Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Roep luid, maak hun zonden bekend
1„Roep luid, houd je niet in. Verhef je stem als een ramshoorn. Maak Mijn volk hun overtreding bekend en het huis van Jakob hun zonden.
קְרָ֤א
(qera)
roep
בְגָרוֹן֙
(begaron)
met volle keel
אַל
(al)
niet
תַּחְשֹׂ֔ךְ
(tachsokh)
houd je in
כַּשּׁוֹפָ֖ר
(kashofar)
als een ramshoorn
הָרֵ֣ם
(harem)
verhef
קוֹלֶ֑ךָ
(qolekha)
je stem
וְהַגֵּ֤ד
(vehaged)
en maak bekend
לְעַמִּי֙
(leami)
aan Mijn volk
פִּשְׁעָ֔ם
(pisham)
hun overtreding
וּלְבֵ֥ית
(uleveit)
en aan het huis van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
חַטֹּאתָֽם
(chatotam)
hun zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier spreekt Yahweh.
De tekst zegt niet wie Hij aanspreekt.
Wij nemen aan dat het de profeet is, omdat de opdracht luidt: ‘Roep luid’.
Zijn woorden staan rood tot en met vers 14.
Waar Hij over Zichzelf in de derde persoon spreekt (vers 5, 8, 9, 11 en 14), blijft het rood: het is dezelfde toespraak.
בְגָרוֹן (begaron), ‘met volle keel’: letterlijk ‘met de keel’.
שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn waarmee men waarschuwt of oproept; zie ook Joël 2:1.
2Dag na dag zoeken zij Mij en verlangen zij naar kennis van Mijn wegen. Zij zijn als een volk dat gerechtigheid doet en het recht van zijn Elohim niet verlaat. Zij vragen Mij om rechtvaardige uitspraken en verlangen ernaar dat Elohim dichtbij is.
וְאוֹתִ֗י
(veoti)
en Mij
י֥וֹם
(yom)
dag
יוֹם֙
(yom)
na dag
יִדְרֹשׁ֔וּן
(yidroshun)
zij zoeken
וְדַ֥עַת
(vedaat)
en kennis van
דְּרָכַ֖י
(derakhay)
Mijn wegen
יֶחְפָּצ֑וּן
(yechpatsun)
zij verlangen
כְּג֞וֹי
(kegoy)
als een volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
צְדָקָ֣ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
עָשָׂ֗ה
(asa)
doet
וּמִשְׁפַּ֤ט
(umishpat)
en het recht van
אֱלֹהָיו֙
(elohav)
zijn Elohim
לֹ֣א
(lo)
niet
עָזָ֔ב
(azav)
verlaat
יִשְׁאָל֨וּנִי֙
(yishaluni)
zij vragen Mij
מִשְׁפְּטֵי
(mishpetei)
uitspraken van
צֶ֔דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
קִרְבַ֥ת
(qirvat)
nabijheid van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
יֶחְפָּצֽוּן
(yechpatsun)
zij verlangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁפְּטֵי־צֶדֶק (mishpetei tsedeq), ‘rechtvaardige uitspraken’: letterlijk ‘rechten van gerechtigheid’.
Het kan gaan om rechterlijke uitspraken of om Yahweh’s besluiten en voorschriften.
קִרְבַת אֱלֹהִים (qirvat Elohim), ‘nabijheid van Elohim’: zij verlangen ernaar dat Elohim dichtbij komt.
De zin zegt niet dat zij werkelijk gerechtigheid doen. Er staat: ‘als een volk dat gerechtigheid doet’. Zij schijnen vroom, maar de verzen hierna laten zien hoe het werkelijk is.
3‘Waarom hebben wij gevast, en ziet U het niet? Wij hebben onszelf vernederd, en U weet het niet?’ Zie, op de dag van jullie vasten vinden jullie je eigen belang, en al jullie arbeiders drijven jullie aan.
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
צַּ֨מְנוּ֙
(tsamnu)
hebben wij gevast
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
רָאִ֔יתָ
(raita)
U ziet
עִנִּ֥ינוּ
(ininu)
wij hebben vernederd
נַפְשֵׁ֖נוּ
(nafshenu)
ons leven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תֵדָ֑ע
(teda)
U weet
הֵ֣ן
(hen)
zie
בְּי֤וֹם
(beyom)
op de dag van
צֹֽמְכֶם֙
(tsomekhem)
jullie vasten
תִּמְצְאוּ
(timtseu)
jullie vinden
חֵ֔פֶץ
(chefets)
eigen belang
וְכָל
(vekhal)
en al
עַצְּבֵיכֶ֖ם
(atseveikhem)
jullie arbeiders
תִּנְגֹּֽשׂוּ
(tingosu)
jullie drijven aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עִנִּינוּ נַפְשֵׁנוּ (inninu nafshenu), ‘wij hebben onszelf vernederd’: letterlijk ‘wij hebben ons leven vernederd’.
Zo noemt men het vasten; zie Lev. 16:29, waar wij ‘jezelf kwellen’ vertalen.
חֵפֶץ (chefets), ‘eigen belang’: wat iemand behaagt of wil: genoegen, zaken, plannen. Zo ook in vers 13.
עַצְּבֵיכֶם (atsvekhem), ‘jullie arbeiders’: het woord is zeldzaam. Het kan ook ‘jullie pijnen’ of ‘jullie zware arbeid’ betekenen. Wij kiezen ‘arbeiders’.
תִּנְגֹּשׂוּ (tignosu), ‘jullie drijven aan’: van hetzelfde werkwoord als ‘drijvers’ in Exod. 3:7.
4Zie, jullie vasten voor ruzie en twist, en om met een goddeloze vuist te slaan. Jullie vasten niet zoals vandaag, om jullie stem in de hoogte te laten horen.
הֵ֣ן
(hen)
zie
לְרִ֤יב
(leriv)
voor ruzie
וּמַצָּה֙
(umatsa)
en twist
תָּצ֔וּמוּ
(tatsumu)
jullie vasten
וּלְהַכּ֖וֹת
(ulehakot)
en om te slaan
בְּאֶגְרֹ֣ף
(beegrof)
met een vuist
רֶ֑שַׁע
(resha)
goddeloze
לֹא
(lo)
niet
תָצ֣וּמוּ
(tatsumu)
jullie vasten
כַיּ֔וֹם
(kayom)
zoals vandaag
לְהַשְׁמִ֥יעַ
(lehashmia)
om te laten horen
בַּמָּר֖וֹם
(bamarom)
in de hoogte
קוֹלְכֶֽם
(qolekhem)
jullie stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַצָּה (matsah), ‘twist’: de letters zijn gelijk aan die van ‘ongezuurde broden’ (Exod. 12:15), maar hier betekent het woord ‘twist’ of ‘strijd’.
כַּיּוֹם (kayyom), ‘zoals vandaag’: letterlijk ‘als de dag’. Bedoeld is: zoals jullie op deze dag doen.
5Is dit het vasten dat Ik kies: een dag waarop een mens zichzelf vernedert? Zijn hoofd buigen als riet, en zak en as als bed spreiden? Noem je dit een vasten, een dag van welbehagen voor Yahweh?
הֲכָזֶ֗ה
(hakhaze)
is zo iets
יִֽהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
צ֣וֹם
(tsom)
een vasten
אֶבְחָרֵ֔הוּ
(evcharehu)
dat Ik kies
י֛וֹם
(yom)
een dag van
עַנּ֥וֹת
(anot)
vernederen
אָדָ֖ם
(adam)
een mens
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zichzelf
הֲלָכֹ֨ף
(halakhof)
is het buigen
כְּאַגְמֹ֜ן
(keagmon)
als riet
רֹאשׁ֗וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְשַׂ֤ק
(vesaq)
en zak
וָאֵ֨פֶר֙
(vaefer)
en as
יַצִּ֔יעַ
(yatsia)
spreidt hij als bed
הֲלָזֶה֙
(halaze)
noem je dit
תִּקְרָא
(tiqra)
jij noemt
צ֔וֹם
(tsom)
een vasten
וְי֥וֹם
(veyom)
en een dag van
רָצ֖וֹן
(ratson)
welbehagen
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַגְמֹן (agmon), ‘riet’: een plant die buigt in de wind.
יַצִּיעַ (yatsia), ‘spreidt als bed uit’: zak en as dienen hier als slaapplaats van wie rouwt of vast.
יוֹם רָצוֹן (yom ratson), ‘dag van welbehagen’: een dag waarop Yahweh iets graag aanneemt. Zo ook Jes. 61:2.
6Is dit niet het vasten dat Ik kies: de ketenen van goddeloosheid losmaken, de banden van het juk losknopen, de onderdrukten vrij laten gaan en ieder juk verbreken?
הֲל֣וֹא
(halo)
is niet
זֶה֮
(ze)
dit
צ֣וֹם
(tsom)
het vasten
אֶבְחָרֵהוּ֒
(evcharehu)
dat Ik kies
פַּתֵּ֨חַ֙
(pateach)
losmaken
חַרְצֻבּ֣וֹת
(chartsubot)
de ketenen van
רֶ֔שַׁע
(resha)
goddeloosheid
הַתֵּ֖ר
(hater)
losknopen
אֲגֻדּ֣וֹת
(agudot)
de banden van
מוֹטָ֑ה
(mota)
het juk
וְשַׁלַּ֤ח
(veshalach)
en laten gaan
רְצוּצִים֙
(retsutsim)
de onderdrukten
חָפְשִׁ֔ים
(chafeshim)
vrij
וְכָל
(vekhal)
en ieder
מוֹטָ֖ה
(mota)
juk
תְּנַתֵּֽקוּ
(tenatequ)
jullie verbreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַרְצֻבּוֹת (chartsubbot), ‘ketenen’: een zeldzaam woord.
De betekenis volgt uit de samenhang.
מוֹטָה (motah), ‘juk’: het houten juk op de nek van trekdieren; hier een beeld voor onderdrukking.
7Is het niet: je brood breken voor de hongerige en zwervende ellendigen in huis brengen? Als je een naakte ziet, kleed hem dan, en onttrek je niet aan je eigen vlees.
הֲל֨וֹא
(halo)
is niet
פָרֹ֤ס
(paros)
het breken
לָֽרָעֵב֙
(laraev)
voor de hongerige
לַחְמֶ֔ךָ
(lachmekha)
van je brood
וַעֲנִיִּ֥ים
(vaaniyim)
en ellendigen
מְרוּדִ֖ים
(merudim)
zwervende
תָּ֣בִיא
(tavi)
je brengt
בָ֑יִת
(bayit)
in huis
כִּֽי
(ki)
als
תִרְאֶ֤ה
(tire)
je ziet
עָרֹם֙
(arom)
een naakte
וְכִסִּית֔וֹ
(vekhisito)
dan kleed je hem
וּמִבְּשָׂרְךָ֖
(umibesarekha)
en van je eigen vlees
לֹ֥א
(lo)
niet
תִתְעַלָּֽם
(titalam)
onttrek je je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּרֹס (paros), ‘breken’: brood breken is brood delen.
מְרוּדִים (merudim), ‘zwervende’: mensen zonder eigen woonplaats.
תִתְעַלָּם (tit’allam), ‘onttrek je’: hetzelfde werkwoord als in Deut. 22:1.
וּמִבְּשָׂרְךָ (umibbesarkha), ‘en van je eigen vlees’: je eigen familie, je naaste verwanten.
8Dan breekt je licht door als de dageraad, en je genezing spruit snel op. Je gerechtigheid gaat voor je uit, en de heerlijkheid van Yahweh zal je achterhoede zijn.
אָ֣ז
(az)
dan
יִבָּקַ֤ע
(yibaqa)
breekt door
כַּשַּׁ֨חַר֙
(kashachar)
als de dageraad
אוֹרֶ֔ךָ
(orekha)
je licht
וַאֲרֻכָתְךָ֖
(vaarukhatekha)
en je genezing
מְהֵרָ֣ה
(mehera)
snel
תִצְמָ֑ח
(titsmach)
spruit op
וְהָלַ֤ךְ
(vehalakh)
en gaat
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor je uit
צִדְקֶ֔ךָ
(tsidqekha)
je gerechtigheid
כְּב֥וֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יַאַסְפֶֽךָ
(yaasfekha)
zal je achterhoede zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲרֻכָה (arukhah), ‘genezing’: het dichtgroeien van een wond met nieuw vlees.
יַאַסְפֶךָ (ya’asfekha), ‘zal je achterhoede zijn’: letterlijk ‘zal je bijeenbrengen’. Het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen’ en ook ‘de achterhoede vormen’: wie achteraan komt, dekt de rug. Zo ook Jes. 52:12.
9Dan roep je, en Yahweh antwoordt. Je schreeuwt om hulp, en Hij zegt: ‘Hier ben Ik.’ Als je het juk uit je midden wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van onheil,
אָ֤ז
(az)
dan
תִּקְרָא֙
(tiqra)
roep je
וַיהוָ֣ה
(vaYahweh)
en Yahweh
יַעֲנֶ֔ה
(yaane)
antwoordt
תְּשַׁוַּ֖ע
(teshava)
je schreeuwt om hulp
וְיֹאמַ֣ר
(veyomar)
en Hij zegt
הִנֵּ֑נִי
(hineni)
hier ben Ik
אִם
(im)
als
תָּסִ֤יר
(tasir)
je wegdoet
מִתּֽוֹכְךָ֙
(mitokhekha)
uit je midden
מוֹטָ֔ה
(mota)
het juk
שְׁלַ֥ח
(shelach)
het uitsteken van
אֶצְבַּ֖ע
(etsba)
de vinger
וְדַבֶּר
(vedaber)
en het spreken van
אָֽוֶן
(aven)
onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִנֵּנִי (hinneni), ‘hier ben Ik’: het antwoord van wie klaarstaat.
Yahweh zegt het hier van Zichzelf.
שְׁלַח אֶצְבַּע (shelach etsba), ‘het wijzen met de vinger’: letterlijk ‘het uitsteken van de vinger’; spot of beschuldiging.
10en je jezelf geeft aan de hongerige en de vernederde verzadigt, dan gaat je licht op in het donker. Je duisternis wordt als de middag.
וְתָפֵ֤ק
(vetafeq)
en je geeft
לָֽרָעֵב֙
(laraev)
aan de hongerige
נַפְשֶׁ֔ךָ
(nafshekha)
jezelf
וְנֶ֥פֶשׁ
(venefesh)
en de mens
נַעֲנָ֖ה
(naana)
die vernederd is
תַּשְׂבִּ֑יעַ
(tasbia)
je verzadigt
וְזָרַ֤ח
(vezarach)
dan gaat op
בַּחֹ֨שֶׁךְ֙
(bachoshekh)
in het donker
אוֹרֶ֔ךָ
(orekha)
je licht
וַאֲפֵלָתְךָ֖
(vaafelatekha)
en je duisternis
כַּֽצָּהֳרָֽיִם
(katsahorayim)
wordt als de middag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְתָפֵק לָרָעֵב נַפְשֶׁךָ (vetafeq laraev nafshekha), ‘en je geeft jezelf aan de hongerige’: letterlijk ‘en je laat je ziel naar de hongerige uitgaan’.
Het gaat om meer dan brood: je geeft je hart en je aandacht.
נֶפֶשׁ נַעֲנָה (nefesh na’anah), ‘de vernederde’: letterlijk ‘een vernederde ziel’, dus iemand die gebogen gaat onder zorg of armoede.
11Yahweh zal je altijd leiden. Hij verzadigt je in dorre streken en geeft je beenderen kracht. Je zult zijn als een bevloeide tuin en als een waterbron waarvan de wateren niet teleurstellen.
וְנָחֲךָ֣
(venachakha)
en leiden zal je
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִיד֒
(tamid)
altijd
וְהִשְׂבִּ֤יעַ
(vehisbia)
en Hij verzadigt
בְּצַחְצָחוֹת֙
(betsachtsachot)
in dorre streken
נַפְשֶׁ֔ךָ
(nafshekha)
je leven
וְעַצְמֹתֶ֖יךָ
(veatsmoteikha)
en je beenderen
יַחֲלִ֑יץ
(yachalits)
Hij geeft kracht
וְהָיִ֨יתָ֙
(vehayita)
en je zult zijn
כְּגַ֣ן
(kegan)
als een tuin
רָוֶ֔ה
(rave)
bevloeide
וּכְמוֹצָ֣א
(ukhemotsa)
en als een bron van
מַ֔יִם
(mayim)
water
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarvan
לֹא
(lo)
niet
יְכַזְּב֖וּ
(yekhazevu)
teleurstellen
מֵימָֽיו
(meimav)
zijn wateren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צַחְצָחוֹת (tsachtsachot), ‘dorre streken’: een zeldzaam woord, van een stam die ‘verschroeid’ of ‘kaal’ betekent.
לֹא יְכַזְּבוּ (lo yekhazzevu), ‘niet teleurstellen’: letterlijk ‘niet liegen’. Een bron die niet opdroogt, laat je niet in de steek.
12Uit jou zullen zij eeuwenoude ruïnes herbouwen. De fundamenten van geslacht op geslacht richt je weer op. Je wordt genoemd: ‘Hersteller van de bres, hersteller van paden om in te wonen.’
וּבָנ֤וּ
(uvanu)
en zij zullen bouwen
מִמְּךָ֙
(mimekha)
uit jou
חָרְב֣וֹת
(charevot)
ruïnes van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwen
מוֹסְדֵ֥י
(mosedei)
de fundamenten van
דוֹר
(dor)
geslacht
וָד֖וֹר
(vador)
op geslacht
תְּקוֹמֵ֑ם
(teqomem)
jij richt op
וְקֹרָ֤א
(veqora)
en je wordt genoemd
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
גֹּדֵ֣ר
(goder)
hersteller van
פֶּ֔רֶץ
(perets)
de bres
מְשֹׁבֵ֥ב
(meshovev)
hersteller van
נְתִיב֖וֹת
(netivot)
paden
לָשָֽׁבֶת
(lashavet)
om te wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Als je je voet terughoudt van de sabbat, zodat je op Mijn heilige dag je eigen belangen niet doet, en je de sabbat een genot noemt, het heilige van Yahweh, vol eer, en je het eert door je eigen wegen niet te gaan, je eigen belang niet te zoeken en geen woorden te spreken,
אִם
(im)
als
תָּשִׁ֤יב
(tashiv)
je terughoudt
מִשַּׁבָּת֙
(mishabat)
van de sabbat
רַגְלֶ֔ךָ
(raglekha)
je voet
עֲשׂ֥וֹת
(asot)
om te doen
חֲפָצֶ֖יךָ
(chafatseikha)
je eigen belangen
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
קָדְשִׁ֑י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
וְקָרָ֨אתָ
(veqarata)
en je noemt
לַשַּׁבָּ֜ת
(lashabat)
de sabbat
עֹ֗נֶג
(oneg)
een genot
לִקְד֤וֹשׁ
(liqdosh)
het heilige van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מְכֻבָּ֔ד
(mekhubad)
vol eer
וְכִבַּדְתּוֹ֙
(vekhibadto)
en je eert het
מֵעֲשׂ֣וֹת
(measot)
door niet te doen
דְּרָכֶ֔יךָ
(derakheikha)
je eigen wegen
מִמְּצ֥וֹא
(mimetso)
door niet te vinden
חֶפְצְךָ֖
(cheftsekha)
je eigen belang
וְדַבֵּ֥ר
(vedaber)
en niet te spreken
דָּבָֽר
(davar)
woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’: de zevende dag, de dag van rust; zie Exod. 20:8–11.
תָּשִׁיב רַגְלֶךָ (tashiv raglekha), ‘je voet terughouden’: je voet ervan afhouden de sabbat te vertrappen, dus er niet je eigen gang op gaan.
לִקְדוֹשׁ יְהוָה (liqdosh Yahweh), ‘het heilige van Yahweh’: waarschijnlijk de sabbat zelf.
וְדַבֵּר דָּבָר (vedabber davar), ‘en geen woorden te spreken’: letterlijk ‘en spreken een woord’. Waarschijnlijk gaat het om praten over zaken of ijdel gepraat. De betekenis is niet zeker.
14dan zul je genot vinden in Yahweh. Ik laat je rijden over de hoogten van het land en laat je eten van het erfdeel van Jakob, je vader.” Want de mond van Yahweh heeft gesproken.
אָ֗ז
(az)
dan
תִּתְעַנַּג֙
(titanag)
zul je genot vinden
עַל
(al)
in
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִרְכַּבְתִּ֖יךָ
(vehirkavtikha)
en Ik laat je rijden
עַל
(al)
over
בָּ֣מֳותֵי
(bamovtei)
de hoogten van
אָ֑רֶץ
(arets)
het land
וְהַאֲכַלְתִּ֗יךָ
(vehaakhaltikha)
en Ik laat je eten
נַחֲלַת֙
(nachalat)
het erfdeel van
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
כִּ֛י
(ki)
want
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּמֳותֵי אָרֶץ (bamotei arets), ‘de hoogten van het land’: vergelijk Deut. 32:13, waar Yahweh Zijn volk over de hoogten van het land laat rijden.
Vergelijk ook Deut. 33:29, waar Israël op de hoogten van zijn vijanden treedt.
נַחֲלַת יַעֲקֹב (nachalat Ya’aqov), ‘het erfdeel van Jakob’: het beloofde land.
כִּי פִּי יְהוָה דִּבֵּר (ki pi Yahweh dibber), ‘want de mond van Yahweh heeft gesproken’: dit slot staat zwart. Het is een afsluiting van de profeet over Yahweh in de derde persoon, zoals in Jes. 1:20.