Elohim Bijbel

Lucas 18

123456789101112131415161718192021222324

De weduwe en de rechter, de Farizeeër en de tollenaar, de kinderen, de leider met veel bezit en de blinde bij Jericho

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De weduwe en de rechter

1Hij vertelde hun een gelijkenis: zij moesten altijd bidden en niet moedeloos worden.
Ἔλεγεν
(Elegen)
Hij zei
δὲ
(de)
maar
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
αὐτοῖς
(autois)
hun
πρὸς
(pros)
met het oog op
τὸ
(to)
het
δεῖν
(dein)
moeten
πάντοτε
(pantote)
altijd
προσεύχεσθαι
(proseuchesthai)
bidden
αὐτοὺς
(autous)
zij
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ἐγκακεῖν
(enkakein)
moedeloos worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐγκακέω (enkakeo), ‘moedeloos worden’: de moed verliezen.

2Hij zei: „In een stad was er een rechter die Elohim niet vreesde en voor geen mens ontzag had.
λέγων
(legon)
zeggend
Κριτής
(Krites)
rechter
τις
(tis)
zekere
ἦν
(en)
was
ἔν
(en)
in
τινι
(tini)
een zekere
πόλει
(polei)
stad
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
μὴ
(me)
niet
φοβούμενος
(phoboumenos)
vrezend
καὶ
(kai)
en
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
μὴ
(me)
niet
ἐντρεπόμενος
(entrepomenos)
ontzag hebbend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐντρέπομαι (entrepomai), ‘ontzag hebben voor’: iemand eerbiedigen; wij vertalen het zo ook in Matt. 21:37.

Zie ookMat 21:37
3Er was in die stad ook een weduwe. Zij kwam naar hem toe en zei: ‘Verschaf mij recht tegen mijn tegenpartij.’
χήρα
(chera)
weduwe
δὲ
(de)
maar
ἦν
(en)
was
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πόλει
(polei)
stad
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
καὶ
(kai)
en
ἤρχετο
(ercheto)
kwam
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
hem
λέγουσα
(legousa)
zeggend
Ἐκδίκησόν
(Ekdikeson)
verschaf recht
με
(me)
mij
ἀπὸ
(apo)
tegen
τοῦ
(tou)
de
ἀντιδίκου
(antidikou)
tegenpartij
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

χήρα (chera), ‘weduwe’: een vrouw die geen man meer had om haar recht te verdedigen. ἐκδικέω (ekdikeo), ‘recht verschaffen’; ἀντίδικος (antidikos), ‘tegenpartij’, zoals in Matt. 5:25.

Zie ookMat 5:25
4Een tijd lang wilde hij niet. Maar daarna zei hij bij zichzelf: ‘Ook al vrees ik Elohim niet en heb ik voor geen mens ontzag,
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἤθελεν
(ethelen)
wilde
ἐπὶ
(epi)
gedurende
χρόνον
(chronon)
tijd
μετὰ
(meta)
na
ταῦτα
(tauta)
dit
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei hij
ἐν
(en)
bij
ἑαυτῷ
(heauto)
zichzelf
Εἰ
(Ei)
als
καὶ
(kai)
ook
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
οὐ
(ou)
niet
φοβοῦμαι
(phoboumai)
ik vrees
οὐδὲ
(oude)
en niet
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ἐντρέπομαι
(entrepomai)
ik heb ontzag
Bron: SBLGNT
5toch zal ik deze weduwe recht verschaffen, omdat zij mij moeite bezorgt. Anders komt zij uiteindelijk nog en put zij mij uit.’”
διά
(dia)
vanwege
γε
(ge)
zeker
τὸ
(to)
het
παρέχειν
(parechein)
bezorgen
μοι
(moi)
mij
κόπον
(kopon)
moeite
τὴν
(ten)
de
χήραν
(cheran)
weduwe
ταύτην
(tauten)
deze
ἐκδικήσω
(ekdikeso)
ik zal recht verschaffen
αὐτήν
(auten)
haar
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
εἰς
(eis)
tot
τέλος
(telos)
einde
ἐρχομένη
(erchomene)
komend
ὑπωπιάζῃ
(hypopiaze)
zij uitput
με
(me)
mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόπον παρέχω (kopon parecho), ‘moeite bezorgen’: zoals in Matt. 26:10. ὑπωπιάζω (hypopiazo), ‘uitputten’: letterlijk ‘onder het oog slaan’, iemand een blauw oog geven; het beeld is dat de weduwe de rechter murw maakt.

Zie ookMat 26:10
6De Heer zei: „Luister wat de onrechtvaardige rechter zegt.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
Ἀκούσατε
(Akousate)
luister
τί
(ti)
wat
ὁ
(ho)
de
κριτὴς
(krites)
rechter
τῆς
(tes)
van het
ἀδικίας
(adikias)
onrecht
λέγει
(legei)
zegt
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: zie 7:13. ὁ κριτὴς τῆς ἀδικίας (ho krites tes adikias): letterlijk ‘de rechter van het onrecht’; wij schrijven ‘de onrechtvaardige rechter’, zoals ‘de onrechtvaardige beheerder’ in 16:8.

7En Elohim, zal Hij dan niet beslist recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, en heeft Hij geduld met hen?
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
θεὸς
(theos)
Elohim
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
ποιήσῃ
(poiese)
zal doen
τὴν
(ten)
het
ἐκδίκησιν
(ekdikesin)
recht
τῶν
(ton)
van de
ἐκλεκτῶν
(eklekton)
uitverkorenen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τῶν
(ton)
die
βοώντων
(boonton)
roepen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
ἡμέρας
(hemeras)
dag
καὶ
(kai)
en
νυκτός
(nyktos)
nacht
καὶ
(kai)
en
μακροθυμεῖ
(makrothymei)
heeft geduld
ἐπ’
(ep’)
met
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkorene’: zoals in Matt. 24:22. οὐ μὴ ποιήσῃ (ou me poiese): een sterke ontkenning in een vraag; de vraag verwacht ‘ja, Hij zal dat zeker doen’.

καὶ μακροθυμεῖ ἐπ’ αὐτοῖς (kai makrothymei ep’ autois) is moeilijk te vertalen: ‘en heeft Hij geduld met hen’ (zo wij), of ‘en laat Hij hen wachten’.

Zie ookMat 24:22
8Ik zeg jullie: Hij zal hun recht doen, en wel spoedig. Maar zal de Mensenzoon, wanneer Hij komt, dan het geloof op de aarde vinden?”
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ποιήσει
(poiesei)
Hij zal doen
τὴν
(ten)
het
ἐκδίκησιν
(ekdikesin)
recht
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐν
(en)
in
τάχει
(tachei)
snelheid
πλὴν
(plen)
maar
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
ἐλθὼν
(elthon)
komend
ἆρα
(ara)
dan
εὑρήσει
(heuresei)
zal vinden
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
Bron: SBLGNT

De Farizeeër en de tollenaar

9Hij zei ook deze gelijkenis tegen enkelen die op zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren, en die de anderen verachtten:
Εἶπεν
(Eipen)
Hij zei
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
πρός
(pros)
tegen
τινας
(tinas)
enigen
τοὺς
(tous)
die
πεποιθότας
(pepoithotas)
vertrouwden
ἐφ’
(eph’)
op
ἑαυτοῖς
(heautois)
zichzelf
ὅτι
(hoti)
dat
εἰσὶν
(eisin)
zij zijn
δίκαιοι
(dikaioi)
rechtvaardig
καὶ
(kai)
en
ἐξουθενοῦντας
(exouthenountas)
verachtten
τοὺς
(tous)
de
λοιποὺς
(loipous)
anderen
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
ταύτην
(tauten)
deze
Bron: SBLGNT
10„Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden: de ene was een Farizeeër en de andere een tollenaar.
Ἄνθρωποι
(Anthropoi)
mensen
δύο
(dyo)
twee
ἀνέβησαν
(anebesan)
gingen op
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ἱερὸν
(hieron)
tempel
προσεύξασθαι
(proseuxasthai)
om te bidden
ὁ
(ho)
de
εἷς
(heis)
ene
Φαρισαῖος
(Pharisaios)
Farizeeër
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἕτερος
(heteros)
andere
τελώνης
(telones)
tollenaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

τελώνης (telones), ‘tollenaar’: iemand die belasting inde voor de Romeinse bezetter; hij gold bij velen als een zondaar.

11De Farizeeër ging staan en bad bij zichzelf: ‘Elohim, ik dank U dat ik niet ben zoals de overige mensen: roofzuchtigen, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar.
ὁ
(ho)
de
Φαρισαῖος
(Pharisaios)
Farizeeër
σταθεὶς
(statheis)
staand
πρὸς
(pros)
bij
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ταῦτα
(tauta)
dit
προσηύχετο
(proseycheto)
bad
Ὁ
(Ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
εὐχαριστῶ
(eucharisto)
ik dank
σοι
(soi)
U
ὅτι
(hoti)
dat
οὐκ
(ouk)
niet
εἰμὶ
(eimi)
ik ben
ὥσπερ
(hosper)
zoals
οἱ
(hoi)
de
λοιποὶ
(loipoi)
overigen
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ἅρπαγες
(harpages)
roofzuchtigen
ἄδικοι
(adikoi)
onrechtvaardigen
μοιχοί
(moichoi)
overspelers
ἢ
(e)
of
καὶ
(kai)
ook
ὡς
(hos)
als
οὗτος
(houtos)
deze
ὁ
(ho)
de
τελώνης
(telones)
tollenaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

πρὸς ἑαυτόν (pros heauton), ‘bij zichzelf’: hij bidt stil of apart; het kan ook gelezen worden als ‘tot zichzelf’. ἅρπαξ (harpax), ‘roofzuchtig’: zoals in Matt. 7:15.

Zie ookMat 7:15
12Ik vast tweemaal per week. Ik geef de tiende van alles wat ik verwerf.’
νηστεύω
(nesteuo)
ik vast
δὶς
(dis)
tweemaal
τοῦ
(tou)
van de
σαββάτου
(sabbatou)
sabbat
ἀποδεκατῶ
(apodekato)
ik geef de tiende van
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
κτῶμαι
(ktomai)
ik verwerf
Bron: SBLGNT
Uitleg

δὶς τοῦ σαββάτου (dis tou sabbatou), ‘tweemaal per week’: σάββατον (sabbaton) betekent ‘sabbat’ en ook ‘week’ (zoals in Matt. 28:1). ἀποδεκατόω (apodekatoo), ‘de tiende geven van’: zie Matt. 23:23 en Lev. 27:30.

13De tollenaar bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet opslaan naar de hemel. Maar hij sloeg op zijn borst en zei: ‘Elohim, wees mij, de zondaar, genadig.’
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
τελώνης
(telones)
tollenaar
μακρόθεν
(makrothen)
van ver
ἑστὼς
(hestos)
staand
οὐκ
(ouk)
niet
ἤθελεν
(ethelen)
wilde
οὐδὲ
(oude)
zelfs niet
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
ἐπᾶραι
(eparai)
opslaan
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
οὐρανόν
(ouranon)
hemel
ἀλλ’
(all’)
maar
ἔτυπτε
(etypte)
sloeg
τὸ
(to)
de
στῆθος
(stethos)
borst
αὐτοῦ
(autou)
zijn
λέγων
(legon)
zeggend
Ὁ
(Ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
ἱλάσθητί
(hilastheti)
wees genadig
μοι
(moi)
mij
τῷ
(to)
aan de
ἁμαρτωλῷ
(hamartolo)
zondaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

Op de borst slaan is een teken van rouw en berouw. ἱλάσκομαι (hilaskomai), ‘genadig zijn’: het woord hoort bij de taal van verzoening en offer; wij schrijven ‘wees mij genadig’.

14Ik zeg jullie: deze ging rechtvaardig verklaard naar zijn huis, in plaats van die ander. Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
κατέβη
(katebe)
ging naar beneden
οὗτος
(houtos)
deze
δεδικαιωμένος
(dedikaiomenos)
rechtvaardig verklaard
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
παρ’
(par’)
in plaats van
ἐκεῖνον
(ekeinon)
die ander
ὅτι
(hoti)
want
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
die
ὑψῶν
(hypson)
verhoogt
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ταπεινωθήσεται
(tapeinothesetai)
zal vernederd worden
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
ταπεινῶν
(tapeinon)
vernedert
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ὑψωθήσεται
(hypsothesetai)
zal verhoogd worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: zie 16:15. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: het woord kan ook ‘verheffen’ betekenen; wij vertalen het overal ‘verhogen’, zoals in Joh. 3:14 en 12:32. ταπεινόω (tapeinoo), ‘vernederen’.

παρ’ ἐκεῖνον (par’ ekeinon), ‘in plaats van die ander’: de Farizeeër ging niet rechtvaardig verklaard naar huis.

Zie ook Matt. 23:12; Luc. 14:11.

Yeshua en de kinderen

15Zij brachten ook de baby’s bij Hem, zodat Hij hen zou aanraken. Toen de leerlingen dit zagen, bestraften zij hen.
Προσέφερον
(Prosepheron)
zij brachten
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
bij Hem
καὶ
(kai)
ook
τὰ
(ta)
de
βρέφη
(brephe)
baby’s
ἵνα
(hina)
opdat
αὐτῶν
(auton)
hen
ἅπτηται
(haptetai)
Hij aanraakt
ἰδόντες
(idontes)
ziende
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ἐπετίμων
(epetimon)
bestraften
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

βρέφος (brephos), ‘baby’: een heel jong kind.

Zie ook Matt. 19:13–15; Mark. 10:13–16.

16Yeshua riep hen bij Zich en zei: „Laat de kinderen naar Mij toe komen. Houd hen niet tegen, want van mensen zoals zij is het koninkrijk van Elohim.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
προσεκαλέσατο
(prosekalesato)
riep bij Zich
αὐτὰ
(auta)
hen
λέγων
(legon)
zeggend
Ἄφετε
(Aphete)
laat
τὰ
(ta)
de
παιδία
(paidia)
kinderen
ἔρχεσθαι
(erchesthai)
komen
πρός
(pros)
naar
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
κωλύετε
(kolyete)
houd tegen
αὐτά
(auta)
hen
τῶν
(ton)
van de
γὰρ
(gar)
want
τοιούτων
(toiouton)
zulke
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

τῶν τοιούτων (ton toiouton), ‘van zulke’: het Grieks zegt niet ‘kinderen’ of ‘mensen’; wij schrijven ‘mensen zoals zij’, zoals in Mark. 10:14.

Zie ookMar 10:14
17Voorwaar, Ik zeg jullie: wie het koninkrijk van Elohim niet ontvangt als een kind, zal er zeker niet in binnengaan.”
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
μὴ
(me)
niet
δέξηται
(dexetai)
ontvangt
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
ὡς
(hos)
als
παιδίον
(paidion)
kind
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
εἰσέλθῃ
(eiselthe)
binnengaat
εἰς
(eis)
in
αὐτήν
(auten)
het
Bron: SBLGNT

De leider met veel bezit

18Een leider vroeg Hem: „Goede Leraar, wat moet ik doen om eeuwig leven te erven?”
Καὶ
(Kai)
en
ἐπηρώτησέν
(eperotesen)
vroeg
τις
(tis)
iemand
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἄρχων
(archon)
leider
λέγων
(legon)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
ἀγαθέ
(agathe)
goede
τί
(ti)
wat
ποιήσας
(poiesas)
gedaan hebbend
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
κληρονομήσω
(kleronomeso)
ik zal erven
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρχων (archon), ‘leider’: zoals in Matt. 9:18. κληρονομέω (kleronomeo), ‘erven’: een erfdeel ontvangen. ζωὴ αἰώνιος (zoe aionios), ‘eeuwig leven’.

Zie ook Matt. 19:16–22; Mark. 10:17–22.

19Yeshua zei tegen hem: „Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed, behalve één: Elohim.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Τί
(Ti)
waarom
με
(me)
Mij
λέγεις
(legeis)
noem je
ἀγαθόν
(agathon)
goed
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἀγαθὸς
(agathos)
goed
εἰ
(ei)
indien
μὴ
(me)
niet
εἷς
(heis)
één
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
Bron: SBLGNT
20De geboden ken je: ‘Je zult geen overspel plegen. Je zult niet moorden. Je zult niet stelen. Je zult geen valse getuigenis afleggen. Eer je vader en je moeder.’”
τὰς
(tas)
de
ἐντολὰς
(entolas)
geboden
οἶδας
(oidas)
je kent
Μὴ
(Me)
niet
μοιχεύσῃς
(moicheuses)
overspel plegen
Μὴ
(Me)
niet
φονεύσῃς
(phoneuses)
moorden
Μὴ
(Me)
niet
κλέψῃς
(klepses)
stelen
Μὴ
(Me)
niet
ψευδομαρτυρήσῃς
(pseudomartyreses)
vals getuigen
Τίμα
(Tima)
eer
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
σου
(sou)
jouw
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
Bron: SBLGNT
Uitleg

De geboden staan in Exod. 20:12–16 (ook Deut. 5:16–20).

Lucas noemt overspel vóór moorden.

21Die zei: „Dit alles heb ik onderhouden van jongs af aan.”
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ταῦτα
(Tauta)
dit
πάντα
(panta)
alles
ἐφύλαξα
(ephylaxa)
ik heb onderhouden
ἐκ
(ek)
van
νεότητος
(neotetos)
jeugd
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
22Toen Yeshua dit hoorde, zei Hij tegen hem: „Nog één ding ontbreekt je. Verkoop alles wat je hebt en verdeel het onder de armen, en je zult een schat hebben in de hemelen. Kom dan, volg Mij.”
ἀκούσας
(akousas)
horend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἔτι
(Eti)
nog
ἕν
(hen)
één
σοι
(soi)
je
λείπει
(leipei)
ontbreekt
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
ἔχεις
(echeis)
je hebt
πώλησον
(poleson)
verkoop
καὶ
(kai)
en
διάδος
(diados)
verdeel
πτωχοῖς
(ptochois)
aan armen
καὶ
(kai)
en
ἕξεις
(hexeis)
je zult hebben
θησαυρὸν
(thesauron)
schat
ἐν
(en)
in
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
καὶ
(kai)
en
δεῦρο
(deuro)
kom
ἀκολούθει
(akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

διαδίδωμι (diadidomi), ‘verdelen’: uitdelen onder velen.

23Toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd. Want hij was zeer rijk.
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
ἀκούσας
(akousas)
horend
ταῦτα
(tauta)
dit
περίλυπος
(perilypos)
diep bedroefd
ἐγενήθη
(egenethe)
werd
ἦν
(en)
hij was
γὰρ
(gar)
want
πλούσιος
(plousios)
rijk
σφόδρα
(sphodra)
zeer
Bron: SBLGNT
Uitleg

περίλυπος (perilypos), ‘diep bedroefd’: zoals in Matt. 26:38.

Zie ookMat 26:38
24Toen Yeshua hem zag, zei Hij: „Hoe moeilijk gaan zij die rijkdom hebben het koninkrijk van Elohim binnen!
Ἰδὼν
(Idon)
ziende
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Πῶς
(Pos)
hoe
δυσκόλως
(dyskolos)
moeilijk
οἱ
(hoi)
zij die
τὰ
(ta)
de
χρήματα
(chremata)
rijkdom
ἔχοντες
(echontes)
hebben
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
εἰσπορεύονται
(eisporeuontai)
gaan binnen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 19:23–26; Mark. 10:23–27.

25Want het is gemakkelijker dat een kameel door het gaatje van een naald gaat dan dat een rijke het koninkrijk van Elohim binnengaat.”
εὐκοπώτερον
(eukopoteron)
gemakkelijker
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
κάμηλον
(kamelon)
kameel
διὰ
(dia)
door
τρήματος
(trematos)
gaatje
βελόνης
(belones)
van naald
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
te gaan
ἢ
(e)
dan
πλούσιον
(plousion)
rijke
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

τρῆμα βελόνης (trema belones), ‘gaatje van een naald’: Matteüs en Markus gebruiken voor ‘naald’ een ander woord, ῥαφίς (rhafis).

Het is een beeld voor iets wat onmogelijk lijkt.

26Zij die het hoorden, zeiden: „En wie kan gered worden?”
Εἶπαν
(Eipan)
zeiden
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
ἀκούσαντες
(akousantes)
horenden
Καὶ
(Kai)
en
τίς
(tis)
wie
δύναται
(dynatai)
kan
σωθῆναι
(sothenai)
gered worden
Bron: SBLGNT
27Hij zei: „Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij Elohim.”
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Τὰ
(Ta)
de
ἀδύνατα
(adynata)
onmogelijke dingen
παρὰ
(para)
bij
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
δυνατὰ
(dynata)
mogelijk
παρὰ
(para)
bij
τῷ
(to)
de
θεῷ
(theo)
Elohim
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT

Wat de leerlingen ontvangen

28Petrus zei: „Zie, wij hebben wat van ons was achtergelaten en zijn U gevolgd.”
Εἶπεν
(Eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
ἀφέντες
(aphentes)
achterlatend
τὰ
(ta)
wat
ἴδια
(idia)
eigen was
ἠκολουθήσαμέν
(ekolouthesamen)
wij hebben gevolgd
σοι
(soi)
U
Bron: SBLGNT
Uitleg

τὰ ἴδια (ta idia), ‘wat van ons was’: letterlijk ‘het eigene’; Matteüs en Markus hebben ‘alles’.

Zie ook Matt. 19:27; Mark. 10:28.

29Hij zei tegen hen: „Voorwaar, Ik zeg jullie: er is niemand die huis, of vrouw, of broers, of ouders, of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van Elohim,
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
οὐδείς
(oudeis)
niemand
ἐστιν
(estin)
is
ὃς
(hos)
die
ἀφῆκεν
(apheken)
liet achter
οἰκίαν
(oikian)
huis
ἢ
(e)
of
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
ἢ
(e)
of
ἀδελφοὺς
(adelphous)
broers
ἢ
(e)
of
γονεῖς
(goneis)
ouders
ἢ
(e)
of
τέκνα
(tekna)
kinderen
ἕνεκεν
(heneken)
omwille van
τῆς
(tes)
het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

γονεῖς (goneis), ‘ouders’: vader en moeder.

De herhaalde ‘of’ staat zo in het Grieks.

Zie ook Matt. 19:29; Mark. 10:29–30.

30die niet veelvoudig zal ontvangen in deze tijd, en in de komende eeuw eeuwig leven.”
ὃς
(hos)
die
οὐχὶ
(ouchi)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
ἀπολάβῃ
(apolabe)
ontvangt
πολλαπλασίονα
(pollaplasiona)
veelvoudig
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
καιρῷ
(kairo)
tijd
τούτῳ
(touto)
deze
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
αἰῶνι
(aioni)
eeuw
τῷ
(to)
de
ἐρχομένῳ
(erchomeno)
komende
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐχὶ μή (ouchi me), ‘niet … zeker niet’: een sterke ontkenning; de zin zegt dat niemand die dit alles heeft achtergelaten, zonder veelvoud zal blijven. αἰών (aion), ‘eeuw’: een lang tijdperk; ‘de komende eeuw’ staat tegenover ‘deze tijd’ (καιρός, kairos).

Yeshua kondigt Zijn dood aan

31Hij nam de twaalf bij Zich en zei tegen hen: „Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. En alles wat door de profeten is geschreven, zal aan de Mensenzoon voltooid worden.
Παραλαβὼν
(Paralabon)
nemend bij zich
δὲ
(de)
maar
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἀναβαίνομεν
(anabainomen)
wij gaan op
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
τελεσθήσεται
(telesthesetai)
zal voltooid worden
πάντα
(panta)
alles
τὰ
(ta)
wat
γεγραμμένα
(gegrammena)
geschreven is
διὰ
(dia)
door
τῶν
(ton)
de
προφητῶν
(propheton)
profeten
τῷ
(to)
aan de
υἱῷ
(huio)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

τῷ υἱῷ τοῦ ἀνθρώπου (to huio tou anthropou), ‘aan de Mensenzoon’: een datief; het kan ook ‘met betrekking tot de Mensenzoon’ betekenen. τελέω (teleo), ‘voltooien’.

Zie ook Matt. 20:17–19; Mark. 10:32–34.

32Want Hij zal worden overgeleverd aan de volken en bespot, mishandeld en bespuugd worden,
παραδοθήσεται
(paradothesetai)
zal worden overgeleverd
γὰρ
(gar)
want
τοῖς
(tois)
aan de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
καὶ
(kai)
en
ἐμπαιχθήσεται
(empaichthesetai)
zal bespot worden
καὶ
(kai)
en
ὑβρισθήσεται
(hybristhesetai)
zal mishandeld worden
καὶ
(kai)
en
ἐμπτυσθήσεται
(emptysthesetai)
zal bespuugd worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑβρίζω (hybrizo), ‘mishandelen’: zoals in Matt. 22:6. ἔθνη (ethne), ‘volken’: in het meervoud de niet-Joden.

Zie ookMat 22:6
33en zij zullen Hem geselen en doden. En op de derde dag zal Hij opstaan.”
καὶ
(kai)
en
μαστιγώσαντες
(mastigosantes)
geselend
ἀποκτενοῦσιν
(apoktenousin)
zullen doden
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
τῇ
(te)
op de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
τῇ
(te)
de
τρίτῃ
(trite)
derde
ἀναστήσεται
(anastesetai)
zal opstaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

μαστιγόω (mastigoo), ‘geselen’: slaan met een zweep, zoals in Mark. 10:34.

Zie ookMar 10:34
34Zij begrepen hiervan niets. Dit woord was voor hen verborgen en zij wisten niet wat er gezegd werd.
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zij
οὐδὲν
(ouden)
niets
τούτων
(touton)
hiervan
συνῆκαν
(synekan)
begrepen
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
τὸ
(to)
het
ῥῆμα
(rhema)
woord
τοῦτο
(touto)
dit
κεκρυμμένον
(kekrymmenon)
verborgen
ἀπ’
(ap’)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἐγίνωσκον
(eginoskon)
wisten
τὰ
(ta)
wat
λεγόμενα
(legomena)
gezegd werd
Bron: SBLGNT

Yeshua geneest een blinde bij Jericho

35Toen Hij Jericho naderde, zat een blinde langs de weg te bedelen.
Ἐγένετο
(Egeneto)
het gebeurde
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
ἐγγίζειν
(engizein)
naderen
αὐτὸν
(auton)
Hij
εἰς
(eis)
tot
Ἰεριχὼ
(Iericho)
Jericho
τυφλός
(typhlos)
blinde
τις
(tis)
zekere
ἐκάθητο
(ekatheto)
zat
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
weg
ἐπαιτῶν
(epaiton)
bedelend
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

Lucas zegt dat de blinde zat toen Yeshua Jericho naderde; Matteüs en Markus plaatsen de genezing bij het verlaten van Jericho.

Zie ook Matt. 20:29–34; Mark. 10:46–52.

36Toen hij een menigte voorbij hoorde gaan, vroeg hij wat dit was.
ἀκούσας
(akousas)
horend
δὲ
(de)
maar
ὄχλου
(ochlou)
menigte
διαπορευομένου
(diaporeuomenou)
voorbijgaand
ἐπυνθάνετο
(epynthaneto)
vroeg hij
τί
(ti)
wat
εἴη
(eie)
het was
τοῦτο
(touto)
dit
Bron: SBLGNT
37Zij vertelden hem dat Yeshua de Nazoreeër voorbijkwam.
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
vertelden
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
hem
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὁ
(ho)
de
Ναζωραῖος
(Nazoraios)
Nazoreeër
παρέρχεται
(parerchetai)
voorbijkomt
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret, zoals in Matt. 2:23 en Joh. 18:5.

38Hij riep: „Yeshua, Zoon van David, ontferm U over mij!”
καὶ
(kai)
en
ἐβόησεν
(eboesen)
riep
λέγων
(legon)
zeggend
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
υἱὲ
(huie)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
ἐλέησόν
(eleeson)
ontferm U
με
(me)
over mij
Bron: SBLGNT
39Zij die voorop liepen, bestraften hem: hij moest zwijgen. Maar hij riep nog veel harder: „Zoon van David, ontferm U over mij!”
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
zij
προάγοντες
(proagontes)
die voorop liepen
ἐπετίμων
(epetimon)
bestraften
αὐτῷ
(auto)
hem
ἵνα
(hina)
opdat
σιγήσῃ
(sigese)
hij zwijgt
αὐτὸς
(autos)
hij
δὲ
(de)
maar
πολλῷ
(pollo)
veel
μᾶλλον
(mallon)
meer
ἔκραζεν
(ekrazen)
riep
Υἱὲ
(Huie)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
ἐλέησόν
(eleeson)
ontferm U
με
(me)
over mij
Bron: SBLGNT
40Yeshua bleef staan en beval dat hij bij Hem gebracht werd. Toen hij dichtbij kwam, vroeg Hij hem:
σταθεὶς
(statheis)
staande
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐκέλευσεν
(ekeleusen)
beval
αὐτὸν
(auton)
hem
ἀχθῆναι
(achthenai)
gebracht te worden
πρὸς
(pros)
naar
αὐτόν
(auton)
Hem
ἐγγίσαντος
(engisantos)
naderend
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
hij
ἐπηρώτησεν
(eperotesen)
vroeg
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
41„Wat wil je dat Ik voor je doe?” De blinde zei: „Heer, dat ik weer kan zien.”
Τί
(Ti)
wat
σοι
(soi)
voor je
θέλεις
(theleis)
wil je
ποιήσω
(poieso)
dat Ik doe
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Κύριε
(Kyrie)
Heer
ἵνα
(hina)
opdat
ἀναβλέψω
(anablepso)
ik weer zie
Bron: SBLGNT
42Yeshua zei tegen hem: „Word weer ziende! Je geloof heeft je gered.”
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἀνάβλεψον
(Anablepson)
word weer ziende
ἡ
(he)
het
πίστις
(pistis)
geloof
σου
(sou)
je
σέσωκέν
(sesoken)
heeft gered
σε
(se)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀναβλέπω (anablepo), ‘weer zien’: het woord kan ook ‘opkijken’ betekenen. σέσωκεν (sesoken): van σῴζω (sozo), ‘redden’.

Het woord betekent hier ook ‘genezen’; wij vertalen overal ‘redden’.

43Meteen kon hij weer zien en hij volgde Hem, terwijl hij Elohim verheerlijkte. Toen heel het volk dit zag, gaf het Elohim lof.
καὶ
(kai)
en
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
ἀνέβλεψεν
(aneblepsen)
kon weer zien
καὶ
(kai)
en
ἠκολούθει
(ekolouthei)
volgde
αὐτῷ
(auto)
Hem
δοξάζων
(doxazon)
verheerlijkend
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
heel
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
ἰδὼν
(idon)
ziend
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αἶνον
(ainon)
lof
τῷ
(to)
aan de
θεῷ
(theo)
Elohim
Bron: SBLGNT