Elohim Bijbel

Prediker 2

123456789101112

Qohelet beproeft vreugde en wijsheid

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Vreugde en grote werken

1Ik zei in mijn hart: „Kom toch, ik zal je beproeven met vreugde. Beleef het goede!” Maar zie, ook dit is damp.
אָמַ֤רְתִּֽי
(amarti)
ik zei
אֲנִי֙
(ani)
ik
בְּלִבִּ֔י
(belibi)
in mijn hart
לְכָה
(lekha)
kom
נָּ֛א
(na)
toch
אֲנַסְּכָ֛ה
(anasekha)
ik zal je beproeven
בְשִׂמְחָ֖ה
(besimcha)
met vreugde
וּרְאֵ֣ה
(uree)
en beleef
בְט֑וֹב
(betov)
het goede
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
גַם
(gam)
ook
ה֖וּא
(hu)
dit
הָֽבֶל
(havel)
damp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּרְאֵה בְּטוֹב (ure’eh batov), ‘en beleef het goede’: letterlijk ‘en zie in het goede’.

Het betekent het goede ervaren en ervan genieten.

Zo ook 2:24, 3:13, 5:17, 6:6.

2Over het lachen zei ik: „Razend!” En over de vreugde: „Wat doet die?”
לִשְׂח֖וֹק
(lischoq)
over het lachen
אָמַ֣רְתִּי
(amarti)
ik zei
מְהוֹלָ֑ל
(meholal)
razend
וּלְשִׂמְחָ֖ה
(ulesimcha)
en over de vreugde
מַה
(ma)
wat
זֹּ֥ה
(zo)
dit
עֹשָֽׂה
(osa)
doet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְהוֹלָל (mehollal), ‘razend’: van dezelfde wortel als הוֹלֵלוֹת (holelot), ‘razernij’ in 1:17.

3Ik onderzocht in mijn hart hoe ik mijn lichaam met wijn kon verkwikken, terwijl mijn hart met wijsheid leiding gaf. Ook onderzocht ik hoe ik de domheid kon vasthouden, totdat ik zou zien wat goed is voor de mensenkinderen om te doen onder de hemel. Dat geldt voor het aantal dagen van hun leven.
תַּ֣רְתִּי
(tarti)
ik onderzocht
בְלִבִּ֔י
(belibi)
in mijn hart
לִמְשׁ֥וֹךְ
(limshokh)
om te verkwikken
בַּיַּ֖יִן
(bayayin)
met wijn
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂרִ֑י
(besari)
mijn lichaam
וְלִבִּ֞י
(velibi)
en mijn hart
נֹהֵ֤ג
(noheg)
leidend
בַּֽחָכְמָה֙
(bachakhema)
met wijsheid
וְלֶאֱחֹ֣ז
(veleechoz)
en om vast te houden
בְּסִכְל֔וּת
(besikhlut)
aan domheid
עַ֣ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֶרְאֶ֗ה
(ere)
ik zie
אֵי
(ei)
wat
זֶ֨ה
(ze)
dit
ט֜וֹב
(tov)
goed
לִבְנֵ֤י
(livnei)
voor de kinderen van
הָאָדָם֙
(haadam)
de mens
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יַעֲשׂוּ֙
(yaasu)
zij doen
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
מִסְפַּ֖ר
(mispar)
het aantal
יְמֵ֥י
(yemei)
de dagen van
חַיֵּיהֶֽם
(chayeihem)
hun leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִמְשׁוֹךְ (limshokh), ‘verkwikken’: letterlijk ‘trekken’.

Het kan betekenen dat hij zijn lichaam met wijn ‘meetrok’ of ‘vooruithielp’.

De betekenis is niet zeker.

בָּשָׂר (basar), ‘lichaam’: letterlijk ‘vlees’.

סִכְלוּת (siklut), ‘domheid’: zie 1:17.

4Ik maakte mijn werken groot. Ik bouwde huizen voor mij en plantte wijngaarden voor mij.
הִגְדַּ֖לְתִּי
(higdalti)
ik maakte groot
מַעֲשָׂ֑י
(maasay)
mijn werken
בָּנִ֤יתִי
(baniti)
ik bouwde
לִי֙
(li)
voor mij
בָּתִּ֔ים
(batim)
huizen
נָטַ֥עְתִּי
(natati)
ik plantte
לִ֖י
(li)
voor mij
כְּרָמִֽים
(keramim)
wijngaarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ik maakte tuinen en parken voor mij. Daarin plantte ik allerlei vruchtbomen.
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
ik maakte
לִ֔י
(li)
voor mij
גַּנּ֖וֹת
(ganot)
tuinen
וּפַרְדֵּסִ֑ים
(ufardesim)
en parken
וְנָטַ֥עְתִּי
(venatati)
en ik plantte
בָהֶ֖ם
(bahem)
daarin
עֵ֥ץ
(ets)
bomen van
כָּל
(kal)
alle
פֶּֽרִי
(peri)
vrucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּרְדֵּס (pardes), ‘park’: een omheinde tuin of boomgaard.

Het is een Perzisch leenwoord.

6Ik maakte waterbekkens voor mij om er een bos van uitlopende bomen mee te besproeien.
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
ik maakte
לִ֖י
(li)
voor mij
בְּרֵכ֣וֹת
(berekhot)
bekkens van
מָ֑יִם
(mayim)
water
לְהַשְׁק֣וֹת
(lehashqot)
om te besproeien
מֵהֶ֔ם
(mehem)
daaruit
יַ֖עַר
(yaar)
een bos
צוֹמֵ֥חַ
(tsomeach)
uitlopend
עֵצִֽים
(etsim)
bomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Ik kocht dienaren en dienaressen, en huisgeborenen had ik. Ook had ik veel vee, runderen en kleinvee, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem waren.
קָנִ֨יתִי֙
(qaniti)
ik kocht
עֲבָדִ֣ים
(avadim)
dienaren
וּשְׁפָח֔וֹת
(ushefachot)
en dienaressen
וּבְנֵי
(uvenei)
en zonen van
בַ֖יִת
(bayit)
het huis
הָ֣יָה
(haya)
waren
לִ֑י
(li)
voor mij
גַּ֣ם
(gam)
ook
מִקְנֶה֩
(miqne)
bezit van
בָקָ֨ר
(baqar)
runderen
וָצֹ֤אן
(vatson)
en kleinvee
הַרְבֵּה֙
(harbe)
veel
הָ֣יָה
(haya)
was
לִ֔י
(li)
voor mij
מִכֹּ֛ל
(mikol)
meer dan allen
שֶֽׁהָי֥וּ
(shehayu)
die waren
לְפָנַ֖י
(lefanay)
vóór mij
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

עֲבָדִים וּשְׁפָחוֹת (avadim ushfachot), ‘dienaren en dienaressen’: omdat Qohelet ze kocht, gaat het om mensen die in zijn dienst waren als slaven.

בְּנֵי בַיִת (bene bayit), ‘huisgeborenen’: letterlijk ‘zonen van het huis’, dienaren die in zijn huis geboren waren.

8Ik verzamelde ook zilver en goud voor mij, en de schatten van koningen en van de gewesten. Ik maakte mij zangers en zangeressen en de geneugten van de mensenkinderen: sjidda en sjiddot.
כָּנַ֤סְתִּי
(kanasti)
ik verzamelde
לִי֙
(li)
voor mij
גַּם
(gam)
ook
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֔ב
(vezahav)
en goud
וּסְגֻלַּ֥ת
(usegulat)
en schatten van
מְלָכִ֖ים
(melakhim)
koningen
וְהַמְּדִינ֑וֹת
(vehamedinot)
en de gewesten
עָשִׂ֨יתִי
(asiti)
ik maakte
לִ֜י
(li)
voor mij
שָׁרִ֣ים
(sharim)
zangers
וְשָׁר֗וֹת
(vesharot)
en zangeressen
וְתַעֲנוּגֹ֛ת
(vetaanugot)
en geneugten van
בְּנֵ֥י
(benei)
de kinderen van
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
שִׁדָּ֥ה
(shida)
sjidda
וְשִׁדּֽוֹת
(veshidot)
en sjiddot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁדָּה וְשִׁדּוֹת (shiddah veshiddot), ‘sjidda en sjiddot’: dit woord komt maar hier voor.

De betekenis is onzeker.

Het kan ‘vrouw en vrouwen’ betekenen, maar ook ‘bekers’ of iets anders.

Wij laten het woord staan.

סְגֻלַּת (segullat), ‘schat’: eigendom dat men zorgvuldig bewaart.

9Ik werd groot en ik nam toe, meer dan alles wat vóór mij in Jeruzalem was. Ook bleef mijn wijsheid bij mij staan.
וְגָדַ֣לְתִּי
(vegadalti)
en ik werd groot
וְהוֹסַ֔פְתִּי
(vehosafti)
en ik nam toe
מִכֹּ֛ל
(mikol)
meer dan alles
שֶׁהָיָ֥ה
(shehaya)
wat was
לְפָנַ֖י
(lefanay)
vóór mij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
אַ֥ף
(af)
ook
חָכְמָתִ֖י
(chakhemati)
mijn wijsheid
עָ֥מְדָה
(ameda)
bleef staan
לִּֽי
(li)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

10Alles wat mijn ogen vroegen, onthield ik hun niet. Ik hield mijn hart niet terug van enige vreugde, want mijn hart was blij door al mijn zwoegen. En dit was mijn deel uit al mijn zwoegen.
וְכֹל֙
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
שָֽׁאֲל֣וּ
(shaalu)
vroegen
עֵינַ֔י
(einay)
mijn ogen
לֹ֥א
(lo)
niet
אָצַ֖לְתִּי
(atsalti)
hield ik achter
מֵהֶ֑ם
(mehem)
van hen
לֹֽא
(lo)
niet
מָנַ֨עְתִּי
(manati)
hield ik terug
אֶת
(et)
(obj.)
לִבִּ֜י
(libi)
mijn hart
מִכָּל
(mikal)
van elke
שִׂמְחָ֗ה
(simcha)
vreugde
כִּֽי
(ki)
want
לִבִּ֤י
(libi)
mijn hart
שָׂמֵ֨חַ֙
(sameach)
blij
מִכָּל
(mikal)
door al
עֲמָלִ֔י
(amali)
mijn zwoegen
וְזֶֽה
(veze)
en dit
הָיָ֥ה
(haya)
was
חֶלְקִ֖י
(chelqi)
mijn deel
מִכָּל
(mikal)
uit al
עֲמָלִֽי
(amali)
mijn zwoegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶלְקִי (chelki), ‘mijn deel’: wat hem als aandeel is toegevallen.

Zo ook 3:22, 5:17, 9:9.

11Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot het zwoegen waarmee ik gezwoegd had om te maken. En zie: alles is damp en najagen van wind, en er is geen voordeel onder de zon.
וּפָנִ֣יתִֽי
(ufaniti)
en ik wendde mij
אֲנִ֗י
(ani)
ik
בְּכָל
(bekhal)
tot al
מַעֲשַׂי֙
(maasay)
mijn werken
שֶֽׁעָשׂ֣וּ
(sheasu)
die maakten
יָדַ֔י
(yaday)
mijn handen
וּבֶֽעָמָ֖ל
(uveamal)
en tot het zwoegen
שֶׁעָמַ֣לְתִּי
(sheamalti)
waarmee ik zwoegde
לַעֲשׂ֑וֹת
(laasot)
om te maken
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
הַכֹּ֥ל
(hakol)
alles
הֶ֨בֶל֙
(hevel)
damp
וּרְע֣וּת
(ureut)
en najagen van
ר֔וּחַ
(ruach)
wind
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
יִתְר֖וֹן
(yitron)
voordeel
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wijsheid en dwaasheid: één lot

12Toen wendde ik mij om wijsheid te zien, en razernij en domheid. Want wat zal de mens doen die na de koning komt? Wat men al gedaan heeft.
וּפָנִ֤יתִֽי
(ufaniti)
en ik wendde mij
אֲנִי֙
(ani)
ik
לִרְא֣וֹת
(lirot)
om te zien
חָכְמָ֔ה
(chakhema)
wijsheid
וְהוֹלֵל֖וֹת
(veholelot)
en razernij
וְסִכְל֑וּת
(vesikhlut)
en domheid
כִּ֣י
(ki)
want
מֶ֣ה
(me)
wat
הָאָדָ֗ם
(haadam)
de mens
שֶׁיָּבוֹא֙
(sheyavo)
die komt
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
כְּבָ֖ר
(kevar)
al
עָשֽׂוּהוּ
(asuhu)
zij hebben het gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws van het laatste deel is kort en elliptisch: ‘wat de mens die na de koning komt … dat wat zij al gemaakt hebben’.

Wij vullen alleen ‘zal doen’ aan.

13Ik zag dat de wijsheid voordeel heeft boven de domheid, zoals het licht voordeel heeft boven de duisternis.
וְרָאִ֣יתִי
(veraiti)
en ik zag
אָ֔נִי
(ani)
ik
שֶׁיֵּ֥שׁ
(sheyesh)
dat er is
יִתְר֛וֹן
(yitron)
voordeel
לַֽחָכְמָ֖ה
(lachakhema)
voor de wijsheid
מִן
(min)
boven
הַסִּכְל֑וּת
(hasikhlut)
de domheid
כִּֽיתְר֥וֹן
(kiteron)
zoals het voordeel van
הָא֖וֹר
(haor)
het licht
מִן
(min)
boven
הַחֹֽשֶׁךְ
(hachoshekh)
de duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De wijze heeft zijn ogen in zijn hoofd, maar de dwaas loopt in de duisternis. Toch wist ik ook zelf dat hen allen één lot overkomt.
הֶֽחָכָם֙
(hechakham)
de wijze
עֵינָ֣יו
(einav)
zijn ogen
בְּרֹאשׁ֔וֹ
(berosho)
in zijn hoofd
וְהַכְּסִ֖יל
(vehakesil)
en de dwaas
בַּחֹ֣שֶׁךְ
(bachoshekh)
in de duisternis
הוֹלֵ֑ךְ
(holekh)
loopt
וְיָדַ֣עְתִּי
(veyadati)
en ik wist
גַם
(gam)
ook
אָ֔נִי
(ani)
ik
שֶׁמִּקְרֶ֥ה
(shemiqre)
dat een lot
אֶחָ֖ד
(echad)
één
יִקְרֶ֥ה
(yiqre)
overkomt
אֶת
(et)
(obj.)
כֻּלָּֽם
(kulam)
hen allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְרֶה (miqre), ‘lot’: wat iemand overkomt, ook ‘toeval’.

Het woord blijft in het hele boek hetzelfde: ‘lot’.

Zo ook 3:19, 9:2–3.

15Toen zei ik in mijn hart: „Zoals het lot van de dwaas, zo zal het ook mij overkomen. Waarom ben ik dan zoveel wijzer geweest?” En ik sprak in mijn hart dat ook dit damp is.
וְאָמַ֨רְתִּֽי
(veamarti)
en ik zei
אֲנִ֜י
(ani)
ik
בְּלִבִּ֗י
(belibi)
in mijn hart
כְּמִקְרֵ֤ה
(kemiqre)
zoals het lot van
הַכְּסִיל֙
(hakesil)
de dwaas
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֣י
(ani)
mij
יִקְרֵ֔נִי
(yiqreni)
zal overkomen
וְלָ֧מָּה
(velama)
en waarom
חָכַ֛מְתִּי
(chakhamti)
ben ik wijs geweest
אֲנִ֖י
(ani)
ik
אָ֣ז
(az)
dan
יוֹתֵ֑ר
(yoter)
meer
וְדִבַּ֣רְתִּי
(vedibarti)
en ik sprak
בְלִבִּ֔י
(belibi)
in mijn hart
שֶׁגַּם
(shegam)
dat ook
זֶ֖ה
(ze)
dit
הָֽבֶל
(havel)
damp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹתֵר (yoter), ‘zoveel’: ‘meer’, ‘overmatig’.

Het kan ook ‘nu’ of ‘nog meer’ betekenen.

16Want er is geen herinnering aan de wijze, evenmin als aan de dwaas, voor eeuwig. In de dagen die komen is alles al lang vergeten. En hoe sterft de wijze? Samen met de dwaas.
כִּי֩
(ki)
want
אֵ֨ין
(ein)
er is niet
זִכְר֧וֹן
(zikhron)
herinnering
לֶחָכָ֛ם
(lechakham)
aan de wijze
עִֽם
(im)
met
הַכְּסִ֖יל
(hakesil)
de dwaas
לְעוֹלָ֑ם
(leolam)
voor eeuwig
בְּשֶׁכְּבָ֞ר
(beshekevar)
omdat al
הַיָּמִ֤ים
(hayamim)
de dagen
הַבָּאִים֙
(habaim)
die komen
הַכֹּ֣ל
(hakol)
alles
נִשְׁכָּ֔ח
(nishkach)
is vergeten
וְאֵ֛יךְ
(veeikh)
en hoe
יָמ֥וּת
(yamut)
sterft
הֶחָכָ֖ם
(hechakham)
de wijze
עִֽם
(im)
met
הַכְּסִֽיל
(hakesil)
de dwaas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’.

Alle herinnering verdwijnt, ook die aan de wijze.

Zwoegen voor een ander

17Zo haatte ik het leven, want het werk dat onder de zon gedaan wordt, was kwaad voor mij. Want alles is damp en najagen van wind.
וְשָׂנֵ֨אתִי֙
(vesaneti)
en ik haatte
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣חַיִּ֔ים
(hachayim)
het leven
כִּ֣י
(ki)
want
רַ֤ע
(ra)
kwaad
עָלַי֙
(alay)
voor mij
הַֽמַּעֲשֶׂ֔ה
(hamaase)
het werk
שֶׁנַּעֲשָׂ֖ה
(shenaasa)
dat gedaan wordt
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁ֑מֶשׁ
(hashamesh)
de zon
כִּֽי
(ki)
want
הַכֹּ֥ל
(hakol)
alles
הֶ֖בֶל
(hevel)
damp
וּרְע֥וּת
(ureut)
en najagen van
רֽוּחַ
(ruach)
wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik onder de zon zwoeg, omdat ik het moet achterlaten aan de mens die na mij komt.
וְשָׂנֵ֤אתִֽי
(vesaneti)
en ik haatte
אֲנִי֙
(ani)
ik
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲמָלִ֔י
(amali)
mijn zwoegen
שֶׁאֲנִ֥י
(sheani)
waarmee ik
עָמֵ֖ל
(amel)
zwoeg
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁ֑מֶשׁ
(hashamesh)
de zon
שֶׁ֣אַנִּיחֶ֔נּוּ
(sheanichenu)
dat ik het zal achterlaten
לָאָדָ֖ם
(laadam)
aan de mens
שֶׁיִּהְיֶ֥ה
(sheyihye)
die zal zijn
אַחֲרָֽי
(acharay)
na mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19En wie weet of hij wijs zal zijn of dom? Hij zal heersen over al mijn zwoegen, waarmee ik gezwoegd heb en waarin ik wijs ben geweest onder de zon. Ook dit is damp.
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יוֹדֵ֗עַ
(yodea)
weet
הֶֽחָכָ֤ם
(hechakham)
de wijze
יִהְיֶה֙
(yihye)
hij zal zijn
א֣וֹ
(o)
of
סָכָ֔ל
(sakhal)
dom
וְיִשְׁלַט֙
(veyishlat)
en hij zal heersen
בְּכָל
(bekhal)
over al
עֲמָלִ֔י
(amali)
mijn zwoegen
שֶֽׁעָמַ֥לְתִּי
(sheamalti)
waarmee ik gezwoegd heb
וְשֶׁחָכַ֖מְתִּי
(veshechakhamti)
en waarin ik wijs ben geweest
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁ֑מֶשׁ
(hashamesh)
de zon
גַּם
(gam)
ook
זֶ֖ה
(ze)
dit
הָֽבֶל
(havel)
damp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָכָל (sakal), ‘dom’: een ander woord dan כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’.

Zie 1:17.

20Toen keerde ik mij ertoe om mijn hart te laten wanhopen over al het zwoegen waarmee ik onder de zon gezwoegd heb.
וְסַבּ֥וֹתִֽי
(vesaboti)
en ik keerde mij om
אֲנִ֖י
(ani)
ik
לְיַאֵ֣שׁ
(leyaesh)
om te laten wanhopen
אֶת
(et)
(obj.)
לִבִּ֑י
(libi)
mijn hart
עַ֚ל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
הֶ֣עָמָ֔ל
(heamal)
het zwoegen
שֶׁעָמַ֖לְתִּי
(sheamalti)
waarmee ik gezwoegd heb
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Want er is een mens wiens zwoegen met wijsheid, kennis en succes gebeurt. Hij moet zijn deel geven aan een mens die er niet voor gezwoegd heeft. Ook dit is damp en een groot kwaad.
כִּי
(ki)
want
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
אָדָ֗ם
(adam)
een mens
שֶׁעֲמָל֛וֹ
(sheamalo)
wiens zwoegen
בְּחָכְמָ֥ה
(bechakhema)
met wijsheid
וּבְדַ֖עַת
(uvedaat)
en met kennis
וּבְכִשְׁר֑וֹן
(uvekhishron)
en met succes
וּלְאָדָ֞ם
(uleadam)
en aan een mens
שֶׁלֹּ֤א
(shelo)
die niet
עָֽמַל
(amal)
heeft gezwoegd
בּוֹ֙
(bo)
daarvoor
יִתְּנֶ֣נּוּ
(yitenenu)
hij zal geven
חֶלְק֔וֹ
(chelqo)
zijn deel
גַּם
(gam)
ook
זֶ֥ה
(ze)
dit
הֶ֖בֶל
(hevel)
damp
וְרָעָ֥ה
(veraa)
en een kwaad
רַבָּֽה
(raba)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּשְׁרוֹן (kishron), ‘succes’: bekwaamheid die tot slagen leidt.

Zo ook 4:4 en 5:10.

Wie gezwoegd heeft, moet zijn deel laten aan wie niet gezwoegd heeft.

22Want wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en aan het streven van zijn hart, waarmee hij onder de zon zwoegt?
כִּ֠י
(ki)
want
מֶֽה
(me)
wat
הֹוֶ֤ה
(hove)
wordt
לָֽאָדָם֙
(laadam)
de mens
בְּכָל
(bekhal)
van al
עֲמָל֔וֹ
(amalo)
zijn zwoegen
וּבְרַעְי֖וֹן
(uverayon)
en van het streven van
לִבּ֑ו
(libv)
zijn hart
שֶׁה֥וּא
(shehu)
waarmee hij
עָמֵ֖ל
(amel)
zwoegt
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Want al zijn dagen zijn pijnen, en ergernis is zijn bezigheid. Zelfs in de nacht komt zijn hart niet tot rust. Ook dit is damp.
כִּ֧י
(ki)
want
כָל
(kal)
al
יָמָ֣יו
(yamav)
zijn dagen
מַכְאֹבִ֗ים
(makhovim)
pijnen
וָכַ֨עַס֙
(vakhaas)
en ergernis
עִנְיָנ֔וֹ
(inyano)
zijn bezigheid
גַּם
(gam)
ook
בַּלַּ֖יְלָה
(balayla)
in de nacht
לֹא
(lo)
niet
שָׁכַ֣ב
(shakhav)
ligt neer
לִבּ֑וֹ
(libo)
zijn hart
גַּם
(gam)
ook
זֶ֖ה
(ze)
dit
הֶ֥בֶל
(hevel)
damp
הֽוּא
(hu)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁכַב (shakhav), ‘neerliggen’: ‘zijn hart ligt niet neer’ betekent dat hij geen rust vindt, ook niet in de nacht.

Eten en drinken uit de hand van Elohim

24Er is niets goeds voor de mens dan dat hij eet en drinkt en zijn ziel het goede laat beleven in zijn zwoegen. Ook dit zag ik zelf: het is uit de hand van Elohim.
אֵֽין
(ein)
er is niet
ט֤וֹב
(tov)
goeds
בָּאָדָם֙
(baadam)
in de mens
שֶׁיֹּאכַ֣ל
(sheyokhal)
dat hij eet
וְשָׁתָ֔ה
(veshata)
en drinkt
וְהֶרְאָ֧ה
(vehera)
en laat zien
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשׁ֛וֹ
(nafsho)
zijn ziel
ט֖וֹב
(tov)
het goede
בַּעֲמָל֑וֹ
(baamalo)
in zijn zwoegen
גַּם
(gam)
ook
זֹה֙
(zo)
dit
רָאִ֣יתִי
(raiti)
zag ik
אָ֔נִי
(ani)
ik
כִּ֛י
(ki)
dat
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
הִֽיא
(hi)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven, de hele persoon, ook de begeerte.

Wij vertalen ‘ziel’, en ‘leven’, ‘persoon’ of ‘begeerte’ waar de zin dat vraagt.

‘Zijn ziel het goede laten beleven’ betekent: zichzelf laten genieten.

Het Hebreeuws heeft hier geen woord voor ‘dan’: ‘Er is geen goed in de mens, dat hij eet en drinkt’. In 3:12 en 3:22 staat wel een vergelijking. Wij lezen het zo dat er niets beters is dan eten, drinken en genieten.

מִיַּד הָאֱלֹהִים (miyad ha’Elohim), ‘uit de hand van Elohim’: als gave van Elohim.

25Want wie kan eten en wie kan genieten, buiten mij om?
כִּ֣י
(ki)
want
מִ֥י
(mi)
wie
יֹאכַ֛ל
(yokhal)
eet
וּמִ֥י
(umi)
en wie
יָח֖וּשׁ
(yachush)
geniet
ח֥וּץ
(chuts)
buiten
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָחוּשׁ (yachush), ‘genieten’: letterlijk ‘voelen’ of ‘zich haasten’.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Lezing

מִמֶּנִּי (mimmenni), ‘buiten mij’: zo staat het in de Masoretische tekst.

Sommige oude vertalingen lezen ‘zonder Hem’ (מִמֶּנּוּ, mimmenu), dus zonder Elohim.

Wij volgen de Masoretische tekst.

26Want aan de mens die goed is voor Zijn aangezicht geeft Hij wijsheid, kennis en vreugde. Maar aan de zondaar geeft Hij de bezigheid te verzamelen en op te stapelen, om het te geven aan wie goed is voor het aangezicht van Elohim. Ook dit is damp en najagen van wind.
כִּ֤י
(ki)
want
לְאָדָם֙
(leadam)
aan de mens
שֶׁטּ֣וֹב
(shetov)
die goed is
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
נָתַ֛ן
(natan)
heeft Hij gegeven
חָכְמָ֥ה
(chakhema)
wijsheid
וְדַ֖עַת
(vedaat)
en kennis
וְשִׂמְחָ֑ה
(vesimcha)
en vreugde
וְלַחוֹטֶא֩
(velachote)
en aan de zondaar
נָתַ֨ן
(natan)
heeft Hij gegeven
עִנְיָ֜ן
(inyan)
bezigheid
לֶאֱס֣וֹף
(leesof)
om te verzamelen
וְלִכְנ֗וֹס
(velikhnos)
en op te stapelen
לָתֵת֙
(latet)
om te geven
לְטוֹב֙
(letov)
aan wie goed is
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
גַּם
(gam)
ook
זֶ֥ה
(ze)
dit
הֶ֖בֶל
(hevel)
damp
וּרְע֥וּת
(ureut)
en najagen van
רֽוּחַ
(ruach)
wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חוֹטֶא (chote), ‘zondaar’: wie tekortschiet, wie de weg mist.

De uitdrukking ‘goed voor Zijn aangezicht’ betekent: wie Elohim goed vindt.

עִנְיָן (inyan), ‘bezigheid’: zie 1:13.