Elohim Bijbel

Ezra 7

12345678910

Ezra trekt naar Jeruzalem met de brief van Artachsasta

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De afkomst van Ezra

1Na deze gebeurtenissen, onder het koningschap van Artachsasta, de koning van Perzië: Ezra, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia,
וְאַחַר֙
(veachar)
en na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de gebeurtenissen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
בְּמַלְכ֖וּת
(bemalkhut)
in het koningschap van
אַרְתַּחְשַׁ֣סְתְּא
(artachshaste)
Artachsasta
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרָ֑ס
(paras)
Perzië
עֶזְרָא֙
(ezra)
Ezra
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׂרָיָ֔ה
(seraya)
Seraja
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲזַרְיָ֖ה
(azarya)
Azarja
בֶּן
(ben)
zoon van
חִלְקִיָּֽה
(chilqiya)
Hilkia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Uitleg

וְאַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה (ve’achar hadevarim ha’elleh), ‘na deze gebeurtenissen’: tussen Ezra 6 en Ezra 7 ligt een lange tijd.

Het zevende jaar van Artachsasta (vers 7) is ongeveer 458 voor Christus, als het Artaxerxes I is.

Dat is ongeveer zestig jaar na de inwijding van de tempel.

Deze datering komt uit het geheugen en is niet gecontroleerd.

De afstammingslijst loopt van Ezra terug tot Aäron. Zij is korter dan die in 1 Kron. 5:29–41. Ezra 7 laat enkele namen weg, zoals Achimaäs en Johanan.

Seraja was de hoofdpriester die bij de val van Jeruzalem werd gedood (2 Kon. 25:18–21). Ezra stamt van hem af. Zijn zoon Jehozadak is in 1 Kron. 5:40 genoemd.

Hilkia heet in 1 Kron. 5:39 Chilkia. Wij schrijven ‘Hilkia’, zoals in 2 Kon. 22.

2de zoon van Sjallum, de zoon van Zadok, de zoon van Achitub,
בֶּן
(ben)
zoon van
שַׁלּ֥וּם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
צָד֖וֹק
(tsadoq)
Zadok
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיטֽוּב
(achituv)
Achitub
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3de zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajot,
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲמַרְיָ֥ה
(amarya)
Amarja
בֶן
(ben)
zoon van
עֲזַרְיָ֖ה
(azarya)
Azarja
בֶּן
(ben)
zoon van
מְרָיֽוֹת
(merayot)
Merajot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4de zoon van Zerachja, de zoon van Uzzi, de zoon van Bukki,
בֶּן
(ben)
zoon van
זְרַֽחְיָ֥ה
(zerachya)
Zerachja
בֶן
(ben)
zoon van
עֻזִּ֖י
(uzi)
Uzzi
בֶּן
(ben)
zoon van
בֻּקִּֽי
(buqi)
Bukki
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5de zoon van Abisjoea, de zoon van Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester.
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲבִישׁ֗וּעַ
(avishua)
Abisjoea
בֶּן
(ben)
zoon van
פִּֽינְחָס֙
(pinechas)
Pinechas
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְעָזָ֔ר
(elazar)
Eleazar
בֶּן
(ben)
zoon van
אַהֲרֹ֥ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
הָרֹֽאשׁ
(harosh)
de eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֹּהֵן הָרֹאשׁ (hakohen harosh), ‘de eerste priester’: Aäron was de eerste hoge priester (Exod. 28:1).

Ezra stamt van hem af.

6Deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een schriftgeleerde, bedreven in de wet van Mozes, die Yahweh, de Elohim van Israël, had gegeven. De koning gaf hem alles wat hij vroeg, want de hand van Yahweh, zijn Elohim, was over hem.
ה֤וּא
(hu)
hij
עֶזְרָא֙
(ezra)
Ezra
עָלָ֣ה
(ala)
trok op
מִבָּבֶ֔ל
(mibavel)
uit Babel
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
סֹפֵ֤ר
(sofer)
schriftgeleerde
מָהִיר֙
(mahir)
bedreven
בְּתוֹרַ֣ת
(betorat)
in de wet van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥ן
(natan)
gegeven had
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en gaf
ל֣וֹ
(lo)
hem
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כְּיַד
(keyad)
volgens de hand van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָיו֙
(elohav)
zijn Elohim
עָלָ֔יו
(alav)
over hem
כֹּ֖ל
(kol)
heel
בַּקָּשָׁתֽוֹ
(baqashato)
zijn verzoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

סֹפֵר (sofer), ‘schriftgeleerde’: iemand die schrijft, afschrijft en uitlegt.

Zo ook in de verzen 11 en 12.

מָהִיר (mahir), ‘bedreven’: vaardig, snel van begrip.

תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Moshe), ‘de wet van Mozes’: torah betekent ‘onderricht’. Wij vertalen ‘wet’.

כְּיַד־יְהוָה (keyad Yahweh), ‘de hand van Yahweh over hem’: Yahweh steunt en beschermt hem. De uitdrukking komt terug in de verzen 9 en 28.

De tocht naar Jeruzalem

7Ook trokken er Israëlieten op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van koning Artachsasta. Er waren priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempeldienaren bij.
וַיַּֽעֲל֣וּ
(vayaalu)
en trokken op
מִבְּנֵֽי
(mibenei)
van de zonen van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
וּמִן
(umin)
en van
הַכֹּהֲנִ֨ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֜ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְהַמְשֹׁרְרִ֧ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וְהַשֹּׁעֲרִ֛ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
וְהַנְּתִינִ֖ים
(vehanetinim)
en de tempeldienaren
אֶל
(el)
naar
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בִּשְׁנַת
(bishnat)
in het jaar
שֶׁ֖בַע
(sheva)
zeven
לְאַרְתַּחְשַׁ֥סְתְּא
(leartachshaste)
van Artachsasta
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הַנְּתִינִים (hanetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’, mensen die aan de tempel waren gegeven en de priesters en Levieten hielpen.

Zie Ezra 2:43 en 1 Kron. 9:2.

8Ezra kwam in Jeruzalem in de vijfde maand. Dat was het zevende jaar van de koning.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij kwam
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַחֲמִישִׁ֑י
(hachamishi)
de vijfde
הִ֛יא
(hi)
dat
שְׁנַ֥ת
(shenat)
jaar
הַשְּׁבִיעִ֖ית
(hasheviit)
het zevende
לַמֶּֽלֶךְ
(lamelekh)
van de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

9Want op de eerste dag van de eerste maand begon hij de tocht omhoog uit Babel. Op de eerste dag van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem, want de goede hand van zijn Elohim was over hem.
כִּ֗י
(ki)
want
בְּאֶחָד֙
(beechad)
op de eerste
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
ה֣וּא
(hu)
hij
יְסֻ֔ד
(yesud)
begon
הַֽמַּעֲלָ֖ה
(hamaala)
de tocht omhoog
מִבָּבֶ֑ל
(mibavel)
uit Babel
וּבְאֶחָ֞ד
(uveechad)
en op de eerste
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַחֲמִישִׁ֗י
(hachamishi)
de vijfde
בָּ֚א
(ba)
kwam hij
אֶל
(el)
naar
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כְּיַד
(keyad)
volgens de hand van
אֱלֹהָ֖יו
(elohav)
zijn Elohim
הַטּוֹבָ֥ה
(hatova)
de goede
עָלָֽיו
(alav)
over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הַמַּעֲלָה (hama’alah), ‘de tocht omhoog’: letterlijk ‘het opgaan’.

Jeruzalem ligt hoger dan Babel.

De tocht duurde vier maanden.

יְסֻד (yesud), ‘begon’: letterlijk ‘legde de grondslag’. Het werkwoord is hier ongebruikelijk. Wij begrijpen: hij begon de reis.

10Want Ezra had zijn hart erop gericht de wet van Yahweh te zoeken, die te doen en in Israël voorschrift en recht te onderwijzen.
כִּ֤י
(ki)
want
עֶזְרָא֙
(ezra)
Ezra
הֵכִ֣ין
(hekhin)
had gericht
לְבָב֔וֹ
(levavo)
zijn hart
לִדְר֛וֹשׁ
(lidrosh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
תּוֹרַ֥ת
(torat)
de wet van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלַעֲשֹׂ֑ת
(velaasot)
en om te doen
וּלְלַמֵּ֥ד
(ulelamed)
en om te onderwijzen
בְּיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
חֹ֥ק
(choq)
voorschrift
וּמִשְׁפָּֽט
(umishpat)
en recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹק (choq), ‘voorschrift’, en מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: de afspraken en de rechtspraak van de wet.

דָּרַשׁ (darash), ‘zoeken’: onderzoeken en navragen. Ezra zocht eerst, deed het daarna en onderwees het pas dan.

De brief van Artachsasta aan Ezra

11Dit is het afschrift van de brief die koning Artachsasta gaf aan Ezra, de priester en schriftgeleerde. Hij was schriftgeleerde in de woorden van de geboden van Yahweh en van Zijn voorschriften voor Israël:
וְזֶ֣ה
(veze)
en dit
פַּרְשֶׁ֣גֶן
(parshegen)
afschrift van
הַֽנִּשְׁתְּוָ֗ן
(hanishtevan)
de brief
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָתַן֙
(natan)
gaf
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַרְתַּחְשַׁ֔סְתְּא
(artachshaste)
Artachsasta
לְעֶזְרָ֥א
(leezra)
aan Ezra
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
הַסֹּפֵ֑ר
(hasofer)
de schriftgeleerde
סֹפֵ֞ר
(sofer)
schriftgeleerde van
דִּבְרֵ֧י
(divrei)
de woorden van
מִצְוֺת
(mitsvot)
de geboden van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וְחֻקָּ֖יו
(vechuqav)
en zijn voorschriften
עַל
(al)
voor
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het afschrift van de brief (verzen 12–26) is in het Aramees.

De inleiding in dit vers is Hebreeuws.

12„Artachsasta, koning der koningen, aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de Elohim van de hemel: volkomen. Enzovoort.
אַ֨רְתַּחְשַׁ֔סְתְּא
(artachshaste)
Artachsasta
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning van
מַלְכַיָּ֑א
(malkhaya)
koningen
לְעֶזְרָ֣א
(leezra)
aan Ezra
כָ֠הֲנָא
(kahana)
de priester
סָפַ֨ר
(safar)
schriftgeleerde van
דָּתָ֜א
(data)
de wet
דִּֽי
(di)
van
אֱלָ֧הּ
(elah)
de Elohim van
שְׁמַיָּ֛א
(shemaya)
de hemel
גְּמִ֖יר
(gemir)
volkomen
וּכְעֶֽנֶת
(ukheenet)
en enzovoort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier tot en met vers 26 is de brontekst Aramees.

Het is een brief van de Perzische koning.

מֶלֶךְ מַלְכַיָּא (melekh malkhayya), ‘koning der koningen’: een titel van de Perzische koning.

גְּמִיר (gemir), ‘volkomen’: het woord is onzeker. Het kan bij ‘schriftgeleerde’ horen (‘een volkomen schriftgeleerde’) of een groet zijn. Wij schrijven ‘volkomen’.

וּכְעֶנֶת (uke’enet), ‘enzovoort’: zie Ezra 4:10.

13Ik geef bevel: ieder in mijn koninkrijk uit het volk Israël, zijn priesters en de Levieten, mag met jou naar Jeruzalem gaan. Dat geldt voor ieder die vrijwillig wil gaan.
מִנִּי֮
(mini)
door mij
שִׂ֣ים
(sim)
wordt gegeven
טְעֵם֒
(teem)
bevel
דִּ֣י
(di)
dat
כָל
(kal)
ieder
מִתְנַדַּ֣ב
(mitnadav)
die vrijwillig wil
בְּמַלְכוּתִי֩
(bemalkhuti)
in mijn koninkrijk
מִן
(min)
uit
עַמָּ֨ה
(ama)
zijn volk
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
וְכָהֲנ֣וֹהִי
(vekhahanohi)
en zijn priesters
וְלֵוָיֵ֗א
(velevaye)
en de Levieten
לִמְהָ֧ךְ
(limhakh)
om te gaan
לִֽירוּשְׁלֶ֛ם
(lirushelem)
naar Jeruzalem
עִמָּ֖ךְ
(imakh)
met jou
יְהָֽךְ
(yehakh)
mag gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De koning spreekt Ezra aan met ‘je’ en ‘jij’.

Tegen de schatbewaarders in vers 21 gebruikt hij ‘jullie’.

14Want je bent gestuurd door de koning en zijn zeven raadsheren. Je moet onderzoek doen naar Juda en Jeruzalem, volgens de wet van je Elohim die je in je hand hebt.
כָּל
(kal)
omdat
קֳבֵ֗ל
(qovel)
tegenover
דִּי֩
(di)
dat
מִן
(min)
van
קֳדָ֨ם
(qodam)
voor het aangezicht van
מַלְכָּ֜א
(malka)
de koning
וְשִׁבְעַ֤ת
(veshivat)
en zeven
יָעֲטֹ֨הִי֙
(yaatohi)
zijn raadsheren
שְׁלִ֔יחַ
(sheliach)
je bent gestuurd
לְבַקָּרָ֥א
(levaqara)
om te onderzoeken
עַל
(al)
over
יְה֖וּד
(yehud)
Juda
וְלִֽירוּשְׁלֶ֑ם
(velirushelem)
en over Jeruzalem
בְּדָ֥ת
(bedat)
volgens de wet van
אֱלָהָ֖ךְ
(elahakh)
je Elohim
דִּ֥י
(di)
die
בִידָֽךְ
(bidakh)
in je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שִׁבְעָה יָעֲטוֹהִי (shiv’ah ya’atohi), ‘zijn zeven raadsheren’: een vaste groep adviseurs van de Perzische koning.

דָּת (dat), ‘wet’: hier de wet van Ezra’s Elohim.

15Je moet ook het zilver en goud meenemen dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig hebben gegeven aan de Elohim van Israël. Zijn woonplaats is in Jeruzalem.
וּלְהֵיבָלָ֖ה
(uleheivala)
en om mee te nemen
כְּסַ֣ף
(kesaf)
zilver
וּדְהַ֑ב
(udehav)
en goud
דִּֽי
(di)
dat
מַלְכָּ֣א
(malka)
de koning
וְיָעֲט֗וֹהִי
(veyaatohi)
en zijn raadsheren
הִתְנַדַּ֨בוּ֙
(hitnadavu)
vrijwillig gaven
לֶאֱלָ֣הּ
(leelah)
aan de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
דִּ֥י
(di)
wiens
בִֽירוּשְׁלֶ֖ם
(birushelem)
in Jeruzalem
מִשְׁכְּנֵֽהּ
(mishkeneh)
zijn woonplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִשְׁכְּנֵהּ (mishkenah), ‘zijn woonplaats’: de Elohim van Israël woont in Jeruzalem, in Zijn huis.

16Ook al het zilver en goud dat je in heel de provincie Babel vindt, moet je meenemen. Daarbij komen de vrijwillige gaven van het volk en van de priesters, die vrijwillig geven voor het huis van hun Elohim in Jeruzalem.
וְכֹל֙
(vekhol)
en al
כְּסַ֣ף
(kesaf)
het zilver
וּדְהַ֔ב
(udehav)
en goud
דִּ֣י
(di)
dat
תְהַשְׁכַּ֔ח
(tehashkach)
je zult vinden
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in heel
מְדִינַ֣ת
(medinat)
de provincie
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
עִם֩
(im)
met
הִתְנַדָּב֨וּת
(hitnadavut)
de vrijwillige gaven van
עַמָּ֤א
(ama)
het volk
וְכָֽהֲנַיָּא֙
(vekhahanaya)
en de priesters
מִֽתְנַדְּבִ֔ין
(mitnadevin)
die vrijwillig geven
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
אֱלָהֲהֹ֖ם
(elahahom)
hun Elohim
דִּ֥י
(di)
dat
בִירוּשְׁלֶֽם
(birushelem)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

17Koop daarom stipt met dit geld stieren, rammen en lammeren, met hun graanoffers en plengoffers. Breng ze op het altaar van het huis van jullie Elohim in Jeruzalem.
כָּל
(kal)
daarom
קֳבֵ֣ל
(qovel)
tegenover
דְּנָה֩
(dena)
dit
אָסְפַּ֨רְנָא
(asparna)
stipt
תִקְנֵ֜א
(tiqne)
koop je
בְּכַסְפָּ֣א
(bekhaspa)
met geld
דְנָ֗ה
(dena)
dit
תּוֹרִ֤ין
(torin)
stieren
דִּכְרִין֙
(dikhrin)
rammen
אִמְּרִ֔ין
(imerin)
lammeren
וּמִנְחָתְה֖וֹן
(uminchatehon)
en hun graanoffers
וְנִסְכֵּיה֑וֹן
(veniskeihon)
en hun plengoffers
וּתְקָרֵ֣ב
(uteqarev)
en je zult brengen
הִמּ֔וֹ
(himo)
hen
עַֽל
(al)
op
מַדְבְּחָ֔ה
(madbecha)
zijn altaar
דִּ֛י
(di)
dat van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אֱלָהֲכֹ֖ם
(elahakhom)
jullie Elohim
דִּ֥י
(di)
dat
בִירוּשְׁלֶֽם
(birushelem)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’, en נִסְכֵּיהוֹן (niskehon), ‘plengoffers’: de offers die bij het brandoffer horen (Num. 15:1–10).

18Wat jou en je broeders goed lijkt om te doen met de rest van het zilver en goud, mogen jullie doen. Dat moet gebeuren naar de wil van jullie Elohim.
וּמָ֣ה
(uma)
en wat
דִי֩
(di)
dat
עֲלָ֨ךְ
(alakh)
bij jou
וְעַל
(veal)
en bij
אֶחָ֜ךְ
(echakh)
je broeders
יֵיטַ֗ב
(yeitav)
goed lijkt
בִּשְׁאָ֛ר
(bishar)
met de rest van
כַּסְפָּ֥א
(kaspa)
het zilver
וְדַהֲבָ֖ה
(vedahava)
en het goud
לְמֶעְבַּ֑ד
(lemebad)
om te doen
כִּרְע֥וּת
(kirut)
naar de wil van
אֱלָהֲכֹ֖ם
(elahakhom)
jullie Elohim
תַּעַבְדֽוּן
(taavdun)
zullen jullie doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De voorwerpen die je zijn gegeven voor de dienst van het huis van je Elohim, lever je volledig af voor de Elohim van Jeruzalem.
וּמָֽאנַיָּא֙
(umanaya)
en de voorwerpen
דִּֽי
(di)
die
מִתְיַהֲבִ֣ין
(mityahavin)
worden gegeven
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
לְפָלְחָ֖ן
(lefalechan)
voor de dienst van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אֱלָהָ֑ךְ
(elahakh)
je Elohim
הַשְׁלֵ֕ם
(hashlem)
lever in zijn geheel af
קֳדָ֖ם
(qodam)
voor
אֱלָ֥הּ
(elah)
de Elohim van
יְרוּשְׁלֶֽם
(yerushelem)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

20Wat verder nodig is voor het huis van je Elohim en wat jij moet geven, mag je geven uit het schathuis van de koning.
וּשְׁאָ֗ר
(ushear)
en de rest van
חַשְׁחוּת֙
(chashchut)
de behoeften van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אֱלָהָ֔ךְ
(elahakh)
je Elohim
דִּ֥י
(di)
dat
יִפֶּל
(yipel)
nodig is
לָ֖ךְ
(lakh)
voor jou
לְמִנְתַּ֑ן
(lemintan)
om te geven
תִּנְתֵּ֕ן
(tinten)
zul je geven
מִן
(min)
uit
בֵּ֖ית
(beit)
het huis van
גִּנְזֵ֥י
(ginzei)
de schatten van
מַלְכָּֽא
(malka)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ik, koning Artachsasta, geef bevel aan alle schatbewaarders van het gebied over de rivier. Alles wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de Elohim van de hemel, van jullie vraagt, moet stipt worden gedaan.
וּ֠מִנִּי
(umini)
en door mij
אֲנָ֞ה
(ana)
ik
אַרְתַּחְשַׁ֤סְתְּא
(artachshaste)
Artachsasta
מַלְכָּא֙
(malka)
de koning
שִׂ֣ים
(sim)
wordt gegeven
טְעֵ֔ם
(teem)
bevel
לְכֹל֙
(lekhol)
aan alle
גִּזַּֽבְרַיָּ֔א
(gizavraya)
schatbewaarders
דִּ֖י
(di)
die
בַּעֲבַ֣ר
(baavar)
in gebied over
נַהֲרָ֑ה
(nahara)
de rivier
דִּ֣י
(di)
dat
כָל
(kal)
alles
דִּ֣י
(di)
wat
יִ֠שְׁאֲלֶנְכוֹן
(yishalenkhon)
zal vragen van jullie
עֶזְרָ֨א
(ezra)
Ezra
כָהֲנָ֜ה
(kahana)
de priester
סָפַ֤ר
(safar)
schriftgeleerde van
דָּתָא֙
(data)
de wet
דִּֽי
(di)
van
אֱלָ֣הּ
(elah)
de Elohim van
שְׁמַיָּ֔א
(shemaya)
de hemel
אָסְפַּ֖רְנָא
(asparna)
stipt
יִתְעֲבִֽד
(yitavid)
moet worden gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּזְבְּרַיָּא (gizbarayya), ‘schatbewaarders’: ambtenaren die de schatten van de koning beheren.

Zie ook Ezra 1:8.

22Dat geldt tot 100 talenten zilver, 100 kor tarwe, 100 bat wijn en 100 bat olie. Zout is er zonder voorgeschreven hoeveelheid.
עַד
(ad)
tot
כְּסַף֮
(kesaf)
zilver
כַּכְּרִ֣ין
(kakerin)
talenten
מְאָה֒
(mea)
100
וְעַד
(vead)
en tot
חִנְטִין֙
(chintin)
tarwe
כֹּרִ֣ין
(korin)
kor
מְאָ֔ה
(mea)
100
וְעַד
(vead)
en tot
חֲמַר֙
(chamar)
wijn
בַּתִּ֣ין
(batin)
bat
מְאָ֔ה
(mea)
100
וְעַד
(vead)
en tot
בַּתִּ֥ין
(batin)
bat
מְשַׁ֖ח
(meshach)
olie
מְאָ֑ה
(mea)
100
וּמְלַ֖ח
(umelach)
en zout
דִּי
(di)
dat
לָ֥א
(la)
niet
כְתָֽב
(ketav)
voorgeschreven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilogram.

Honderd talenten zijn dan ongeveer 3,4 ton zilver.

כּוֹר (kor): ongeveer 220 liter. Honderd kor zijn dan ongeveer 22.000 liter tarwe.

בַּת (bat): ongeveer 22 liter. Honderd bat zijn dan ongeveer 2.200 liter. De omrekeningen zijn bij benadering en komen uit het geheugen.

23Alles wat de Elohim van de hemel heeft bevolen, moet nauwgezet worden gedaan voor het huis van de Elohim van de hemel. Waarom zou er toorn komen over het koninkrijk van de koning en zijn zonen?
כָּל
(kal)
alles
דִּ֗י
(di)
wat
מִן
(min)
op
טַ֨עַם֙
(taam)
bevel van
אֱלָ֣הּ
(elah)
de Elohim van
שְׁמַיָּ֔א
(shemaya)
de hemel
יִתְעֲבֵד֙
(yitaved)
moet worden gedaan
אַדְרַזְדָּ֔א
(adrazda)
nauwgezet
לְבֵ֖ית
(leveit)
voor het huis van
אֱלָ֣הּ
(elah)
de Elohim van
שְׁמַיָּ֑א
(shemaya)
de hemel
דִּֽי
(di)
opdat
לְמָ֤ה
(lema)
waarom
לֶֽהֱוֵא֙
(leheve)
zou zijn
קְצַ֔ף
(qetsaf)
toorn
עַל
(al)
over
מַלְכ֥וּת
(malkhut)
het koninkrijk van
מַלְכָּ֖א
(malka)
de koning
וּבְנֽוֹהִי
(uvenohi)
en zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַדְרַזְדָּא (adrazda), ‘nauwgezet’: een zeldzaam woord, waarschijnlijk uit het Perzisch.

De betekenis ‘nauwgezet’ is niet zeker.

24Aan jullie laten wij ook weten dat niemand bevoegd is belasting, schatting of tol op te leggen. Dat geldt voor alle priesters, Levieten, zangers, poortwachters, tempeldienaren en dienaren van dit huis van Elohim.
וּלְכֹ֣ם
(ulekhom)
en aan jullie
מְהוֹדְעִ֗ין
(mehodein)
laten wij weten
דִּ֣י
(di)
dat
כָל
(kal)
alle
כָּהֲנַיָּ֣א
(kahanaya)
priesters
וְ֠לֵוָיֵא
(velevaye)
en Levieten
זַמָּ֨רַיָּ֤א
(zamaraya)
zangers
תָרָֽעַיָּא֙
(taraaya)
poortwachters
נְתִ֣ינַיָּ֔א
(netinaya)
tempeldienaren
וּפָ֣לְחֵ֔י
(ufalechei)
en dienaren van
בֵּ֖ית
(beit)
het huis van
אֱלָהָ֣א
(elaha)
Elohim
דְנָ֑ה
(dena)
dit
מִנְדָּ֤ה
(minda)
belasting
בְלוֹ֙
(belo)
schatting
וַהֲלָ֔ךְ
(vahalakh)
en tol
לָ֥א
(la)
niet
שַׁלִּ֖יט
(shalit)
is toegestaan
לְמִרְמֵ֥א
(lemirme)
om op te leggen
עֲלֵיהֹֽם
(aleihom)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De koning bedoelt de belastingen uit Ezra 4:13.

Wie in dienst van de tempel staat, hoeft die niet te betalen.

מְהוֹדְעִין (mehodin), ‘laten wij weten’: de koning spreekt hier in het meervoud van majesteit.

25En jij, Ezra, stel naar de wijsheid van je Elohim, die je in je hand hebt, magistraten en rechters aan. Zij spreken recht over heel het volk in het gebied over de rivier, over allen die de wetten van je Elohim kennen. Wie ze niet kent, moeten jullie onderwijzen.
וְאַ֣נְתְּ
(veant)
en jij
עֶזְרָ֗א
(ezra)
Ezra
כְּחָכְמַ֨ת
(kechakhemat)
volgens de wijsheid van
אֱלָהָ֤ךְ
(elahakh)
je Elohim
דִּֽי
(di)
die
בִידָךְ֙
(bidakh)
in je hand
מֶ֣נִּי
(meni)
stel aan
שָׁפְטִ֞ין
(shafetin)
magistraten
וְדַיָּנִ֗ין
(vedayanin)
en rechters
דִּי
(di)
die
לֶהֱוֺ֤ן
(lehevon)
zij zullen zijn
דָּאיְנִין֙
(daynin)
rechtspreken
לְכָל
(lekhal)
voor heel
עַמָּה֙
(ama)
het volk
דִּ֚י
(di)
dat
בַּעֲבַ֣ר
(baavar)
in gebied over
נַהֲרָ֔ה
(nahara)
de rivier
לְכָל
(lekhal)
voor allen
יָדְעֵ֖י
(yadeei)
die kennen
דָּתֵ֣י
(datei)
de wetten van
אֱלָהָ֑ךְ
(elahakh)
je Elohim
וְדִ֧י
(vedi)
en wie
לָ֦א
(la)
niet
יָדַ֖ע
(yada)
weet
תְּהוֹדְעֽוּן
(tehodeun)
zullen jullie onderwijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁפְטִין וְדַיָּנִין (shaftin vedayyanin), ‘magistraten en rechters’: twee woorden voor mensen die recht spreken.

Het verschil tussen beide is niet helemaal duidelijk.

דָּתֵי אֱלָהָךְ (datei elahakh), ‘de wetten van je Elohim’: de wet van Mozes. Wie haar niet kent, moet worden onderwezen.

26Ieder die de wet van je Elohim en de wet van de koning niet houdt, aan hem moet stipt het oordeel worden voltrokken. Dat oordeel is: de dood, verbanning, een boete in goederen of gevangenschap.”
וְכָל
(vekhal)
en ieder
דִּי
(di)
die
לָא֩
(la)
niet
לֶהֱוֵ֨א
(leheve)
zal zijn
עָבֵ֜ד
(aved)
houdend
דָּתָ֣א
(data)
de wet
דִֽי
(di)
van
אֱלָהָ֗ךְ
(elahakh)
je Elohim
וְדָתָא֙
(vedata)
en de wet
דִּ֣י
(di)
van
מַלְכָּ֔א
(malka)
de koning
אָסְפַּ֕רְנָא
(asparna)
stipt
דִּינָ֕ה
(dina)
het oordeel
לֶהֱוֵ֥א
(leheve)
zal zijn
מִתְעֲבֵ֖ד
(mitaved)
uitgevoerd
מִנֵּ֑הּ
(mineh)
over hem
הֵ֤ן
(hen)
of
לְמוֹת֙
(lemot)
tot de dood
הֵ֣ן
(hen)
of
לִשְׁרֹשִׁ֔י
(lishroshi)
tot verbanning
הֵן
(hen)
of
לַעֲנָ֥שׁ
(laanash)
tot boete
נִכְסִ֖ין
(nikhsin)
goederen
וְלֶאֱסוּרִֽין
(veleesurin)
en tot gevangenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier eindigt het Aramese deel van de brief (Ezra 7:12–26).

Het volgende vers is weer Hebreeuws.

שְׁרֹשִׁי (sheroshi), ‘verbanning’: letterlijk ‘ontwortelen’. Het kan ook ‘uitroeiing’ betekenen. De betekenis is onzeker.

נִכְסִין (nikhsin), ‘goederen’: het bezit van de schuldige wordt in beslag genomen.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft לשרשו (lesharsho).

De voorgelezen tekst (qere) heeft לִשְׁרֹשִׁי (lisheroshi), ‘tot verbanning’.

Wij volgen het qere.

Ezra prijst Yahweh

27Gezegend is Yahweh, de Elohim van onze vaders. Hij heeft zoiets in het hart van de koning gelegd, om het huis van Yahweh in Jeruzalem te verheerlijken.
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
כָּזֹאת֙
(kazot)
zoiets
בְּלֵ֣ב
(belev)
in het hart van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְפָאֵ֕ר
(lefaer)
om te verheerlijken
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Vanaf dit vers is de brontekst weer Hebreeuws.

Ezra spreekt vanaf hier in de ik-vorm, tot en met Ezra 9.

בָּרוּךְ (barukh), ‘gezegend’: een lofzegging aan Yahweh. De woorden zijn van Ezra, niet van de koning.

28Hij heeft Zijn trouw op mij gericht voor het aangezicht van de koning, zijn raadgevers en alle machtige vorsten van de koning. Ik vatte moed, want de hand van Yahweh, mijn Elohim, was over mij. Ik verzamelde hoofden uit Israël om met mij op te trekken.
וְעָלַ֣י
(vealay)
en over mij
הִטָּה
(hita)
richtte
חֶ֗סֶד
(chesed)
trouw
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְיֽוֹעֲצָ֔יו
(veyoatsav)
en zijn raadgevers
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor alle
שָׂרֵ֥י
(sarei)
vorsten van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַגִּבֹּרִ֑ים
(hagiborim)
de machtigen
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
הִתְחַזַּ֗קְתִּי
(hitchazaqti)
vatte moed
כְּיַד
(keyad)
volgens de hand van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַי֙
(elohay)
mijn Elohim
עָלַ֔י
(alay)
over mij
וָאֶקְבְּצָ֧ה
(vaeqbetsa)
en ik verzamelde
מִיִּשְׂרָאֵ֛ל
(miyisrael)
uit Israël
רָאשִׁ֖ים
(rashim)
hoofden
לַעֲל֥וֹת
(laalot)
om op te trekken
עִמִּֽי
(imi)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: Yahweh liet Zijn trouw blijken in de gunst van de koning en zijn raadgevers.

Letterlijk: ‘Hij boog trouw over mij’.

רָאשִׁים (rashim), ‘hoofden’: de leiders van de vaderhuizen.