Elohim Bijbel

2 Samuël 12

123456789101112131415161718192021222324

Natan en David, de geboorte van Salomo

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Natan vertelt David een gelijkenis

1Yahweh stuurde Natan naar David. Hij kwam bij hem en zei tegen hem: „Er waren twee mannen in één stad. De ene was rijk en de andere arm.
וַיִּשְׁלַ֧ח
(vayishlach)
en stuurde
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
נָתָ֖ן
(natan)
Natan
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
hem
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
אֲנָשִׁ֗ים
(anashim)
mannen
הָיוּ֙
(hayu)
waren
בְּעִ֣יר
(beir)
in stad
אֶחָ֔ת
(echat)
een
אֶחָ֥ד
(echad)
een
עָשִׁ֖יר
(ashir)
rijk
וְאֶחָ֥ד
(veechad)
en een
רָֽאשׁ
(rash)
arm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָאשׁ (ras), ‘arm’: iemand zonder bezit.

De gelijkenis is een verhaal dat Natan vertelt om David zijn eigen daad te laten oordelen.

Natan zegt hier niet wat Yahweh gesproken heeft; zijn woorden zijn gewone woorden van een mens en dus niet rood.

2De rijke had zeer veel kleinvee en runderen.
לְעָשִׁ֗יר
(leashir)
voor de rijke
הָיָ֛ה
(haya)
was
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָ֖ר
(uvaqar)
en runderen
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
veel
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3De arme had niets, behalve één klein ooilam dat hij had gekocht. Hij hield het in leven en het groeide op bij hem en zijn zonen. Het at van zijn brood, dronk uit zijn beker en lag in zijn schoot. Het was voor hem als een dochter.
וְלָרָ֣שׁ
(velarash)
en voor de arme
אֵֽין
(ein)
er is niet
כֹּ֗ל
(kol)
iets
כִּי֩
(ki)
behalve
אִם
(im)
alleen
כִּבְשָׂ֨ה
(kivsa)
ooilam
אַחַ֤ת
(achat)
een
קְטַנָּה֙
(qetana)
klein
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
קָנָ֔ה
(qana)
hij had gekocht
וַיְחַיֶּ֕הָ
(vaychayeha)
en hij hield in leven
וַתִּגְדַּ֥ל
(vatigdal)
en het groeide
עִמּ֛וֹ
(imo)
met hem
וְעִם
(veim)
en met
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
מִפִּתּ֨וֹ
(mipito)
van zijn stuk brood
תֹאכַ֜ל
(tokhal)
het at
וּמִכֹּס֤וֹ
(umikoso)
en uit zijn beker
תִשְׁתֶּה֙
(tishte)
het dronk
וּבְחֵיק֣וֹ
(uvecheiqo)
en in zijn schoot
תִשְׁכָּ֔ב
(tishkav)
het lag
וַתְּהִי
(vatehi)
en het was
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
כְּבַֽת
(kevat)
als een dochter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Er kwam een reiziger bij de rijke man. Die wilde niets nemen van zijn eigen kleinvee of runderen om klaar te maken voor de gast die bij hem gekomen was. Hij nam het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.”
וַיָּ֣בֹא
(vayavo)
en kwam
הֵלֶךְ֮
(helekh)
een reiziger
לְאִ֣ישׁ
(leish)
bij de man
הֶֽעָשִׁיר֒
(heashir)
de rijke
וַיַּחְמֹ֗ל
(vayachmol)
en hij spaarde
לָקַ֤חַת
(laqachat)
om te nemen
מִצֹּאנוֹ֙
(mitsono)
van zijn kleinvee
וּמִבְּקָר֔וֹ
(umibeqaro)
en van zijn runderen
לַעֲשׂ֕וֹת
(laasot)
om te bereiden
לָאֹרֵ֖חַ
(laoreach)
voor de gast
הַבָּא
(haba)
die kwam
ל֑וֹ
(lo)
bij hem
וַיִּקַּ֗ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
כִּבְשַׂת֙
(kivsat)
ooilam van
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הָרָ֔אשׁ
(harash)
de arme
וַֽיַּעֲשֶׂ֔הָ
(vayaaseha)
en hij bereidde
לָאִ֖ישׁ
(laish)
voor de man
הַבָּ֥א
(haba)
die kwam
אֵלָֽיו
(elav)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5David werd zeer woedend op die man. Hij zei tegen Natan: „Zo waar Yahweh leeft: de man die dit heeft gedaan, verdient de dood.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֥ף
(af)
toorn van
דָּוִ֛ד
(david)
David
בָּאִ֖ישׁ
(baish)
tegen de man
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
נָתָ֔ן
(natan)
Natan
חַי
(chay)
leeft
יְהוָ֕ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֣י
(ki)
dat
בֶן
(ben)
zoon van
מָ֔וֶת
(mavet)
dood
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
הָעֹשֶׂ֥ה
(haose)
die doet
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן־מָוֶת (ben-mavet), ‘verdient de dood’: letterlijk ‘een zoon van de dood’.

6Het ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit heeft gedaan en omdat hij geen medelijden had.”
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכִּבְשָׂ֖ה
(hakivsa)
het ooilam
יְשַׁלֵּ֣ם
(yeshalem)
hij zal vergoeden
אַרְבַּעְתָּ֑יִם
(arbatayim)
viervoudig
עֵ֗קֶב
(eqev)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשָׂה֙
(asa)
hij deed
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְעַ֖ל
(veal)
en omdat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
חָמָֽל
(chamal)
hij had medelijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David spreekt recht volgens de wet: voor een gestolen schaap moet viervoudig worden vergoed (Exod. 21:37).

„Jij bent die man”

7Natan zei tegen David: „Jij bent die man! Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Ik heb jou tot koning over Israël gezalfd. Ik heb jou gered uit de hand van Saul.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
נָתָ֛ן
(natan)
Natan
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֖ד
(david)
David
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אָנֹכִ֞י
(anokhi)
Ik
מְשַׁחְתִּ֤יךָֽ
(meshachtikha)
heb jou gezalfd
לְמֶ֨לֶךְ֙
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָנֹכִ֥י
(veanokhi)
en Ik
הִצַּלְתִּ֖יךָ
(hitsaltikha)
heb jou gered
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Natan citeert hier Yahweh, in vers 7–12.

Wat Natan als profeet zegt, houden wij zwart met enkele aanhalingstekens, zoals bij Lev. 10:3.

מְשַׁחְתִּיךָ (meshachtika), ‘Ik heb je gezalfd’: Samuël zalfde David op bevel van Yahweh (1 Sam. 16:13).

8Ik gaf je het huis van je heer en legde de vrouwen van je heer in je schoot. Ik gaf je het huis van Israël en Juda. En als dat te weinig was, zou Ik er zoveel en nog eens zoveel aan toevoegen.
וָאֶתְּנָ֨ה
(vaetena)
en Ik gaf
לְךָ֜
(lekha)
aan jou
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אֲדֹנֶ֗יךָ
(adoneikha)
je heer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נְשֵׁ֤י
(neshei)
vrouwen van
אֲדֹנֶ֨יךָ֙
(adoneikha)
je heer
בְּחֵיקֶ֔ךָ
(becheiqekha)
in je schoot
וָאֶתְּנָ֣ה
(vaetena)
en Ik gaf
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָ֑ה
(vihuda)
en Juda
וְאִ֨ם
(veim)
en als
מְעָ֔ט
(meat)
te weinig
וְאֹסִ֥פָה
(veosifa)
zou Ik toevoegen
לְּךָ֖
(lekha)
aan jou
כָּהֵ֥נָּה
(kahena)
zoveel
וְכָהֵֽנָּה
(vekhahena)
en zoveel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשֵׁי אֲדֹנֶיךָ (neshei adoneka), ‘de vrouwen van je heer’: de tekst zegt niet welke vrouwen.

Het gaat om de vrouwen die bij het huis van Saul hoorden.

9Waarom heb je het woord van Yahweh veracht, door te doen wat kwaad is in Mijn ogen? Uria, de Hethiet, heb je met het zwaard geslagen. Zijn vrouw heb je genomen als vrouw voor jezelf. Hem heb je gedood met het zwaard van de zonen van Ammon.
מַדּ֜וּעַ
(madua)
waarom
בָּזִ֣יתָ
(bazita)
heb je veracht
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַע֮
(hara)
het kwaad
בְּעֵינַי֒
(beeinay)
in Mijn ogen
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אוּרִיָּ֤ה
(uriya)
Uria
הַֽחִתִּי֙
(hachiti)
de Hethiet
הִכִּ֣יתָ
(hikita)
heb je geslagen
בַחֶ֔רֶב
(bacherev)
met het zwaard
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
לָקַ֥חְתָּ
(laqachta)
heb je genomen
לְּךָ֖
(lekha)
voor jou
לְאִשָּׁ֑ה
(leisha)
tot vrouw
וְאֹת֣וֹ
(veoto)
en hem
הָרַ֔גְתָּ
(haragta)
heb je gedood
בְּחֶ֖רֶב
(becherev)
met het zwaard van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

Davids brief maakte dat Uria door een vijandelijk zwaard stierf.

Natan zegt daarom dat David hem ‘met het zwaard van de zonen van Ammon’ doodde.

Lezing

De geschreven tekst heeft בְּעֵינָיו (be’einav), ‘in zijn ogen’.

De gelezen vorm is בְּעֵינַי (be’einai), ‘in Mijn ogen’.

Wij volgen de gelezen vorm, omdat Yahweh in de eerste persoon spreekt.

10Nu zal het zwaard voor altijd niet van je huis wijken. Want je hebt Mij veracht en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen om jouw vrouw te zijn.’
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
לֹא
(lo)
niet
תָס֥וּר
(tasur)
zal wijken
חֶ֛רֶב
(cherev)
zwaard
מִבֵּיתְךָ֖
(mibeitekha)
van je huis
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
עֵ֚קֶב
(eqev)
omdat
כִּ֣י
(ki)
dat
בְזִתָ֔נִי
(bezitani)
je Mij hebt veracht
וַתִּקַּ֗ח
(vatiqach)
en je nam
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֨שֶׁת֙
(eshet)
vrouw van
אוּרִיָּ֣ה
(uriya)
Uria
הַחִתִּ֔י
(hachiti)
de Hethiet
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zo zegt Yahweh: ‘Zie, Ik laat uit je eigen huis onheil tegen je opstaan. Ik neem je vrouwen voor je ogen weg en geef ze aan je naaste. Hij zal met je vrouwen slapen voor de ogen van deze zon.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Mij
מֵקִ֨ים
(meqim)
ik laat opstaan
עָלֶ֤יךָ
(aleikha)
tegen jou
רָעָה֙
(raa)
onheil
מִבֵּיתֶ֔ךָ
(mibeitekha)
uit je huis
וְלָקַחְתִּ֤י
(velaqachti)
en Ik zal nemen
אֶת
(et)
(obj.)
נָשֶׁ֨יךָ֙
(nasheikha)
je vrouwen
לְעֵינֶ֔יךָ
(leeineikha)
voor je ogen
וְנָתַתִּ֖י
(venatati)
en Ik zal geven
לְרֵעֶ֑יךָ
(lereeikha)
aan je naaste
וְשָׁכַב֙
(veshakhav)
en hij zal liggen
עִם
(im)
met
נָשֶׁ֔יךָ
(nasheikha)
je vrouwen
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
הַשֶּׁ֥מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het onheil uit zijn eigen huis wordt later zichtbaar in 2 Sam. 16:22.

12Want jij hebt het in het geheim gedaan, maar Ik zal dit doen voor heel Israël en voor de zon.’”
כִּ֥י
(ki)
want
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
hebt gedaan
בַסָּ֑תֶר
(basater)
in het geheim
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en Ik
אֶעֱשֶׂה֙
(eese)
zal doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
נֶ֥גֶד
(neged)
voor
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְנֶ֥גֶד
(veneged)
en voor
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Voor de ogen van de zon’ betekent: in het openbaar, overdag.

De zon is hier getuige.

David belijdt zijn zonde

13David zei tegen Natan: „Ik heb gezondigd tegen Yahweh.” Natan zei tegen David: „Ook Yahweh heeft je zonde weggenomen. Je zult niet sterven.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
נָתָ֔ן
(natan)
Natan
חָטָ֖אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
נָתָ֜ן
(natan)
Natan
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֗ד
(david)
David
גַּם
(gam)
ook
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
הֶעֱבִ֥יר
(heevir)
heeft weggenomen
חַטָּאתְךָ֖
(chatatkha)
je zonde
לֹ֥א
(lo)
niet
תָמֽוּת
(tamut)
zult sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶעֱבִיר (he’evir), ‘wegnemen’: letterlijk ‘laten voorbijgaan’.

Yahweh neemt de schuld weg.

De straf van de dood blijft David bespaard, maar de gevolgen volgen in vers 14.

Zie ook Psalm 51.

14Maar omdat je door deze daad de vijanden van Yahweh volop hebt laten lasteren, zal ook de zoon die je is geboren zeker sterven.”
אֶ֗פֶס
(efes)
maar
כִּֽי
(ki)
omdat
נִאֵ֤ץ
(niets)
zeker
נִאַ֨צְתָּ֙
(niatsta)
je hebt verguisd
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבֵ֣י
(oyevei)
vijanden van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּדָּבָ֖ר
(badavar)
door de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
גַּ֗ם
(gam)
ook
הַבֵּ֛ן
(haben)
de zoon
הַיִּלּ֥וֹד
(hayilod)
de geborene
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
מ֥וֹת
(mot)
zeker
יָמֽוּת
(yamut)
zal sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘je hebt de vijanden van Yahweh grondig verguisd’.

Het werkwoord נָאַץ (na’ats), ‘verguizen’, heeft elders Yahweh zelf als voorwerp (Num. 14:11).

Wij vertalen naar de betekenis: Davids daad geeft de vijanden van Yahweh volop reden om te lasteren.

Het kind wordt ziek en sterft

15Natan ging naar zijn huis. Yahweh trof het kind dat de vrouw van Uria voor David had gebaard, en het werd ernstig ziek.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
נָתָ֖ן
(natan)
Natan
אֶל
(el)
naar
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וַיִּגֹּ֣ף
(vayigof)
en trof
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֜לֶד
(hayeled)
het kind
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יָלְדָ֧ה
(yaleda)
baarde
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
אוּרִיָּ֛ה
(uriya)
Uria
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
aan David
וַיֵּאָנַֽשׁ
(vayeanash)
en het werd ziek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16David zocht Elohim voor de jongen. David vastte. Hij ging naar binnen en bleef daar de nacht, liggend op de grond.
וַיְבַקֵּ֥שׁ
(vayvaqesh)
en zocht
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
בְּעַ֣ד
(bead)
voor
הַנָּ֑עַר
(hanaar)
de jongen
וַיָּ֤צָם
(vayatsam)
en vastte
דָּוִד֙
(david)
David
צ֔וֹם
(tsom)
een vasten
וּבָ֥א
(uva)
en ging binnen
וְלָ֖ן
(velan)
en overnachtte
וְשָׁכַ֥ב
(veshakhav)
en lag
אָֽרְצָה
(aretsa)
op de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּקֵּשׁ (biqqesj), ‘zoeken’: hier: Elohim om hulp vragen.

David doet dat door te vasten.

17De oudsten van zijn huis stonden bij hem om hem van de grond op te richten. Maar hij wilde niet en at geen brood met hen.
וַיָּקֻ֜מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
זִקְנֵ֤י
(ziqnei)
oudsten van
בֵיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
עָלָ֔יו
(alav)
bij hem
לַהֲקִימ֖וֹ
(lahaqimo)
om hem op te richten
מִן
(min)
van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de grond
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אָבָ֔ה
(ava)
wilde
וְלֹֽא
(velo)
en niet
בָרָ֥א
(bara)
at
אִתָּ֖ם
(itam)
met hen
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Op de zevende dag stierf het kind. De dienaren van David waren bang om hem te vertellen dat het kind dood was. Want zij zeiden: „Zie, toen het kind nog leefde, spraken wij tegen hem en hij luisterde niet naar onze stem. Hoe kunnen wij tegen hem zeggen: ‘Het kind is dood’? Hij zou iets ergs doen.”
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֖י
(hashevii)
de zevende
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
הַיָּ֑לֶד
(hayaled)
het kind
וַיִּֽרְאוּ֩
(vayiru)
en waren bang
עַבְדֵ֨י
(avdei)
dienaren van
דָוִ֜ד
(david)
David
לְהַגִּ֥יד
(lehagid)
om te vertellen
ל֣וֹ
(lo)
hem
כִּי
(ki)
dat
מֵ֣ת
(met)
gestorven was
הַיֶּ֗לֶד
(hayeled)
het kind
כִּ֤י
(ki)
want
אָֽמְרוּ֙
(ameru)
zij zeiden
הִנֵּה֩
(hine)
zie
בִהְי֨וֹת
(bihyot)
toen was
הַיֶּ֜לֶד
(hayeled)
het kind
חַ֗י
(chay)
levend
דִּבַּ֤רְנוּ
(dibarnu)
spraken wij
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁמַ֣ע
(shama)
luisterde hij
בְּקוֹלֵ֔נוּ
(beqolenu)
naar onze stem
וְאֵ֨יךְ
(veeikh)
en hoe
נֹאמַ֥ר
(nomar)
zullen wij zeggen
אֵלָ֛יו
(elav)
tot hem
מֵ֥ת
(met)
gestorven is
הַיֶּ֖לֶד
(hayeled)
het kind
וְעָשָׂ֥ה
(veasa)
en hij zal doen
רָעָֽה
(raa)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookNum 20:15
19David zag dat zijn dienaren fluisterden. David begreep dat het kind dood was. Hij zei tegen zijn dienaren: „Is het kind gestorven?” Zij zeiden: „Hij is gestorven.”
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
דָּוִ֗ד
(david)
David
כִּ֤י
(ki)
dat
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
מִֽתְלַחֲשִׁ֔ים
(mitlachashim)
fluisterden
וַיָּ֥בֶן
(vayaven)
en begreep
דָּוִ֖ד
(david)
David
כִּ֣י
(ki)
dat
מֵ֣ת
(met)
gestorven was
הַיָּ֑לֶד
(hayaled)
het kind
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֧ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
עֲבָדָ֛יו
(avadav)
zijn dienaren
הֲמֵ֥ת
(hamet)
is gestorven
הַיֶּ֖לֶד
(hayeled)
het kind
וַיֹּ֥אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
מֵֽת
(met)
gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20David stond op van de grond. Hij waste zich, zalfde zich en trok andere kleren aan. Hij ging naar het huis van Yahweh en boog zich neer. Daarna ging hij naar zijn huis en vroeg om eten. Men zette hem brood voor en hij at.
וַיָּקָם֩
(vayaqam)
en stond op
דָּוִ֨ד
(david)
David
מֵהָאָ֜רֶץ
(mehaarets)
van de grond
וַיִּרְחַ֣ץ
(vayirchats)
en wiesch zich
וַיָּ֗סֶךְ
(vayasekh)
en zalfde zich
וַיְחַלֵּף֙
(vaychalef)
en verwisselde
שִׂמְלֹתָ֔יו
(simlotav)
zijn kleren
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en ging binnen
בֵית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשְׁתָּ֑חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וַיִּשְׁאַ֕ל
(vayishal)
en vroeg
וַיָּשִׂ֥ימוּ
(vayasimu)
en zij zetten
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
וַיֹּאכַֽל
(vayokhal)
en at
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het huis van Yahweh is hier de tent die David in Jeruzalem voor de ark had opgezet (2 Sam. 6:17).

Een tempel was er nog niet.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt alleen ‘en hij vroeg’.

Uit het vervolg blijkt dat hij om eten vroeg.

21Zijn dienaren zeiden tegen hem: „Wat is dit voor iets, wat u hebt gedaan? Toen het kind nog leefde, vastte en huilde u. Maar nu het kind dood is, staat u op en eet u brood.”
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
מָֽה
(ma)
wat
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשִׂ֑יתָה
(asita)
u hebt gedaan
בַּעֲב֞וּר
(baavur)
omwille van
הַיֶּ֤לֶד
(hayeled)
het kind
חַי֙
(chay)
levend
צַ֣מְתָּ
(tsamta)
u vastte
וַתֵּ֔בְךְּ
(vatevek)
en u huilde
וְכַֽאֲשֶׁר֙
(vekhaasher)
en toen
מֵ֣ת
(met)
gestorven was
הַיֶּ֔לֶד
(hayeled)
het kind
קַ֖מְתָּ
(qamta)
u stond op
וַתֹּ֥אכַל
(vatokhal)
en u at
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook1 Kor 2:15
22Hij zei: „Zolang het kind nog leefde, vastte ik en huilde ik. Want ik zei: ‘Wie weet? Misschien is Yahweh mij genadig en blijft het kind leven.’
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
בְּעוֹד֙
(beod)
zolang
הַיֶּ֣לֶד
(hayeled)
het kind
חַ֔י
(chay)
levend
צַ֖מְתִּי
(tsamti)
ik vastte
וָֽאֶבְכֶּ֑ה
(vaevke)
en ik huilde
כִּ֤י
(ki)
want
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
ik zei
מִ֣י
(mi)
wie
יוֹדֵ֔עַ
(yodea)
weet
וְחַנַּ֥נִי
(vechanani)
en zal genadig zijn aan mij
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְחַ֥י
(vechay)
en zal leven
הַיָּֽלֶד
(hayaled)
het kind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst heeft וְיחַנֵּנִי (vejechanneni), ‘en Hij zal mij genadig zijn’.

De gelezen vorm is וְחַנַּנִי (vechannani); de betekenis is gelijk.

23Maar nu is hij dood. Waarom zou ik nog vasten? Kan ik hem nog terugbrengen? Ik ga naar hem toe, maar hij komt niet naar mij terug.”
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
מֵ֗ת
(met)
is gestorven
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
זֶּה֙
(ze)
dit
אֲנִ֣י
(ani)
ik
צָ֔ם
(tsam)
vastend
הַאוּכַ֥ל
(haukhal)
kan ik
לַהֲשִׁיב֖וֹ
(lahashivo)
hem terug te brengen
ע֑וֹד
(od)
nog
אֲנִי֙
(ani)
ik
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
ga
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
לֹֽא
(lo)
niet
יָשׁ֥וּב
(yashuv)
zal terugkeren
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De geboorte van Salomo

24David troostte zijn vrouw Bat-Sjeba. Hij ging naar haar toe en lag met haar. Zij beviel van een zoon en gaf hem de naam Salomo. Yahweh hield van hem.
וַיְנַחֵ֣ם
(vaynachem)
en troostte
דָּוִ֗ד
(david)
David
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
בַּת
(bat)
Bat
שֶׁ֣בַע
(sheva)
Sjeba
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en ging
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
naar haar
וַיִּשְׁכַּ֣ב
(vayishkav)
en lag
עִמָּ֑הּ
(imah)
met haar
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en zij baarde
בֵּ֗ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֤א
(vatiqra)
en zij noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוֹ֙
(shemo)
zijn naam
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
וַיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אֲהֵבֽוֹ
(ahevo)
hield van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁלֹמֹה (Sjelomo), ‘Salomo’: afgeleid van שָׁלוֹם (sjalom), ‘vrede’.

Lezing

De geschreven tekst heeft ‘en hij noemde’.

De gelezen vorm is ‘en zij noemde’.

Wij volgen de gelezen vorm: Bat-Sjeba geeft de naam.

25Door de hand van Natan, de profeet, werd bericht gestuurd. Het kind kreeg de naam Jedidja, omwille van Yahweh.
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en hij stuurde
בְּיַד֙
(beyad)
door de hand van
נָתָ֣ן
(natan)
Natan
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יְדִ֣ידְיָ֑הּ
(yedideyah)
Jedidja
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְדִידְיָה (Jedidja), ‘beminde van Yah’.

Lezing

Het Hebreeuws zegt ‘en hij stuurde’ en ‘en hij noemde’, zonder onderwerp.

Wij vertalen onpersoonlijk, omdat niet vaststaat wie het is: David of Yahweh.

Rabba wordt ingenomen

26Joab streed tegen Rabba van de zonen van Ammon en nam de koningsstad in.
וַיִּלָּ֣חֶם
(vayilachem)
en streed
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
בְּרַבַּ֖ת
(berabat)
tegen Rabba van
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
וַיִּלְכֹּ֖ד
(vayilkod)
en nam in
אֶת
(et)
(obj.)
עִ֥יר
(ir)
stad van
הַמְּלוּכָֽה
(hamelukha)
het koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rabba is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.

Zie ook 2 Sam. 11:1.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

27Joab stuurde boden naar David en zei: „Ik heb tegen Rabba gestreden. Ik heb ook de waterstad ingenomen.
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en stuurde
יוֹאָ֛ב
(yoav)
Joab
מַלְאָכִ֖ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
נִלְחַ֣מְתִּי
(nilchamti)
ik heb gestreden
בְרַבָּ֔ה
(beraba)
tegen Rabba
גַּם
(gam)
ook
לָכַ֖דְתִּי
(lakhadti)
ik heb ingenomen
אֶת
(et)
(obj.)
עִ֥יר
(ir)
stad van
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.

Uitleg

עִיר הַמַּיִם (ir hammajim), ‘de waterstad’: waarschijnlijk het deel van de stad bij de watervoorziening.

Zeker is dat niet.

28Verzamel nu de rest van het volk, leg een kamp tegen de stad en neem haar in. Anders neem ik de stad zelf in en zal mijn naam over haar genoemd worden.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אֱסֹף֙
(esof)
verzamel
אֶת
(et)
(obj.)
יֶ֣תֶר
(yeter)
rest van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַחֲנֵ֥ה
(vachane)
en leg een kamp
עַל
(al)
tegen
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
וְלָכְדָ֑הּ
(velakhedah)
en neem haar in
פֶּן
(pen)
anders
אֶלְכֹּ֤ד
(elkod)
neem ik in
אֲנִי֙
(ani)
ik
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְנִקְרָ֥א
(veniqra)
en zal worden genoemd
שְׁמִ֖י
(shemi)
mijn naam
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
over haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJoh 7:18
29David verzamelde heel het volk en ging naar Rabba. Hij streed tegen de stad en nam haar in.
וַיֶּאֱסֹ֥ף
(vayeesof)
en verzamelde
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
רַבָּ֑תָה
(rabata)
naar Rabba
וַיִּלָּ֥חֶם
(vayilachem)
en streed
בָּ֖הּ
(bah)
tegen haar
וַֽיִּלְכְּדָֽהּ
(vayilkedah)
en nam haar in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.

30Hij nam de kroon van hun koning van zijn hoofd. Haar gewicht was een talent goud, met een kostbare steen. Zij kwam op het hoofd van David. Ook bracht hij heel veel buit uit de stad.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
עֲטֶֽרֶת
(ateret)
kroon van
מַלְכָּם֩
(malkam)
hun koning
מֵעַ֨ל
(meal)
van op
רֹאשׁ֜וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וּמִשְׁקָלָ֨הּ
(umishqalah)
en haar gewicht
כִּכַּ֤ר
(kikar)
talent
זָהָב֙
(zahav)
goud
וְאֶ֣בֶן
(veeven)
en steen
יְקָרָ֔ה
(yeqara)
kostbare
וַתְּהִ֖י
(vatehi)
en het kwam
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וּשְׁלַ֥ל
(ushelal)
en buit van
הָעִ֛יר
(hair)
de stad
הוֹצִ֖יא
(hotsi)
bracht hij uit
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
veel
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een talent (ככר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram.

מַלְכָּם (malkam), ‘hun koning’: de medeklinkers kunnen ook gelezen worden als Milkom, de god van de zonen van Ammon (1 Kon. 11:5). Wij vertalen ‘hun koning’.

31De mensen die in de stad waren, bracht hij naar buiten. Hij zette hen onder de zagen, onder ijzeren dorsleden en onder ijzeren bijlen. Ook liet hij hen door de steenoven gaan. Zo deed hij met alle steden van de zonen van Ammon. Daarna keerde David met heel het volk terug naar Jeruzalem.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֜הּ
(bah)
in haar
הוֹצִ֗יא
(hotsi)
bracht hij uit
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en hij zette
בַּ֠מְּגֵרָה
(bamegera)
onder zagen
וּבַחֲרִצֵ֨י
(uvacharitsei)
en onder dorsleden van
הַבַּרְזֶ֜ל
(habarzel)
het ijzer
וּֽבְמַגְזְרֹ֣ת
(uvemagzerot)
en onder bijlen van
הַבַּרְזֶ֗ל
(habarzel)
het ijzer
וְהֶעֱבִ֤יר
(veheevir)
en liet gaan
אוֹתָם֙
(otam)
hen
בַּמַּלְבֵּ֔ן
(bamalben)
door de steenoven
וְכֵ֣ן
(vekhen)
en zo
יַעֲשֶׂ֔ה
(yaase)
deed hij
לְכֹ֖ל
(lekhol)
aan alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
וַיָּ֧שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
דָּוִ֛ד
(david)
David
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushalaim)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֲרִצֵי הַבַּרְזֶל (charitsei habarzel), ‘ijzeren dorsleden’: zware sleden met ijzeren tanden of messen waarmee graan werd gedorst (Amos 1:3).

מַגְזְרוֹת (magzerot), ‘bijlen’: een zeldzaam woord voor snijgereedschap.

Lezing

De geschreven tekst heeft בַּמַּלְכֵּן (bammalkhen); de gelezen vorm is בַּמַּלְבֵּן (bammalben), ‘de steenoven’ of ‘steenbakkerij’.

De geschreven vorm zou ook de naam Molech kunnen verbergen.

Wij volgen de gelezen vorm.

Het Hebreeuws zegt niet of de mensen werden gemarteld of tot dwangarbeid werden gedwongen. Wij vertalen letterlijk: ‘onder’ de werktuigen. Zie ook 1 Kron. 20:3.