Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het volk huilt voor het huis van Elohim
1Ezra bad en beleed zijn schuld, huilend en zich neerwerpend voor het huis van Elohim. Een zeer grote vergadering uit Israël kwam bij hem samen: mannen, vrouwen en kinderen. Want het volk huilde luid.
וּכְהִתְפַּלֵּ֤ל
(ukhehitpalel)
en toen bad
עֶזְרָא֙
(ezra)
Ezra
וּכְ֨הִתְוַדֹּת֔וֹ
(ukhehitvadoto)
en toen hij beleed
בֹּכֶה֙
(bokhe)
huilend
וּמִתְנַפֵּ֔ל
(umitnapel)
en zich neerwerpend
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
נִקְבְּצוּ֩
(niqbetsu)
verzamelden zich
אֵלָ֨יו
(elav)
bij hem
מִיִּשְׂרָאֵ֜ל
(miyisrael)
uit Israël
קָהָ֣ל
(qahal)
een vergadering
רַב
(rav)
zeer
מְאֹ֗ד
(meod)
groot
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mannen
וְנָשִׁים֙
(venashim)
en vrouwen
וִֽילָדִ֔ים
(viladim)
en kinderen
כִּֽי
(ki)
want
בָכ֥וּ
(bakhu)
huilden
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הַרְבֵּה
(harbe)
veel
בֶֽכֶה
(bekhe)
huilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִתְוַדּוֹת (hitvaddot), ‘belijden’: Ezra beleed de schuld van het volk voor Elohim.
Zie ook Ezra 9:6–15.
Onze vertaling ‘luid’ staat voor het Hebreeuwse ‘veel huilen’ (הַרְבֵּה בֶכֶה, harbeh veche).
2Sjekanja, de zoon van Jechiël, van de zonen van Elam, nam het woord. Hij zei tegen Ezra: „Wij hebben ontrouw gepleegd tegenover onze Elohim. Wij hebben vreemde vrouwen uit de volken van het land laten wonen. Maar er is nog hoop voor Israël, ondanks dit.
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en antwoordde
שְׁכַנְיָ֨ה
(shekhanya)
Sjekanja
בֶן
(ben)
zoon van
יְחִיאֵ֜ל
(yechiel)
Jechiël
מִבְּנֵ֤י
(mibenei)
van de zonen van
עֵילָם֙
(eilam)
Elam
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לְעֶזְרָ֔א
(leezra)
tegen Ezra
אֲנַ֨חְנוּ֙
(anachnu)
wij
מָעַ֣לְנוּ
(maalnu)
hebben ontrouw gepleegd
בֵאלֹהֵ֔ינוּ
(beloheinu)
tegen onze Elohim
וַנֹּ֛שֶׁב
(vanoshev)
en wij hebben laten wonen
נָשִׁ֥ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֖וֹת
(nakheriyot)
vreemde
מֵעַמֵּ֣י
(meamei)
uit de volken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
יֵשׁ
(yesh)
is er
מִקְוֶ֥ה
(miqve)
hoop
לְיִשְׂרָאֵ֖ל
(leyisrael)
voor Israël
עַל
(al)
over
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹשִׁיב (hoshiv), ‘laten wonen’: het Hebreeuws zegt dat zij de vrouwen hebben laten wonen, dus in huis hebben genomen.
3Laten wij nu een verbond sluiten voor onze Elohim. Wij sturen alle vrouwen weg, en wat uit hen geboren is. Dat doen wij volgens de raad van mijn Heer en van hen die beven voor het gebod van onze Elohim. Laat het gedaan worden volgens de wet.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
נִֽכְרָת
(nikhrat)
laten wij sluiten
בְּרִ֣ית
(berit)
een verbond
לֵ֠אלֹהֵינוּ
(leloheinu)
voor onze Elohim
לְהוֹצִ֨יא
(lehotsi)
om weg te sturen
כָל
(kal)
alle
נָשִׁ֜ים
(nashim)
vrouwen
וְהַנּוֹלָ֤ד
(vehanolad)
en wat geboren is
מֵהֶם֙
(mehem)
uit hen
בַּעֲצַ֣ת
(baatsat)
volgens de raad van
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
mijn Heer
וְהַחֲרֵדִ֖ים
(vehacharedim)
en zij die beven
בְּמִצְוַ֣ת
(bemitsvat)
voor het gebod van
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְכַתּוֹרָ֖ה
(vekhatora)
en volgens de wet
יֵעָשֶֽׂה
(yease)
laat gedaan worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: het woord heeft de klinkers van de goddelijke titel.
Sommigen verstaan Elohim (‘de raad van Adonai’), anderen Ezra (‘de raad van mijn heer’).
Wij vertalen ‘mijn Heer’ en laten het open.
הַחֲרֵדִים (hacharedim), ‘zij die beven’: wie ontzag heeft voor het gebod van Elohim, zoals in Ezra 9:4.
בְּרִית (berit), ‘verbond’: een plechtige verplichting die onder eed wordt gesloten, zoals in vers 5.
6Ezra stond op van voor het huis van Elohim en ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib. Hij ging daarheen. Hij at geen brood en dronk geen water, want hij was in rouw over de ontrouw van de ballingen.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
עֶזְרָ֗א
(ezra)
Ezra
מִלִּפְנֵי֙
(milifnei)
van voor
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וַיֵּ֕לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֶל
(el)
naar
לִשְׁכַּ֖ת
(lishkat)
de kamer van
יְהוֹחָנָ֣ן
(yehochanan)
Johanan
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְיָשִׁ֑יב
(elyashiv)
Eljasib
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שָׁ֗ם
(sham)
daarheen
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood
לֹֽא
(lo)
niet
אָכַל֙
(akhal)
at hij
וּמַ֣יִם
(umayim)
en water
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁתָ֔ה
(shata)
dronk hij
כִּ֥י
(ki)
want
מִתְאַבֵּ֖ל
(mitabel)
rouwend
עַל
(al)
over
מַ֥עַל
(maal)
ontrouw van
הַגּוֹלָֽה
(hagola)
de ballingschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְהוֹחָנָן בֶּן אֶלְיָשִׁיב (Jehochanan ben Eljasib): wij schrijven ‘Johanan’.
Over deze man zegt de tekst verder niets.
Zie ook Neh. 12:22–23.
לִשְׁכָּה (lishkah), ‘kamer’: een kamer in de gebouwen bij het huis van Elohim, zoals in Ezra 8:29.
8Wie niet binnen drie dagen kwam, volgens de raad van de oversten en de oudsten, van hem zou al zijn bezit onder de ban vallen. Hijzelf zou worden afgezonderd van de vergadering van de ballingen.
וְכֹל֩
(vekhol)
en ieder
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָב֜וֹא
(yavo)
komt
לִשְׁלֹ֣שֶׁת
(lishloshet)
binnen drie
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
de dagen
כַּעֲצַ֤ת
(kaatsat)
volgens de raad van
הַשָּׂרִים֙
(hasarim)
de oversten
וְהַזְּקֵנִ֔ים
(vehazeqenim)
en de oudsten
יָחֳרַ֖ם
(yachoram)
zal onder de ban vallen
כָּל
(kal)
al
רְכוּשׁ֑וֹ
(rekhusho)
zijn bezit
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
יִבָּדֵ֖ל
(yibadel)
zal worden afgezonderd
מִקְּהַ֥ל
(miqehal)
van de vergadering van
הַגּוֹלָֽה
(hagola)
de ballingschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָחֳרַם (yacharam), ‘onder de ban vallen’: zijn bezit zou aan Elohim worden toegewijd en niet meer van hem zijn.
Wij vertalen steeds ‘de ban’ (zoals in Lev. 27:28–29).
9Alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen drie dagen in Jeruzalem. Het was de negende maand, op de twintigste van de maand. Heel het volk zat op het plein van het huis van Elohim. Zij beefden vanwege deze zaak en vanwege de regens.
וַיִּקָּבְצ֣וּ
(vayiqavetsu)
en verzamelden zich
כָל
(kal)
alle
אַנְשֵֽׁי
(anshei)
mannen van
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֨ן
(uvinyamin)
en Benjamin
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לִשְׁלֹ֣שֶׁת
(lishloshet)
binnen drie
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
de dagen
ה֛וּא
(hu)
die
חֹ֥דֶשׁ
(chodesh)
maand
הַתְּשִׁיעִ֖י
(hateshii)
de negende
בְּעֶשְׂרִ֣ים
(beesrim)
op twintig
בַּחֹ֑דֶשׁ
(bachodesh)
van de maand
וַיֵּשְׁב֣וּ
(vayeshevu)
en zaten
כָל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
בִּרְחוֹב֙
(birchov)
op het plein van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
מַרְעִידִ֥ים
(maridim)
bevend
עַל
(al)
vanwege
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
וּמֵהַגְּשָׁמִֽים
(umehageshamim)
en vanwege de regens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
De negende maand is in de winter, in de regentijd.
De twintigste van deze maand valt ongeveer in december.
רְחוֹב (rechov), ‘plein’: een brede open plaats voor het huis van Elohim.
10Ezra, de priester, stond op en zei tegen hen: „Jullie hebben ontrouw gepleegd. Jullie hebben vreemde vrouwen laten wonen en zo de schuld van Israël vermeerderd.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
עֶזְרָ֤א
(ezra)
Ezra
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tegen hen
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
מְעַלְתֶּ֔ם
(mealtem)
hebben ontrouw gepleegd
וַתֹּשִׁ֖יבוּ
(vatoshivu)
en jullie hebben laten wonen
נָשִׁ֣ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֑וֹת
(nakheriyot)
vreemde
לְהוֹסִ֖יף
(lehosif)
om toe te voegen
עַל
(al)
aan
אַשְׁמַ֥ת
(ashmat)
de schuld van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Maar het volk is talrijk en het is de tijd van de regens. Wij hebben geen kracht om buiten te staan. Het werk is niet voor één dag, en ook niet voor twee, want wij hebben veel overtreden in deze zaak.
אֲבָ֞ל
(aval)
maar
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
רָב֙
(rav)
talrijk
וְהָעֵ֣ת
(vehaet)
en de tijd van
גְּשָׁמִ֔ים
(geshamim)
regens
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
כֹּ֖חַ
(koach)
kracht
לַעֲמ֣וֹד
(laamod)
om te staan
בַּח֑וּץ
(bachuts)
buiten
וְהַמְּלָאכָ֗ה
(vehamelakha)
en het werk
לֹֽא
(lo)
niet
לְי֤וֹם
(leyom)
voor dag
אֶחָד֙
(echad)
één
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
לִשְׁנַ֔יִם
(lishnayim)
voor twee
כִּֽי
(ki)
want
הִרְבִּ֥ינוּ
(hirbinu)
wij hebben vermenigvuldigd
לִפְשֹׁ֖עַ
(lifshoa)
om te overtreden
בַּדָּבָ֥ר
(badavar)
in de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּשַׁע (pasha), ‘overtreden’: een bewuste breuk met Elohim.
14Laten onze oversten toch optreden voor heel de vergadering. Wie in onze steden vreemde vrouwen heeft laten wonen, moet komen op vastgestelde tijden. Met hen komen de oudsten van elke stad en haar rechters. Zo wordt de gloeiende toorn van onze Elohim over deze zaak van ons afgewend.”
יַֽעֲמְדוּ
(yaamdu)
laten staan
נָ֣א
(na)
toch
שָׂ֠רֵינוּ
(sareinu)
onze oversten
לְֽכָל
(lekhal)
voor heel
הַקָּהָ֞ל
(haqahal)
de vergadering
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en ieder
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בֶּעָרֵ֗ינוּ
(beareinu)
in onze steden
הַהֹשִׁ֞יב
(hahoshiv)
die heeft laten wonen
נָשִׁ֤ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּוֹת֙
(nakheriyot)
vreemde
יָבֹא֙
(yavo)
moet komen
לְעִתִּ֣ים
(leitim)
op tijden
מְזֻמָּנִ֔ים
(mezumanim)
vastgestelde
וְעִמָּהֶ֛ם
(veimahem)
en met hen
זִקְנֵי
(ziqnei)
oudsten van
עִ֥יר
(ir)
stad
וָעִ֖יר
(vair)
en stad
וְשֹׁפְטֶ֑יהָ
(veshofeteiha)
en haar rechters
עַ֠ד
(ad)
tot
לְהָשִׁ֞יב
(lehashiv)
afwenden
חֲר֤וֹן
(charon)
gloed van
אַף
(af)
toorn van
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
van ons
עַ֖ד
(ad)
tot
לַדָּבָ֥ר
(ladavar)
over de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De oversten zouden de zaak voor heel de vergadering regelen.
Elke stad stuurt haar oudsten en rechters mee, zodat elk geval wordt onderzocht (vers 16).
16De zonen van de ballingschap deden zo. Ezra, de priester, en mannen die hoofden van de families waren, naar hun vaderhuizen, allen bij name, zonderden zich af. Op de eerste van de tiende maand gingen zij zitten om de zaak te onderzoeken.
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en deden
כֵן֮
(ken)
zo
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַגּוֹלָה֒
(hagola)
de ballingschap
וַיִּבָּדְלוּ֩
(vayibadelu)
en zonderden zich af
עֶזְרָ֨א
(ezra)
Ezra
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֲנָשִׁ֨ים
(anashim)
mannen
רָאשֵׁ֧י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֛וֹת
(haavot)
de families
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
אֲבֹתָ֖ם
(avotam)
hun vaders
וְכֻלָּ֣ם
(vekhulam)
en allen
בְּשֵׁמ֑וֹת
(beshemot)
bij namen
וַיֵּשְׁב֗וּ
(vayeshevu)
en zij gingen zitten
בְּי֤וֹם
(beyom)
op dag
אֶחָד֙
(echad)
één
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָעֲשִׂירִ֔י
(haasiri)
de tiende
לְדַרְי֖וֹשׁ
(ledaryosh)
om te onderzoeken
הַדָּבָֽר
(hadavar)
de zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְדַרְיוֹשׁ (ledaryosh): de spelling is ongewoon, met een extra jod.
Wij lezen het als ‘om te onderzoeken’, van het werkwoord דָּרַשׁ (darash).
הָעֲשִׂירִי (ha’asiri), ‘de tiende’: de tiende maand is ongeveer december/januari.
Lezing
Wij volgen de Masoretische tekst: ‘Ezra de priester en mannen ... zonderden zich af’.
18Onder de zonen van de priesters werden mannen gevonden die vreemde vrouwen hadden laten wonen. Van de zonen van Jesua, de zoon van Jehozadak, en zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja.
וַיִּמָּצֵא֙
(vayimatse)
en werd gevonden
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
הַכֹּהֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֹשִׁ֖יבוּ
(hoshivu)
hadden laten wonen
נָשִׁ֣ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֑וֹת
(nakheriyot)
vreemde
מִבְּנֵ֨י
(mibenei)
van de zonen van
יֵשׁ֤וּעַ
(yeshua)
Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
יֽוֹצָדָק֙
(yotsadaq)
Jehozadak
וְאֶחָ֔יו
(veechav)
en zijn broers
מַֽעֲשֵׂיָה֙
(maaseya)
Maäseja
וֶֽאֱלִיעֶ֔זֶר
(veeliezer)
en Eliëzer
וְיָרִ֖יב
(veyariv)
en Jarib
וּגְדַלְיָֽה
(ugedalya)
en Gedalja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De lijst volgt de volgorde: priesters (18–22), Levieten (23), zangers en poortwachters (24), en de rest van Israël (25–43).
יֵשׁוּעַ בֶּן יוֹצָדָק (Jesua ben Jotsadak): de Hebreeuwse spelling is hier ‘Jotsadak’. Wij schrijven ‘Jehozadak’, zoals in 1 Kron. 5:40–41.