Open in de app Alle boeken Job ← 14 16 → Job 15 Elifaz spreekt voor de tweede keer
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elifaz: Jobs woorden zijn windkennis 1 Elifaz uit Teman nam het woord en zei:
וַ֭יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
הַֽתֵּימָנִ֗י
(hateimani)
de Temaniet
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).
Uitleg
Elifaz spreekt voor de tweede keer.
Zijn toon is scherper dan in hoofdstuk 4–5: hij noemt Jobs woorden nu ‘windkennis’.
2 „Geeft een wijze antwoord met windkennis, en vult hij zijn buik met de oostenwind?
הֶֽחָכָ֗ם
(hechakham)
een wijze
יַעֲנֶ֥ה
(yaane)
zal antwoorden
דַֽעַת
(daat)
met kennis van
וִֽימַלֵּ֖א
(vimale)
en vult
בִּטְנֽוֹ
(bitno)
zijn buik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָדִים (qadim), ‘oostenwind’, is de hete, droge woestijnwind (Gen. 41:6).
Zijn buik ermee vullen betekent: hij uit alleen leegte.
3 Redetwist hij met woorden die niet baten, met praatjes die niets uithalen?
הוֹכֵ֣חַ
(hokheach)
redetwisten
בְּ֭דָבָר
(bedavar)
met woord
יִסְכּ֑וֹן
(yiskon)
dat nut heeft
וּ֝מִלִּ֗ים
(umilim)
en met praatjes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 Jij maakt zelfs het ontzag ongedaan en brengt het bidden tot El tot niets.
תָּפֵ֣ר
(tafer)
maakt ongedaan
וְתִגְרַ֥ע
(vetigra)
en vermindert
שִׂ֝יחָ֗ה
(sicha)
overweging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elifaz zegt dat Job door zijn woorden het ontzag voor Elohim ondermijnt.
Zijn eigen opvatting is dat iemand die zo spreekt, schuldig moet zijn.
5 Want je schuld leert je mond wat te zeggen, en je kiest de taal van de listigen.
עֲוֺנְךָ֣
(avonekha)
je schuld
וְ֝תִבְחַ֗ר
(vetivchar)
en je kiest
עֲרוּמִֽים
(arumim)
listigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Je eigen mond verklaart je schuldig, niet ik, en je lippen getuigen tegen je.
יַרְשִֽׁיעֲךָ֣
(yarshiakha)
verklaart je schuldig
וּ֝שְׂפָתֶ֗יךָ
(usefateikha)
en je lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7 Ben jij als eerste mens geboren? Ben je voor de heuvels voortgebracht?
הֲרִאישׁ֣וֹן
(hariyshon)
als eerste?
תִּוָּלֵ֑ד
(tivaled)
werd je geboren
וְלִפְנֵ֖י
(velifnei)
en voor
חוֹלָֽלְתָּ
(cholalta)
werd je voortgebracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Heb jij geluisterd in de raad van Eloah? Heb je de wijsheid voor jezelf gehouden?
הַבְס֣וֹד
(havsod)
in de raad van
תִּשְׁמָ֑ע
(tishma)
luisterde je
וְתִגְרַ֖ע
(vetigra)
en houd je
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
voor jezelf
חָכְמָֽה
(chakhema)
wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סוֹד (sod), ‘raad’, is de kring van hemelse wezens rond Eloah (zie Jer. 23:18; Ps. 89:8).
Elifaz vraagt spottend of Job daar was.
9 Wat weet jij dat wij niet weten? Wat begrijp je dat bij ons niet is?
יָּ֭דַעְתָּ
(yadata)
weet jij
תָּ֝בִ֗ין
(tavin)
begrijp je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Ook onder ons zijn grijsaards en bejaarden, ouder in dagen dan je vader.
יָשִׁ֣ישׁ
(yashish)
bejaarde
מֵאָבִ֣יךָ
(meavikha)
dan je vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Is de troost van El je te weinig, en het zachte woord tegen jou?
הַמְעַ֣ט
(hamat)
te weinig?
מִ֭מְּךָ
(mimekha)
voor jou
תַּנְחֻמ֣וֹת
(tanchumot)
de troost van
וְ֝דָבָ֗ר
(vedavar)
en een woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Waarom neemt je hart je mee, en waarom knipperen je ogen,
יִּקָּחֲךָ֥
(yiqachakha)
neemt je mee
יִּרְזְמ֥וּן
(yirzemun)
knipperen
עֵינֶֽיךָ
(eineikha)
je ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 dat je je geest tegen El keert en woorden uit je mond laat gaan?
רוּחֶ֑ךָ
(ruchekha)
je geest
וְהֹצֵ֖אתָ
(vehotseta)
en laat uitgaan
מִפִּ֣יךָ
(mipikha)
uit je mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Wat is een mens dat hij rein zou zijn, en een vrouwenzoon dat hij rechtvaardig zou zijn?
יִזְכֶּ֑ה
(yizke)
hij rein zou zijn
יִ֝צְדַּ֗ק
(yitsdaq)
hij rechtvaardig zou zijn
יְל֣וּד
(yelud)
geboren van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elifaz herhaalt zijn eerdere uitspraak (4:17), nu in de vorm van Jobs eigen woorden (14:1,4).
15 Zie, zelfs op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet, en de hemelen zijn niet rein in Zijn ogen.
בִּ֭קְדֹשָׁיו
(biqdoshav)
in Zijn heiligen
יַאֲמִ֑ין
(yaamin)
vertrouwt Hij
וְ֝שָׁמַ֗יִם
(veshamayim)
en hemelen
בְעֵינָֽיו
(beeinav)
in Zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit herhaalt 4:18.
Voor Elifaz is zelfs de hemel niet rein voor Elohim, dus Job al helemaal niet.
16 Hoeveel minder dan de verfoeilijke, verdorven man die onrecht drinkt als water.
נִתְעָ֥ב
(nitav)
verfoeilijk
וְֽנֶאֱלָ֑ח
(veneelach)
en verdorven
כַמַּ֣יִם
(kamayim)
als water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het lot van de goddeloze 17 Ik zal het je vertellen, luister naar mij. Wat ik heb gezien, zal ik uitspreken,
אֲחַוְךָ֥
(achavkha)
ik zal je tonen
חָ֝זִ֗יתִי
(chaziti)
wat ik zag
וַאֲסַפֵּֽרָה
(vaasapera)
ik zal vertellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier volgt een lange beschrijving van het lot van de goddeloze (vers 20–35).
Elifaz beroept zich op de overlevering van de wijzen (vers 18).
18 wat wijzen hebben verteld en niet voor hun vaders hebben verborgen,
חֲכָמִ֥ים
(chakhamim)
wijzen
יַגִּ֑ידוּ
(yagidu)
vertelden
כִֽ֝חֲד֗וּ
(kichadu)
verborgen
מֵאֲבוֹתָֽם
(meavotam)
van hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 aan wie alleen het land was gegeven en onder wie geen vreemde doorgetrokken is:
נִתְּנָ֣ה
(nitena)
werd gegeven
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
בְּתוֹכָֽם
(betokham)
onder hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Aan wie alleen het land was gegeven’: de wijzen van vroeger leefden in een tijd waarin geen vreemde invloed hun leer verontreinigde.
Het is een beroep op de zuiverheid van de oude traditie.
20 Alle dagen van de goddeloze is hij in angst, en het aantal jaren is weggelegd voor de tiran.
רָ֭שָׁע
(rasha)
een goddeloze
מִתְחוֹלֵ֑ל
(mitcholel)
is in angst
וּמִסְפַּ֥ר
(umispar)
en het getal van
נִצְפְּנ֥וּ
(nitspenu)
zijn weggelegd
לֶעָרִֽיץ
(learits)
voor de tiran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Een geluid van schrik is in zijn oren. In vrede komt de plunderaar over hem.
פְּחָדִ֥ים
(pechadim)
schrik
בְּאָזְנָ֑יו
(beazenav)
in zijn oren
בַּ֝שָּׁל֗וֹם
(bashalom)
in vrede
שׁוֹדֵ֥ד
(shoded)
een plunderaar
יְבוֹאֶֽנּוּ
(yevoenu)
komt over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 Hij gelooft niet dat hij uit de duisternis terugkeert. Hij is bestemd voor het zwaard.
יַאֲמִ֣ין
(yaamin)
gelooft hij
חֹ֑שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וְצָפ֖וּי
(vetsafuy)
en bestemd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 Hij zwerft rond naar brood: waar is het? Hij weet dat de dag van duisternis bij hem gereedstaat.
לַלֶּ֣חֶם
(lalechem)
naar brood
בְּיָד֣וֹ
(beyado)
aan zijn hand
חֹֽשֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24 Nood en benauwdheid doen hem schrikken. Ze overweldigen hem als een koning die klaarstaat voor de aanval.
יְֽ֭בַעֲתֻהוּ
(yevaatuhu)
doen hem schrikken
וּמְצוּקָ֑ה
(umetsuqa)
en benauwdheid
תִּ֝תְקְפֵ֗הוּ
(titqefehu)
overweldigen hem
כְּמֶ֤לֶךְ
(kemelekh)
als een koning
לַכִּידֽוֹר
(lakidor)
voor de aanval
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De goddeloze wordt achtervolgd door nood en benauwdheid als door een koning die klaarstaat om aan te vallen.
25 Want hij strekte zijn hand uit tegen El en speelde de sterke tegenover Sjaddai.
נָטָ֣ה
(nata)
hij strekte uit
יִתְגַּבָּֽר
(yitgabar)
speelt hij de sterke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Hij rende op Hem af met gestrekte nek, achter de dikke bulten van zijn schilden.
בְּצַוָּ֑אר
(betsavar)
met de nek
בַּ֝עֲבִ֗י
(baavi)
met dikte van
גַּבֵּ֥י
(gabei)
bulten van
מָֽגִנָּֽיו
(maginav)
zijn schilden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit beeld van een krijger die met gestrekte nek, achter zijn schild op zijn vijand afrent, is hier de goddeloze die tegen Sjaddai zelf te velde trekt.
27 Want hij heeft zijn gezicht met vet bedekt en spek op zijn lenden gelegd.
פָנָ֣יו
(panav)
zijn gezicht
בְּחֶלְבּ֑וֹ
(bechelbo)
met zijn vet
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en legt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28 Hij woont in verwoeste steden, in huizen waar niemand woont, die bestemd zijn voor puinhopen.
וַיִּשְׁכּ֤וֹן
(vayishkon)
en woont
נִכְחָד֗וֹת
(nikhchadot)
verwoeste
יֵ֣שְׁבוּ
(yeshevu)
woont men
הִתְעַתְּד֣וּ
(hitatedu)
bestemd zijn
לְגַלִּֽים
(legalim)
voor puinhopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 Hij wordt niet rijk en zijn vermogen houdt geen stand. Zijn bezit breidt zich niet uit over het land.
יֶ֭עְשַׁר
(yeshar)
wordt hij rijk
יָק֣וּם
(yaqum)
houdt stand
חֵיל֑וֹ
(cheilo)
zijn vermogen
יִטֶּ֖ה
(yite)
breidt zich uit
לָאָ֣רֶץ
(laarets)
over land
מִנְלָֽם
(minlam)
hun bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
מִנְלָם (minlam) komt alleen hier voor en is onzeker.
Wij begrijpen het als ‘hun bezit’ of ‘wat zij verworven hebben’.
Een oude vertaling heeft ‘hun schaduw’.
30 Hij ontkomt niet aan de duisternis. Een vlam verdort zijn scheuten, en hij verdwijnt door de adem van Zijn mond.
יָס֨וּר
(yasur)
ontkomt hij
חֹ֗שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
יֹֽ֭נַקְתּוֹ
(yonaqto)
zijn scheut
תְּיַבֵּ֣שׁ
(teyabesh)
verdort
שַׁלְהָ֑בֶת
(shalhavet)
een vlam
וְ֝יָס֗וּר
(veyasur)
en hij verdwijnt
בְּר֣וּחַ
(beruach)
door adem van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31 Laat hij niet op nietigheid vertrouwen, hij dwaalt, want nietigheid zal zijn loon zijn.
יַאֲמֵ֣ן
(yaamen)
laat hij vertrouwen
בַּשָּׁ֣יו
(bashav)
op nietigheid
שָׁ֝֗וְא
(shave)
nietigheid
תְמוּרָתֽוֹ
(temurato)
zijn ruil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Voor zijn tijd wordt het volbracht, en zijn tak wordt niet groen.
תִּמָּלֵ֑א
(timale)
wordt het vervuld
וְ֝כִפָּת֗וֹ
(vekhipato)
en zijn tak
רַעֲנָֽנָה
(raanana)
is groen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het beeld is dat van een boom die vroegtijdig afsterft, zijn tak wordt nooit groen.
33 Hij laat zijn onrijpe druiven vallen als een wijnstok en werpt zijn bloesem af als een olijfboom.
יַחְמֹ֣ס
(yachmos)
hij laat vallen
כַּגֶּ֣פֶן
(kagefen)
als een wijnstok
בִּסְר֑וֹ
(bisro)
zijn onrijpe druif
וְיַשְׁלֵ֥ךְ
(veyashlekh)
en werpt af
כַּ֝זַּ֗יִת
(kazayit)
als een olijfboom
נִצָּתֽוֹ
(nitsato)
zijn bloesem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34 Want de kring van de goddelozen is onvruchtbaar, en vuur verteert de tenten van omkoping.
גַּלְמ֑וּד
(galmud)
onvruchtbaar
אָֽהֳלֵי
(aholei)
tenten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35 Ze zijn zwanger van moeite en baren onrecht, en hun schoot bereidt bedrog.”
וְיָ֣לֹד
(veyalod)
en baren
וּ֝בִטְנָ֗ם
(uvitnam)
en hun schoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zwanger worden van moeite en baren wat onrecht is: hetzelfde beeld staat in Ps. 7:15 en Jes. 59:4, voor wie kwaad beraamt.