1 Petrus 5
Aan de ouderlingen en de jongeren; nederigheid en waakzaamheid; slot en groet
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aan de ouderlingen
πρεσβύτερος (presbyteros), ‘ouderling’: iemand met een leidende taak in de gemeente; zo vertalen wij het ook in Hand. 14:23, Hand. 20:17 en Jak. 5:14.
Het woord betekent letterlijk ‘oudere’.
De schrijver noemt zich συμπρεσβύτερος (sympresbyteros), ‘medeouderling’. μάρτυς (martys), ‘getuige’: iemand die zelf iets heeft gezien, of iemand die erover getuigt; het Grieks laat dat open. κοινωνός (koinonos), ‘deelgenoot’.
Vergelijk 2 Joh. 1 en 3 Joh. 1, waar ‘de oudere’ schrijft.
Bij ‘dus’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 14:23; Hand. 20:17; Jak. 5:14; 2 Joh. 1.
ποιμαίνω (poimaino), ‘hoeden’: als een herder weiden en leiden; ποίμνιον (poimnion), ‘kudde’. ἐπισκοπέω (episkopeo), ‘toezicht houden’: dezelfde stam als ἐπίσκοπος in 2:25 en Hand. 20:28. αἰσχροκερδῶς (aischrokerdos), ‘uit winstbejag’: uit schandelijke zucht naar winst. κατὰ θεόν (kata theon), ‘naar Elohim’: zoals Elohim het wil.
Bij ‘toezicht houdend’ en bij ‘naar Elohim’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 20:28; Joh. 21:16.
κατακυριεύω (katakyrieuo), ‘heersen over’: hetzelfde werkwoord als in Matt. 20:25, ‘de heersers overheersen’. κλῆρος (kleros), ‘toegewezen deel’: letterlijk ‘lot’, wat bij loting wordt toegekend.
Wat precies is toegewezen, zegt het Grieks niet; wij denken aan de gelovigen die aan de ouderlingen zijn toevertrouwd. τύπος (typos), ‘voorbeeld’.
Zie ook Matt. 20:25–26.
ἀρχιποίμην (archipoimen), ‘Opperherder’: een samenstelling van ‘herder’ en ‘eerste’; het woord staat in het Nieuwe Testament alleen hier. φανερόω (faneroo), ‘verschijnen’: zichtbaar worden, zoals in 1:20. ἀμαράντινος (amarantinos), ‘onverwelkelijk’: van een bloem die niet verwelkt; vergelijk ἀμάραντος in 1:4. στέφανος (stefanos), ‘kroon’: de krans van een winnaar.
Zie ook Joh. 10:11.
Aan de jongeren; nederigheid
νεώτερος (neoteros), ‘jongere’. ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderschikken’: zoals in 2:13. ἐγκομβόομαι (egkomboomai), ‘zich omgorden’: afgeleid van κόμβος (kombos), ‘knoop’.
Het citaat is Spr. 3:34, dat ook in Jak. 4:6 staat.
Ons Hebreeuws heeft daar: ‘Spotters bespot Hij zelf, maar aan de nederigen geeft Hij gunst.’
De Griekse tekst heeft: ‘Elohim verzet Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade’.
Elohim wordt in de derde persoon genoemd; het citaat staat dus zwart.
Bij ‘tegenover elkaar’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Spr. 3:34; Jak. 4:6.
ταπεινόω (tapeinoo), ‘vernederen’: zichzelf laag maken.
‘De krachtige hand van Elohim’ is een beeld voor Zijn macht. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’. ἐν καιρῷ (en kairo), ‘op het juiste moment’: letterlijk ‘op tijd’.
Zie ook Jak. 4:10.
μέριμνα (merimna), ‘bezorgdheid’; ἐπιρίπτω (epiripto), ‘werpen op’; vergelijk Ps. 55:23 (in de Nederlandse telling 55:22): ‘Werp je last op Yahweh, en Hij zal je ondersteunen.’ μέλει (melei), ‘het gaat Hem aan’: Hij geeft om jullie.
Zie ook Ps. 55:23; Matt. 6:25–34.
Waakzaamheid tegenover de duivel
νήφω (nepho), ‘nuchter zijn’: zoals in 1:13 en 4:7. ἀντίδικος (antidikos), ‘tegenstander’: in een rechtszaak de tegenpartij; vergelijk Matt. 5:25. διάβολος (diabolos), ‘duivel’: het woord kan ook ‘lasteraar’ betekenen.
Het beeld van de leeuw doet denken aan Ps. 22:14: ‘Zij sperren hun mond tegen mij open, als een leeuw die verscheurt en brult.’ καταπίνω (katapino), ‘verslinden’: letterlijk ‘doorslikken’.
Bij ‘wie’ (τινα) en bij ‘verslinden’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ps. 22:14; Jak. 4:7.
ἀνθίστημι (anthistemi), ‘weerstaan’: hetzelfde werkwoord als in Jak. 4:7. στερεός (stereos), ‘vast’. τῇ πίστει (te pistei), ‘in het geloof’: de datief kan ook ‘door het geloof’ betekenen. ἐπιτελέω (epiteleo), ‘voltrekken’: tot volbrenging komen. ἀδελφότης (adelfotes), ‘broederschap’: zie 2:17.
Bij ‘aan de’ (τῷ) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jak. 4:7.
καταρτίζω (katartizo), ‘toerusten’: in orde brengen, herstellen; hetzelfde werkwoord staat in Matt. 4:21 voor het herstellen van netten. στηρίζω (sterizo), ‘bevestigen’; σθενόω (sthenoo), ‘versterken’: een zeldzaam woord; θεμελιόω (themelioo), ‘grondvesten’: een fundament leggen.
Bij ‘de Messias’, ‘zal toerusten’ en ‘zal grondvesten’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Matt. 4:21.
De lofprijs is korter dan in 4:11; er staat geen ‘heerlijkheid’, alleen ‘de macht’. κράτος (kratos), ‘macht’.
Bij ‘Aan Hem’ en bij ‘van de eeuwen’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Slot en groet
Σιλουανός (Silouanos), ‘Silvanus’: de naam komt ook voor in 2 Kor. 1:19 en 1 Tess. 1:1; in Hand. 15:22 staat Silas.
‘Door Silvanus … heb ik geschreven’: dat kan betekenen dat Silvanus de brief schreef of dat hij de brief bracht; het Grieks zegt het niet. δι’ ὀλίγων (di oligon), ‘in weinig woorden’. παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’: ook ‘oproepen’, zoals in 2:11 en 5:1. ἐπιμαρτυρέω (epimartyreo), ‘getuigen’: erbij getuigen.
Bij ‘sta vast’ (στῆτε) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 15:22; 2 Kor. 1:19; 1 Tess. 1:1.
Βαβυλών (Babylon), ‘Babylon’: de tekst zegt niet welke plaats bedoeld wordt, de stad aan de Eufraat of een andere plaats; wij kiezen niet. συνεκλεκτή (syneklekte), ‘medeuitverkorene’: een vrouwelijke vorm zonder zelfstandig naamwoord.
Het kan een vrouw zijn of een gemeente (het Grieks woord ἐκκλησία is vrouwelijk); het Grieks zegt het niet.
‘Markus, mijn zoon’: letterlijk of in geestelijke zin; de tekst laat het open.
Vergelijk Hand. 12:12, Kol. 4:10 en 2 Tim. 4:11.
Zie ook Hand. 12:12; Kol. 4:10; 2 Tim. 4:11.
φίλημα ἀγάπης (filema agapes), ‘kus van liefde’: een groet bij het samenkomen, zoals in Rom. 16:16 en 1 Tess. 5:26 (‘heilige kus’). εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: vergelijk de Hebreeuwse groet shalom.
Bij ‘Messias’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 16:16; 1 Kor. 16:20; 1 Tess. 5:26.