)
van
הַדֶּ֔רֶךְ
(haderekh)
de weg
הִכְשַׁלְתֶּ֥ם
(hikhshaltem)
jullie hebben laten struikelen
רַבִּ֖ים
(rabim)
velen
בַּתּוֹרָ֑ה
(batora)
in de wet
שִֽׁחַתֶּם֙
(shichatem)
jullie hebben verdorven
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
הַלֵּוִ֔י
(halevi)
Levi
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁחַתֶּם (shichattem), ‘jullie hebben verdorven’: letterlijk ‘jullie hebben bedorven, verwoest’.
Het verbond van Levi wordt hier door de priesters zelf beschadigd.
10Hebben wij niet allen één vader? Heeft niet één El ons geschapen? Waarom handelen wij trouweloos, ieder tegen zijn broer, door het verbond van onze vaders te ontheiligen?
הֲל֨וֹא
(halo)
niet waar
אָ֤ב
(av)
een vader
אֶחָד֙
(echad)
één
לְכֻלָּ֔נוּ
(lekhulanu)
voor ons allen
הֲל֛וֹא
(halo)
niet waar
אֵ֥ל
(el)
een El
אֶֽחָ֖ד
(echad)
één
בְּרָאָ֑נוּ
(beraanu)
heeft ons geschapen
מַדּ֗וּעַ
(madua)
waarom
נִבְגַּד֙
(nivgad)
handelen wij trouweloos
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
בְּאָחִ֔יו
(beachiv)
tegen zijn broer
לְחַלֵּ֖ל
(lechalel)
om te ontheiligen
בְּרִ֥ית
(berit)
het verbond van
אֲבֹתֵֽינוּ
(avoteinu)
onze vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt de profeet zelf; wat hij zegt staat zwart.
אָב אֶחָד (av echad), ‘één vader’, en אֵל אֶחָד (El echad), ‘één El’: het is niet duidelijk wie ‘de ene vader’ is. Het kan Yahweh zijn (zoals in 1:6), maar ook Abraham of Jakob (Jes. 51:2; 63:16). De tweede vraag zegt dat één El hen geschapen heeft. Vergelijk Deut. 6:4.
נִבְגַּד (nivgad), ‘trouweloos handelen’: een kernwoord in dit stuk (2:10, 11, 14, 15, 16). Het gaat om het breken van een band: eerst tegenover de broer (vers 10), dan in het huwelijk.
11Juda heeft trouweloos gehandeld. Er is een gruwel gedaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda heeft het heiligdom van Yahweh ontheiligd, dat Hij liefheeft. Hij is getrouwd met de dochter van een vreemde god.
בָּגְדָ֣ה
(bageda)
heeft trouweloos gehandeld
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְתוֹעֵבָ֛ה
(vetoeva)
en een gruwel
נֶעֶשְׂתָ֥ה
(neesta)
is gedaan
בְיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
וּבִירֽוּשָׁלִָ֑ם
(uvirushalaim)
en in Jeruzalem
כִּ֣י
(ki)
want
חִלֵּ֣ל
(chilel)
heeft ontheiligd
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
קֹ֤דֶשׁ
(qodesh)
het heiligdom van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אָהֵ֔ב
(ahev)
Hij liefheeft
וּבָעַ֖ל
(uvaal)
en is getrouwd met
בַּת
(bat)
de dochter van
אֵ֥ל
(el)
een god
נֵכָֽר
(nekhar)
vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’.
קֹדֶשׁ יְהוָה (qodesh Yahweh), ‘het heiligdom van Yahweh’: letterlijk ‘het heilige van Yahweh’. Het kan het volk Israël zijn (Jer. 2:3), de tempel of de heiligheid van het verbond. ‘Dat Hij liefheeft’ kan ook zijn: ‘dat Juda liefhad’. Wij laten het open.
בַּת אֵל נֵכָר (bat El nekhar), ‘dochter van een vreemde god’: een vrouw die een vreemde god vereert. Het gaat om huwelijken met vrouwen van andere volken. Zie Ezra 9:1–2 en Neh. 13:23–27.
13En dit doen jullie in de tweede plaats: jullie bedekken het altaar van Yahweh met tranen, met huilen en zuchten. Daarom wendt Hij Zich niet meer tot het graanoffer en neemt Hij het niet met welgevallen uit jullie hand aan.
וְזֹאת֙
(vezot)
en dit
שֵׁנִ֣ית
(shenit)
een tweede
תַּֽעֲשׂ֔וּ
(taasu)
jullie doen
כַּסּ֤וֹת
(kasot)
bedekken
דִּמְעָה֙
(dima)
tranen
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּכִ֖י
(bekhi)
huilen
וַֽאֲנָקָ֑ה
(vaanaqa)
en zuchten
מֵאֵ֣ין
(meein)
zodat niet meer
ע֗וֹד
(od)
nog
פְּנוֹת֙
(penot)
zich wenden
אֶל
(el)
tot
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het graanoffer
וְלָקַ֥חַת
(velaqachat)
en nemen
רָצ֖וֹן
(ratson)
welgevallen
מִיֶּדְכֶֽם
(miyedkhem)
uit jullie hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁנִית (shenit), ‘een tweede’: de tweede zonde na de gemengde huwelijken van 2:11–12.
De tranen van de vrouwen die verstoten zijn, vallen op het altaar.
Het Hebreeuws zegt niet wiens tranen het zijn: waarschijnlijk die van de verlaten vrouwen.
Wij laten het open.
רָצוֹן (ratson), ‘welgevallen’: het offer wordt niet aanvaard. Zie 1:10.
14En jullie zeggen: „Waarom?” Omdat Yahweh getuige is geweest tussen jou en de vrouw van je jeugd. Tegen haar heb jij trouweloos gehandeld, terwijl zij je metgezellin is en de vrouw van je verbond.
וַאֲמַרְתֶּ֖ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
עַל
(al)
om
מָ֑ה
(ma)
wat
עַ֡ל
(al)
omdat
כִּי
(ki)
dat
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
הֵעִ֨יד
(heid)
getuige was
בֵּינְךָ֜
(beinekha)
tussen jou
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
de vrouw van
נְעוּרֶ֗יךָ
(neureikha)
je jeugd
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
tegen wie
אַתָּה֙
(ata)
jij
בָּגַ֣דְתָּה
(bagadta)
trouweloos hebt gehandeld
בָּ֔הּ
(bah)
tegen haar
וְהִ֥יא
(vehi)
terwijl zij
חֲבֶרְתְּךָ֖
(chavertekha)
je metgezellin
וְאֵ֥שֶׁת
(veeshet)
en de vrouw van
בְּרִיתֶֽךָ
(beritekha)
je verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵעִיד (he’id), ‘getuige zijn’: Yahweh was getuige bij het sluiten van het huwelijk; het huwelijk is een verbond (בְּרִית, berit).
Vergelijk Spr. 2:17.
אֵשֶׁת נְעוּרֶיךָ (eshet ne’urekha), ‘de vrouw van je jeugd’: zoals in Spr. 5:18.
חֲבֶרְתְּךָ (chavertekha), ‘je metgezellin’: iemand met wie je verbonden bent.
15Heeft Hij niet één gemaakt, terwijl Hij een overschot aan geest had? En wat zoekt die ene? Nageslacht van Elohim. Wees dus op jullie hoede in jullie geest, en laat niemand trouweloos handelen tegen de vrouw van je jeugd.
וְלֹא
(velo)
en niet
אֶחָ֣ד
(echad)
één
עָשָׂ֗ה
(asa)
heeft Hij gemaakt
וּשְׁאָ֥ר
(ushear)
en een overschot van
ר֨וּחַ֙
(ruach)
geest
ל֔וֹ
(lo)
had Hij
וּמָה֙
(uma)
en wat
הָֽאֶחָ֔ד
(haechad)
de ene
מְבַקֵּ֖שׁ
(mevaqesh)
zoekt
זֶ֣רַע
(zera)
nageslacht van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וְנִשְׁמַרְתֶּם֙
(venishmartem)
en wees op jullie hoede
בְּר֣וּחֲכֶ֔ם
(beruchakhem)
in jullie geest
וּבְאֵ֥שֶׁת
(uveeshet)
en tegen de vrouw van
נְעוּרֶ֖יךָ
(neureikha)
je jeugd
אַל
(al)
niet
יִבְגֹּֽד
(yivgod)
laat hij trouweloos handelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk; de Hebreeuwse tekst kan op meer manieren gelezen worden.
Wij lezen: Yahweh heeft één gemaakt, hoewel Hij nog een overschot aan geest had.
Wat zocht Hij met die ene?
Nageslacht van Elohim.
Sommige lezers denken bij ‘één’ aan Adam of aan man en vrouw die één worden (Gen. 2:24).
Andere lezingen zijn: ‘Heeft niet één hen gemaakt, met een overschot van geest voor hem?’ en ‘Niemand die dit doet, heeft nog een rest van geest in zich’.
De tekst zegt het niet.
זֶרַע אֱלֹהִים (zera Elohim), ‘nageslacht van Elohim’: kinderen die bij Elohim horen, in Zijn verbond.
16Want Hij haat scheiding, zegt Yahweh, de Elohim van Israël, en iemand bedekt zijn kleed met geweld, zegt Yahweh van de legermachten. Wees dus op jullie hoede in jullie geest, en handel niet trouweloos.
כִּֽי
(ki)
want
שָׂנֵ֣א
(sane)
Hij haat
שַׁלַּ֗ח
(shalach)
scheiding
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְכִסָּ֤ה
(vekhisa)
en hij bedekt
חָמָס֙
(chamas)
geweld
עַל
(al)
over
לְבוּשׁ֔וֹ
(levusho)
zijn kleed
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְנִשְׁמַרְתֶּ֥ם
(venishmartem)
en wees op jullie hoede
בְּרוּחֲכֶ֖ם
(beruchakhem)
in jullie geest
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִבְגֹּֽדוּ
(tivgodu)
handel trouweloos
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂנֵא שַׁלַּח (sane shallach), ‘Hij haat scheiding’: letterlijk ‘hij haat sturen’, dus wegsturen van de vrouw.
Volgens de klinkers van de Masoretische tekst staat er: ‘Hij haat scheiding.’
Een andere lezing is: ‘Wie haat en wegstuurt, zegt Yahweh’.
Wij volgen de klinkers.
וְכִסָּה חָמָס עַל לְבוּשׁוֹ (vechissah chamas al levusho), ‘en iemand bedekt zijn kleed met geweld’: het kleed is het beeld van het huwelijk (vergelijk Ruth 3:9 en Ezech. 16:8). Het geweld is dan het onrecht dat de man zijn vrouw aandoet.
Het vers heeft twee keer ‘zegt Yahweh’. Het zijn woorden van de profeet; zij staan zwart.
17Jullie hebben Yahweh vermoeid met jullie woorden. En jullie zeggen: „Waarin hebben wij Hem vermoeid?” Doordat jullie zeggen: „Ieder die kwaad doet, is goed in de ogen van Yahweh, en in zulke mensen heeft Hij behagen.” Of: „Waar is de Elohim van het recht?”
הוֹגַעְתֶּ֤ם
(hogatem)
jullie hebben vermoeid
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּדִבְרֵיכֶ֔ם
(bedivreikhem)
met jullie woorden
וַאֲמַרְתֶּ֖ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
בַּמָּ֣ה
(bama)
waarin
הוֹגָ֑עְנוּ
(hogaenu)
hebben wij vermoeid
בֶּאֱמָרְכֶ֗ם
(beemarekhem)
doordat jullie zeggen
כָּל
(kal)
ieder
עֹ֨שֵׂה
(ose)
die doet
רָ֜ע
(ra)
kwaad
ט֣וֹב
(tov)
goed
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבָהֶם֙
(uvahem)
en in hen
ה֣וּא
(hu)
Hij
חָפֵ֔ץ
(chafets)
heeft behagen
א֥וֹ
(o)
of
אַיֵּ֖ה
(aye)
waar is
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
הַמִּשְׁפָּֽט
(hamishpat)
het recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹגַעְתֶּם (hoga’tem), ‘jullie hebben vermoeid’: van יָגַע (yaga), ‘moe worden’.
Yahweh wordt moe van hun woorden, niet van hun werk.
Vergelijk Jes. 43:24.
בַּמָּה (bammah), ‘waarin?’: het refrein; zie de uitleg bij 1:2.