Elohim Bijbel

Ezra 10

12345678910

Het verbond om de vreemde vrouwen weg te sturen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het volk huilt voor het huis van Elohim

1Ezra bad en beleed zijn schuld, huilend en zich neerwerpend voor het huis van Elohim. Een zeer grote vergadering uit Israël kwam bij hem samen: mannen, vrouwen en kinderen. Want het volk huilde luid.
וּכְהִתְפַּלֵּ֤ל
(ukhehitpalel)
en toen bad
עֶזְרָא֙
(ezra)
Ezra
וּכְ֨הִתְוַדֹּת֔וֹ
(ukhehitvadoto)
en toen hij beleed
בֹּכֶה֙
(bokhe)
huilend
וּמִתְנַפֵּ֔ל
(umitnapel)
en zich neerwerpend
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
נִקְבְּצוּ֩
(niqbetsu)
verzamelden zich
אֵלָ֨יו
(elav)
bij hem
מִיִּשְׂרָאֵ֜ל
(miyisrael)
uit Israël
קָהָ֣ל
(qahal)
een vergadering
רַב
(rav)
zeer
מְאֹ֗ד
(meod)
groot
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mannen
וְנָשִׁים֙
(venashim)
en vrouwen
וִֽילָדִ֔ים
(viladim)
en kinderen
כִּֽי
(ki)
want
בָכ֥וּ
(bakhu)
huilden
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הַרְבֵּה
(harbe)
veel
בֶֽכֶה
(bekhe)
huilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִתְוַדּוֹת (hitvaddot), ‘belijden’: Ezra beleed de schuld van het volk voor Elohim.

Zie ook Ezra 9:6–15.

Onze vertaling ‘luid’ staat voor het Hebreeuwse ‘veel huilen’ (הַרְבֵּה בֶכֶה, harbeh veche).

Sjekanja stelt een verbond voor

2Sjekanja, de zoon van Jechiël, van de zonen van Elam, nam het woord. Hij zei tegen Ezra: „Wij hebben ontrouw gepleegd tegenover onze Elohim. Wij hebben vreemde vrouwen uit de volken van het land laten wonen. Maar er is nog hoop voor Israël, ondanks dit.
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en antwoordde
שְׁכַנְיָ֨ה
(shekhanya)
Sjekanja
בֶן
(ben)
zoon van
יְחִיאֵ֜ל
(yechiel)
Jechiël
מִבְּנֵ֤י
(mibenei)
van de zonen van
עֵילָם֙
(eilam)
Elam
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לְעֶזְרָ֔א
(leezra)
tegen Ezra
אֲנַ֨חְנוּ֙
(anachnu)
wij
מָעַ֣לְנוּ
(maalnu)
hebben ontrouw gepleegd
בֵאלֹהֵ֔ינוּ
(beloheinu)
tegen onze Elohim
וַנֹּ֛שֶׁב
(vanoshev)
en wij hebben laten wonen
נָשִׁ֥ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֖וֹת
(nakheriyot)
vreemde
מֵעַמֵּ֣י
(meamei)
uit de volken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
יֵשׁ
(yesh)
is er
מִקְוֶ֥ה
(miqve)
hoop
לְיִשְׂרָאֵ֖ל
(leyisrael)
voor Israël
עַל
(al)
over
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹשִׁיב (hoshiv), ‘laten wonen’: het Hebreeuws zegt dat zij de vrouwen hebben laten wonen, dus in huis hebben genomen.

Wij vertalen steeds ‘laten wonen’ (verzen 2, 10, 14, 17, 18).

מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: zie bij Ezra 9:2.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters עולם (Olam).

De voorgelezen tekst (qere) heeft עֵילָם (Elam).

Wij volgen het qere.

3Laten wij nu een verbond sluiten voor onze Elohim. Wij sturen alle vrouwen weg, en wat uit hen geboren is. Dat doen wij volgens de raad van mijn Heer en van hen die beven voor het gebod van onze Elohim. Laat het gedaan worden volgens de wet.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
נִֽכְרָת
(nikhrat)
laten wij sluiten
בְּרִ֣ית
(berit)
een verbond
לֵ֠אלֹהֵינוּ
(leloheinu)
voor onze Elohim
לְהוֹצִ֨יא
(lehotsi)
om weg te sturen
כָל
(kal)
alle
נָשִׁ֜ים
(nashim)
vrouwen
וְהַנּוֹלָ֤ד
(vehanolad)
en wat geboren is
מֵהֶם֙
(mehem)
uit hen
בַּעֲצַ֣ת
(baatsat)
volgens de raad van
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
mijn Heer
וְהַחֲרֵדִ֖ים
(vehacharedim)
en zij die beven
בְּמִצְוַ֣ת
(bemitsvat)
voor het gebod van
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְכַתּוֹרָ֖ה
(vekhatora)
en volgens de wet
יֵעָשֶֽׂה
(yease)
laat gedaan worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: het woord heeft de klinkers van de goddelijke titel.

Sommigen verstaan Elohim (‘de raad van Adonai’), anderen Ezra (‘de raad van mijn heer’).

Wij vertalen ‘mijn Heer’ en laten het open.

הַחֲרֵדִים (hacharedim), ‘zij die beven’: wie ontzag heeft voor het gebod van Elohim, zoals in Ezra 9:4.

בְּרִית (berit), ‘verbond’: een plechtige verplichting die onder eed wordt gesloten, zoals in vers 5.

4Sta op, want deze zaak ligt bij u. Wij staan achter u. Wees sterk en handel.”
ק֛וּם
(qum)
sta op
כִּֽי
(ki)
want
עָלֶ֥יךָ
(aleikha)
op u
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
וַאֲנַ֣חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met u
חֲזַ֖ק
(chazaq)
wees sterk
וַעֲשֵֽׂה
(vaase)
en handel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ezra stond op. Hij liet de oversten van de priesters, de Levieten en heel Israël zweren dat zij volgens dit woord zouden handelen. En zij zwoeren.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
עֶזְרָ֡א
(ezra)
Ezra
וַיַּשְׁבַּ֣ע
(vayashba)
en liet zweren
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵי֩
(sarei)
de oversten van
הַכֹּהֲנִ֨ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּ֜ם
(halviyim)
de Levieten
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לַעֲשׂ֛וֹת
(laasot)
om te doen
כַּדָּבָ֥ר
(kadavar)
volgens de zaak
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
וַיִּשָּׁבֵֽעוּ
(vayishaveu)
en zij zwoeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Ezra stond op van voor het huis van Elohim en ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib. Hij ging daarheen. Hij at geen brood en dronk geen water, want hij was in rouw over de ontrouw van de ballingen.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
עֶזְרָ֗א
(ezra)
Ezra
מִלִּפְנֵי֙
(milifnei)
van voor
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וַיֵּ֕לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֶל
(el)
naar
לִשְׁכַּ֖ת
(lishkat)
de kamer van
יְהוֹחָנָ֣ן
(yehochanan)
Johanan
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְיָשִׁ֑יב
(elyashiv)
Eljasib
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שָׁ֗ם
(sham)
daarheen
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood
לֹֽא
(lo)
niet
אָכַל֙
(akhal)
at hij
וּמַ֣יִם
(umayim)
en water
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁתָ֔ה
(shata)
dronk hij
כִּ֥י
(ki)
want
מִתְאַבֵּ֖ל
(mitabel)
rouwend
עַל
(al)
over
מַ֥עַל
(maal)
ontrouw van
הַגּוֹלָֽה
(hagola)
de ballingschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוֹחָנָן בֶּן אֶלְיָשִׁיב (Jehochanan ben Eljasib): wij schrijven ‘Johanan’.

Over deze man zegt de tekst verder niets.

Zie ook Neh. 12:22–23.

לִשְׁכָּה (lishkah), ‘kamer’: een kamer in de gebouwen bij het huis van Elohim, zoals in Ezra 8:29.

De oproep naar Jeruzalem

7Zij lieten in Juda en Jeruzalem een oproep uitgaan aan alle zonen van de ballingschap om zich in Jeruzalem te verzamelen.
וַיַּעֲבִ֨ירוּ
(vayaaviru)
en zij lieten doorgaan
ק֜וֹל
(qol)
een stem
בִּיהוּדָ֣ה
(bihuda)
in Juda
וִירֽוּשָׁלִַ֗ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
לְכֹל֙
(lekhol)
aan alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הַגּוֹלָ֔ה
(hagola)
de ballingschap
לְהִקָּבֵ֖ץ
(lehiqavets)
om zich te verzamelen
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

8Wie niet binnen drie dagen kwam, volgens de raad van de oversten en de oudsten, van hem zou al zijn bezit onder de ban vallen. Hijzelf zou worden afgezonderd van de vergadering van de ballingen.
וְכֹל֩
(vekhol)
en ieder
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָב֜וֹא
(yavo)
komt
לִשְׁלֹ֣שֶׁת
(lishloshet)
binnen drie
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
de dagen
כַּעֲצַ֤ת
(kaatsat)
volgens de raad van
הַשָּׂרִים֙
(hasarim)
de oversten
וְהַזְּקֵנִ֔ים
(vehazeqenim)
en de oudsten
יָחֳרַ֖ם
(yachoram)
zal onder de ban vallen
כָּל
(kal)
al
רְכוּשׁ֑וֹ
(rekhusho)
zijn bezit
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
יִבָּדֵ֖ל
(yibadel)
zal worden afgezonderd
מִקְּהַ֥ל
(miqehal)
van de vergadering van
הַגּוֹלָֽה
(hagola)
de ballingschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָחֳרַם (yacharam), ‘onder de ban vallen’: zijn bezit zou aan Elohim worden toegewijd en niet meer van hem zijn.

Wij vertalen steeds ‘de ban’ (zoals in Lev. 27:28–29).

9Alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen drie dagen in Jeruzalem. Het was de negende maand, op de twintigste van de maand. Heel het volk zat op het plein van het huis van Elohim. Zij beefden vanwege deze zaak en vanwege de regens.
וַיִּקָּבְצ֣וּ
(vayiqavetsu)
en verzamelden zich
כָל
(kal)
alle
אַנְשֵֽׁי
(anshei)
mannen van
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֨ן
(uvinyamin)
en Benjamin
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לִשְׁלֹ֣שֶׁת
(lishloshet)
binnen drie
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
de dagen
ה֛וּא
(hu)
die
חֹ֥דֶשׁ
(chodesh)
maand
הַתְּשִׁיעִ֖י
(hateshii)
de negende
בְּעֶשְׂרִ֣ים
(beesrim)
op twintig
בַּחֹ֑דֶשׁ
(bachodesh)
van de maand
וַיֵּשְׁב֣וּ
(vayeshevu)
en zaten
כָל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
בִּרְחוֹב֙
(birchov)
op het plein van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
מַרְעִידִ֥ים
(maridim)
bevend
עַל
(al)
vanwege
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
וּמֵהַגְּשָׁמִֽים
(umehageshamim)
en vanwege de regens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De negende maand is in de winter, in de regentijd.

De twintigste van deze maand valt ongeveer in december.

רְחוֹב (rechov), ‘plein’: een brede open plaats voor het huis van Elohim.

Ezra spreekt het volk toe

10Ezra, de priester, stond op en zei tegen hen: „Jullie hebben ontrouw gepleegd. Jullie hebben vreemde vrouwen laten wonen en zo de schuld van Israël vermeerderd.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
עֶזְרָ֤א
(ezra)
Ezra
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tegen hen
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
מְעַלְתֶּ֔ם
(mealtem)
hebben ontrouw gepleegd
וַתֹּשִׁ֖יבוּ
(vatoshivu)
en jullie hebben laten wonen
נָשִׁ֣ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֑וֹת
(nakheriyot)
vreemde
לְהוֹסִ֖יף
(lehosif)
om toe te voegen
עַל
(al)
aan
אַשְׁמַ֥ת
(ashmat)
de schuld van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Geef nu belijdenis aan Yahweh, de Elohim van jullie vaders. Doe Zijn wil en zonder jullie af van de volken van het land en van de vreemde vrouwen.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
תְּנ֥וּ
(tenu)
geef
תוֹדָ֛ה
(toda)
belijdenis
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaders
וַעֲשׂ֣וּ
(vaasu)
en doe
רְצוֹנ֑וֹ
(retsono)
Zijn wil
וְהִבָּֽדְלוּ֙
(vehibadelu)
en scheid jullie af
מֵעַמֵּ֣י
(meamei)
van de volken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וּמִן
(umin)
en van
הַנָּשִׁ֖ים
(hanashim)
de vrouwen
הַנָּכְרִיּֽוֹת
(hanakheriyot)
de vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹדָה (todah), ‘belijdenis’: het woord betekent ook ‘dank’ of ‘lof’.

Hier is het een erkenning van de schuld, zoals in Joz. 7:19.

12Heel de vergadering antwoordde met luide stem: „Ja, wat u zegt, moeten wij doen.
וַיַּֽעְנ֧וּ
(vayanu)
en antwoordden
כָֽל
(kal)
heel
הַקָּהָ֛ל
(haqahal)
de vergadering
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
ק֣וֹל
(qol)
stem
גָּד֑וֹל
(gadol)
luide
כֵּ֛ן
(ken)
zo
כִּדְבָרְךָ֥
(kidvarekha)
volgens uw woord
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
het is aan ons
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
om te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters כדבריך (‘volgens uw woorden’, meervoud).

De voorgelezen tekst (qere) heeft כִּדְבָרְךָ (kidvarkha), ‘volgens uw woord’.

Wij volgen het qere.

13Maar het volk is talrijk en het is de tijd van de regens. Wij hebben geen kracht om buiten te staan. Het werk is niet voor één dag, en ook niet voor twee, want wij hebben veel overtreden in deze zaak.
אֲבָ֞ל
(aval)
maar
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
רָב֙
(rav)
talrijk
וְהָעֵ֣ת
(vehaet)
en de tijd van
גְּשָׁמִ֔ים
(geshamim)
regens
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
כֹּ֖חַ
(koach)
kracht
לַעֲמ֣וֹד
(laamod)
om te staan
בַּח֑וּץ
(bachuts)
buiten
וְהַמְּלָאכָ֗ה
(vehamelakha)
en het werk
לֹֽא
(lo)
niet
לְי֤וֹם
(leyom)
voor dag
אֶחָד֙
(echad)
één
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
לִשְׁנַ֔יִם
(lishnayim)
voor twee
כִּֽי
(ki)
want
הִרְבִּ֥ינוּ
(hirbinu)
wij hebben vermenigvuldigd
לִפְשֹׁ֖עַ
(lifshoa)
om te overtreden
בַּדָּבָ֥ר
(badavar)
in de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּשַׁע (pasha), ‘overtreden’: een bewuste breuk met Elohim.

Het volk erkent dat de overtreding groot was.

14Laten onze oversten toch optreden voor heel de vergadering. Wie in onze steden vreemde vrouwen heeft laten wonen, moet komen op vastgestelde tijden. Met hen komen de oudsten van elke stad en haar rechters. Zo wordt de gloeiende toorn van onze Elohim over deze zaak van ons afgewend.”
יַֽעֲמְדוּ
(yaamdu)
laten staan
נָ֣א
(na)
toch
שָׂ֠רֵינוּ
(sareinu)
onze oversten
לְֽכָל
(lekhal)
voor heel
הַקָּהָ֞ל
(haqahal)
de vergadering
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en ieder
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בֶּעָרֵ֗ינוּ
(beareinu)
in onze steden
הַהֹשִׁ֞יב
(hahoshiv)
die heeft laten wonen
נָשִׁ֤ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּוֹת֙
(nakheriyot)
vreemde
יָבֹא֙
(yavo)
moet komen
לְעִתִּ֣ים
(leitim)
op tijden
מְזֻמָּנִ֔ים
(mezumanim)
vastgestelde
וְעִמָּהֶ֛ם
(veimahem)
en met hen
זִקְנֵי
(ziqnei)
oudsten van
עִ֥יר
(ir)
stad
וָעִ֖יר
(vair)
en stad
וְשֹׁפְטֶ֑יהָ
(veshofeteiha)
en haar rechters
עַ֠ד
(ad)
tot
לְהָשִׁ֞יב
(lehashiv)
afwenden
חֲר֤וֹן
(charon)
gloed van
אַף
(af)
toorn van
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
van ons
עַ֖ד
(ad)
tot
לַדָּבָ֥ר
(ladavar)
over de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De oversten zouden de zaak voor heel de vergadering regelen.

Elke stad stuurt haar oudsten en rechters mee, zodat elk geval wordt onderzocht (vers 16).

15Alleen Jonatan, de zoon van Asahel, en Jachzeja, de zoon van Tikwa, stonden hierover op. Mesjullam en Sjabbetai, de Leviet, steunden hen.
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
יוֹנָתָ֧ן
(yonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲשָׂהאֵ֛ל
(asahel)
Asahel
וְיַחְזְיָ֥ה
(veyachzeya)
en Jachzeja
בֶן
(ben)
zoon van
תִּקְוָ֖ה
(tiqva)
Tikwa
עָמְד֣וּ
(amedu)
stonden op
עַל
(al)
over
זֹ֑את
(zot)
dit
וּמְשֻׁלָּ֛ם
(umeshulam)
en Mesjullam
וְשַׁבְּתַ֥י
(veshabetay)
en Sjabbetai
הַלֵּוִ֖י
(halevi)
de Leviet
עֲזָרֻֽם
(azarum)
steunden hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָמְדוּ עַל זֹאת (amdu al zot), ‘stonden hierover op’: het Hebreeuws kan betekenen dat zij zich ertegen verzetten of dat zij de zaak op zich namen.

Ook ‘steunden hen’ (עֲזָרֻם, azarum) is niet eenduidig, omdat niet duidelijk is wie wordt gesteund.

Wij vertalen letterlijk en laten het open.

Het onderzoek van de zaak

16De zonen van de ballingschap deden zo. Ezra, de priester, en mannen die hoofden van de families waren, naar hun vaderhuizen, allen bij name, zonderden zich af. Op de eerste van de tiende maand gingen zij zitten om de zaak te onderzoeken.
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en deden
כֵן֮
(ken)
zo
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַגּוֹלָה֒
(hagola)
de ballingschap
וַיִּבָּדְלוּ֩
(vayibadelu)
en zonderden zich af
עֶזְרָ֨א
(ezra)
Ezra
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֲנָשִׁ֨ים
(anashim)
mannen
רָאשֵׁ֧י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֛וֹת
(haavot)
de families
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
אֲבֹתָ֖ם
(avotam)
hun vaders
וְכֻלָּ֣ם
(vekhulam)
en allen
בְּשֵׁמ֑וֹת
(beshemot)
bij namen
וַיֵּשְׁב֗וּ
(vayeshevu)
en zij gingen zitten
בְּי֤וֹם
(beyom)
op dag
אֶחָד֙
(echad)
één
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָעֲשִׂירִ֔י
(haasiri)
de tiende
לְדַרְי֖וֹשׁ
(ledaryosh)
om te onderzoeken
הַדָּבָֽר
(hadavar)
de zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְדַרְיוֹשׁ (ledaryosh): de spelling is ongewoon, met een extra jod.

Wij lezen het als ‘om te onderzoeken’, van het werkwoord דָּרַשׁ (darash).

הָעֲשִׂירִי (ha’asiri), ‘de tiende’: de tiende maand is ongeveer december/januari.

Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst: ‘Ezra de priester en mannen ... zonderden zich af’.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

17Op de eerste van de eerste maand waren zij klaar met alle mannen die vreemde vrouwen hadden laten wonen.
וַיְכַלּ֣וּ
(vaykhalu)
en zij maakten een einde
בַכֹּ֔ל
(bakol)
met allen
אֲנָשִׁ֕ים
(anashim)
mannen
הַהֹשִׁ֖יבוּ
(hahoshivu)
die hadden laten wonen
נָשִׁ֣ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֑וֹת
(nakheriyot)
vreemde
עַ֛ד
(ad)
tot
י֥וֹם
(yom)
dag
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לַחֹ֥דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָרִאשֽׁוֹן
(harishon)
de eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De eerste dag van de eerste maand is drie maanden na de eerste dag van de tiende maand (vers 16): het onderzoek duurde dus drie maanden.

Zie ookEzra 10:16

De mannen die vreemde vrouwen hadden

18Onder de zonen van de priesters werden mannen gevonden die vreemde vrouwen hadden laten wonen. Van de zonen van Jesua, de zoon van Jehozadak, en zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja.
וַיִּמָּצֵא֙
(vayimatse)
en werd gevonden
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
הַכֹּהֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֹשִׁ֖יבוּ
(hoshivu)
hadden laten wonen
נָשִׁ֣ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֑וֹת
(nakheriyot)
vreemde
מִבְּנֵ֨י
(mibenei)
van de zonen van
יֵשׁ֤וּעַ
(yeshua)
Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
יֽוֹצָדָק֙
(yotsadaq)
Jehozadak
וְאֶחָ֔יו
(veechav)
en zijn broers
מַֽעֲשֵׂיָה֙
(maaseya)
Maäseja
וֶֽאֱלִיעֶ֔זֶר
(veeliezer)
en Eliëzer
וְיָרִ֖יב
(veyariv)
en Jarib
וּגְדַלְיָֽה
(ugedalya)
en Gedalja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De lijst volgt de volgorde: priesters (18–22), Levieten (23), zangers en poortwachters (24), en de rest van Israël (25–43).

יֵשׁוּעַ בֶּן יוֹצָדָק (Jesua ben Jotsadak): de Hebreeuwse spelling is hier ‘Jotsadak’. Wij schrijven ‘Jehozadak’, zoals in 1 Kron. 5:40–41.

19Zij gaven hun hand erop dat zij hun vrouwen zouden wegsturen. Als schuldigen brachten zij een ram uit het kleinvee voor hun schuld.
וַיִּתְּנ֥וּ
(vayitenu)
en zij gaven
יָדָ֖ם
(yadam)
hun hand
לְהוֹצִ֣יא
(lehotsi)
om weg te sturen
נְשֵׁיהֶ֑ם
(nesheihem)
hun vrouwen
וַאֲשֵׁמִ֥ים
(vaashemim)
en schuldigen
אֵֽיל
(eil)
een ram van
צֹ֖אן
(tson)
kleinvee
עַל
(al)
voor
אַשְׁמָתָֽם
(ashmatam)
hun schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָתְנוּ יָד (natenu yad), ‘zij gaven hun hand’: een handslag als teken van belofte.

אֲשֵׁמִים (ashemim), ‘schuldigen’: zij erkennen hun schuld. Het offer is een schuldoffer (asham) van een ram, zoals in Lev. 5:15.

20Van de zonen van Immer: Chanani en Zebadja.
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
אִמֵּ֔ר
(imer)
Immer
חֲנָ֖נִי
(chanani)
Chanani
וּזְבַדְיָֽה
(uzevadya)
en Zebadja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Van de zonen van Charim: Maäseja, Elia, Sjemaja, Jechiël en Uzzia.
וּמִבְּנֵ֖י
(umibenei)
en van de zonen van
חָרִ֑ם
(charim)
Charim
מַעֲשֵׂיָ֤ה
(maaseya)
Maäseja
וְאֵֽלִיָּה֙
(veeliya)
en Elia
וּֽשְׁמַֽעְיָ֔ה
(ushemaya)
en Sjemaja
וִיחִיאֵ֖ל
(vichiel)
en Jechiël
וְעֻזִיָּֽה
(veuziya)
en Uzzia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Van de zonen van Pasjchur: Eljoënai, Maäseja, Jisjmaël, Netanel, Jozabad en Elasa.
וּמִבְּנֵ֖י
(umibenei)
en van de zonen van
פַּשְׁח֑וּר
(pashchur)
Pasjchur
אֶלְיוֹעֵינַ֤י
(elyoeinay)
Eljoënai
מַֽעֲשֵׂיָה֙
(maaseya)
Maäseja
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
נְתַנְאֵ֔ל
(netanel)
Netanel
יוֹזָבָ֖ד
(yozavad)
Jozabad
וְאֶלְעָשָֽׂה
(veelasa)
en Elasa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Van de Levieten: Jozabad, Simi, Kelaja, dat is Kelita, Petachja, Juda en Eliëzer.
וּמִֽן
(umin)
en van
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
יוֹזָבָ֣ד
(yozavad)
Jozabad
וְשִׁמְעִ֗י
(veshimi)
en Simi
וְקֵֽלָיָה֙
(veqelaya)
en Kelaja
ה֣וּא
(hu)
dat is
קְלִיטָ֔א
(qelita)
Kelita
פְּתַֽחְיָ֥ה
(petachya)
Petachja
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וֶאֱלִיעֶֽזֶר
(veeliezer)
en Eliëzer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְלָיָה הוּא קְלִיטָא (Qelayah hu Qelita), ‘Kelaja, dat is Kelita’: een man met twee namen.

24Van de zangers: Eljasib. Van de poortwachters: Sjallum, Telem en Uri.
וּמִן
(umin)
en van
הַמְשֹׁרְרִ֖ים
(hamshorerim)
de zangers
אֶלְיָשִׁ֑יב
(elyashiv)
Eljasib
וּמִן
(umin)
en van
הַשֹּׁ֣עֲרִ֔ים
(hashoarim)
de poortwachters
שַׁלֻּ֥ם
(shalum)
Sjallum
וָטֶ֖לֶם
(vatelem)
en Telem
וְאוּרִֽי
(veuri)
en Uri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Van Israël, van de zonen van Parosj: Ramja, Jizzia, Malkia, Mijamin, Eleazar, Malkia en Benaja.
וּמִֽיִּשְׂרָאֵ֑ל
(umiyisrael)
en van Israël
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
פַרְעֹ֡שׁ
(parosh)
Parosj
רַ֠מְיָה
(ramya)
Ramja
וְיִזִּיָּ֤ה
(veyiziya)
en Jizzia
וּמַלְכִּיָּה֙
(umalkiya)
en Malkia
וּמִיָּמִ֣ן
(umiyamin)
en Mijamin
וְאֶלְעָזָ֔ר
(veelazar)
en Eleazar
וּמַלְכִּיָּ֖ה
(umalkiya)
en Malkia
וּבְנָיָֽה
(uvenaya)
en Benaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Van Israël’: de gewone Israëlieten, dus niet priesters, Levieten, zangers of poortwachters.

26Van de zonen van Elam: Mattanja, Zacharia, Jechiël, Abdi, Jeremot en Elia.
וּמִבְּנֵ֖י
(umibenei)
en van de zonen van
עֵילָ֑ם
(eilam)
Elam
מַתַּנְיָ֤ה
(matanya)
Mattanja
זְכַרְיָה֙
(zekharya)
Zacharia
וִיחִיאֵ֣ל
(vichiel)
en Jechiël
וְעַבְדִּ֔י
(veavdi)
en Abdi
וִירֵמ֖וֹת
(viremot)
en Jeremot
וְאֵלִיָּֽה
(veeliya)
en Elia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Van de zonen van Zattu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, Jeremot, Zabad en Aziza.
וּמִבְּנֵ֖י
(umibenei)
en van de zonen van
זַתּ֑וּא
(zatu)
Zattu
אֶלְיוֹעֵנַ֤י
(elyoenay)
Eljoënai
אֶלְיָשִׁיב֙
(elyashiv)
Eljasib
מַתַּנְיָ֣ה
(matanya)
Mattanja
וִֽירֵמ֔וֹת
(viremot)
en Jeremot
וְזָבָ֖ד
(vezavad)
en Zabad
וַעֲזִיזָֽא
(vaaziza)
en Aziza
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Van de zonen van Bebai: Johanan, Chananja, Zabbai en Atlai.
וּמִבְּנֵ֖י
(umibenei)
en van de zonen van
בֵּבָ֑י
(bevay)
Bebai
יְהוֹחָנָ֥ן
(yehochanan)
Johanan
חֲנַנְיָ֖ה
(chananya)
Chananja
זַבַּ֥י
(zabay)
Zabbai
עַתְלָֽי
(atlay)
Atlai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Van de zonen van Bani: Mesjullam, Malluk, Adaja, Jasjub, Sjeal en Ramot.
וּמִבְּנֵ֖י
(umibenei)
en van de zonen van
בָּנִ֑י
(bani)
Bani
מְשֻׁלָּ֤ם
(meshulam)
Mesjullam
מַלּוּךְ֙
(malukh)
Malluk
וַעֲדָיָ֔ה
(vaadaya)
en Adaja
יָשׁ֖וּב
(yashuv)
Jasjub
וּשְׁאָ֥ל
(usheal)
en Sjeal
וְרָמֽוֹת
(veramot)
en Ramot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ירמות (Jeremot).

De voorgelezen tekst (qere) heeft וְרָמוֹת (veramot), ‘en Ramot’.

Wij volgen het qere.

30Van de zonen van Pachat-Moab: Adna, Kelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Bezaleël, Binnoei en Manasse.
וּמִבְּנֵ֛י
(umibenei)
en van de zonen van
פַּחַ֥ת
(pachat)
Pachat
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
עַדְנָ֣א
(adna)
Adna
וּכְלָ֑ל
(ukhelal)
en Kelal
בְּנָיָ֤ה
(benaya)
Benaja
מַעֲשֵׂיָה֙
(maaseya)
Maäseja
מַתַּנְיָ֣ה
(matanya)
Mattanja
בְצַלְאֵ֔ל
(betsalel)
Bezaleël
וּבִנּ֖וּי
(uvinuy)
en Binnoei
וּמְנַשֶּֽׁה
(umenashe)
en Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Van de zonen van Charim: Eliëzer, Jisjia, Malkia, Sjemaja en Simeon.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
חָרִ֑ם
(charim)
Charim
אֱלִיעֶ֧זֶר
(eliezer)
Eliëzer
יִשִּׁיָּ֛ה
(yishiya)
Jisjia
מַלְכִּיָּ֖ה
(malkiya)
Malkia
שְׁמַֽעְיָ֥ה
(shemaya)
Sjemaja
שִׁמְעֽוֹן
(shimon)
Simeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Benjamin, Malluk en Sjemarja.
בְּנְיָמִ֥ן
(beneyamin)
Benjamin
מַלּ֖וּךְ
(malukh)
Malluk
שְׁמַרְיָֽה
(shemarya)
Sjemarja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Van de zonen van Chasjum: Mattenai, Mattatta, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse en Simi.
מִבְּנֵ֖י
(mibenei)
van de zonen van
חָשֻׁ֑ם
(chashum)
Chasjum
מַתְּנַ֤י
(matenay)
Mattenai
מַתַּתָּה֙
(matata)
Mattatta
זָבָ֣ד
(zavad)
Zabad
אֱלִיפֶ֔לֶט
(elifelet)
Elifelet
יְרֵמַ֥י
(yeremay)
Jeremai
מְנַשֶּׁ֖ה
(menashe)
Manasse
שִׁמְעִֽי
(shimi)
Simi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Van de zonen van Bani: Maädai, Amram en Uël.
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
בָנִ֔י
(bani)
Bani
מַעֲדַ֥י
(maaday)
Maädai
עַמְרָ֖ם
(amram)
Amram
וְאוּאֵֽל
(veuel)
en Uël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Benaja, Bedja en Keluhu.
בְּנָיָ֥ה
(benaya)
Benaja
בֵדְיָ֖ה
(bedeya)
Bedja
כְּלֽוּהוּ
(keluhu)
Keluhu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Wanja, Meremot en Eljasib.
וַנְיָ֥ה
(vanya)
Wanja
מְרֵמ֖וֹת
(meremot)
Meremot
אֶלְיָשִֽׁיב
(elyashiv)
Eljasib
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Mattanja, Mattenai en Jaäsai.
מַתַּנְיָ֥ה
(matanya)
Mattanja
מַתְּנַ֖י
(matenay)
Mattenai
וְיַעֲשָֽׂי
(veyaasay)
en Jaäsai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ויעשו (‘en zij deden’).

De voorgelezen tekst (qere) heeft וְיַעֲשָׂי (Jaäsai), een naam.

Wij volgen het qere.

38Bani, Binnoei en Simi.
וּבָנִ֥י
(uvani)
en Bani
וּבִנּ֖וּי
(uvinuy)
en Binnoei
שִׁמְעִֽי
(shimi)
Simi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Sjelemja, Natan en Adaja.
וְשֶֽׁלֶמְיָ֥ה
(veshelemya)
en Sjelemja
וְנָתָ֖ן
(venatan)
en Natan
וַעֲדָיָֽה
(vaadaya)
en Adaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Machnadbai, Sjasjai en Sjarai.
מַכְנַדְבַ֥י
(makhnadvay)
Machnadbai
שָׁשַׁ֖י
(shashay)
Sjasjai
שָׁרָֽי
(sharay)
Sjarai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Azarel, Sjelemjahu en Sjemarja.
עֲזַרְאֵ֥ל
(azarel)
Azarel
וְשֶׁלֶמְיָ֖הוּ
(veshelemyahu)
en Sjelemjahu
שְׁמַרְיָֽה
(shemarya)
Sjemarja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Sjallum, Amarja en Josef.
שַׁלּ֥וּם
(shalum)
Sjallum
אֲמַרְיָ֖ה
(amarya)
Amarja
יוֹסֵֽף
(yosef)
Josef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Van de zonen van Nebo: Jeïël, Mattitja, Zabad, Zebina, Jaddai, Joël en Benaja.
מִבְּנֵ֖י
(mibenei)
van de zonen van
נְב֑וֹ
(nevo)
Nebo
יְעִיאֵ֤ל
(yeiel)
Jeïël
מַתִּתְיָה֙
(matitya)
Mattitja
זָבָ֣ד
(zavad)
Zabad
זְבִינָ֔א
(zevina)
Zebina
יַדַּ֥י
(yaday)
Jaddai
וְיוֹאֵ֖ל
(veyoel)
en Joël
בְּנָיָֽה
(benaya)
Benaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ידו (Jaddu).

De voorgelezen tekst (qere) heeft יַדַּי (Jaddai).

Wij volgen het qere.

44Al dezen hadden vreemde vrouwen genomen. Er waren onder hen ook vrouwen die zonen hadden gebaard.
כָּל
(kal)
allen
אֵ֕לֶּה
(ele)
dezen
נָשְׂא֖וּ
(naseu)
hadden genomen
נָשִׁ֣ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֑וֹת
(nakheriyot)
vreemde
וְיֵ֣שׁ
(veyesh)
en er waren
מֵהֶ֣ם
(mehem)
onder hen
נָשִׁ֔ים
(nashim)
vrouwen
וַיָּשִׂ֖ימוּ
(vayasimu)
en zij stelden
בָּנִֽים
(banim)
zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De laatste zin is moeilijk: letterlijk ‘en er waren onder hen vrouwen, en zij stelden zonen’.

Het is niet duidelijk wie het onderwerp van ‘zij stelden’ is.

Wij vertalen: er waren onder hen ook vrouwen die zonen hadden gebaard.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Lezing

Het ketiv heeft de letters נשאי; het qere heeft נָשְׂאוּ (nase’u), ‘zij hadden genomen’.

Wij volgen het qere.