Spotlied over de koning van Babel en de last over Filistea
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh ontfermt Zich over Jakob
1Want Yahweh zal Zich ontfermen over Jakob. Hij zal Israël opnieuw kiezen en hen laten rusten op hun eigen grond. De vreemdeling zal zich bij hen voegen en zich aansluiten bij het huis van Jakob.
כִּי֩
(ki)
want
יְרַחֵ֨ם
(yerachem)
Hij zal zich ontfermen
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽת
(et)
(obj.)
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
וּבָחַ֥ר
(uvachar)
en Hij zal kiezen
עוֹד֙
(od)
nog
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
וְהִנִּיחָ֖ם
(vehinicham)
en Hij zal hen laten rusten
עַל
(al)
op
אַדְמָתָ֑ם
(admatam)
hun grond
וְנִלְוָ֤ה
(venilva)
en zal zich voegen
הַגֵּר֙
(hager)
de vreemdeling
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
bij hen
וְנִסְפְּח֖וּ
(venispechu)
en zij zullen zich aansluiten
עַל
(al)
bij
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָחַם (racham), ‘zich ontfermen’: hetzelfde werkwoord als in Hos. 1:6–7.
הַגֵּר (hager), ‘de vreemdeling’: iemand uit een ander volk die bij Israël woont; zie Lev. 19:33.
2Volken zullen hen nemen en naar hun plaats brengen. Het huis van Israël zal hen in bezit nemen op de grond van Yahweh, als dienaren en dienaressen. Zij zullen hun gevangenhouders gevangen nemen en heersen over hun drijvers.
וּלְקָח֣וּם
(uleqachum)
en zij zullen hen nemen
עַמִּים֮
(amim)
volken
וֶהֱבִיא֣וּם
(vehevium)
en zullen hen brengen
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמָם֒
(meqomam)
hun plaats
וְהִֽתְנַחֲל֣וּם
(vehitnachalum)
en zal hen in bezit nemen
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
עַ֚ל
(al)
op
אַדְמַ֣ת
(admat)
grond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲבָדִ֖ים
(laavadim)
tot dienaren
וְלִשְׁפָח֑וֹת
(velishfachot)
en tot dienaressen
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en zij zullen zijn
שֹׁבִ֣ים
(shovim)
gevangennemers
לְשֹֽׁבֵיהֶ֔ם
(leshoveihem)
van hun gevangenhouders
וְרָד֖וּ
(veradu)
en zij zullen heersen
בְּנֹגְשֵׂיהֶֽם
(benogeseihem)
over hun drijvers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In de eerste zin zijn ‘hen’ de Israëlieten: de volken brengen hen terug naar hun plaats.
In de tweede zin zijn ‘hen’ de volken: Israël neemt hen in bezit.
שֹׁבִים לְשֹׁבֵיהֶם (shovim leshoveyhem), ‘zij zullen hun gevangenhouders gevangen nemen’: letterlijk ‘gevangenmakers van hun gevangenmakers’. De rollen worden omgekeerd.
9Sjeol beneden komt in beroering over jou, om je komst tegemoet te gaan. Het wekt voor jou de schimmen op, alle leiders van de aarde. Het laat alle koningen van de volken opstaan van hun tronen.
שְׁא֗וֹל
(sheol)
Sjeol
מִתַּ֛חַת
(mitachat)
beneden
רָגְזָ֥ה
(rageza)
is in beroering
לְךָ֖
(lekha)
over jou
לִקְרַ֣את
(liqrat)
om te ontmoeten
בּוֹאֶ֑ךָ
(boekha)
je komst
עוֹרֵ֨ר
(orer)
wekt op
לְךָ֤
(lekha)
voor jou
רְפָאִים֙
(refaim)
schimmen
כָּל
(kal)
alle
עַתּ֣וּדֵי
(atudei)
leiders van
אָ֔רֶץ
(arets)
de aarde
הֵקִים֙
(heqim)
laat opstaan
מִכִּסְאוֹתָ֔ם
(mikisotam)
van hun tronen
כֹּ֖ל
(kol)
alle
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
גוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk; zie Ps. 6:6.
רְפָאִים (refa’im), ‘schimmen’: de doden in Sjeol; zie Ps. 88:11.
עַתּוּדֵי (attudei), ‘leiders’: letterlijk ‘bokken’, de bokken die de kudde aanvoeren.
12Hoe ben je uit de hemel gevallen, Schitterende, zoon van de dageraad! Je bent neergehouwen op de aarde, jij die volken versloeg.
אֵ֛יךְ
(eikh)
hoe
נָפַ֥לְתָּ
(nafalta)
je bent gevallen
מִשָּׁמַ֖יִם
(mishamayim)
uit de hemel
הֵילֵ֣ל
(heilel)
Schitterende
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁ֑חַר
(shachar)
dageraad
נִגְדַּ֣עְתָּ
(nigdata)
je bent neergehouwen
לָאָ֔רֶץ
(laarets)
op de aarde
חוֹלֵ֖שׁ
(cholesh)
die versloeg
עַל
(al)
over
גּוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵילֵל בֶּן שָׁחַר (helel ben shachar), ‘Schitterende, zoon van de dageraad’: helel komt van het werkwoord הָלַל (halal), ‘schitteren’; shachar is de dageraad.
Het gaat om de morgenster, die vlak voor de zon opkomt en dan verdwijnt.
In de Latijnse traditie heet hij ‘Lucifer’ (‘lichtbrenger’).
Hier is hij een beeld voor de koning van Babel (vers 4).
חוֹלֵשׁ (cholesh), ‘die versloeg’: het werkwoord betekent ‘overwinnen’ of ‘neerwerpen’; de betekenis is niet helemaal zeker.
13Jij zei in je hart: ‘Ik zal naar de hemel opstijgen. Boven de sterren van El zal ik mijn troon verheffen. Ik zal zitten op de berg van de samenkomst, in de uithoeken van het noorden.
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
אָמַ֤רְתָּ
(amarta)
je zei
בִֽלְבָבְךָ֙
(bilvavekha)
in je hart
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
אֶֽעֱלֶ֔ה
(eele)
ik zal opstijgen
מִמַּ֥עַל
(mimaal)
boven
לְכֽוֹכְבֵי
(lekhokhevei)
de sterren van
אֵ֖ל
(el)
El
אָרִ֣ים
(arim)
ik zal verheffen
כִּסְאִ֑י
(kisi)
mijn troon
וְאֵשֵׁ֥ב
(veeshev)
en ik zal zitten
בְּהַר
(behar)
op de berg van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
בְּיַרְכְּתֵ֥י
(beyarketei)
in de uithoeken van
צָפֽוֹן
(tsafon)
het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כּוֹכְבֵי אֵל (kokhevei El), ‘de sterren van El’: de sterren aan de hemel van Elohim.
הַר מוֹעֵד (har mo’ed), ‘de berg van de samenkomst’: מוֹעֵד (mo’ed) is ‘samenkomst’, zoals in ‘tent van samenkomst’ (Exod. 27:21).
יַרְכְּתֵי צָפוֹן (yarketei tsafon), ‘de uithoeken van het noorden’: zo staat het ook in Ps. 48:3.
17die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden afbrak, die zijn gevangenen niet naar huis liet gaan?’
שָׂ֥ם
(sam)
die maakte
תֵּבֵ֛ל
(tevel)
wereld
כַּמִּדְבָּ֖ר
(kamidbar)
als woestijn
וְעָרָ֣יו
(vearav)
en haar steden
הָרָ֑ס
(haras)
brak af
אֲסִירָ֖יו
(asirav)
zijn gevangenen
לֹא
(lo)
niet
פָ֥תַח
(patach)
liet gaan
בָּֽיְתָה
(bayeta)
naar huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲסִירָיו לֹא פָתַח בָּיְתָה (asirav lo patach bayetah), ‘zijn gevangenen liet hij niet naar huis gaan’: letterlijk ‘zijn gevangenen opende hij niet naar huis’.
19Maar jij bent uit je graf weggeworpen, als een verafschuwde loot. Je bent bedekt met gedoden, met doorstokenen door het zwaard, die neerdalen naar de stenen van de kuil. Je bent als een vertrapt lijk.
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
הָשְׁלַ֤כְתָּ
(hashelakhta)
bent weggeworpen
מִֽקִּבְרְךָ֙
(miqivrekha)
uit je graf
כְּנֵ֣צֶר
(kenetser)
als een loot
נִתְעָ֔ב
(nitav)
verafschuwde
לְב֥וּשׁ
(levush)
bedekking van
הֲרֻגִ֖ים
(harugim)
gedoden
מְטֹ֣עֲנֵי
(metoanei)
doorstokenen van
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
יוֹרְדֵ֥י
(yoredei)
die neerdalen
אֶל
(el)
naar
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
ב֖וֹר
(bor)
kuil
כְּפֶ֥גֶר
(kefeger)
als een lijk
מוּבָֽס
(muvas)
vertrapt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֵצֶר (netser), ‘loot’: een jonge tak.
Een afgehouwen en weggegooide tak is waardeloos en wordt verafschuwd.
אַבְנֵי בוֹר (avnei vor), ‘de stenen van de kuil’: waarschijnlijk de stenen in een grafkuil. De betekenis is niet helemaal zeker.
20Je zult niet met hen verenigd zijn in het graf, want je hebt je land verwoest en je volk gedood. Het nageslacht van de boosdoeners zal voor eeuwig niet meer worden genoemd.
לֹֽא
(lo)
niet
תֵחַ֤ד
(techad)
je zult verenigd zijn
אִתָּם֙
(itam)
met hen
בִּקְבוּרָ֔ה
(biqvura)
in het graf
כִּֽי
(ki)
want
אַרְצְךָ֥
(artsekha)
je land
שִׁחַ֖תָּ
(shichata)
verwoestte je
עַמְּךָ֣
(amekha)
je volk
הָרָ֑גְתָּ
(haragta)
doodde je
לֹֽא
(lo)
niet
יִקָּרֵ֥א
(yiqare)
zal genoemd worden
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor eeuwig
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
מְרֵעִֽים
(mereim)
boosdoeners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זֶרַע מְרֵעִים (zera mere’im), ‘het nageslacht van de boosdoeners’: de familie van de koning.
21Maak voor zijn zonen een slachtplaats gereed, vanwege de schuld van hun vaderen. Zij mogen niet opstaan en de aarde erven, en het oppervlak van de wereld niet met steden vullen.”
הָכִ֧ינוּ
(hakhinu)
maakt gereed
לְבָנָ֛יו
(levanav)
voor zijn zonen
מַטְבֵּ֖חַ
(matbeach)
slachtplaats
בַּעֲוֺ֣ן
(baavon)
wegens de schuld van
אֲבוֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaderen
בַּל
(bal)
niet
יָקֻ֨מוּ֙
(yaqumu)
laat hen opstaan
וְיָ֣רְשׁוּ
(veyareshu)
en erven
אָ֔רֶץ
(arets)
aarde
וּמָלְא֥וּ
(umaleu)
en vullen
פְנֵֽי
(penei)
oppervlak van
תֵבֵ֖ל
(tevel)
wereld
עָרִֽים
(arim)
steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַטְבֵּחַ (matbeach), ‘slachtplaats’: een plek waar geslacht wordt.
Het volk van de koning draagt de gevolgen van de schuld van zijn vaders.
22„Ik zal tegen hen opstaan, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Ik zal van Babel de naam en de overgeblevenen afsnijden, kinderen en nakomelingen, godsspraak van Yahweh.
וְקַמְתִּ֣י
(veqamti)
en Ik zal opstaan
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְהִכְרַתִּ֨י
(vehikhrati)
en Ik zal afsnijden
לְבָבֶ֜ל
(levavel)
van Babel
שֵׁ֥ם
(shem)
naam
וּשְׁאָ֛ר
(ushear)
en overgeblevenen
וְנִ֥ין
(venin)
en kinderen
וָנֶ֖כֶד
(vanekhed)
en nakomelingen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.
De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood.
וְנִין וָנֶכֶד (venin vanekhed), ‘kinderen en nakomelingen’: twee zeldzame woorden die samen voorkomen, zoals in Gen. 21:23.
24Yahweh van de legermachten heeft gezworen: „Zeker, zoals Ik het bedacht heb, zo is het gebeurd, en zoals Ik het besloten heb, zo zal het standhouden:
נִשְׁבַּ֛ע
(nishba)
heeft gezworen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
zeker
לֹ֞א
(lo)
(niet)
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
דִּמִּ֨יתִי֙
(dimiti)
Ik het bedacht heb
כֵּ֣ן
(ken)
zo
הָיָ֔תָה
(hayata)
is geschied
וְכַאֲשֶׁ֥ר
(vekhaasher)
en zoals
יָעַ֖צְתִּי
(yaatsti)
Ik het besloten heb
הִ֥יא
(hi)
zij
תָקֽוּם
(taqum)
zal standhouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Verheug je niet, heel Filistea, omdat de staf die je sloeg is gebroken. Want uit de wortel van de slang komt een adder voort, en zijn vrucht is een vurige, vliegende slang.
אַֽל
(al)
niet
תִּשְׂמְחִ֤י
(tismechi)
verheug je
פְלֶ֨שֶׁת֙
(peleshet)
Filistea
כֻּלֵּ֔ךְ
(kulekh)
heel jij
כִּ֥י
(ki)
want
נִשְׁבַּ֖ר
(nishbar)
is gebroken
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
staf van
מַכֵּ֑ךְ
(makekh)
wie jou sloeg
כִּֽי
(ki)
want
מִשֹּׁ֤רֶשׁ
(mishoresh)
uit wortel van
נָחָשׁ֙
(nachash)
slang
יֵ֣צֵא
(yetse)
komt voort
צֶ֔פַע
(tsefa)
adder
וּפִרְי֖וֹ
(ufiryo)
en zijn vrucht
שָׂרָ֥ף
(saraf)
vurige slang
מְעוֹפֵֽף
(meofef)
vliegende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
פְּלֶשֶׁת (Peleshet), ‘Filistea’: het land van de Filistijnen, aan de zuidelijke kust.
Het Hebreeuws zegt niet wie ‘de staf die je sloeg’ is. Wij laten dat open.
שָׂרָף מְעוֹפֵף (saraf me’ofef), ‘een vurige, vliegende slang’: שָׂרָף (saraf) betekent ‘brandende’. Zie ook Num. 21:6, ‘de vurige slangen’, en de Serafs in Jes. 6:2.
30De eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de behoeftigen zullen veilig neerliggen. En Ik zal je wortel met honger doden, en je overblijfsel zal Hij doden.
וְרָעוּ֙
(verau)
en zullen weiden
בְּכוֹרֵ֣י
(bekhorei)
eerstgeborenen van
דַלִּ֔ים
(dalim)
armen
וְאֶבְיוֹנִ֖ים
(veevyonim)
en behoeftigen
לָבֶ֣טַח
(lavetach)
in veiligheid
יִרְבָּ֑צוּ
(yirbatsu)
zullen neerliggen
וְהֵמַתִּ֤י
(vehemati)
en Ik zal doden
בָֽרָעָב֙
(baraav)
met honger
שָׁרְשֵׁ֔ךְ
(shareshekh)
je wortel
וּשְׁאֵרִיתֵ֖ךְ
(usheeritekh)
en je overblijfsel
יַהֲרֹֽג
(yaharog)
Hij zal doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּכוֹרֵי דַלִּים (bekhorei dallim), ‘de eerstgeborenen van de armen’: de armsten van de armen.
Lezing
De Masoretische tekst heeft hier een derde persoon: ‘Hij zal doden’ (יַהֲרֹג, yaharog).
Sommige oude vertalingen lezen ‘Ik zal doden’, zoals in het begin van de zin.
31Jammer, poort! Schreeuw, stad! Smelt weg, heel Filistea! Want uit het noorden komt rook, en niemand blijft apart op zijn vaste plaats.
הֵילִ֤ילִֽי
(heilili)
jammer
שַׁ֨עַר֙
(shaar)
poort
זַֽעֲקִי
(zaaqi)
schreeuw
עִ֔יר
(ir)
stad
נָמ֖וֹג
(namog)
smelt weg
פְּלֶ֣שֶׁת
(peleshet)
Filistea
כֻּלֵּ֑ךְ
(kulekh)
heel jij
כִּ֤י
(ki)
want
מִצָּפוֹן֙
(mitsafon)
uit het noorden
עָשָׁ֣ן
(ashan)
rook
בָּ֔א
(ba)
komt
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
בּוֹדֵ֖ד
(boded)
die apart staat
בְּמוֹעָדָֽיו
(bemoadav)
op zijn vaste plaatsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
עָשָׁן (ashan), ‘rook’: het Hebreeuws zegt niet waar de rook vandaan komt.
בּוֹדֵד בְּמוֹעָדָיו (boded bemo’adav), ‘iemand die apart staat op zijn vaste plaatsen’: letterlijk ‘een eenling op zijn vaste tijden’. Het Hebreeuws is hier moeilijk en de betekenis is onzeker.