De weduwe en de rechter, de Farizeeër en de tollenaar, de kinderen, de leider met veel bezit en de blinde bij Jericho
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De weduwe en de rechter
1Hij vertelde hun een gelijkenis: zij moesten altijd bidden en niet moedeloos worden.
Ἔλεγεν
(Elegen)
Hij zei
δὲ
(de)
maar
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
αὐτοῖς
(autois)
hun
πρὸς
(pros)
met het oog op
τὸ
(to)
het
δεῖν
(dein)
moeten
πάντοτε
(pantote)
altijd
προσεύχεσθαι
(proseuchesthai)
bidden
αὐτοὺς
(autous)
zij
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ἐγκακεῖν
(enkakein)
moedeloos worden
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐγκακέω (enkakeo), ‘moedeloos worden’: de moed verliezen.
2Hij zei: „In een stad was er een rechter die Elohim niet vreesde en voor geen mens ontzag had.
λέγων
(legon)
zeggend
Κριτής
(Krites)
rechter
τις
(tis)
zekere
ἦν
(en)
was
ἔν
(en)
in
τινι
(tini)
een zekere
πόλει
(polei)
stad
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
μὴ
(me)
niet
φοβούμενος
(phoboumenos)
vrezend
καὶ
(kai)
en
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
μὴ
(me)
niet
ἐντρεπόμενος
(entrepomenos)
ontzag hebbend
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐντρέπομαι (entrepomai), ‘ontzag hebben voor’: iemand eerbiedigen; wij vertalen het zo ook in Matt. 21:37.
3Er was in die stad ook een weduwe. Zij kwam naar hem toe en zei: ‘Verschaf mij recht tegen mijn tegenpartij.’
χήρα
(chera)
weduwe
δὲ
(de)
maar
ἦν
(en)
was
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πόλει
(polei)
stad
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
καὶ
(kai)
en
ἤρχετο
(ercheto)
kwam
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
hem
λέγουσα
(legousa)
zeggend
Ἐκδίκησόν
(Ekdikeson)
verschaf recht
με
(me)
mij
ἀπὸ
(apo)
tegen
τοῦ
(tou)
de
ἀντιδίκου
(antidikou)
tegenpartij
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
χήρα (chera), ‘weduwe’: een vrouw die geen man meer had om haar recht te verdedigen. ἐκδικέω (ekdikeo), ‘recht verschaffen’; ἀντίδικος (antidikos), ‘tegenpartij’, zoals in Matt. 5:25.
4Een tijd lang wilde hij niet. Maar daarna zei hij bij zichzelf: ‘Ook al vrees ik Elohim niet en heb ik voor geen mens ontzag,
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἤθελεν
(ethelen)
wilde
ἐπὶ
(epi)
gedurende
χρόνον
(chronon)
tijd
μετὰ
(meta)
na
ταῦτα
(tauta)
dit
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei hij
ἐν
(en)
bij
ἑαυτῷ
(heauto)
zichzelf
Εἰ
(Ei)
als
καὶ
(kai)
ook
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
οὐ
(ou)
niet
φοβοῦμαι
(phoboumai)
ik vrees
οὐδὲ
(oude)
en niet
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ἐντρέπομαι
(entrepomai)
ik heb ontzag
Bron: SBLGNT
5toch zal ik deze weduwe recht verschaffen, omdat zij mij moeite bezorgt. Anders komt zij uiteindelijk nog en put zij mij uit.’”
διά
(dia)
vanwege
γε
(ge)
zeker
τὸ
(to)
het
παρέχειν
(parechein)
bezorgen
μοι
(moi)
mij
κόπον
(kopon)
moeite
τὴν
(ten)
de
χήραν
(cheran)
weduwe
ταύτην
(tauten)
deze
ἐκδικήσω
(ekdikeso)
ik zal recht verschaffen
αὐτήν
(auten)
haar
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
εἰς
(eis)
tot
τέλος
(telos)
einde
ἐρχομένη
(erchomene)
komend
ὑπωπιάζῃ
(hypopiaze)
zij uitput
με
(me)
mij
Bron: SBLGNT
Uitleg
κόπον παρέχω (kopon parecho), ‘moeite bezorgen’: zoals in Matt. 26:10. ὑπωπιάζω (hypopiazo), ‘uitputten’: letterlijk ‘onder het oog slaan’, iemand een blauw oog geven; het beeld is dat de weduwe de rechter murw maakt.
6De Heer zei: „Luister wat de onrechtvaardige rechter zegt.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
Ἀκούσατε
(Akousate)
luister
τί
(ti)
wat
ὁ
(ho)
de
κριτὴς
(krites)
rechter
τῆς
(tes)
van het
ἀδικίας
(adikias)
onrecht
λέγει
(legei)
zegt
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: zie 7:13. ὁ κριτὴς τῆς ἀδικίας (ho krites tes adikias): letterlijk ‘de rechter van het onrecht’; wij schrijven ‘de onrechtvaardige rechter’, zoals ‘de onrechtvaardige beheerder’ in 16:8.
7En Elohim, zal Hij dan niet beslist recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, en heeft Hij geduld met hen?
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
θεὸς
(theos)
Elohim
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
ποιήσῃ
(poiese)
zal doen
τὴν
(ten)
het
ἐκδίκησιν
(ekdikesin)
recht
τῶν
(ton)
van de
ἐκλεκτῶν
(eklekton)
uitverkorenen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τῶν
(ton)
die
βοώντων
(boonton)
roepen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
ἡμέρας
(hemeras)
dag
καὶ
(kai)
en
νυκτός
(nyktos)
nacht
καὶ
(kai)
en
μακροθυμεῖ
(makrothymei)
heeft geduld
ἐπ’
(ep’)
met
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkorene’: zoals in Matt. 24:22. οὐ μὴ ποιήσῃ (ou me poiese): een sterke ontkenning in een vraag; de vraag verwacht ‘ja, Hij zal dat zeker doen’.
καὶ μακροθυμεῖ ἐπ’ αὐτοῖς (kai makrothymei ep’ autois) is moeilijk te vertalen: ‘en heeft Hij geduld met hen’ (zo wij), of ‘en laat Hij hen wachten’.
8Ik zeg jullie: Hij zal hun recht doen, en wel spoedig. Maar zal de Mensenzoon, wanneer Hij komt, dan het geloof op de aarde vinden?”
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ποιήσει
(poiesei)
Hij zal doen
τὴν
(ten)
het
ἐκδίκησιν
(ekdikesin)
recht
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐν
(en)
in
τάχει
(tachei)
snelheid
πλὴν
(plen)
maar
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
ἐλθὼν
(elthon)
komend
ἆρα
(ara)
dan
εὑρήσει
(heuresei)
zal vinden
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
Bron: SBLGNT
De Farizeeër en de tollenaar
9Hij zei ook deze gelijkenis tegen enkelen die op zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren, en die de anderen verachtten:
Εἶπεν
(Eipen)
Hij zei
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
πρός
(pros)
tegen
τινας
(tinas)
enigen
τοὺς
(tous)
die
πεποιθότας
(pepoithotas)
vertrouwden
ἐφ’
(eph’)
op
ἑαυτοῖς
(heautois)
zichzelf
ὅτι
(hoti)
dat
εἰσὶν
(eisin)
zij zijn
δίκαιοι
(dikaioi)
rechtvaardig
καὶ
(kai)
en
ἐξουθενοῦντας
(exouthenountas)
verachtten
τοὺς
(tous)
de
λοιποὺς
(loipous)
anderen
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
ταύτην
(tauten)
deze
Bron: SBLGNT
10„Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden: de ene was een Farizeeër en de andere een tollenaar.
Ἄνθρωποι
(Anthropoi)
mensen
δύο
(dyo)
twee
ἀνέβησαν
(anebesan)
gingen op
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ἱερὸν
(hieron)
tempel
προσεύξασθαι
(proseuxasthai)
om te bidden
ὁ
(ho)
de
εἷς
(heis)
ene
Φαρισαῖος
(Pharisaios)
Farizeeër
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἕτερος
(heteros)
andere
τελώνης
(telones)
tollenaar
Bron: SBLGNT
Uitleg
τελώνης (telones), ‘tollenaar’: iemand die belasting inde voor de Romeinse bezetter; hij gold bij velen als een zondaar.
11De Farizeeër ging staan en bad bij zichzelf: ‘Elohim, ik dank U dat ik niet ben zoals de overige mensen: roofzuchtigen, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar.
ὁ
(ho)
de
Φαρισαῖος
(Pharisaios)
Farizeeër
σταθεὶς
(statheis)
staand
πρὸς
(pros)
bij
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ταῦτα
(tauta)
dit
προσηύχετο
(proseycheto)
bad
Ὁ
(Ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
εὐχαριστῶ
(eucharisto)
ik dank
σοι
(soi)
U
ὅτι
(hoti)
dat
οὐκ
(ouk)
niet
εἰμὶ
(eimi)
ik ben
ὥσπερ
(hosper)
zoals
οἱ
(hoi)
de
λοιποὶ
(loipoi)
overigen
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ἅρπαγες
(harpages)
roofzuchtigen
ἄδικοι
(adikoi)
onrechtvaardigen
μοιχοί
(moichoi)
overspelers
ἢ
(e)
of
καὶ
(kai)
ook
ὡς
(hos)
als
οὗτος
(houtos)
deze
ὁ
(ho)
de
τελώνης
(telones)
tollenaar
Bron: SBLGNT
Uitleg
πρὸς ἑαυτόν (pros heauton), ‘bij zichzelf’: hij bidt stil of apart; het kan ook gelezen worden als ‘tot zichzelf’. ἅρπαξ (harpax), ‘roofzuchtig’: zoals in Matt. 7:15.
13De tollenaar bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet opslaan naar de hemel. Maar hij sloeg op zijn borst en zei: ‘Elohim, wees mij, de zondaar, genadig.’
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
τελώνης
(telones)
tollenaar
μακρόθεν
(makrothen)
van ver
ἑστὼς
(hestos)
staand
οὐκ
(ouk)
niet
ἤθελεν
(ethelen)
wilde
οὐδὲ
(oude)
zelfs niet
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
ἐπᾶραι
(eparai)
opslaan
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
οὐρανόν
(ouranon)
hemel
ἀλλ’
(all’)
maar
ἔτυπτε
(etypte)
sloeg
τὸ
(to)
de
στῆθος
(stethos)
borst
αὐτοῦ
(autou)
zijn
λέγων
(legon)
zeggend
Ὁ
(Ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
ἱλάσθητί
(hilastheti)
wees genadig
μοι
(moi)
mij
τῷ
(to)
aan de
ἁμαρτωλῷ
(hamartolo)
zondaar
Bron: SBLGNT
Uitleg
Op de borst slaan is een teken van rouw en berouw. ἱλάσκομαι (hilaskomai), ‘genadig zijn’: het woord hoort bij de taal van verzoening en offer; wij schrijven ‘wees mij genadig’.
14Ik zeg jullie: deze ging rechtvaardig verklaard naar zijn huis, in plaats van die ander. Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
κατέβη
(katebe)
ging naar beneden
οὗτος
(houtos)
deze
δεδικαιωμένος
(dedikaiomenos)
rechtvaardig verklaard
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
παρ’
(par’)
in plaats van
ἐκεῖνον
(ekeinon)
die ander
ὅτι
(hoti)
want
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
die
ὑψῶν
(hypson)
verhoogt
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ταπεινωθήσεται
(tapeinothesetai)
zal vernederd worden
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
ταπεινῶν
(tapeinon)
vernedert
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ὑψωθήσεται
(hypsothesetai)
zal verhoogd worden
Bron: SBLGNT
Uitleg
δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: zie 16:15. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: het woord kan ook ‘verheffen’ betekenen; wij vertalen het overal ‘verhogen’, zoals in Joh. 3:14 en 12:32. ταπεινόω (tapeinoo), ‘vernederen’.
παρ’ ἐκεῖνον (par’ ekeinon), ‘in plaats van die ander’: de Farizeeër ging niet rechtvaardig verklaard naar huis.
19Yeshua zei tegen hem: „Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed, behalve één: Elohim.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Τί
(Ti)
waarom
με
(me)
Mij
λέγεις
(legeis)
noem je
ἀγαθόν
(agathon)
goed
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἀγαθὸς
(agathos)
goed
εἰ
(ei)
indien
μὴ
(me)
niet
εἷς
(heis)
één
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
Bron: SBLGNT
20De geboden ken je: ‘Je zult geen overspel plegen. Je zult niet moorden. Je zult niet stelen. Je zult geen valse getuigenis afleggen. Eer je vader en je moeder.’”
τὰς
(tas)
de
ἐντολὰς
(entolas)
geboden
οἶδας
(oidas)
je kent
Μὴ
(Me)
niet
μοιχεύσῃς
(moicheuses)
overspel plegen
Μὴ
(Me)
niet
φονεύσῃς
(phoneuses)
moorden
Μὴ
(Me)
niet
κλέψῃς
(klepses)
stelen
Μὴ
(Me)
niet
ψευδομαρτυρήσῃς
(pseudomartyreses)
vals getuigen
Τίμα
(Tima)
eer
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
σου
(sou)
jouw
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
Bron: SBLGNT
Uitleg
De geboden staan in Exod. 20:12–16 (ook Deut. 5:16–20).
21Die zei: „Dit alles heb ik onderhouden van jongs af aan.”
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ταῦτα
(Tauta)
dit
πάντα
(panta)
alles
ἐφύλαξα
(ephylaxa)
ik heb onderhouden
ἐκ
(ek)
van
νεότητος
(neotetos)
jeugd
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
22Toen Yeshua dit hoorde, zei Hij tegen hem: „Nog één ding ontbreekt je. Verkoop alles wat je hebt en verdeel het onder de armen, en je zult een schat hebben in de hemelen. Kom dan, volg Mij.”
ἀκούσας
(akousas)
horend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἔτι
(Eti)
nog
ἕν
(hen)
één
σοι
(soi)
je
λείπει
(leipei)
ontbreekt
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
ἔχεις
(echeis)
je hebt
πώλησον
(poleson)
verkoop
καὶ
(kai)
en
διάδος
(diados)
verdeel
πτωχοῖς
(ptochois)
aan armen
καὶ
(kai)
en
ἕξεις
(hexeis)
je zult hebben
θησαυρὸν
(thesauron)
schat
ἐν
(en)
in
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
καὶ
(kai)
en
δεῦρο
(deuro)
kom
ἀκολούθει
(akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg
διαδίδωμι (diadidomi), ‘verdelen’: uitdelen onder velen.
23Toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd. Want hij was zeer rijk.
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
ἀκούσας
(akousas)
horend
ταῦτα
(tauta)
dit
περίλυπος
(perilypos)
diep bedroefd
ἐγενήθη
(egenethe)
werd
ἦν
(en)
hij was
γὰρ
(gar)
want
πλούσιος
(plousios)
rijk
σφόδρα
(sphodra)
zeer
Bron: SBLGNT
Uitleg
περίλυπος (perilypos), ‘diep bedroefd’: zoals in Matt. 26:38.
29Hij zei tegen hen: „Voorwaar, Ik zeg jullie: er is niemand die huis, of vrouw, of broers, of ouders, of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van Elohim,
30die niet veelvoudig zal ontvangen in deze tijd, en in de komende eeuw eeuwig leven.”
ὃς
(hos)
die
οὐχὶ
(ouchi)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
ἀπολάβῃ
(apolabe)
ontvangt
πολλαπλασίονα
(pollaplasiona)
veelvoudig
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
καιρῷ
(kairo)
tijd
τούτῳ
(touto)
deze
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
αἰῶνι
(aioni)
eeuw
τῷ
(to)
de
ἐρχομένῳ
(erchomeno)
komende
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
Bron: SBLGNT
Uitleg
οὐχὶ μή (ouchi me), ‘niet … zeker niet’: een sterke ontkenning; de zin zegt dat niemand die dit alles heeft achtergelaten, zonder veelvoud zal blijven. αἰών (aion), ‘eeuw’: een lang tijdperk; ‘de komende eeuw’ staat tegenover ‘deze tijd’ (καιρός, kairos).
Yeshua kondigt Zijn dood aan
31Hij nam de twaalf bij Zich en zei tegen hen: „Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. En alles wat door de profeten is geschreven, zal aan de Mensenzoon voltooid worden.
Παραλαβὼν
(Paralabon)
nemend bij zich
δὲ
(de)
maar
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἀναβαίνομεν
(anabainomen)
wij gaan op
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
τελεσθήσεται
(telesthesetai)
zal voltooid worden
πάντα
(panta)
alles
τὰ
(ta)
wat
γεγραμμένα
(gegrammena)
geschreven is
διὰ
(dia)
door
τῶν
(ton)
de
προφητῶν
(propheton)
profeten
τῷ
(to)
aan de
υἱῷ
(huio)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
τῷ υἱῷ τοῦ ἀνθρώπου (to huio tou anthropou), ‘aan de Mensenzoon’: een datief; het kan ook ‘met betrekking tot de Mensenzoon’ betekenen. τελέω (teleo), ‘voltooien’.