Open in de app Alle boeken Spreuken ← 16 18 → Spreuken 17 Vrede, ruzie, vriendschap en de dwaas
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1 Beter een droge korst en rust daarbij dan een huis vol slachtoffers van ruzie.
וְשַׁלְוָה
(veshalva)
en rust
מִ֝בַּ֗יִת
(mibayit)
dan een huis
זִבְחֵי
(zivchei)
slachtoffers van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זִבְחֵי (zivche), ‘slachtoffers’: het vlees van slachtoffers dat bij een feestmaal gegeten werd (vergelijk Ps. 4:6).
Een huis vol feestvlees, maar vol ruzie.
רִיב (riv), ‘ruzie’: ook ‘geschil, rechtszaak’.
2 Een dienaar met doorzicht zal heersen over een zoon die schande brengt, en te midden van de broers zal hij een erfdeel verdelen.
מַשְׂכִּ֗יל
(maskil)
met doorzicht
יִ֭מְשֹׁל
(yimshol)
zal heersen
בְּבֵ֣ן
(beven)
over een zoon
מֵבִ֑ישׁ
(mevish)
die schande brengt
וּבְת֥וֹךְ
(uvetokh)
en te midden van
יַחֲלֹ֥ק
(yachaloq)
zal hij verdelen
נַחֲלָֽה
(nachala)
een erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֶבֶד (eved), ‘dienaar’: een dienaar die met doorzicht handelt, kan meer gezag krijgen dan een zoon die schande brengt.
Zie 16:20 voor ‘doorzicht’.
3 De smeltkroes is voor het zilver en de oven voor het goud, maar Yahweh toetst de harten.
מַצְרֵ֣ף
(matsref)
de smeltkroes
לַ֭כֶּסֶף
(lakesef)
is voor het zilver
וְכ֣וּר
(vekhur)
en de oven
לַזָּהָ֑ב
(lazahav)
voor het goud
וּבֹחֵ֖ן
(uvochen)
maar wie toetst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dezelfde woorden als in Spr. 27:21, maar met Yahweh als wie de harten toetst.
Vergelijk Ps. 26:2 en Jer. 17:10.
4 Een kwaaddoener let op lippen van onheil; een leugenaar luistert naar een tong van verwoesting.
מֵ֭רַע
(mera)
een kwaaddoener
מַקְשִׁ֣יב
(maqshiv)
let op
שְׂפַת
(sefat)
de lippen van
שֶׁ֥קֶר
(sheqer)
een leugenaar
לְשׁ֥וֹן
(leshon)
de tong van
הַוֺּֽת
(havot)
verwoesting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָוֶן (aven), ‘onheil’; הַוּוֹת (havvot), ‘verwoesting’.
De kwaaddoener en de leugenaar luisteren graag naar kwaadsprekers.
שֶׁקֶר (sheqer) is eigenlijk ‘leugen’; hier staat het voor de leugenaar zelf.
5 Wie een berooide bespot, smaadt zijn Maker. Wie zich verheugt over een ramp, blijft niet ongestraft.
לָ֭רָשׁ
(larash)
de berooide
עֹשֵׂ֑הוּ
(osehu)
zijn Maker
שָׂמֵ֥חַ
(sameach)
wie zich verheugt
לְ֝אֵ֗יד
(leeid)
over een ramp
יִנָּקֶֽה
(yinaqe)
blijft ongestraft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹשֵׂהוּ (osehu), ‘zijn Maker’: de berooide is door Elohim gemaakt; wie hem bespot, hoont dus Hem.
Vergelijk Spr. 14:31 en Job 31:15.
רָשׁ (rash), ‘berooide’: wie niets bezit.
6 De kroon van de ouden zijn de kleinkinderen, en de luister van de kinderen zijn hun vaders.
עֲטֶ֣רֶת
(ateret)
een kroon van
וְתִפְאֶ֖רֶת
(vetiferet)
en de luister van
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֵי בָנִים (bene vanim), ‘kleinkinderen’: letterlijk ‘zonen van zonen’.
בָּנִים (banim), ‘kinderen’: ook ‘zonen’.
7 Voortreffelijke taal past niet bij een dwaze; hoeveel te minder past leugentaal bij een edele.
לְנָבָ֣ל
(lenaval)
bij een dwaze
יֶ֑תֶר
(yeter)
voortreffelijkheid
אַ֝֗ף
(af)
hoeveel te minder
לְנָדִ֥יב
(lenadiv)
bij een edele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׂפַת יֶתֶר (sefat yeter), ‘voortreffelijke taal’: letterlijk ‘lip van voortreffelijkheid’.
Het woord yeter betekent ook ‘overvloed’; dan is het ‘overdreven taal’.
Een dwaze past voortreffelijke taal niet; een edele past leugentaal nog minder.
נָבָל (naval), ‘dwaze’; נָדִיב (nadiv), ‘edele’: wie een edel karakter heeft.
8 Een steen van gunst is de steekpenning in de ogen van wie hem bezit; waarheen hij zich ook wendt, hij handelt met doorzicht.
אֶֽבֶן
(even)
een steen van
הַ֭שֹּׁחַד
(hashochad)
de steekpenning
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
בְעָלָ֑יו
(bealav)
wie hem bezit
יִפְנֶ֣ה
(yifne)
hij zich wendt
יַשְׂכִּֽיל
(yaskil)
handelt hij met doorzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: een geschenk dat het recht buigt (vergelijk Exod. 23:8).
Hier wordt vastgesteld wat de bezitter ervan ziet: voor hem is het een kostbare steen.
De spreuk keurt het niet goed.
יַשְׂכִּיל (yaskil), ‘handelt met doorzicht’: van שָׂכַל (sakal), ‘doorzicht hebben’; hier ook ‘slagen, succes hebben’.
9 Wie een overtreding bedekt, zoekt liefde, maar wie een zaak blijft herhalen, scheidt een hechte vriend.
מְֽכַסֶּה
(mekhase)
wie bedekt
פֶּ֭שַׁע
(pesha)
overtreding
מְבַקֵּ֣שׁ
(mevaqesh)
zoekt
וְשֹׁנֶ֥ה
(veshone)
maar wie herhaalt
בְ֝דָבָ֗ר
(bedavar)
een zaak
אַלּֽוּף
(aluf)
een hechte vriend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁנֶה בְּדָבָר (shoneh bedavar), ‘een zaak herhalen’: een oude zaak blijven oprakelen.
Vergelijk 16:28 voor ‘hechte vriend’.
10 Een bestraffing dringt dieper in bij wie inzicht heeft dan honderd slagen bij een dwaas.
גְּעָרָ֣ה
(geara)
een bestraffing
בְמֵבִ֑ין
(bemevin)
bij wie inzicht heeft
מֵהַכּ֖וֹת
(mehakot)
meer dan het slaan van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תֵּחַת (techat), ‘dringt in’: letterlijk ‘daalt neer’.
De bestraffing daalt diep in iemand met inzicht; een dwaas voelt honderd slagen niet.
11 Slechts opstand zoekt een kwade, maar een wrede bode wordt tegen hem gezonden.
וּמַלְאָ֥ךְ
(umalakh)
en een boodschapper
אַ֝כְזָרִ֗י
(akhzari)
wrede
יְשֻׁלַּח
(yeshulach)
wordt gezonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָע (ra), ‘een kwade’: het Hebreeuws heeft hier alleen het woord ‘kwaad’; wij lezen het als een kwaad mens.
De wrede bode is een straf of een vijand die hem treft; zijn naam wordt niet genoemd.
12 Laat een man een beer ontmoeten die van haar jongen beroofd is, maar niet een dwaas in zijn zotheid.
פָּג֬וֹשׁ
(pagosh)
laat ontmoeten
שַׁכּ֣וּל
(shakul)
beroofd van jongen
כְּ֝סִ֗יל
(kesil)
een dwaas
בְּאִוַּלְתּֽוֹ
(beivalto)
in zijn zotheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׁכּוּל (shakkul), ‘beroofd van jongen’: een berin die haar jongen kwijt is, is zeer gevaarlijk.
Vergelijk 2 Sam. 17:8 en Hos. 13:8.
אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: zie 16:22.
13 Wie kwaad teruggeeft in plaats van goed: het kwaad zal niet wijken uit zijn huis.
מֵשִׁ֣יב
(meshiv)
wie teruggeeft
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
תָמ֥וּשׁ
(tamush)
zal wijken
מִבֵּיתֽוֹ
(mibeito)
uit zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is תמיש (tamish), de gelezen vorm (qere) is תָמוּשׁ (tamush), ‘wijkt’.
Het is een spellingsverschil; de betekenis is gelijk.
14 Water laten uitstromen is het begin van twist; laat de ruzie dus varen voordat die losbarst.
פּ֣וֹטֵֽר
(poter)
het loslaten van
רֵאשִׁ֣ית
(reshit)
het begin van
וְלִפְנֵ֥י
(velifnei)
dus voordat
הִ֝תְגַּלַּ֗ע
(hitgala)
losbarst
נְטֽוֹשׁ
(netosh)
laat varen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פּוֹטֵר מַיִם (poter mayim), ‘water laten uitstromen’: een dijk doorsteken.
Twist begint klein, maar is daarna niet meer te stoppen.
הִתְגַּלַּע (hitgalla), ‘losbarst’: het werkwoord wordt ook in 18:1 gebruikt. De betekenis is niet helemaal zeker.
15 Wie de goddeloze rechtvaardig verklaart en de rechtvaardige schuldig verklaart: een gruwel voor Yahweh zijn zij beiden.
מַצְדִּ֣יק
(matsdiq)
wie rechtvaardig verklaart
רָ֭שָׁע
(rasha)
de goddeloze
וּמַרְשִׁ֣יעַ
(umarshia)
en wie schuldig verklaart
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
de rechtvaardige
תּוֹעֲבַ֥ת
(toavat)
een gruwel van
שְׁנֵיהֶֽם
(sheneihem)
beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַצְדִּיק (matsdiq), ‘rechtvaardig verklaart’; מַרְשִׁיעַ (marshia), ‘schuldig verklaart’: dit zijn rechterlijke uitspraken.
Vergelijk Exod. 23:7 en Deut. 25:1.
16 Waartoe dient een prijs in de hand van een dwaas om wijsheid te kopen, als hij geen hart heeft?
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
לִקְנ֖וֹת
(liqnot)
om te kopen
חָכְמָ֣ה
(chakhema)
wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְלֶב אָיִן (velev ayin), ‘en geen hart’: lev (‘hart’) is in het Hebreeuws ook de plaats van het verstand.
Wie geen hart heeft, mist inzicht.
17 Een naaste heeft op elk moment lief, en een broer wordt geboren voor de nood.
וְאָ֥ח
(veach)
en een broer
לְ֝צָרָ֗ה
(letsara)
voor de nood
יִוָּלֵֽד
(yivaled)
wordt geboren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָרֵעַ (hare'a), ‘de naaste’: ook ‘de vriend’.
Het gaat om een naaste die op elk moment trouw blijft, tegenover een broer die in de nood zijn plaats inneemt.
18 Een mens zonder hart slaat de hand en staat borg ten overstaan van zijn naaste.
עֲ֝רֻבָּ֗ה
(aruba)
borgtocht
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het gezicht van
רֵעֵֽהוּ
(reehu)
zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹקֵעַ כָּף (toqea kaf), ‘slaat de hand’: een handslag, waarmee men zich borg stelde.
Vergelijk Spr. 6:1 en 11:15.
19 Wie overtreding liefheeft, heeft strijd lief; wie zijn poort hoog maakt, zoekt de ondergang.
אֹ֣הֵֽב
(ohev)
wie liefheeft
פֶּ֭שַׁע
(pesha)
overtreding
מַגְבִּ֥יהַּ
(magbiha)
wie hoog maakt
פִּ֝תְח֗וֹ
(pitcho)
zijn poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַגְבִּיהַּ פִּתְחוֹ (magbiah pitcho), ‘zijn poort hoog maakt’: zijn deur of mond groot maken, dus opscheppen of overdreven bouwen.
De betekenis is niet helemaal zeker.
מַצָּה (matsah), ‘strijd’.
20 Wie krom is van hart, vindt het goede niet, en wie verdraaid is in zijn tong, valt in het kwaad.
וְנֶהְפָּ֥ךְ
(venehpakh)
en wie verdraaid is
בִּ֝לְשׁוֹנ֗וֹ
(bilshono)
in zijn tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עִקֶּשׁ (iqqesh), ‘krom’; נֶהְפָּךְ (nehpakh), ‘verdraaid’: vergelijk תַּהְפֻּכוֹת (tahpukhot), ‘verdraaidheid’ in 16:28 en 16:30.
21 Wie een dwaas verwekt, heeft er verdriet van, en de vader van een dwaze zal zich niet verheugen.
לְת֣וּגָה
(letuga)
tot verdriet
יִ֝שְׂמַ֗ח
(yismach)
zal zich verheugen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vergelijk Spr. 10:1 en 15:20.
נָבָל (naval), ‘dwaze’; כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’.
22 Een vrolijk hart werkt goed als genezing, maar een verslagen geest droogt het gebeente uit.
יֵיטִ֣ב
(yeitiv)
werkt goed
גֵּהָ֑ה
(geha)
als genezing
וְר֥וּחַ
(veruach)
maar een geest
נְ֝כֵאָ֗ה
(nekhea)
verslagen
תְּיַבֶּשׁ
(teyabesh)
droogt uit
גָּֽרֶם
(garem)
het gebeente
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֵּהָה (gehah), ‘genezing’: een zeldzaam woord.
Het kan ook ‘lichaam’ betekenen; dan zegt de spreuk dat een vrolijk hart het lichaam goed doet.
De betekenis is niet helemaal zeker.
Gebeente is hier het hele lichaam. Vergelijk Spr. 15:13 en 15:30.
23 Een goddeloze neemt een steekpenning uit zijn plooi om de paden van het recht te buigen.
שֹׁ֣חַד
(shochad)
een steekpenning
מֵ֭חֵיק
(mecheiq)
uit de plooi van het kleed
רָשָׁ֣ע
(rasha)
een goddeloze
לְ֝הַטּ֗וֹת
(lehatot)
om te buigen
אָרְח֥וֹת
(arechot)
de paden van
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
het recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: zoals in 17:8.
De plooi van het kleed is de plaats waar men het geld verborg.
24 Wijsheid is voor het gezicht van wie inzicht heeft, maar de ogen van een dwaas zijn aan het einde van de aarde.
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
מֵבִ֣ין
(mevin)
wie inzicht heeft
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְעֵינֵ֥י
(veeinei)
maar de ogen van
בִּקְצֵה
(biqtse)
aan het einde van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De dwaas zoekt wijsheid ver weg, aan het einde van de aarde, terwijl wie inzicht heeft haar voor zich ziet.
25 Een dwaze zoon is verdriet voor zijn vader en bitterheid voor wie hem baarde.
לְ֭אָבִיו
(leaviv)
voor zijn vader
וּ֝מֶ֗מֶר
(umemer)
en bitterheid
לְיוֹלַדְתּֽוֹ
(leyoladto)
voor wie hem baarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Ook een boete opleggen aan de rechtvaardige is niet goed, en edelen slaan om hun oprechtheid.
עֲנ֣וֹשׁ
(anosh)
een boete opleggen
לַצַּדִּ֣יק
(latsadiq)
aan de rechtvaardige
נְדִיבִ֣ים
(nedivim)
edelen
יֹֽשֶׁר
(yosher)
oprechtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹנֶשׁ (onesh), ‘boete’: een straf in geld; ook ‘straf’.
נְדִיבִים (nedivim), ‘edelen’: de leiders.
Het slaan van edelen om hun oprechtheid is even onrecht als een boete aan de rechtvaardige.
27 Wie zijn woorden spaart, heeft kennis, en wie kostbaar is van geest, is een man van verstand.
חוֹשֵׂ֣ךְ
(chosekh)
wie spaart
אֲ֭מָרָיו
(amarav)
zijn woorden
תְּבוּנָֽה
(tevuna)
verstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
יְקַר (yeqar), ‘kostbaar van’ is de lezing die wij volgen (qere).
De geschreven tekst (ketiv) heeft וְקַר (veqar), ‘en koel van’.
Dan staat er: ‘een koele geest’, dus rustig en beheerst.
Beide lezingen geven een goede betekenis.
28 Zelfs een zot die zwijgt, wordt voor wijs gehouden, en wie zijn lippen sluit, voor inzichtig.
מַ֭חֲרִישׁ
(macharish)
die zwijgt
יֵחָשֵׁ֑ב
(yechashev)
wordt gerekend
שְׂפָתָ֣יו
(sefatav)
zijn lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱוִיל (evil), ‘zot’; נָבוֹן (navon), ‘inzichtig’: wie inzicht heeft.
Zwijgen laat een zot wijs lijken.