Elohim Bijbel

Jesaja 14

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Spotlied over de koning van Babel en de last over Filistea

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh ontfermt Zich over Jakob

1Want Yahweh zal Zich ontfermen over Jakob. Hij zal Israël opnieuw kiezen en hen laten rusten op hun eigen grond. De vreemdeling zal zich bij hen voegen en zich aansluiten bij het huis van Jakob.
כִּי֩
(ki)
want
יְרַחֵ֨ם
(yerachem)
Hij zal zich ontfermen
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽת
(et)
(obj.)
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
וּבָחַ֥ר
(uvachar)
en Hij zal kiezen
עוֹד֙
(od)
nog
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
וְהִנִּיחָ֖ם
(vehinicham)
en Hij zal hen laten rusten
עַל
(al)
op
אַדְמָתָ֑ם
(admatam)
hun grond
וְנִלְוָ֤ה
(venilva)
en zal zich voegen
הַגֵּר֙
(hager)
de vreemdeling
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
bij hen
וְנִסְפְּח֖וּ
(venispechu)
en zij zullen zich aansluiten
עַל
(al)
bij
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָחַם (racham), ‘zich ontfermen’: hetzelfde werkwoord als in Hos. 1:6–7.

הַגֵּר (hager), ‘de vreemdeling’: iemand uit een ander volk die bij Israël woont; zie Lev. 19:33.

2Volken zullen hen nemen en naar hun plaats brengen. Het huis van Israël zal hen in bezit nemen op de grond van Yahweh, als dienaren en dienaressen. Zij zullen hun gevangenhouders gevangen nemen en heersen over hun drijvers.
וּלְקָח֣וּם
(uleqachum)
en zij zullen hen nemen
עַמִּים֮
(amim)
volken
וֶהֱבִיא֣וּם
(vehevium)
en zullen hen brengen
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמָם֒
(meqomam)
hun plaats
וְהִֽתְנַחֲל֣וּם
(vehitnachalum)
en zal hen in bezit nemen
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
עַ֚ל
(al)
op
אַדְמַ֣ת
(admat)
grond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲבָדִ֖ים
(laavadim)
tot dienaren
וְלִשְׁפָח֑וֹת
(velishfachot)
en tot dienaressen
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en zij zullen zijn
שֹׁבִ֣ים
(shovim)
gevangennemers
לְשֹֽׁבֵיהֶ֔ם
(leshoveihem)
van hun gevangenhouders
וְרָד֖וּ
(veradu)
en zij zullen heersen
בְּנֹגְשֵׂיהֶֽם
(benogeseihem)
over hun drijvers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de eerste zin zijn ‘hen’ de Israëlieten: de volken brengen hen terug naar hun plaats.

In de tweede zin zijn ‘hen’ de volken: Israël neemt hen in bezit.

שֹׁבִים לְשֹׁבֵיהֶם (shovim leshoveyhem), ‘zij zullen hun gevangenhouders gevangen nemen’: letterlijk ‘gevangenmakers van hun gevangenmakers’. De rollen worden omgekeerd.

3Het zal gebeuren op de dag dat Yahweh je rust geeft van je pijn en je onrust en van de harde dienst die van je geëist werd,
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag
הָנִ֤יחַ
(haniach)
rust geeft
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
מֵֽעָצְבְּךָ֖
(meatsbekha)
van je pijn
וּמֵרָגְזֶ֑ךָ
(umeragezekha)
en van je onrust
וּמִן
(umin)
en van
הָעֲבֹדָ֥ה
(haavoda)
de dienst
הַקָּשָׁ֖ה
(haqasha)
de harde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עֻבַּד
(ubad)
van je geëist werd
בָּֽךְ
(bakh)
van jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹצֶב (otsev), ‘pijn’, en רֹגֶז (roges), ‘onrust’.

הָעֲבֹדָה הַקָּשָׁה (ha’avodah haqqashah), ‘de harde dienst’: slavenwerk, zoals in Exod. 6:9 (‘zware slavernij’).

Spotlied over de koning van Babel

4dan zul je dit spotlied over de koning van Babel aanheffen en zeggen: „Hoe is de drijver opgehouden! De razernij is opgehouden!
וְנָשָׂ֜אתָ
(venasata)
en je zult aanheffen
הַמָּשָׁ֥ל
(hamashal)
het spotlied
הַזֶּ֛ה
(haze)
dit
עַל
(al)
over
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וְאָמָ֑רְתָּ
(veamarta)
en je zult zeggen
אֵ֚יךְ
(eikh)
hoe
שָׁבַ֣ת
(shavat)
is opgehouden
נֹגֵ֔שׂ
(noges)
de drijver
שָׁבְתָ֖ה
(shaveta)
is opgehouden
מַדְהֵבָֽה
(madheva)
de razernij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

מָשָׁל (mashal), ‘spotlied’: een mashal is een spreuk, een vergelijking of een lied.

Hier is het een lied van spot over de koning van Babel.

Het loopt door tot en met vers 21.

נֹגֵשׂ (noges), ‘drijver’: iemand die anderen dwingt tot werk of betaling; vergelijk ‘hun drijvers’ in vers 2.

Lezing

מַדְהֵבָה (madhebah) komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.

Wij vertalen ‘razernij’.

Sommige oude vertalingen lezen een ander woord, met de betekenis ‘onderdrukking’.

5Yahweh heeft de staf van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers,
שָׁבַ֥ר
(shavar)
heeft gebroken
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מַטֵּ֣ה
(mate)
staf van
רְשָׁעִ֑ים
(reshaim)
goddelozen
שֵׁ֖בֶט
(shevet)
scepter van
מֹשְׁלִֽים
(moshelim)
heersers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַטֵּה (matteh), ‘staf’, en שֵׁבֶט (shevet), ‘scepter’: tekenen van macht en van het recht om te slaan.

6die volken sloeg in woede, met slagen zonder ophouden, die in toorn over volken heerste, met een vervolging zonder terughouding.
מַכֶּ֤ה
(make)
die sloeg
עַמִּים֙
(amim)
volken
בְּעֶבְרָ֔ה
(beevra)
in woede
מַכַּ֖ת
(makat)
slag van
בִּלְתִּ֣י
(bilti)
zonder
סָרָ֑ה
(sara)
ophouden
רֹדֶ֤ה
(rode)
die heerste
בָאַף֙
(baaf)
in toorn
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
מֻרְדָּ֖ף
(murdaf)
vervolging
בְּלִ֥י
(beli)
zonder
חָשָֽׂךְ
(chasakh)
terughouding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Heel de aarde rust en is stil. Zij breken uit in gejuich.
נָ֥חָה
(nacha)
rust
שָׁקְטָ֖ה
(shaqeta)
is stil
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
פָּצְח֖וּ
(patsechu)
zij breken uit
רִנָּֽה
(rina)
in gejuich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zelfs de cipressen verheugen zich over jou, en de cederen van de Libanon: ‘Sinds jij neerligt, komt er geen houthakker tegen ons op.’
גַּם
(gam)
ook
בְּרוֹשִׁ֛ים
(beroshim)
cipressen
שָׂמְח֥וּ
(samechu)
verheugen zich
לְךָ֖
(lekha)
over jou
אַרְזֵ֣י
(arzei)
cederen van
לְבָנ֑וֹן
(levanon)
de Libanon
מֵאָ֣ז
(meaz)
sinds
שָׁכַ֔בְתָּ
(shakhavta)
jij neerligt
לֹֽא
(lo)
niet
יַעֲלֶ֥ה
(yaale)
komt op
הַכֹּרֵ֖ת
(hakoret)
de houthakker
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
tegen ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De bomen spreken hier alsof zij mensen zijn: zij zijn blij dat niemand ze nog omhakt.

De Libanon was bekend om zijn cederen; vergelijk 2 Kon. 19:23.

Sjeol ontvangt hem

9Sjeol beneden komt in beroering over jou, om je komst tegemoet te gaan. Het wekt voor jou de schimmen op, alle leiders van de aarde. Het laat alle koningen van de volken opstaan van hun tronen.
שְׁא֗וֹל
(sheol)
Sjeol
מִתַּ֛חַת
(mitachat)
beneden
רָגְזָ֥ה
(rageza)
is in beroering
לְךָ֖
(lekha)
over jou
לִקְרַ֣את
(liqrat)
om te ontmoeten
בּוֹאֶ֑ךָ
(boekha)
je komst
עוֹרֵ֨ר
(orer)
wekt op
לְךָ֤
(lekha)
voor jou
רְפָאִים֙
(refaim)
schimmen
כָּל
(kal)
alle
עַתּ֣וּדֵי
(atudei)
leiders van
אָ֔רֶץ
(arets)
de aarde
הֵקִים֙
(heqim)
laat opstaan
מִכִּסְאוֹתָ֔ם
(mikisotam)
van hun tronen
כֹּ֖ל
(kol)
alle
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
גוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk; zie Ps. 6:6.

רְפָאִים (refa’im), ‘schimmen’: de doden in Sjeol; zie Ps. 88:11.

עַתּוּדֵי (attudei), ‘leiders’: letterlijk ‘bokken’, de bokken die de kudde aanvoeren.

10Zij allen antwoorden en zeggen tegen jou: ‘Ook jij bent krachteloos geworden zoals wij. Je bent aan ons gelijk geworden.’
כֻּלָּ֣ם
(kulam)
zij allen
יַֽעֲנ֔וּ
(yaanu)
zullen antwoorden
וְיֹאמְר֖וּ
(veyomru)
en zeggen
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
tegen jou
גַּם
(gam)
ook
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
חֻלֵּ֥יתָ
(chuleita)
je bent krachteloos geworden
כָמ֖וֹנוּ
(kamonu)
zoals wij
אֵלֵ֥ינוּ
(eleinu)
aan ons
נִמְשָֽׁלְתָּ
(nimshalta)
je bent gelijk geworden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Je trots is neergebracht naar Sjeol, het geluid van je harpen. Onder je is een bed van maden uitgespreid, en wormen zijn je deken.
הוּרַ֥ד
(hurad)
is neergebracht
שְׁא֛וֹל
(sheol)
Sjeol
גְּאוֹנֶ֖ךָ
(geonekha)
je trots
הֶמְיַ֣ת
(hemyat)
geluid van
נְבָלֶ֑יךָ
(nevaleikha)
je harpen
תַּחְתֶּ֨יךָ֙
(tachteikha)
onder je
יֻצַּ֣ע
(yutsa)
wordt uitgespreid
רִמָּ֔ה
(rima)
made
וּמְכַסֶּ֖יךָ
(umekhaseikha)
en je deken
תּוֹלֵעָֽה
(tolea)
worm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶבֶל (nevel), ‘harp’: zoals in Amos 5:23.

רִמָּה (rimmah), ‘made’, en תּוֹלֵעָה (tola’ah), ‘worm’.

Schitterende, zoon van de dageraad

12Hoe ben je uit de hemel gevallen, Schitterende, zoon van de dageraad! Je bent neergehouwen op de aarde, jij die volken versloeg.
אֵ֛יךְ
(eikh)
hoe
נָפַ֥לְתָּ
(nafalta)
je bent gevallen
מִשָּׁמַ֖יִם
(mishamayim)
uit de hemel
הֵילֵ֣ל
(heilel)
Schitterende
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁ֑חַר
(shachar)
dageraad
נִגְדַּ֣עְתָּ
(nigdata)
je bent neergehouwen
לָאָ֔רֶץ
(laarets)
op de aarde
חוֹלֵ֖שׁ
(cholesh)
die versloeg
עַל
(al)
over
גּוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵילֵל בֶּן שָׁחַר (helel ben shachar), ‘Schitterende, zoon van de dageraad’: helel komt van het werkwoord הָלַל (halal), ‘schitteren’; shachar is de dageraad.

Het gaat om de morgenster, die vlak voor de zon opkomt en dan verdwijnt.

In de Latijnse traditie heet hij ‘Lucifer’ (‘lichtbrenger’).

Hier is hij een beeld voor de koning van Babel (vers 4).

חוֹלֵשׁ (cholesh), ‘die versloeg’: het werkwoord betekent ‘overwinnen’ of ‘neerwerpen’; de betekenis is niet helemaal zeker.

Vergelijk Ezech. 28:12–19.

13Jij zei in je hart: ‘Ik zal naar de hemel opstijgen. Boven de sterren van El zal ik mijn troon verheffen. Ik zal zitten op de berg van de samenkomst, in de uithoeken van het noorden.
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
אָמַ֤רְתָּ
(amarta)
je zei
בִֽלְבָבְךָ֙
(bilvavekha)
in je hart
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
אֶֽעֱלֶ֔ה
(eele)
ik zal opstijgen
מִמַּ֥עַל
(mimaal)
boven
לְכֽוֹכְבֵי
(lekhokhevei)
de sterren van
אֵ֖ל
(el)
El
אָרִ֣ים
(arim)
ik zal verheffen
כִּסְאִ֑י
(kisi)
mijn troon
וְאֵשֵׁ֥ב
(veeshev)
en ik zal zitten
בְּהַר
(behar)
op de berg van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
בְּיַרְכְּתֵ֥י
(beyarketei)
in de uithoeken van
צָפֽוֹן
(tsafon)
het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כּוֹכְבֵי אֵל (kokhevei El), ‘de sterren van El’: de sterren aan de hemel van Elohim.

הַר מוֹעֵד (har mo’ed), ‘de berg van de samenkomst’: מוֹעֵד (mo’ed) is ‘samenkomst’, zoals in ‘tent van samenkomst’ (Exod. 27:21).

יַרְכְּתֵי צָפוֹן (yarketei tsafon), ‘de uithoeken van het noorden’: zo staat het ook in Ps. 48:3.

14Ik zal opstijgen boven de hoogten van de wolken. Ik zal mij aan de Allerhoogste gelijk maken.’
אֶעֱלֶ֖ה
(eele)
ik zal opstijgen
עַל
(al)
boven
בָּ֣מֳתֵי
(bamotei)
hoogten van
עָ֑ב
(av)
wolk
אֶדַּמֶּ֖ה
(edame)
ik zal mij gelijk maken
לְעֶלְיֽוֹן
(leelyon)
aan de Allerhoogste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמֳתֵי עָב (bamotei av), ‘de hoogten van de wolken’: bamot zijn ‘hoogten’; hier de toppen van de wolken.

עֶלְיוֹן (Elyon), ‘de Allerhoogste’: een naam voor Elohim; zie Gen. 14:18–20 en Ps. 9:3.

15Maar naar Sjeol word je neergebracht, naar de uithoeken van de kuil.
אַ֧ךְ
(akh)
maar
אֶל
(el)
naar
שְׁא֛וֹל
(sheol)
Sjeol
תּוּרָ֖ד
(turad)
je wordt neergebracht
אֶל
(el)
naar
יַרְכְּתֵי
(yarketei)
de uithoeken van
בֽוֹר
(bor)
kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Wie jou zien, kijken je aandachtig aan. Zij letten goed op je: ‘Is dit de man die de aarde deed beven, die koninkrijken deed schudden,
רֹאֶ֨יךָ֙
(roeikha)
die jou zien
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
naar jou
יַשְׁגִּ֔יחוּ
(yashgichu)
zij kijken aandachtig
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
naar jou
יִתְבּוֹנָ֑נוּ
(yitbonanu)
zij letten goed op
הֲזֶ֤ה
(haze)
is dit
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
מַרְגִּ֣יז
(margiz)
die doet beven
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
מַרְעִ֖ישׁ
(marish)
die doet schudden
מַמְלָכֽוֹת
(mamlakhot)
koninkrijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 16 en 17 vormen samen één vraag.

Zij wordt gesteld door wie de gevallen koning zien liggen.

17die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden afbrak, die zijn gevangenen niet naar huis liet gaan?’
שָׂ֥ם
(sam)
die maakte
תֵּבֵ֛ל
(tevel)
wereld
כַּמִּדְבָּ֖ר
(kamidbar)
als woestijn
וְעָרָ֣יו
(vearav)
en haar steden
הָרָ֑ס
(haras)
brak af
אֲסִירָ֖יו
(asirav)
zijn gevangenen
לֹא
(lo)
niet
פָ֥תַח
(patach)
liet gaan
בָּֽיְתָה
(bayeta)
naar huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲסִירָיו לֹא פָתַח בָּיְתָה (asirav lo patach bayetah), ‘zijn gevangenen liet hij niet naar huis gaan’: letterlijk ‘zijn gevangenen opende hij niet naar huis’.

Het werkwoord ‘openen’ betekent hier ‘loslaten’.

18Alle koningen van de volken, zij allen, liggen in eer, ieder in zijn eigen huis.
כָּל
(kal)
alle
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
גוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
כֻּלָּ֑ם
(kulam)
zij allen
שָׁכְב֥וּ
(shakhevu)
liggen
בְכָב֖וֹד
(bekhavod)
in eer
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
בְּבֵיתֽוֹ
(beveito)
in zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּבֵיתוֹ (beveto), ‘in zijn huis’: hier het graf.

Koningen kregen een eervol graf; vergelijk vers 19.

19Maar jij bent uit je graf weggeworpen, als een verafschuwde loot. Je bent bedekt met gedoden, met doorstokenen door het zwaard, die neerdalen naar de stenen van de kuil. Je bent als een vertrapt lijk.
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
הָשְׁלַ֤כְתָּ
(hashelakhta)
bent weggeworpen
מִֽקִּבְרְךָ֙
(miqivrekha)
uit je graf
כְּנֵ֣צֶר
(kenetser)
als een loot
נִתְעָ֔ב
(nitav)
verafschuwde
לְב֥וּשׁ
(levush)
bedekking van
הֲרֻגִ֖ים
(harugim)
gedoden
מְטֹ֣עֲנֵי
(metoanei)
doorstokenen van
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
יוֹרְדֵ֥י
(yoredei)
die neerdalen
אֶל
(el)
naar
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
ב֖וֹר
(bor)
kuil
כְּפֶ֥גֶר
(kefeger)
als een lijk
מוּבָֽס
(muvas)
vertrapt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵצֶר (netser), ‘loot’: een jonge tak.

Een afgehouwen en weggegooide tak is waardeloos en wordt verafschuwd.

אַבְנֵי בוֹר (avnei vor), ‘de stenen van de kuil’: waarschijnlijk de stenen in een grafkuil. De betekenis is niet helemaal zeker.

20Je zult niet met hen verenigd zijn in het graf, want je hebt je land verwoest en je volk gedood. Het nageslacht van de boosdoeners zal voor eeuwig niet meer worden genoemd.
לֹֽא
(lo)
niet
תֵחַ֤ד
(techad)
je zult verenigd zijn
אִתָּם֙
(itam)
met hen
בִּקְבוּרָ֔ה
(biqvura)
in het graf
כִּֽי
(ki)
want
אַרְצְךָ֥
(artsekha)
je land
שִׁחַ֖תָּ
(shichata)
verwoestte je
עַמְּךָ֣
(amekha)
je volk
הָרָ֑גְתָּ
(haragta)
doodde je
לֹֽא
(lo)
niet
יִקָּרֵ֥א
(yiqare)
zal genoemd worden
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor eeuwig
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
מְרֵעִֽים
(mereim)
boosdoeners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶרַע מְרֵעִים (zera mere’im), ‘het nageslacht van de boosdoeners’: de familie van de koning.

Hun naam zal niet meer worden genoemd.

21Maak voor zijn zonen een slachtplaats gereed, vanwege de schuld van hun vaderen. Zij mogen niet opstaan en de aarde erven, en het oppervlak van de wereld niet met steden vullen.”
הָכִ֧ינוּ
(hakhinu)
maakt gereed
לְבָנָ֛יו
(levanav)
voor zijn zonen
מַטְבֵּ֖חַ
(matbeach)
slachtplaats
בַּעֲוֺ֣ן
(baavon)
wegens de schuld van
אֲבוֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaderen
בַּל
(bal)
niet
יָקֻ֨מוּ֙
(yaqumu)
laat hen opstaan
וְיָ֣רְשׁוּ
(veyareshu)
en erven
אָ֔רֶץ
(arets)
aarde
וּמָלְא֥וּ
(umaleu)
en vullen
פְנֵֽי
(penei)
oppervlak van
תֵבֵ֖ל
(tevel)
wereld
עָרִֽים
(arim)
steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַטְבֵּחַ (matbeach), ‘slachtplaats’: een plek waar geslacht wordt.

Het volk van de koning draagt de gevolgen van de schuld van zijn vaders.

Yahweh staat op tegen Babel

22„Ik zal tegen hen opstaan, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Ik zal van Babel de naam en de overgeblevenen afsnijden, kinderen en nakomelingen, godsspraak van Yahweh.
וְקַמְתִּ֣י
(veqamti)
en Ik zal opstaan
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְהִכְרַתִּ֨י
(vehikhrati)
en Ik zal afsnijden
לְבָבֶ֜ל
(levavel)
van Babel
שֵׁ֥ם
(shem)
naam
וּשְׁאָ֛ר
(ushear)
en overgeblevenen
וְנִ֥ין
(venin)
en kinderen
וָנֶ֖כֶד
(vanekhed)
en nakomelingen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.

De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood.

וְנִין וָנֶכֶד (venin vanekhed), ‘kinderen en nakomelingen’: twee zeldzame woorden die samen voorkomen, zoals in Gen. 21:23.

Vergelijk Jer. 50–51.

23Ik maak haar tot bezit van de egel en tot waterpoelen. Ik veeg haar weg met de bezem van de verdelging, godsspraak van Yahweh van de legermachten.”
וְשַׂמְתִּ֛יהָ
(vesamtiha)
en Ik zal haar maken
לְמוֹרַ֥שׁ
(lemorash)
tot bezit van
קִפֹּ֖ד
(qipod)
egel
וְאַגְמֵי
(veagmei)
en poelen van
מָ֑יִם
(mayim)
water
וְטֵֽאטֵאתִ֨יהָ֙
(vetetetiha)
en Ik zal haar wegvegen
בְּמַטְאֲטֵ֣א
(bematate)
met bezem van
הַשְׁמֵ֔ד
(hashmed)
de verdelging
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִפֹּד (qippod), ‘egel’: een dier dat in verlaten plaatsen leeft.

De vertaling is onzeker; sommigen denken aan een vogel.

Vergelijk Zef. 2:14.

מַטְאֲטֵא (mat’até), ‘bezem’: het woord komt alleen hier voor.

Yahweh heeft gezworen over Assyrië

24Yahweh van de legermachten heeft gezworen: „Zeker, zoals Ik het bedacht heb, zo is het gebeurd, en zoals Ik het besloten heb, zo zal het standhouden:
נִשְׁבַּ֛ע
(nishba)
heeft gezworen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
zeker
לֹ֞א
(lo)
(niet)
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
דִּמִּ֨יתִי֙
(dimiti)
Ik het bedacht heb
כֵּ֣ן
(ken)
zo
הָיָ֔תָה
(hayata)
is geschied
וְכַאֲשֶׁ֥ר
(vekhaasher)
en zoals
יָעַ֖צְתִּי
(yaatsti)
Ik het besloten heb
הִ֥יא
(hi)
zij
תָקֽוּם
(taqum)
zal standhouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: letterlijk ‘indien niet’.

Zo begint een eed: wat volgt, is zeker.

Het Hebreeuws gebruikt de voltooide tijd (‘is gebeurd’). Wat Yahweh heeft besloten, is zo zeker alsof het al gebeurd is.

25om Assyrië te breken in Mijn land en hem te vertrappen op Mijn bergen. Zijn juk zal van hen wijken, en zijn last zal van zijn schouder wijken.”
לִשְׁבֹּ֤ר
(lishbor)
om te breken
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
בְּאַרְצִ֔י
(beartsi)
in Mijn land
וְעַל
(veal)
en op
הָרַ֖י
(haray)
Mijn bergen
אֲבוּסֶ֑נּוּ
(avusenu)
Ik zal hem vertrappen
וְסָ֤ר
(vesar)
en zal wijken
מֵֽעֲלֵיהֶם֙
(mealeihem)
van hen
עֻלּ֔וֹ
(ulo)
zijn juk
וְסֻ֨בֳּל֔וֹ
(vesubolo)
en zijn last
מֵעַ֥ל
(meal)
van
שִׁכְמ֖וֹ
(shikhmo)
zijn schouder
יָסֽוּר
(yasur)
zal wijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

‘Mijn land’ en ‘Mijn bergen’: het land van Yahweh, dat is het land van Juda; vergelijk ‘de grond van Yahweh’ in vers 2.

Het Hebreeuws wisselt in dit vers van ‘hen’ naar ‘zijn schouder’: het volk wordt als één man gezien.

26Dit is het besluit dat over heel de aarde is genomen, en dit is de hand die over alle volken is uitgestrekt.
זֹ֛את
(zot)
dit
הָעֵצָ֥ה
(haetsa)
het besluit
הַיְּעוּצָ֖ה
(hayeutsa)
het genomen
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְזֹ֛את
(vezot)
en dit
הַיָּ֥ד
(hayad)
de hand
הַנְּטוּיָ֖ה
(hanetuya)
de uitgestrekte
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Want Yahweh van de legermachten heeft besloten. Wie kan het ongedaan maken? Zijn hand is uitgestrekt. Wie kan haar terugdraaien?
כִּֽי
(ki)
want
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֛וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
יָעָ֖ץ
(yaats)
heeft besloten
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יָפֵ֑ר
(yafer)
zal ongedaan maken
וְיָד֥וֹ
(veyado)
en Zijn hand
הַנְּטוּיָ֖ה
(hanetuya)
de uitgestrekte
וּֽמִ֥י
(umi)
en wie
יְשִׁיבֶֽנָּה
(yeshivena)
zal haar terugdraaien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Last over Filistea

28In het jaar waarin koning Achaz stierf, kwam deze last:
בִּשְׁנַת
(bishnat)
in het jaar van
מ֖וֹת
(mot)
dood van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָ֑ז
(achaz)
Achaz
הָיָ֖ה
(haya)
kwam
הַמַּשָּׂ֥א
(hamasa)
de last
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Koning Achaz stierf in het jaar waarin deze last werd uitgesproken; zie 2 Kon. 16:20.

Voor ‘last’ (מַשָּׂא, massa) zie 13:1.

29Verheug je niet, heel Filistea, omdat de staf die je sloeg is gebroken. Want uit de wortel van de slang komt een adder voort, en zijn vrucht is een vurige, vliegende slang.
אַֽל
(al)
niet
תִּשְׂמְחִ֤י
(tismechi)
verheug je
פְלֶ֨שֶׁת֙
(peleshet)
Filistea
כֻּלֵּ֔ךְ
(kulekh)
heel jij
כִּ֥י
(ki)
want
נִשְׁבַּ֖ר
(nishbar)
is gebroken
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
staf van
מַכֵּ֑ךְ
(makekh)
wie jou sloeg
כִּֽי
(ki)
want
מִשֹּׁ֤רֶשׁ
(mishoresh)
uit wortel van
נָחָשׁ֙
(nachash)
slang
יֵ֣צֵא
(yetse)
komt voort
צֶ֔פַע
(tsefa)
adder
וּפִרְי֖וֹ
(ufiryo)
en zijn vrucht
שָׂרָ֥ף
(saraf)
vurige slang
מְעוֹפֵֽף
(meofef)
vliegende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

פְּלֶשֶׁת (Peleshet), ‘Filistea’: het land van de Filistijnen, aan de zuidelijke kust.

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘de staf die je sloeg’ is. Wij laten dat open.

שָׂרָף מְעוֹפֵף (saraf me’ofef), ‘een vurige, vliegende slang’: שָׂרָף (saraf) betekent ‘brandende’. Zie ook Num. 21:6, ‘de vurige slangen’, en de Serafs in Jes. 6:2.

30De eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de behoeftigen zullen veilig neerliggen. En Ik zal je wortel met honger doden, en je overblijfsel zal Hij doden.
וְרָעוּ֙
(verau)
en zullen weiden
בְּכוֹרֵ֣י
(bekhorei)
eerstgeborenen van
דַלִּ֔ים
(dalim)
armen
וְאֶבְיוֹנִ֖ים
(veevyonim)
en behoeftigen
לָבֶ֣טַח
(lavetach)
in veiligheid
יִרְבָּ֑צוּ
(yirbatsu)
zullen neerliggen
וְהֵמַתִּ֤י
(vehemati)
en Ik zal doden
בָֽרָעָב֙
(baraav)
met honger
שָׁרְשֵׁ֔ךְ
(shareshekh)
je wortel
וּשְׁאֵרִיתֵ֖ךְ
(usheeritekh)
en je overblijfsel
יַהֲרֹֽג
(yaharog)
Hij zal doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּכוֹרֵי דַלִּים (bekhorei dallim), ‘de eerstgeborenen van de armen’: de armsten van de armen.

Lezing

De Masoretische tekst heeft hier een derde persoon: ‘Hij zal doden’ (יַהֲרֹג, yaharog).

Sommige oude vertalingen lezen ‘Ik zal doden’, zoals in het begin van de zin.

Wij volgen de Masoretische tekst.

31Jammer, poort! Schreeuw, stad! Smelt weg, heel Filistea! Want uit het noorden komt rook, en niemand blijft apart op zijn vaste plaats.
הֵילִ֤ילִֽי
(heilili)
jammer
שַׁ֨עַר֙
(shaar)
poort
זַֽעֲקִי
(zaaqi)
schreeuw
עִ֔יר
(ir)
stad
נָמ֖וֹג
(namog)
smelt weg
פְּלֶ֣שֶׁת
(peleshet)
Filistea
כֻּלֵּ֑ךְ
(kulekh)
heel jij
כִּ֤י
(ki)
want
מִצָּפוֹן֙
(mitsafon)
uit het noorden
עָשָׁ֣ן
(ashan)
rook
בָּ֔א
(ba)
komt
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
בּוֹדֵ֖ד
(boded)
die apart staat
בְּמוֹעָדָֽיו
(bemoadav)
op zijn vaste plaatsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

עָשָׁן (ashan), ‘rook’: het Hebreeuws zegt niet waar de rook vandaan komt.

בּוֹדֵד בְּמוֹעָדָיו (boded bemo’adav), ‘iemand die apart staat op zijn vaste plaatsen’: letterlijk ‘een eenling op zijn vaste tijden’. Het Hebreeuws is hier moeilijk en de betekenis is onzeker.

32Wat zal men antwoorden aan de boodschappers van het volk? Dat Yahweh Sion heeft gegrondvest en dat de ellendigen van Zijn volk daarin schuilen.
וּמַֽה
(uma)
en wat
יַּעֲנֶ֖ה
(yaane)
zal men antwoorden
מַלְאֲכֵי
(malakhei)
boodschappers van
ג֑וֹי
(goy)
volk
כִּ֤י
(ki)
dat
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יִסַּ֣ד
(yisad)
heeft gegrondvest
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
וּבָ֥הּ
(uvah)
en daarin
יֶחֱס֖וּ
(yechesu)
zullen schuilen
עֲנִיֵּ֥י
(aniyei)
ellendigen van
עַמּֽוֹ
(amo)
Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

‘De boodschappers van het volk’ zijn de gezanten van Filistea.

Het antwoord is: Yahweh heeft Sion gegrondvest, en daar vinden de ellendigen van Zijn volk een schuilplaats.