Elohim Bijbel

Job 20

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Zofar spreekt voor de tweede keer

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zofar: het geluk van de goddeloze is kort

1Zofar uit Naäma nam het woord en zei:
וַ֭יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
צֹפַ֥ר
(tsofar)
Zofar
הַנַּֽעֲמָתִ֗י
(hanaamati)
de Naämatiet
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zofar komt uit Naäma, waarvan de ligging onbekend is (zie 2:11).

Uitleg

Zofar reageert persoonlijk gekwetst op Jobs hoofdstuk 19.

Zijn betoog is een klassieke uiteenzetting van de leer van vergelding: het geluk van de goddeloze is kort, en zijn rijkdom wordt hem ontnomen.

2„Daarom geven mijn gedachten mij een antwoord, en vanwege mijn opwinding in mij.
לָ֭כֵן
(lakhen)
daarom
שְׂעִפַּ֣י
(seipay)
mijn gedachten
יְשִׁיב֑וּנִי
(yeshivuni)
geven mij antwoord
וּ֝בַעֲב֗וּר
(uvaavur)
en vanwege
ח֣וּשִׁי
(chushi)
mijn haast
בִֽי
(bi)
in mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Een berisping die mij beschaamt, hoor ik. Maar een geest uit mijn inzicht antwoordt mij.
מוּסַ֣ר
(musar)
berisping van
כְּלִמָּתִ֣י
(kelimati)
mijn schande
אֶשְׁמָ֑ע
(eshma)
hoor ik
וְ֝ר֗וּחַ
(veruach)
en een geest
מִֽבִּינָתִ֥י
(mibinati)
uit mijn inzicht
יַעֲנֵֽנִי
(yaaneni)
antwoordt mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Weet je dit niet van oudsher, sinds de mens op aarde is gezet,
הֲזֹ֣את
(hazot)
dit
יָ֭דַעְתָּ
(yadata)
weet je
מִנִּי
(mini)
van
עַ֑ד
(ad)
oudsher
מִנִּ֤י
(mini)
sinds
שִׂ֖ים
(sim)
geplaatst werd
אָדָ֣ם
(adam)
de mens
עֲלֵי
(alei)
op
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5dat het gejuich van de goddelozen kort is en de vreugde van de goddeloze maar een ogenblik?
כִּ֤י
(ki)
dat
רִנְנַ֣ת
(rinnat)
het gejuich van
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
מִקָּר֑וֹב
(miqarov)
van kortbij
וְשִׂמְחַ֖ת
(vesimchat)
en de vreugde van
חָנֵ֣ף
(chanef)
de goddeloze
עֲדֵי
(adei)
tot
רָֽגַע
(raga)
een moment
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Al stijgt zijn hoogte tot de hemel en raakt zijn hoofd de wolken,
אִם
(im)
indien
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
stijgt
לַשָּׁמַ֣יִם
(lashamayim)
tot de hemel
שִׂיא֑וֹ
(sio)
zijn hoogte
וְ֝רֹאשׁ֗וֹ
(verosho)
en zijn hoofd
לָעָ֥ב
(laav)
aan de wolk
יַגִּֽיעַ
(yagia)
raakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7als zijn eigen drek vergaat hij voorgoed. Wie hem zagen, zeggen: ‘Waar is hij?’
כְּֽ֭גֶלֲלוֹ
(kegelalo)
als zijn drek
לָנֶ֣צַח
(lanetsach)
voor altijd
יֹאבֵ֑ד
(yoved)
vergaat hij
רֹ֝אָ֗יו
(roav)
die hem zagen
יֹאמְר֥וּ
(yomru)
zeggen
אַיּֽוֹ
(ayo)
waar is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֶּלֶל (gelel), ‘drek, mest’, is een bijzonder krachtig woord: de goddeloze verdwijnt als mest die wordt weggespoeld.

8Als een droom vliegt hij weg en ze vinden hem niet. Hij wordt verjaagd als een nachtelijk visioen.
כַּחֲל֣וֹם
(kachalom)
als een droom
יָ֭עוּף
(yauf)
vliegt hij weg
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִמְצָא֑וּהוּ
(yimtsauhu)
vinden ze hem
וְ֝יֻדַּ֗ד
(veyudad)
en hij wordt verjaagd
כְּחֶזְי֥וֹן
(kechezyon)
als een visioen van
לָֽיְלָה
(layela)
de nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Het oog dat hem zag, ziet hem niet meer, en zijn plaats ziet hem niet meer.
עַ֣יִן
(ayin)
oog
שְׁ֭זָפַתּוּ
(shezafatu)
dat hem zag
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תוֹסִ֑יף
(tosif)
meer
וְלֹא
(velo)
en niet
ע֝֗וֹד
(od)
meer
תְּשׁוּרֶ֥נּוּ
(teshurenu)
zal hem aanschouwen
מְקוֹמֽוֹ
(meqomo)
zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Zijn zonen moeten de armen gunstig stemmen, en zijn eigen handen geven zijn rijkdom terug.
בָּ֭נָיו
(banav)
zijn zonen
יְרַצּ֣וּ
(yeratsu)
moeten gunstig stemmen
דַלִּ֑ים
(dalim)
armen
וְ֝יָדָ֗יו
(veyadav)
en zijn handen
תָּשֵׁ֥בְנָה
(tashevena)
geven terug
אוֹנֽוֹ
(ono)
zijn rijkdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zijn beenderen zijn vol jeugdkracht, maar die ligt met hem in het stof.
עַ֭צְמוֹתָיו
(atsmotav)
zijn beenderen
מָלְא֣וּ
(maleu)
zijn vol van
עֲלוּמָ֑יו
(alumav)
zijn jeugd
וְ֝עִמּ֗וֹ
(veimo)
en met hem
עַל
(al)
in
עָפָ֥ר
(afar)
stof
תִּשְׁכָּֽב
(tishkav)
ligt het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

עֲלוּמָיו (alumav), ‘zijn jeugd’ of ‘verborgen zonden’: het woord kan van עלום (‘verborgen’) komen.

Sommige uitleggers lezen: ‘Zijn beenderen zijn vol van zijn verborgen zonden’.

Wij kiezen ‘jeugdkracht’, de gewone betekenis.

Het kwaad is zoet, maar wordt gif

12Als het kwaad zoet is in zijn mond en hij het onder zijn tong verbergt,
אִם
(im)
indien
תַּמְתִּ֣יק
(tamtiq)
zoet is
בְּפִ֣יו
(befiv)
in zijn mond
רָעָ֑ה
(raa)
kwaad
יַ֝כְחִידֶ֗נָּה
(yakhchidena)
hij verbergt het
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
לְשׁוֹנֽוֹ
(leshono)
zijn tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 12–16: het kwaad smaakt eerst zoet, maar wordt gif in de maag.

Een beeld van de goddeloze die roof en onrecht als voedsel inslikt.

13als hij het spaart en niet loslaat en het in zijn gehemelte houdt,
יַחְמֹ֣ל
(yachmol)
hij spaart
עָ֭לֶיהָ
(aleiha)
het
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַֽעַזְבֶ֑נָּה
(yaazvena)
laat het los
וְ֝יִמְנָעֶ֗נָּה
(veyimnaena)
en houdt het vast
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
חִכּֽוֹ
(chiko)
zijn gehemelte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14dan verandert zijn voedsel in zijn ingewanden en wordt het slangengif in zijn binnenste.
לַ֭חְמוֹ
(lachmo)
zijn brood
בְּמֵעָ֣יו
(bemeav)
in zijn ingewanden
נֶהְפָּ֑ךְ
(nehpakh)
verandert
מְרוֹרַ֖ת
(merorat)
gal van
פְּתָנִ֣ים
(petanim)
slangen
בְּקִרְבּֽוֹ
(beqirbo)
in zijn binnenste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Rijkdom heeft hij verslonden en spuugt hij uit. El drijft het uit zijn buik.
חַ֣יִל
(chayil)
rijkdom
בָּ֭לַע
(bala)
verslond hij
וַיְקִאֶ֑נּוּ
(vayqienu)
en hij spuugt het uit
מִ֝בִּטְנ֗וֹ
(mibitno)
uit zijn buik
יוֹרִשֶׁ֥נּוּ
(yorishenu)
drijft het uit
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Slangengif zuigt hij op. De tong van een adder doodt hem.
רֹאשׁ
(rosh)
gif van
פְּתָנִ֥ים
(petanim)
slangen
יִינָ֑ק
(yinaq)
zuigt hij
תַּֽ֝הַרְגֵ֗הוּ
(tahargehu)
doodt hem
לְשׁ֣וֹן
(leshon)
tong van
אֶפְעֶֽה
(efe)
een adder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij zal de stromen niet aanschouwen, de rivieren, de beken van honing en room.
אַל
(al)
niet
יֵ֥רֶא
(yere)
moge hij zien
בִפְלַגּ֑וֹת
(biflagot)
de stromen van
נַהֲרֵ֥י
(naharei)
rivieren van
נַ֝חֲלֵ֗י
(nachalei)
beken van
דְּבַ֣שׁ
(devash)
honing
וְחֶמְאָֽה
(vechema)
en room
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Beken van honing en room zijn een beeld van overvloed, zoals het land ‘overvloeiend van melk en honing’ (Ex. 3:8).

De goddeloze krijgt er geen deel aan.

18Hij moet zijn winst teruggeven en mag niet slikken. Naar de waarde van zijn ruil geniet hij niet.
מֵשִׁ֣יב
(meshiv)
hij geeft terug
יָ֭גָע
(yaga)
zijn arbeid
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִבְלָ֑ע
(yivla)
slikt hij
כְּחֵ֥יל
(kecheil)
naar de rijkdom van
תְּ֝מוּרָת֗וֹ
(temurato)
zijn ruil
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַעֲלֹֽס
(yaalos)
geniet hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Want hij heeft de armen vermorzeld en verlaten, een huis geroofd dat hij niet heeft gebouwd.
כִּֽי
(ki)
want
רִ֭צַּץ
(ritsats)
hij vermorzelde
עָזַ֣ב
(azav)
verliet
דַּלִּ֑ים
(dalim)
armen
בַּ֥יִת
(bayit)
een huis
גָּ֝זַ֗ל
(gazal)
roofde hij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִבֶנֵֽהוּ
(yivenehu)
heeft hij het gebouwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Want hij kende geen rust in zijn binnenste. Van zijn kostbaarheden redt hij niets.
כִּ֤י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֣ע
(yada)
kende hij
שָׁלֵ֣ו
(shalev)
rust
בְּבִטְנ֑וֹ
(bevitno)
in zijn buik
בַּ֝חֲמוּד֗וֹ
(bachamudo)
van zijn kostbaarheden
לֹ֣א
(lo)
niet
יְמַלֵּֽט
(yemalet)
redt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Niets ontsnapt aan zijn gulzigheid, daarom houdt zijn welvaart geen stand.
אֵין
(ein)
niet is er
שָׂרִ֥יד
(sarid)
overblijfsel
לְאָכְל֑וֹ
(leakhelo)
voor zijn vraatzucht
עַל
(al)
op
כֵּ֝֗ן
(ken)
grond daarvan
לֹא
(lo)
niet
יָחִ֥יל
(yachil)
houdt stand
טוּבֽוֹ
(tuvo)
zijn welvaart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Midden in zijn overvloed wordt het hem eng. De hand van elke ellendige komt over hem.
בִּמְלֹ֣אות
(bimlovt)
in de volheid van
שִׂ֭פְקוֹ
(sifqo)
zijn overvloed
יֵ֣צֶר
(yetser)
wordt het eng
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
כָּל
(kal)
elke
יַ֖ד
(yad)
hand van
עָמֵ֣ל
(amel)
de ellendige
תְּבוֹאֶֽנּוּ
(tevoenu)
komt over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het deel van de goddeloze

23Het zal zo zijn: om zijn buik te vullen zendt Hij Zijn brandende toorn tegen hem, en laat die als regen op hem vallen terwijl hij eet.
יְהִ֤י
(yehi)
het zal zijn
לְמַלֵּ֬א
(lemale)
om te vullen
בִטְנ֗וֹ
(bitno)
zijn buik
יְֽשַׁלַּח
(yeshalach)
zendt Hij
בּ֭וֹ
(bo)
tegen hem
חֲר֣וֹן
(charon)
gloed van
אַפּ֑וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְיַמְטֵ֥ר
(veyamter)
en laat regenen
עָ֝לֵ֗ימוֹ
(aleimo)
op hem
בִּלְחוּמֽוֹ
(bilchumo)
terwijl hij eet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בִּלְחוּמוֹ (bilchumo) is onzeker: ‘terwijl hij eet’ (van לחם, ‘brood, voedsel’), of ‘in zijn lichaam’.

Wij volgen de eerste lezing.

24Vlucht hij voor het ijzeren wapen, dan doorboort hem de koperen boog.
יִ֭בְרַח
(yivrach)
hij vlucht
מִנֵּ֣שֶׁק
(minesheq)
voor wapen van
בַּרְזֶ֑ל
(barzel)
ijzer
תַּ֝חְלְפֵ֗הוּ
(tachlefehu)
doorboort hem
קֶ֣שֶׁת
(qeshet)
een boog van
נְחוּשָֽׁה
(nechusha)
koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Hij trekt de pijl uit zijn rug, de glanzende punt uit zijn gal. Verschrikkingen komen over hem.
שָׁלַף֮
(shalaf)
hij trekt
וַיֵּצֵ֪א
(vayetse)
en het komt uit
מִגֵּ֫וָ֥ה
(migeva)
uit zijn rug
וּ֭בָרָק
(uvaraq)
en de glans
מִֽמְּרֹרָת֥וֹ
(mimerorato)
uit zijn gal
יַהֲלֹ֗ךְ
(yahalokh)
gaat
עָלָ֥יו
(alav)
over hem
אֵמִֽים
(emim)
verschrikkingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het beeld is dat van een pijl die in zijn rug wordt getroffen en door zijn gal heen komt.

De glans is die van de metalen punt.

26Alle duisternis is weggelegd voor zijn schatten. Een vuur dat niemand aanblaast, verteert hem. Wat in zijn tent overblijft, wordt weggevaagd.
כָּל
(kal)
alle
חֹשֶׁךְ֮
(choshekh)
duisternis
טָמ֪וּן
(tamun)
is verborgen
לִצְפּ֫וּנָ֥יו
(litspunav)
voor zijn schatten
תְּ֭אָכְלֵהוּ
(teakhelehu)
verteert hem
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
לֹֽא
(lo)
niet
נֻפָּ֑ח
(nupach)
aangeblazen
יֵ֖רַע
(yera)
het gaat slecht met
שָׂרִ֣יד
(sarid)
wat overblijft
בְּאָהֳלֽוֹ
(beaholo)
in zijn tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Een vuur dat niemand aanblaast’ is een bovennatuurlijk vuur: het oordeel van Elohim zelf, zoals bij Sodom (Gen. 19:24) en in Num. 16:35.

27De hemel onthult zijn schuld, en de aarde staat tegen hem op.
יְגַלּ֣וּ
(yegalu)
onthullen
שָׁמַ֣יִם
(shamayim)
hemel
עֲוֺנ֑וֹ
(avono)
zijn schuld
וְ֝אֶ֗רֶץ
(veerets)
en aarde
מִתְקוֹמָ֘מָ֥ה
(mitqomama)
staat op
לֽוֹ
(lo)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28De opbrengst van zijn huis wordt weggevoerd, het stroomt weg op de dag van Zijn toorn.
יִ֭גֶל
(yigel)
wordt weggevoerd
יְב֣וּל
(yevul)
opbrengst van
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
נִ֝גָּר֗וֹת
(nigarot)
stromen weg
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
אַפּֽוֹ
(apo)
Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Dit is het deel dat Elohim aan de goddeloze mens toewijst, en het erfdeel dat El hem heeft toegesproken.”
זֶ֤ה
(ze)
dit
חֵֽלֶק
(cheleq)
deel van
אָדָ֣ם
(adam)
een mens
רָ֭שָׁע
(rasha)
goddeloze
מֵאֱלֹהִ֑ים
(meElohim)
van Elohim
וְנַחֲלַ֖ת
(venachalat)
en erfdeel van
אִמְר֣וֹ
(imro)
Zijn uitspraak
מֵאֵֽל
(meel)
van El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zofar sluit af met de formule: dit is wat Elohim de goddeloze toedeelt.

Weer wordt Job dus indirect beschuldigd.

Het volgende hoofdstuk is Jobs antwoord.