2 Timotheüs 3
Moeilijke tijden in de laatste dagen, tegenstanders van de waarheid, blijf in wat je geleerd hebt; de Schrift is door Elohim ingeblazen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Moeilijke tijden in de laatste dagen
ἔσχαται ἡμέραι (eschatai hemerai), ‘laatste dagen’: de tijd waarin de schrijver zich bevindt of die komt; het Grieks heeft een toekomstvorm, ‘zullen aanbreken’ (ἐνστήσονται, enstesontai). καιροὶ χαλεποί (kairoi chalepoi), ‘moeilijke tijden’: letterlijk ‘lastige, zware tijden’.
Zie ook 1 Tim. 4:1; Hand. 2:17.
Verzen 2–4 geven een lange rij van achttien eigenschappen. φίλαυτος (filautos), ‘zichzelf liefhebbend’; φιλάργυρος (filargyros), ‘geldlievend’; ἀλαζών (alazon), ‘opschepper’; ὑπερήφανος (hyperefanos), ‘hoogmoedig’; βλάσφημος (blasfemos), ‘lasterend’; ἀνόσιος (anosios), ‘onheilig’, zoals in 1 Tim. 1:9; het is de tegenstelling van ὅσιος (hosios), ‘toegewijd’, in Tit. 1:8 en 1 Tim. 2:8.
Zie ook Rom. 1:29–31.
ἄστοργος (astorgos), ‘zonder natuurlijke genegenheid’, zoals in Rom. 1:31. ἄσπονδος (aspondos), ‘onverzoenlijk’. διάβολος (diabolos) staat hier in het meervoud en zonder lidwoord: ‘lasteraars’, niet ‘de duivel’. ἀκρατής (akrates), ‘zonder zelfbeheersing’. ἀφιλάγαθος (afilagathos), ‘zonder liefde voor het goede’.
Zie ook Rom. 1:31; Tit. 2:3.
προδότης (prodotes), ‘verrader’. τετυφωμένος (tetyfomenos), ‘opgeblazen’: verblind door eigendunk. φιλήδονος (filedonos), ‘liefhebber van genot’; φιλόθεος (filotheos), ‘liefhebber van Elohim’.
Zie ook Luc. 6:16.
μόρφωσις (morfosis), ‘vorm’: de uiterlijke gedaante, de schijn; het is verwant met μορφή (morfe) in Fil. 2:6. εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’. ἀρνέομαι (arneomai), ‘verloochenen’; hetzelfde werkwoord als in 2:12. ἀποτρέπομαι (apotrepomai), ‘zich afkeren van’.
Tegenstanders van de waarheid
ἐνδύνω (endyno), ‘binnensluipen’. αἰχμαλωτίζω (aichmalotizo), ‘gevangennemen’, letterlijk ‘met de speer buitmaken’. γυναικάρια (gynaikaria), ‘vrouwtjes’: een verkleinwoord, kan neerbuigend of medelijdend klinken.
De tekst zegt niet wie de ‘vrouwtjes’ zijn of in welke huizen dit gebeurt; wij vertalen wat er staat. σωρεύω (soreuo), ‘opstapelen’: hier ‘beladen met zonden’.
Bij het werkwoord αἰχμαλωτίζοντες (aichmalotizontes), ‘gevangennemend’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
ἐπίγνωσις ἀληθείας (epignosis aletheias), ‘volle kennis van de waarheid’, zoals in 2:25. μανθάνω (manthano), ‘leren’.
Zie ook 2 Tim. 2:25; 1 Tim. 2:4.
Jannes en Jambres (Ἰάννης, Ἰαμβρῆς) worden alleen hier genoemd.
Hun namen staan niet in Exodus; Exod. 7:11 noemt alleen ‘de wijzen en de tovenaars’ van de farao, en Exod. 7:22 de magiërs van Egypte.
Waar Paulus de namen vandaan heeft, zegt de tekst niet. ἀνθίστημι (anthistemi), ‘weerstaan’. κατεφθαρμένοι τὸν νοῦν (katefthartmenoi ton noun), ‘met een verdorven verstand’. ἀδόκιμος (adokimos), ‘afgekeurd’: de tegenstelling van δόκιμος, ‘beproefd’, in 2:15; wie de toets niet doorstaat.
Zie ook Exod. 7:11; Exod. 7:22; 2 Tim. 2:15.
Blijf in wat je geleerd hebt
παρακολουθέω (parakolutheo), ‘nauwkeurig volgen’: ook ‘onderzoeken, navolgen’. ἀγωγή (agoge), ‘levenswandel’: manier van leven. πρόθεσις (prothesis), ‘voornemen’. μακροθυμία (makrothymia), ‘geduld’. ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’.
De rij van zeven staat tegenover de rij van achttien in de verzen 2–4.
Bij het werkwoord παρηκολούθησας (parekolouthesas), ‘je hebt gevolgd’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 4:6.
Antiochië, Ikonium en Lystra: de plaatsen uit de eerste reis van Paulus in Hand. 13–14, waar Timoteüs later goed bekendstaat (Hand. 16:1–2).
Welk Antiochië bedoeld is, zegt de brief niet; Hand. 13:14 noemt Antiochië in Pisidië, een van de plaatsen van die reis. διωγμός (diogmos), ‘vervolging’. πάθημα (pathema), ‘lijden’. ὑποφέρω (hypofero), ‘doorstaan’. ῥύομαι (ryomai), ‘redden, bevrijden’.
‘De Heer’ (ὁ κύριος) is Yeshua of Elohim; wij schrijven ‘Heer’.
Zie ook Hand. 13:14, 13:50; Hand. 14:1–6, 14:19–20; Hand. 16:1–2; Ps. 34:20.
θέλω (thelo), ‘willen’. εὐσεβῶς ζῆν (eusebos zen), ‘vroom leven’. διώκω (dioko), ‘vervolgen’: zelfde stam als διωγμός in vers 11.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ζῆν εὐσεβῶς (zen eusebos), ‘vroom leven’ (de volgorde); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 14:22.
γόης (goes), ‘bedrieger’: iemand die anderen misleidt, ook wel een goochelaar of tovenaar. πλανάω (planao), ‘verleiden, op een dwaalspoor brengen’: eerst werkend, daarna lijdend (‘verleid wordend’). ἐπὶ τὸ χεῖρον (epi to cheiron), ‘tot het slechtere’.
μένω (meno), ‘blijven’. πιστόω (pistoo), ‘overtuigd worden’, van dezelfde stam als πίστις (pistis), ‘geloof’.
‘Van wie’: het Grieks heeft een meervoud (τίνων, tinon), ‘van welke personen’; wij vertalen ‘van wie’ en laten het aantal open.
Gedacht kan zijn aan Paulus, aan Lois en Eunice (1:5) en anderen.
Bij het woord τίνων (tinon), ‘van wie’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Tim. 1:5; 2 Tim. 2:2.
βρέφος (brefos), ‘zuigeling, klein kind’: ‘van kindsbeen af’. ἱερὰ γράμματα (hiera grammata), ‘heilige geschriften’: hier waarschijnlijk de Schriften van Israël; in vers 16 staat γραφή (grafe), ‘Schrift’. σοφίζω (sofizo), ‘wijs maken’. σωτηρία (soteria), ‘redding’.
Bij het woord ἱερά (hiera), ‘heilige’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Tim. 1:5; Joh. 5:39.
De Schrift
θεόπνευστος (theopneustos), ‘door Elohim ingeblazen’: samengesteld uit θεός (Elohim) en πνέω (blazen); het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor.
De Griekse zin heeft geen werkwoord ‘is’; er kan ook gelezen worden: ‘Elke door Elohim ingeblazen Schrift is ook nuttig …’.
Wij vertalen met ‘is’ tussen beide eigenschappen. πᾶσα γραφή (pasa grafe), ‘elke Schrift’: ook ‘heel de Schrift’. ἐλεγμός (elegmos), ‘weerlegging’; ἐπανόρθωσις (epanorthosis), ‘herstel’, letterlijk ‘weer recht zetten’; παιδεία (paideia), ‘opvoeding’.
Bij het woord ἐλεγμόν (elegmon), ‘weerlegging’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 15:4; 2 Petr. 1:20–21.
ἄρτιος (artios), ‘volledig, geschikt’. ἐξαρτίζω (exartizo), ‘toerusten’: helemaal uitrusten.
‘De mens van Elohim’ (ὁ τοῦ θεοῦ ἄνθρωπος): in het Oude Testament een titel voor profeten, bijvoorbeeld Mozes (Deut. 33:1) en Elia (1 Kon. 17:18); hier ook in 1 Tim. 6:11 gebruikt voor Timoteüs. ἔργον ἀγαθόν (ergon agathon), ‘goed werk’.
Zie ook 1 Tim. 6:11; Deut. 33:1; 1 Kon. 17:18.