Elohim Bijbel

Numeri 18

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De taak van de priesters en de Levieten en wat zij ontvangen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De verantwoordelijkheid van de priesters en de Levieten

1Yahweh zei tegen Aäron: „Jij, je zonen en je vaderhuis met je, jullie moeten de schuld van het heiligdom dragen. Jij en je zonen met je, jullie moeten de schuld van jullie priesterschap dragen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
אַתָּ֗ה
(ata)
jij
וּבָנֶ֤יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
וּבֵית
(uveit)
en het huis van
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
אִתָּ֔ךְ
(itakh)
met je
תִּשְׂא֖וּ
(tisu)
jullie zullen dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֣ן
(avon)
de schuld van
הַמִּקְדָּ֑שׁ
(hamiqdash)
het heiligdom
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
וּבָנֶ֣יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
אִתָּ֔ךְ
(itakh)
met je
תִּשְׂא֖וּ
(tisu)
jullie zullen dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֥ן
(avon)
de schuld van
כְּהֻנַּתְכֶֽם
(kehunatkhem)
jullie priesterschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא עָוֺן (nasa avon), ‘de schuld dragen’: de verantwoordelijkheid dragen voor fouten in en rond het heiligdom en het priesterschap.

Zie ook Num. 17:28.

2Laat ook je broers, de stam van Levi, de stam van je vader, met je naderen. Zij zullen zich bij je aansluiten en je dienen, terwijl jij en je zonen met je voor de tent van het getuigenis zijn.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
אַחֶיךָ֩
(acheikha)
je broers
מַטֵּ֨ה
(mate)
de stam van
לֵוִ֜י
(levi)
Levi
שֵׁ֤בֶט
(shevet)
de stam van
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
הַקְרֵ֣ב
(haqrev)
laat naderen
אִתָּ֔ךְ
(itakh)
met je
וְיִלָּו֥וּ
(veyilavu)
en zij zullen zich aansluiten
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
bij je
וִֽישָׁרְת֑וּךָ
(visharetukha)
en zij zullen je dienen
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
וּבָנֶ֣יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
אִתָּ֔ךְ
(itakh)
met je
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
הָעֵדֻֽת
(haedut)
het getuigenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְיִלָּווּ (veyillavu), ‘zij zullen zich aansluiten’: een woordspeling met de naam Levi (לֵוִי).

Het werkwoord staat ook in vers 4.

3Zij moeten jouw wacht houden en de wacht van heel de tent. Maar tot de voorwerpen van het heiligdom en tot het altaar mogen zij niet naderen, anders sterven zowel zij als jullie.
וְשָֽׁמְרוּ֙
(veshameru)
en zij zullen houden
מִֽשְׁמַרְתְּךָ֔
(mishmartekha)
jouw wacht
וּמִשְׁמֶ֖רֶת
(umishmeret)
en de wacht van
כָּל
(kal)
heel
הָאֹ֑הֶל
(haohel)
de tent
אַךְ֩
(akh)
maar
אֶל
(el)
tot
כְּלֵ֨י
(kelei)
de voorwerpen van
הַקֹּ֤דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
וְאֶל
(veel)
en tot
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
לֹ֣א
(lo)
niet
יִקְרָ֔בוּ
(yiqravu)
zij zullen naderen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָמֻ֥תוּ
(yamutu)
zij zullen sterven
גַם
(gam)
zowel
הֵ֖ם
(hem)
zij
גַּם
(gam)
als
אַתֶּֽם
(atem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: de taak om iets te bewaken.

Wij vertalen ‘de wacht houden’, zoals in Lev. 8:35.

Zie ook Num. 3:7–8.

4Zij moeten zich bij je aansluiten en de wacht van de tent van samenkomst houden voor heel de dienst van de tent. Een vreemde mag niet tot jullie naderen.
וְנִלְו֣וּ
(venilvu)
en zij zullen zich aansluiten
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
bij je
וְשָֽׁמְר֗וּ
(veshameru)
en zij zullen houden
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֨רֶת֙
(mishmeret)
de wacht van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor heel
עֲבֹדַ֣ת
(avodat)
de dienst van
הָאֹ֑הֶל
(haohel)
de tent
וְזָ֖ר
(vezar)
en een vreemde
לֹא
(lo)
niet
יִקְרַ֥ב
(yiqrav)
zal naderen
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
tot jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Jullie moeten de wacht van het heiligdom en de wacht van het altaar houden. Dan zal er geen toorn meer komen over de zonen van Israël.
וּשְׁמַרְתֶּ֗ם
(ushemartem)
en jullie zullen houden
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֣רֶת
(mishmeret)
de wacht van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁמֶ֣רֶת
(mishmeret)
de wacht van
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
ע֛וֹד
(od)
meer
קֶ֖צֶף
(qetsef)
toorn
עַל
(al)
over
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zie, Ik zelf heb jullie broers, de Levieten, uit het midden van de zonen van Israël genomen. Zij zijn voor jullie een geschenk, aan Yahweh gegeven om de dienst van de tent van samenkomst te doen.
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en Ik
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
לָקַ֨חְתִּי֙
(laqachti)
heb genomen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחֵיכֶ֣ם
(acheikhem)
jullie broers
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
מִתּ֖וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לָכֶ֞ם
(lakhem)
voor jullie
מַתָּנָ֤ה
(matana)
een geschenk
נְתֻנִים֙
(netunim)
gegeven
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לַעֲבֹ֕ד
(laavod)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבֹדַ֖ת
(avodat)
de dienst van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Levieten zijn Yahweh gegeven in plaats van de eerstgeborenen van Israël (Num. 3:11–13; 8:16–19) en zij zijn nu een geschenk aan de priesters.

7Jij en je zonen met je moeten waken over jullie priesterschap, in alles wat het altaar betreft en wat binnen de voorhang is. Jullie moeten de dienst doen. Het priesterschap geef Ik jullie als een geschenk. De vreemde die nadert, moet gedood worden.”
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
וּבָנֶ֣יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
אִ֠תְּךָ
(itekha)
met je
תִּשְׁמְר֨וּ
(tishmeru)
jullie zullen waarnemen
אֶת
(et)
(obj.)
כְּהֻנַּתְכֶ֜ם
(kehunatkhem)
jullie priesterschap
לְכָל
(lekhal)
voor alles
דְּבַ֧ר
(devar)
wat betreft
הַמִּזְבֵּ֛חַ
(hamizbeach)
het altaar
וּלְמִבֵּ֥ית
(ulemibeit)
en wat binnen
לַפָּרֹ֖כֶת
(laparokhet)
de voorhang
וַעֲבַדְתֶּ֑ם
(vaavadtem)
en jullie zullen dienen
עֲבֹדַ֣ת
(avodat)
de dienst van
מַתָּנָ֗ה
(matana)
een geschenk
אֶתֵּן֙
(eten)
Ik geef
אֶת
(et)
(obj.)
כְּהֻנַּתְכֶ֔ם
(kehunatkhem)
jullie priesterschap
וְהַזָּ֥ר
(vehazar)
en de vreemde
הַקָּרֵ֖ב
(haqarev)
die nadert
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִבֵּית לַפָּרֹכֶת (mibbet laparokhet), ‘wat binnen de voorhang is’: het heilige der heiligen, achter de voorhang.

Alleen de priesters doen daar dienst.

Wat de priesters ontvangen

8Yahweh sprak tot Aäron: „Zie, Ik zelf heb jou de wacht over Mijn heffingen gegeven, bij alle heilige dingen van de zonen van Israël. Ik heb ze aan jou gegeven als zalfdeel en aan je zonen als eeuwig voorschrift.
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹן֒
(aharon)
Aäron
וַאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
נָתַ֣תִּֽי
(natati)
heb gegeven
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֖רֶת
(mishmeret)
de wacht over
תְּרוּמֹתָ֑י
(terumotay)
Mijn heffingen
לְכָל
(lekhal)
bij alle
קָדְשֵׁ֣י
(qadeshei)
heilige dingen van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
לְךָ֨
(lekha)
aan jou
נְתַתִּ֧ים
(netatim)
heb Ik ze gegeven
לְמָשְׁחָ֛ה
(lemashecha)
als zalfdeel
וּלְבָנֶ֖יךָ
(ulevaneikha)
en aan je zonen
לְחָק
(lechaq)
als voorschrift
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: wat men opheft en aan Yahweh geeft.

Bij offers vertalen wij hetzelfde woord met ‘heffing’ (Exod. 29:27–28).

De heilige dingen zijn alles wat de zonen van Israël aan Yahweh toewijden.

Lezing

מָשְׁחָה (moshchah), ‘zalfdeel’: een deel dat bij de zalving van de priesters hoort.

Het woord komt weinig voor en de betekenis is niet helemaal zeker.

9Dit zal van jou zijn van het hoogheilige dat niet in het vuur opgaat. Dat zijn: al hun offergaven, al hun graanoffers, al hun zondoffers en al hun schuldoffers. Die brengen zij Mij terug. Hoogheilig is het voor jou en voor je zonen.
זֶֽה
(ze)
dit
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
מִקֹּ֥דֶשׁ
(miqodesh)
van het heilige van
הַקֳּדָשִׁ֖ים
(haqodashim)
de hoogheilige dingen
מִן
(min)
van
הָאֵ֑שׁ
(haesh)
het vuur
כָּל
(kal)
al
קָ֠רְבָּנָם
(qarbanam)
hun offergave
לְֽכָל
(lekhal)
bij al
מִנְחָתָ֞ם
(minchatam)
hun graanoffer
וּלְכָל
(ulekhal)
en bij al
חַטָּאתָ֗ם
(chatatam)
hun zondoffer
וּלְכָל
(ulekhal)
en bij al
אֲשָׁמָם֙
(ashamam)
hun schuldoffer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָשִׁ֣יבוּ
(yashivu)
zij terugbrengen
לִ֔י
(li)
aan Mij
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
hoogheilig van
קָֽדָשִׁ֥ים
(qadashim)
hoogheilige dingen
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
ה֖וּא
(hu)
het is
וּלְבָנֶֽיךָ
(ulevaneikha)
en voor je zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer zijn hoogheilig; de priesters eten ervan (Lev. 6:9–11; 6:18–22; 7:6).

10Als hoogheilig moet je het eten. Elke man mag het eten. Heilig is het voor jou.
בְּקֹ֥דֶשׁ
(beqodesh)
als het hoogheilige van
הַקֳּדָשִׁ֖ים
(haqodashim)
de hoogheilige dingen
תֹּאכֲלֶ֑נּוּ
(tokhalenu)
je zult het eten
כָּל
(kal)
elke
זָכָר֙
(zakhar)
man
יֹאכַ֣ל
(yokhal)
zal eten
אֹת֔וֹ
(oto)
het
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Dit is ook voor jou: de heffing van hun gave, bij alle beweegoffers van de zonen van Israël. Ik heb ze aan jou gegeven, en aan je zonen en je dochters met je, als eeuwig voorschrift. Iedereen die rein is in je huis, mag het eten.
וְזֶה
(veze)
en dit
לְּךָ֞
(lekha)
voor jou
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
de heffing van
מַתָּנָ֗ם
(matanam)
hun gave
לְכָל
(lekhal)
bij alle
תְּנוּפֹת֮
(tenufot)
beweegofferen van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
לְךָ֣
(lekha)
aan jou
נְתַתִּ֗ים
(netatim)
heb Ik ze gegeven
וּלְבָנֶ֧יךָ
(ulevaneikha)
en aan je zonen
וְלִבְנֹתֶ֛יךָ
(velivnoteikha)
en aan je dochters
אִתְּךָ֖
(itekha)
met je
לְחָק
(lechaq)
als voorschrift
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
כָּל
(kal)
iedereen
טָה֥וֹר
(tahor)
rein
בְּבֵיתְךָ֖
(beveitekha)
in je huis
יֹאכַ֥ל
(yokhal)
zal eten
אֹתֽוֹ
(oto)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De dochters van de priester mogen mee-eten zolang zij tot zijn huis horen (Lev. 22:12–13).

12Al het beste van de olie, al het beste van de most en van het koren. Het eerste ervan, dat zij aan Yahweh geven, heb Ik aan jou gegeven.
כֹּ֚ל
(kol)
al
חֵ֣לֶב
(chelev)
het beste van
יִצְהָ֔ר
(yitshar)
olie
וְכָל
(vekhal)
en al
חֵ֖לֶב
(chelev)
het beste van
תִּיר֣וֹשׁ
(tirosh)
most
וְדָגָ֑ן
(vedagan)
en koren
רֵאשִׁיתָ֛ם
(reshitam)
hun eerste
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יִתְּנ֥וּ
(yitenu)
zij geven
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לְךָ֥
(lekha)
aan jou
נְתַתִּֽים
(netatim)
heb Ik ze gegeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵלֶב (chelev), ‘het beste’: letterlijk ‘vet’, het beste deel.

תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’: druivensap dat nog niet gegist is.

רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: de eerste opbrengst.

13De eerstelingen van alles wat in hun land groeit en wat zij aan Yahweh brengen, zullen van jou zijn. Iedereen die rein is in je huis, mag ze eten.
בִּכּוּרֵ֞י
(bikurei)
de eerstelingen van
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
wat
בְּאַרְצָ֛ם
(beartsam)
in hun land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יָבִ֥יאוּ
(yaviu)
zij brengen
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לְךָ֣
(lekha)
voor jou
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
כָּל
(kal)
iedereen
טָה֥וֹר
(tahor)
rein
בְּבֵיתְךָ֖
(beveitekha)
in je huis
יֹאכֲלֶֽנּוּ
(yokhalenu)
zal ze eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’: de eerste rijpe vruchten van het land, zoals in Exod. 23:19.

14Alles wat in Israël gebannen is, zal van jou zijn.
כָּל
(kal)
alles
חֵ֥רֶם
(cherem)
gebannen
בְּיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat helemaal aan Yahweh is gewijd en niet meer teruggenomen kan worden (Lev. 27:28).

Het werkwoord staat in Exod. 22:19.

15Alles wat de moederschoot opent, bij alle vlees dat zij aan Yahweh brengen, bij mensen en bij dieren, zal van jou zijn. Alleen: de eerstgeborene van de mens moet je zeker lossen, en ook de eerstgeborene van het onreine dier moet je lossen.
כָּל
(kal)
alles
פֶּ֣טֶר
(peter)
wat opent
רֶ֠חֶם
(rechem)
de moederschoot
לְֽכָל
(lekhal)
bij alle
בָּשָׂ֞ר
(basar)
vlees
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יַקְרִ֧יבוּ
(yaqrivu)
zij brengen
לַֽיהוָ֛ה
(laYahweh)
aan Yahweh
בָּאָדָ֥ם
(baadam)
bij de mens
וּבַבְּהֵמָ֖ה
(uvabehema)
en bij het dier
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor jou
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
פָּדֹ֣ה
(pado)
zeker lossen
תִפְדֶּ֗ה
(tifde)
je zult lossen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
בְּכֽוֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
הַבְּהֵמָ֥ה
(habehema)
het dier
הַטְּמֵאָ֖ה
(hatemea)
het onreine
תִּפְדֶּֽה
(tifde)
je zult lossen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּטֶר רֶחֶם (peter rechem), ‘wat de moederschoot opent’: zie Exod. 13:12–13, waar ook staat dat de eerstgeborene van de mens gelost moet worden.

16Wat gelost moet worden, moet je lossen vanaf de leeftijd van een maand, volgens jouw schatting, voor 5 sikkel zilver. Dit is naar de sikkel van het heiligdom, die 20 gera is.
וּפְדוּיָו֙
(ufeduyav)
en wat gelost moet worden
מִבֶּן
(miben)
van een zoon van
חֹ֣דֶשׁ
(chodesh)
een maand
תִּפְדֶּ֔ה
(tifde)
je zult lossen
בְּעֶ֨רְכְּךָ֔
(beerkekha)
naar je schatting
כֶּ֛סֶף
(kesef)
zilver
חֲמֵ֥שֶׁת
(chameshet)
vijf
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkel
בְּשֶׁ֣קֶל
(besheqel)
naar de sikkel van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
גֵּרָ֖ה
(gera)
gera
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een sikkel is ongeveer 11,4 gram, dus 5 sikkel is ongeveer 57 gram zilver.

Een gera is ongeveer 0,57 gram.

Zie ook Num. 3:47.

17Alleen de eerstgeborene van een rund, van een schaap of van een geit moet je niet lossen. Zij zijn heilig. Hun bloed moet je sprenkelen op het altaar en hun vet moet je in rook laten opgaan, als vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
בְּֽכוֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
שׁ֡וֹר
(shor)
rund
אֽוֹ
(o)
of
בְכ֨וֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
כֶּ֜שֶׂב
(kesev)
schaap
אֽוֹ
(o)
of
בְכ֥וֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
עֵ֛ז
(ez)
geit
לֹ֥א
(lo)
niet
תִפְדֶּ֖ה
(tifde)
je zult lossen
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
heilig
הֵ֑ם
(hem)
zij zijn
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמָ֞ם
(damam)
hun bloed
תִּזְרֹ֤ק
(tizroq)
je zult sprenkelen
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֶלְבָּ֣ם
(chelbam)
hun vet
תַּקְטִ֔יר
(taqtir)
je zult in rook laten opgaan
אִשֶּׁ֛ה
(ishe)
vuuroffer
לְרֵ֥יחַ
(lereiach)
tot een geur van
נִיחֹ֖חַ
(nichoach)
aangenaamheid
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het bloed wordt op het altaar gesprenkeld en het vet gaat in rook op, zoals bij het vredeoffer (Lev. 3:2–5).

18Hun vlees zal van jou zijn, zoals de borst van het beweegoffer en de rechterdij van jou zijn.
וּבְשָׂרָ֖ם
(uvesaram)
en hun vlees
יִהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor jou
כַּחֲזֵ֧ה
(kachaze)
zoals de borst van
הַתְּנוּפָ֛ה
(hatenufa)
het beweegoffer
וּכְשׁ֥וֹק
(ukheshoq)
en zoals de dij van
הַיָּמִ֖ין
(hayamin)
de rechterkant
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Alle heffingen van de heilige dingen die de zonen van Israël voor Yahweh opheffen, heb Ik aan jou gegeven. Ook aan je zonen en aan je dochters met je heb Ik ze gegeven. Dat is een eeuwig voorschrift. Het is een eeuwig verbond van zout voor het aangezicht van Yahweh, voor jou en voor je nageslacht met je.”
כֹּ֣ל
(kol)
alle
תְּרוּמֹ֣ת
(terumot)
heffingen van
הַקֳּדָשִׁ֗ים
(haqodashim)
de heilige dingen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יָרִ֥ימוּ
(yarimu)
zij opheffen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
לַֽיהוָה֒
(laYahweh)
voor Yahweh
נָתַ֣תִּֽי
(natati)
heb Ik gegeven
לְךָ֗
(lekha)
aan jou
וּלְבָנֶ֧יךָ
(ulevaneikha)
en aan je zonen
וְלִבְנֹתֶ֛יךָ
(velivnoteikha)
en aan je dochters
אִתְּךָ֖
(itekha)
met je
לְחָק
(lechaq)
als voorschrift
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
בְּרִית֩
(berit)
verbond van
מֶ֨לַח
(melach)
zout
עוֹלָ֥ם
(olam)
eeuwig
הִוא֙
(hi)
het is
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
וּלְזַרְעֲךָ֥
(ulezarakha)
en voor je nageslacht
אִתָּֽךְ
(itakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרִית מֶלַח (berit melach), ‘verbond van zout’: zout bewaart en vergaat niet; het verbond blijft dus.

Zie ook Lev. 2:13 en 2 Kron. 13:5.

Wat de Levieten ontvangen

20Yahweh zei tegen Aäron: „In hun land zul je geen erfdeel hebben, en er zal geen deel voor je zijn in hun midden. Ik ben je deel en je erfdeel in het midden van de zonen van Israël.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
בְּאַרְצָם֙
(beartsam)
in hun land
לֹ֣א
(lo)
niet
תִנְחָ֔ל
(tinchal)
je zult erven
וְחֵ֕לֶק
(vecheleq)
en deel
לֹא
(lo)
niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
בְּתוֹכָ֑ם
(betokham)
in hun midden
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
חֶלְקְךָ֙
(chelqekha)
je deel
וְנַחֲלָ֣תְךָ֔
(venachalatekha)
en je erfdeel
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
in het midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dat Yahweh zelf het erfdeel van Levi is, staat ook in Joz. 13:14.

21Aan de zonen van Levi heb Ik, zie, de hele tiende in Israël als erfdeel gegeven, in ruil voor hun dienst. Dat is de dienst van de tent van samenkomst die zij doen.
וְלִבְנֵ֣י
(velivnei)
en aan de zonen van
לֵוִ֔י
(levi)
Levi
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
נָתַ֛תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
כָּל
(kal)
de hele
מַֽעֲשֵׂ֥ר
(maaser)
tiende
בְּיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
לְנַחֲלָ֑ה
(lenachala)
als erfdeel
חֵ֤לֶף
(chelef)
in ruil voor
עֲבֹֽדָתָם֙
(avodatam)
hun dienst
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵ֣ם
(hem)
zij
עֹֽבְדִ֔ים
(ovedim)
doen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבֹדַ֖ת
(avodat)
de dienst van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’: een tiende deel van de opbrengst van het land en het vee (Lev. 27:30–33).

22De zonen van Israël mogen niet meer naderen tot de tent van samenkomst. Zij zouden zonde dragen en sterven.
וְלֹא
(velo)
en niet
יִקְרְב֥וּ
(yiqrevu)
zullen naderen
ע֛וֹד
(od)
meer
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
לָשֵׂ֥את
(laset)
om te dragen
חֵ֖טְא
(chete)
zonde
לָמֽוּת
(lamut)
om te sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De Leviet doet zelf de dienst van de tent van samenkomst, en zij dragen hun eigen schuld. Dat is een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties. In het midden van de zonen van Israël zullen zij geen erfdeel erven.
וְעָבַ֨ד
(veavad)
en zal doen
הַלֵּוִ֜י
(halevi)
de Leviet
ה֗וּא
(hu)
hij
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבֹדַת֙
(avodat)
de dienst van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
יִשְׂא֣וּ
(yisu)
zullen dragen
עֲוֺנָ֑ם
(avonam)
hun schuld
חֻקַּ֤ת
(chuqat)
een voorschrift van
עוֹלָם֙
(olam)
eeuwigheid
לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
וּבְתוֹךְ֙
(uvetokh)
en in het midden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
יִנְחֲל֖וּ
(yinchalu)
zij zullen erven
נַחֲלָֽה
(nachala)
erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Levieten dragen zelf de gevolgen van fouten in hun dienst; zie ook vers 1.

24Want de tiende van de zonen van Israël, die zij als heffing voor Yahweh opheffen, heb Ik aan de Levieten als erfdeel gegeven. Daarom heb Ik over hen gezegd: in het midden van de zonen van Israël zullen zij geen erfdeel erven.”
כִּ֞י
(ki)
want
אֶת
(et)
(obj.)
מַעְשַׂ֣ר
(masar)
de tiende van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יָרִ֤ימוּ
(yarimu)
zij opheffen
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
תְּרוּמָ֔ה
(teruma)
als heffing
נָתַ֥תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
לַלְוִיִּ֖ם
(lalviyim)
aan de Levieten
לְנַחֲלָ֑ה
(lenachala)
als erfdeel
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
zo
אָמַ֣רְתִּי
(amarti)
Ik zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
over hen
בְּתוֹךְ֙
(betokh)
in het midden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
יִנְחֲל֖וּ
(yinchalu)
zij zullen erven
נַחֲלָֽה
(nachala)
erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De tiende van de tiende

25Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26„Spreek tot de Levieten en zeg tegen hen: Stel dat jullie van de zonen van Israël de tiende nemen. Die tiende heb Ik jullie van hen als erfdeel gegeven. Dan moeten jullie daarvan een heffing voor Yahweh opheffen. Dat is een tiende van de tiende.
וְאֶל
(veel)
en tot
הַלְוִיִּ֣ם
(halviyim)
de Levieten
תְּדַבֵּר֮
(tedaber)
zul je spreken
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵהֶם֒
(alehem)
tot hen
כִּֽי
(ki)
wanneer
תִ֠קְחוּ
(tiqchu)
jullie nemen
מֵאֵ֨ת
(meet)
van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמַּעֲשֵׂ֗ר
(hamaaser)
de tiende
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתַ֧תִּי
(natati)
Ik gaf
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
מֵאִתָּ֖ם
(meitam)
van hen
בְּנַחֲלַתְכֶ֑ם
(benachalatkhem)
als jullie erfdeel
וַהֲרֵמֹתֶ֤ם
(vaharemotem)
dan zullen jullie opheffen
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
daarvan
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
een heffing van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מַעֲשֵׂ֖ר
(maaser)
een tiende
מִן
(min)
van
הַֽמַּעֲשֵֽׂר
(hamaaser)
de tiende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Dan wordt jullie heffing voor jullie gerekend als koren van de dorsvloer en als de volheid van de wijnpers.
וְנֶחְשַׁ֥ב
(venechshav)
en het wordt gerekend
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
תְּרוּמַתְכֶ֑ם
(terumatkhem)
jullie heffing
כַּדָּגָן֙
(kadagan)
als het koren
מִן
(min)
van
הַגֹּ֔רֶן
(hagoren)
de dorsvloer
וְכַֽמְלֵאָ֖ה
(vekhamlea)
en als de volheid
מִן
(min)
van
הַיָּֽקֶב
(hayaqev)
de wijnpers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֶקֶב (yeqev), ‘wijnpers’: de kuip waarin het druivensap uit de pers loopt.

28Zo moeten ook jullie een heffing voor Yahweh opheffen van al jullie tienden die jullie van de zonen van Israël nemen. Daarvan moeten jullie de heffing van Yahweh geven aan Aäron, de priester.
כֵּ֣ן
(ken)
zo
תָּרִ֤ימוּ
(tarimu)
zullen opheffen
גַם
(gam)
ook
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
een heffing van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִכֹּל֙
(mikol)
van al
מַעְשְׂרֹ֣תֵיכֶ֔ם
(maseroteikhem)
jullie tienden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּקְח֔וּ
(tiqchu)
jullie nemen
מֵאֵ֖ת
(meet)
van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּנְתַתֶּ֤ם
(unetatem)
en jullie zullen geven
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
daarvan
אֶת
(et)
(obj.)
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
de heffing van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְאַהֲרֹ֖ן
(leaharon)
aan Aäron
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Van al jullie gaven moeten jullie de hele heffing van Yahweh opheffen: van het beste ervan, het heilige deel ervan.
מִכֹּל֙
(mikol)
van al
מַתְּנֹ֣תֵיכֶ֔ם
(matenoteikhem)
jullie gaven
תָּרִ֕ימוּ
(tarimu)
zullen jullie opheffen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
de hele
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
heffing van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִכָּל
(mikal)
van al
חֶלְבּ֔וֹ
(chelbo)
het beste ervan
אֶֽת
(et)
(obj.)
מִקְדְּשׁ֖וֹ
(miqdesho)
het heilige deel ervan
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
daarvan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְדְּשׁוֹ (miqdesho), ‘het heilige deel ervan’: het deel dat aan Yahweh gewijd wordt.

30Zeg tegen hen: Stel dat jullie het beste ervan daarvan opheffen. Dan wordt het de Levieten gerekend als opbrengst van de dorsvloer en als opbrengst van de wijnpers.
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
בַּהֲרִֽימְכֶ֤ם
(baharimekhem)
wanneer jullie opheffen
אֶת
(et)
(obj.)
חֶלְבּוֹ֙
(chelbo)
het beste ervan
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
daarvan
וְנֶחְשַׁב֙
(venechshav)
en het wordt gerekend
לַלְוִיִּ֔ם
(lalviyim)
aan de Levieten
כִּתְבוּאַ֥ת
(kitvuat)
als opbrengst van
גֹּ֖רֶן
(goren)
dorsvloer
וְכִתְבוּאַ֥ת
(vekhitvuat)
en als opbrengst van
יָֽקֶב
(yaqev)
wijnpers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Jullie mogen het overal eten, jullie en jullie huisgezin, want het is jullie loon in ruil voor jullie dienst in de tent van samenkomst.
וַאֲכַלְתֶּ֤ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
אֹתוֹ֙
(oto)
het
בְּכָל
(bekhal)
op elke
מָק֔וֹם
(maqom)
plaats
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
וּבֵֽיתְכֶ֑ם
(uveitekhem)
en je huisgezin
כִּֽי
(ki)
want
שָׂכָ֥ר
(sakhar)
loon
הוּא֙
(hu)
het is
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
חֵ֥לֶף
(chelef)
in ruil voor
עֲבֹֽדַתְכֶ֖ם
(avodatkhem)
jullie dienst
בְּאֹ֥הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Jullie nemen er geen zonde door op je als jullie het beste ervan daarvan opheffen. De heilige dingen van de zonen van Israël moeten jullie niet ontheiligen, zodat jullie niet sterven.”
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִשְׂא֤וּ
(tisu)
zullen jullie dragen
עָלָיו֙
(alav)
daarop
חֵ֔טְא
(chete)
zonde
בַּהֲרִֽימְכֶ֥ם
(baharimekhem)
wanneer jullie opheffen
אֶת
(et)
(obj.)
חֶלְבּ֖וֹ
(chelbo)
het beste ervan
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
daarvan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קָדְשֵׁ֧י
(qadeshei)
heilige dingen van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
תְחַלְּל֖וּ
(techalelu)
zullen jullie ontheiligen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תָמֽוּתוּ
(tamutu)
zullen jullie sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)