Klaaglied over Babel: de Maagd valt van haar troon
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Kom van je troon, Dochter van Babel
1Kom af en ga in het stof zitten, Maagd, Dochter van Babel. Zit op de grond, zonder troon, Dochter van de Chaldeeën. Want men zal jou niet meer ‘zacht’ en ‘verwend’ noemen.
רְדִ֣י
(redi)
kom af
וּשְׁבִ֣י
(ushevi)
en ga zitten
עַל
(al)
op
עָפָ֗ר
(afar)
stof
בְּתוּלַת֙
(betulat)
maagd van
בַּת
(bat)
dochter van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
שְׁבִי
(shevi)
zit
לָאָ֥רֶץ
(laarets)
op de grond
אֵין
(ein)
niet is er
כִּסֵּ֖א
(kise)
troon
בַּת
(bat)
dochter van
כַּשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
de Chaldeeën
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
תוֹסִ֨יפִי֙
(tosifi)
je zult meer
יִקְרְאוּ
(yiqreu)
zij zullen noemen
לָ֔ךְ
(lakh)
jou
רַכָּ֖ה
(raka)
zacht
וַעֲנֻגָּֽה
(vaanuga)
en verwend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
בְּתוּלַת בַּת־בָּבֶל (betulat bat Babel), ‘Maagd, Dochter van Babel’: Babel wordt als een jonge vrouw aangesproken.
‘Maagd’ beschrijft Babel als een stad die tot nu toe onaangetast bleef.
Zo heet ook Israël in Amos 5:2 ‘de maagd Israël’.
כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘de Chaldeeën’: de bewoners van het zuiden van Babylonië. Zij vormden het heersende volk van Babel.
רַכָּה וַעֲנֻגָּה (rakkah va’anuggah), ‘zacht en verwend’: de vrouw die nooit hard werk deed.
3Je naaktheid wordt ontbloot, ja, je schande wordt gezien. „Wraak zal Ik nemen en Ik zal niemand ontzien.”
תִּגָּל֙
(tigal)
wordt ontbloot
עֶרְוָתֵ֔ךְ
(ervatekh)
je naaktheid
גַּ֥ם
(gam)
ook
תֵּרָאֶ֖ה
(terae)
wordt gezien
חֶרְפָּתֵ֑ךְ
(cherpatekh)
je schande
נָקָ֣ם
(naqam)
wraak
אֶקָּ֔ח
(eqach)
Ik zal nemen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֶפְגַּ֖ע
(efga)
Ik zal ontmoeten
אָדָֽם
(adam)
mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier spreekt Yahweh Zelf: ‘Wraak zal Ik nemen’.
Wij zetten die zin rood.
De voorafgaande zin is een woord van de profeet.
וְלֹא אֶפְגַּע אָדָם (velo efga adam), ‘Ik zal niemand ontzien’: letterlijk ‘Ik zal geen mens ontmoeten’. Het werkwoord פָּגַע (paga) betekent ‘ontmoeten’, ‘treffen’ en ‘tussenbeide komen’. De betekenis is onzeker.
Lezing
Dit kan ook betekenen: ‘Ik laat niemand tussenbeide komen’.
6„Ik was toornig op Mijn volk. Ik ontheiligde Mijn erfdeel en gaf hen in jouw hand. Jij toonde hun geen ontferming. Zelfs op de oude maakte je je juk zeer zwaar.
קָצַ֣פְתִּי
(qatsafti)
Ik was toornig
עַל
(al)
op
עַמִּ֗י
(ami)
Mijn volk
חִלַּ֨לְתִּי֙
(chilalti)
Ik ontheiligde
נַחֲלָתִ֔י
(nachalati)
Mijn erfdeel
וָאֶתְּנֵ֖ם
(vaetenem)
en Ik gaf hen
בְּיָדֵ֑ךְ
(beyadekh)
in jouw hand
לֹא
(lo)
niet
שַׂ֤מְתְּ
(samt)
je legde
לָהֶם֙
(lahem)
hun
רַחֲמִ֔ים
(rachamim)
ontferming
עַל
(al)
op
זָקֵ֕ן
(zaqen)
oude
הִכְבַּ֥דְתְּ
(hikhbadt)
je maakte zwaar
עֻלֵּ֖ךְ
(ulekh)
je juk
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf dit vers spreekt Yahweh Zelf: ‘Mijn volk’, ‘Mijn erfdeel’.
De spreker is niet met een formule aangegeven; wij zetten dit rood, omdat Hij ‘Ik’ zegt.
נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: het volk als Yahweh’s eigendom.
חִלַּלְתִּי (chillalti), ‘Ik ontheiligde’: hetzelfde werkwoord als in 48:11, daar ‘ontheiligd’. Yahweh gaf Zijn volk prijs aan Babel.
רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: zoals in Hos. 1:6.
8Hoor dit nu, jij die van genot houdt en onbezorgd zit en in je hart zegt: ‘Ik ben het, en niemand anders meer. Ik zal niet als weduwe zitten. Ik zal geen kinderverlies kennen.’
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
שִׁמְעִי
(shimi)
hoor
זֹ֤את
(zot)
dit
עֲדִינָה֙
(adina)
genotzuchtige
הַיּוֹשֶׁ֣בֶת
(hayoshevet)
die zit
לָבֶ֔טַח
(lavetach)
in veiligheid
הָאֹֽמְרָה֙
(haomera)
die zegt
בִּלְבָ֔בָהּ
(bilvavah)
in haar hart
אֲנִ֖י
(ani)
ik
וְאַפְסִ֣י
(veafsi)
en naast mij niemand
ע֑וֹד
(od)
meer
לֹ֤א
(lo)
niet
אֵשֵׁב֙
(eshev)
ik zal zitten
אַלְמָנָ֔ה
(almana)
als weduwe
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֵדַ֖ע
(eda)
ik zal kennen
שְׁכֽוֹל
(shekhol)
kinderverlies
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲדִינָה (adinah), ‘jij die van genot houdt’: het woord komt van het woord voor ‘genot’.
Het beschrijft een vrouw die in weelde leeft.
אֲנִי וְאַפְסִי עוֹד (ani ve’afsi od), ‘Ik ben het, en niemand anders meer’: bijna dezelfde woorden zegt Yahweh over Zichzelf in Jes. 45:6 en 46:9 (‘er is geen ander’). Zie ook Zef. 2:15 en Openb. 18:7.
שָׁכוֹל (shakhol), ‘kinderverlies’: het verlies van kinderen; zo ook in vers 9. אַלְמָנָה (almanah), ‘weduwe’: wie haar man verloor.
9Deze twee zullen over je komen, in een oogwenk, op één dag: kinderverlies en weduwschap. In hun volle omvang komen ze over je, ondanks je vele toverijen en de zeer grote kracht van je bezweringen.
וְתָבֹאנָה֩
(vetavona)
en zullen komen
לָּ֨ךְ
(lakh)
over je
שְׁתֵּי
(shetei)
twee
אֵ֥לֶּה
(ele)
deze
רֶ֛גַע
(rega)
in een oogwenk
בְּי֥וֹם
(beyom)
op een dag
אֶחָ֖ד
(echad)
één
שְׁכ֣וֹל
(shekhol)
kinderverlies
וְאַלְמֹ֑ן
(vealmon)
en weduwschap
כְּתֻמָּם֙
(ketumam)
in hun volheid
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
over je
בְּרֹ֣ב
(berov)
ondanks de menigte van
כְּשָׁפַ֔יִךְ
(keshafayikh)
je toverijen
בְּעָצְמַ֥ת
(beatsemat)
ondanks de kracht van
חֲבָרַ֖יִךְ
(chavarayikh)
je bezweringen
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַלְמוֹן (almon), ‘weduwschap’: de toestand van een weduwe.
Het woord komt alleen hier voor.
כְּשָׁפִים (keshafim), ‘toverijen’ en חֲבָרִים (chavarim), ‘bezweringen’: bezweringen en toverkunst, zoals verboden in Deut. 18:10–11.
בְּרֹב … בְּעָצְמַת (berov … be’otsmat), ‘ondanks de menigte … ondanks de kracht’: het voorzetsel ב (be) betekent ‘in’ of ‘ondanks’. Wij kiezen ‘ondanks’.
10Je vertrouwde op je slechtheid. Je zei: ‘Niemand ziet mij.’ Je wijsheid en je kennis, die hebben je op een dwaalspoor gebracht. Je zei in je hart: ‘Ik ben het, en niemand anders meer.’
וַתִּבְטְחִ֣י
(vativtechi)
en je vertrouwde
בְרָעָתֵ֗ךְ
(beraatekh)
op je slechtheid
אָמַרְתְּ֙
(amart)
je zei
אֵ֣ין
(ein)
niemand is er
רֹאָ֔נִי
(roani)
ziet mij
חָכְמָתֵ֥ךְ
(chakhematekh)
je wijsheid
וְדַעְתֵּ֖ךְ
(vedatekh)
en je kennis
הִ֣יא
(hi)
die
שׁוֹבְבָ֑תֶךְ
(shovevatekh)
heeft je op een dwaalspoor gebracht
וַתֹּאמְרִ֣י
(vatomri)
en je zei
בְלִבֵּ֔ךְ
(belibekh)
in je hart
אֲנִ֖י
(ani)
ik
וְאַפְסִ֥י
(veafsi)
en naast mij niemand
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָעָה (ra’ah), ‘kwaad’ of ‘onheil’: het woord heeft beide betekenissen.
In dit vers is het het kwaad dat Babel deed (‘je slechtheid’); in vers 11 is het het onheil dat komt.
שׁוֹבְבָתֶךְ (shovevatekh), ‘heeft je op een dwaalspoor gebracht’: van het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’; hier ‘afwenden’ of ‘misleiden’.
11Er komt onheil over je. Je weet niet wanneer het aanbreekt. Er valt een ramp op je. Je kunt het niet afkopen. Plotseling komt verwoesting over je, die je niet kent.
וּבָ֧א
(uva)
en zal komen
עָלַ֣יִךְ
(alayikh)
over je
רָעָ֗ה
(raa)
onheil
לֹ֤א
(lo)
niet
תֵדְעִי֙
(tedei)
je zult weten
שַׁחְרָ֔הּ
(shachrah)
haar dageraad
וְתִפֹּ֤ל
(vetipol)
en zal vallen
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
op je
הֹוָ֔ה
(hova)
een ramp
לֹ֥א
(lo)
niet
תוּכְלִ֖י
(tukheli)
je zult kunnen
כַּפְּרָ֑הּ
(kaperah)
haar afkoping
וְתָבֹ֨א
(vetavo)
en zal komen
עָלַ֧יִךְ
(alayikh)
over je
פִּתְאֹ֛ם
(pitom)
plotseling
שׁוֹאָ֖ה
(shoa)
verwoesting
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵדָֽעִי
(tedai)
je zult weten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Houd toch stand met je bezweringen en je vele toverijen, waarvoor je je van jongs af hebt ingespannen. Misschien kun je baat hebben. Misschien kun je angst inboezemen.
עִמְדִי
(imdi)
sta
נָ֤א
(na)
toch
בַחֲבָרַ֨יִךְ֙
(bachavarayikh)
met je bezweringen
וּבְרֹ֣ב
(uverov)
en met de menigte van
כְּשָׁפַ֔יִךְ
(keshafayikh)
je toverijen
בַּאֲשֶׁ֥ר
(baasher)
waarin
יָגַ֖עַתְּ
(yagaat)
je hebt je ingespannen
מִנְּעוּרָ֑יִךְ
(mineurayikh)
van je jeugd af
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
תּוּכְלִ֥י
(tukheli)
je zult kunnen
הוֹעִ֖יל
(hoil)
baat hebben
אוּלַ֥י
(ulay)
misschien
תַּעֲרֽוֹצִי
(taarotsi)
je zult angst inboezemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּעֲרוֹצִי (ta’arotsi), ‘angst inboezemen’: het werkwoord betekent ‘schrik aanjagen’ of ‘ontzag afdwingen’.
13Je bent moe geworden van je vele raadgevingen. Laten ze toch opstaan en je redden: zij die de hemel verdelen, die in de sterren kijken, die bij elke nieuwe maan bekendmaken wat er over je zal komen.
נִלְאֵ֖ית
(nileit)
je bent moe geworden
בְּרֹ֣ב
(berov)
door de menigte van
עֲצָתָ֑יִךְ
(atsatayikh)
je raadgevingen
יַעַמְדוּ
(yaamdu)
laten opstaan
נָ֨א
(na)
toch
וְיוֹשִׁיעֻ֜ךְ
(veyoshiukh)
en laten redden jou
הֹבְרֵ֣י
(hoverei)
verdelers van
שָׁמַ֗יִם
(shamayim)
de hemel
הַֽחֹזִים֙
(hachozim)
die kijken
בַּכּ֣וֹכָבִ֔ים
(bakokhavim)
in de sterren
מֽוֹדִיעִם֙
(modiim)
die bekendmaken
לֶחֳדָשִׁ֔ים
(lechodashim)
bij de nieuwe manen
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
over wat
יָבֹ֖אוּ
(yavou)
zal komen
עָלָֽיִךְ
(alayikh)
over je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַחֹזִים בַּכּוֹכָבִים (hachozim bakokhavim), ‘die in de sterren kijken’: sterrenwichelaars.
Het woord ‘verdelen’ (חָבַר, chavar) is onzeker; het gaat om mensen die de hemel indelen en daaruit de toekomst lezen.
מוֹדִיעִם לֶחֳדָשִׁים (modi’im lechodashim), ‘die bij elke nieuwe maan bekendmaken’: letterlijk ‘bij de nieuwe manen’. Een nieuwe maan was het begin van een maand.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is הברו (habru).
Het gelezen woord (qere) is הֹבְרֵי (hovrei), ‘verdelers van’.
14Zie, zij zijn als stoppels geworden. Vuur heeft hen verbrand. Ze kunnen zichzelf niet bevrijden uit de hand van de vlam. Het is geen gloeiende kool om zich aan te warmen, geen vuur om voor te zitten.
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
הָי֤וּ
(hayu)
zij zijn geworden
כְקַשׁ֙
(keqash)
als stoppels
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
שְׂרָפָ֔תַם
(serafatam)
heeft hen verbrand
לֹֽא
(lo)
niet
יַצִּ֥ילוּ
(yatsilu)
zij kunnen bevrijden
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשָׁ֖ם
(nafsham)
hun ziel
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
לֶֽהָבָ֑ה
(lehava)
de vlam
אֵין
(ein)
niet is er
גַּחֶ֣לֶת
(gachelet)
een kool
לַחְמָ֔ם
(lachmam)
om hen te warmen
א֖וּר
(ur)
een vuur
לָשֶׁ֥בֶת
(lashevet)
om bij te zitten
נֶגְדּֽוֹ
(negdo)
tegenover
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier vertalen wij ‘zichzelf’.
Het gaat om hun eigen leven.
גַּחֶלֶת (gachelet), ‘gloeiende kool’: een kool van een vuur waaraan men zich kan warmen. Dit vuur is geen haardvuur, maar een vuur dat alles verteert.
15Zo zijn zij voor jou geworden, zij voor wie je je hebt ingespannen: je handelaars van jongs af. Ieder dwaalt weg, zijn eigen kant op. Er is niemand die je redt.
כֵּ֥ן
(ken)
zo
הָיוּ
(hayu)
zijn geworden
לָ֖ךְ
(lakh)
voor jou
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarvoor
יָגָ֑עַתְּ
(yagaat)
je hebt je ingespannen
סֹחֲרַ֣יִךְ
(socharayikh)
je handelaars
מִנְּעוּרַ֗יִךְ
(mineurayikh)
van je jeugd af
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
לְעֶבְרוֹ֙
(leevro)
naar zijn kant
תָּע֔וּ
(tau)
dwalen zij
אֵ֖ין
(ein)
niet is er
מוֹשִׁיעֵֽךְ
(moshiekh)
je redder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֹחֲרַיִךְ (socharayikh), ‘je handelaars’: de kooplieden met wie Babel van jongs af handelde.