Elohim Bijbel

Job 19

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Ik weet dat mijn losser leeft

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Job: Eloah heeft mij onrecht aangedaan

1Job antwoordde en zei:
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִיּ֗וֹב
(iyov)
Job
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Hoe lang nog kwellen jullie mijn ziel en verbrijzelen jullie mij met woorden?
עַד
(ad)
tot
אָ֭נָה
(ana)
waar
תּוֹגְי֣וּן
(togeyun)
kwellen jullie
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
וּֽתְדַכְּאוּנַ֥נִי
(utedakeunani)
en verbrijzelen mij
בְמִלִּֽים
(bemilim)
met woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Dit is de tiende keer dat jullie mij beledigen. Jullie schamen je niet om mij te mishandelen.
זֶ֤ה
(ze)
dit
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
פְּ֭עָמִים
(peamim)
keer
תַּכְלִימ֑וּנִי
(takhlimuni)
beledigen jullie mij
לֹֽא
(lo)
niet
תֵ֝בֹ֗שׁוּ
(tevoshu)
schamen jullie je
תַּהְכְּרוּ
(tahkeru)
mishandelen jullie
לִֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Tien keer’ is een manier van spreken voor ‘herhaaldelijk’ (Gen. 31:7; Num. 14:22).

4En als ik werkelijk heb gedwaald, dan blijft mijn dwaling bij mij.
וְאַף
(veaf)
en ook
אָמְנָ֥ם
(amenam)
waarlijk
שָׁגִ֑יתִי
(shagiti)
dwaalde ik
אִ֝תִּ֗י
(iti)
bij mij
תָּלִ֥ין
(talin)
blijft
מְשׁוּגָתִֽי
(meshugati)
mijn dwaling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Als jullie je werkelijk boven mij verheffen en mijn schande tegen mij aanvoeren,
אִם
(im)
indien
אָ֭מְנָם
(amenam)
waarlijk
עָלַ֣י
(alay)
boven mij
תַּגְדִּ֑ילוּ
(tagdilu)
verheffen jullie je
וְתוֹכִ֥יחוּ
(vetokhichu)
en voeren aan
עָ֝לַ֗י
(alay)
tegen mij
חֶרְפָּתִּֽי
(cherpati)
mijn schande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6weet dan dat Eloah mij onrecht heeft aangedaan en Zijn net rondom mij heeft gelegd.
דְּֽעוּ
(deu)
weet
אֵ֭פוֹ
(efo)
dan
כִּי
(ki)
dat
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
עִוְּתָ֑נִי
(ivetani)
mij onrecht deed
וּ֝מְצוּד֗וֹ
(umetsudo)
en Zijn net
עָלַ֥י
(alay)
om mij
הִקִּֽיף
(hiqif)
legde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִוְּתַנִי (ivvetani), ‘mij onrecht doen’ of ‘mij verdraaien’: Job zegt dat Eloah hem krom heeft gemaakt, het recht heeft verdraaid, en niet hijzelf.

Het net (מְצוּדוֹ, metsudo) is een jachtnet, een beeld uit 18:8.

7Zie, ik roep ‘Geweld!’, maar ik krijg geen antwoord. Ik schreeuw om hulp, maar er is geen recht.
הֵ֤ן
(hen)
zie
אֶצְעַ֣ק
(etsaq)
ik roep
חָ֭מָס
(chamas)
geweld
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֵעָנֶ֑ה
(eane)
word ik beantwoord
אֲ֝שַׁוַּ֗ע
(ashava)
ik schreeuw
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is er
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Mijn weg heeft Hij versperd, zodat ik er niet langs kan. Op mijn paden zet Hij duisternis.
אָרְחִ֣י
(arechi)
mijn weg
גָ֭דַר
(gadar)
heeft Hij versperd
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶעֱב֑וֹר
(eevor)
kan ik voorbij
וְעַ֥ל
(veal)
en op
נְ֝תִיבוֹתַ֗י
(netivotay)
mijn paden
חֹ֣שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
יָשִֽׂים
(yasim)
zet Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Mijn eer heeft Hij van mij afgestroopt en de kroon van mijn hoofd weggenomen.
כְּ֭בוֹדִי
(kevodi)
mijn eer
מֵעָלַ֣י
(mealay)
van mij
הִפְשִׁ֑יט
(hifshit)
heeft Hij afgestroopt
וַ֝יָּ֗סַר
(vayasar)
en nam weg
עֲטֶ֣רֶת
(ateret)
kroon van
רֹאשִֽׁי
(roshi)
mijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hij breekt mij af, rondom, en ik ga heen. Hij rukt mijn hoop uit als een boom.
יִתְּצֵ֣נִי
(yitetseni)
Hij breekt mij af
סָ֭בִיב
(saviv)
rondom
וָאֵלַ֑ךְ
(vaelakh)
en ik ga
וַיַּסַּ֥ע
(vayasa)
en Hij rukt uit
כָּ֝עֵ֗ץ
(kaets)
als een boom
תִּקְוָתִֽי
(tiqvati)
mijn hoop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zijn toorn is tegen mij ontbrand en Hij rekent mij tot Zijn vijanden.
וַיַּ֣חַר
(vayachar)
en ontbrandt
עָלַ֣י
(alay)
tegen mij
אַפּ֑וֹ
(apo)
Zijn toorn
וַיַּחְשְׁבֵ֖נִי
(vayachsheveni)
en Hij rekent mij
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
כְצָרָֽיו
(ketsarav)
tot Zijn vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Gezamenlijk komen Zijn troepen, banen zich een weg tegen mij en leggen zich rondom mijn tent.
יַ֤חַד
(yachad)
samen
יָ֘בֹ֤אוּ
(yavou)
komen
גְדוּדָ֗יו
(gedudav)
Zijn troepen
וַיָּסֹ֣לּוּ
(vayasolu)
en banen
עָלַ֣י
(alay)
tegen mij
דַּרְכָּ֑ם
(darkam)
hun weg
וַיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en legeren
סָבִ֣יב
(saviv)
rondom
לְאָהֳלִֽי
(leaholi)
mijn tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Verlaten door al mijn naasten

13Mijn broers heeft Hij van mij verwijderd, en mijn bekenden zijn mij vreemd geworden.
אַ֭חַי
(achay)
mijn broers
מֵעָלַ֣י
(mealay)
van mij
הִרְחִ֑יק
(hirchiq)
heeft Hij verwijderd
וְ֝יֹדְעַ֗י
(veyodeay)
en mijn bekenden
אַךְ
(akh)
zeker
זָ֥רוּ
(zaru)
zijn vreemd
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Mijn verwanten laten mij in de steek, en mijn vertrouwelingen vergeten mij.
חָדְל֥וּ
(chadelu)
hebben opgehouden
קְרוֹבָ֑י
(qerovay)
mijn verwanten
וּֽמְיֻדָּעַ֥י
(umeyudaay)
en mijn vertrouwelingen
שְׁכֵחֽוּנִי
(shekhechuni)
hebben mij vergeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De gasten in mijn huis en mijn slavinnen beschouwen mij als een vreemde. Een onbekende ben ik in hun ogen.
גָּ֘רֵ֤י
(garei)
gasten van
בֵיתִ֣י
(beiti)
mijn huis
וְ֭אַמְהֹתַי
(veamhotay)
en mijn slavinnen
לְזָ֣ר
(lezar)
als een vreemde
תַּחְשְׁבֻ֑נִי
(tachshevuni)
rekenen mij
נָ֝כְרִ֗י
(nakheri)
een buitenlander
הָיִ֥יתִי
(hayiti)
ben ik
בְעֵינֵיהֶֽם
(beeineihem)
in hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Ik roep mijn dienaar, maar hij antwoordt niet. Met mijn mond moet ik hem smeken.
לְעַבְדִּ֣י
(leavdi)
mijn dienaar
קָ֭רָאתִי
(qarati)
riep ik
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַעֲנֶ֑ה
(yaane)
antwoordt hij
בְּמוֹ
(bemo)
met
פִ֝֗י
(pi)
mijn mond
אֶתְחַנֶּן
(etchanen)
smeek ik
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Mijn adem is mijn vrouw vreemd, en ik ben weerzinwekkend voor mijn eigen broers.
ר֭וּחִֽי
(ruchi)
mijn adem
זָ֣רָה
(zara)
is vreemd
לְאִשְׁתִּ֑י
(leishti)
voor mijn vrouw
וְ֝חַנֹּתִ֗י
(vechanoti)
en mijn gesmeek
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
בִטְנִֽי
(bitni)
mijn buik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בְּנֵי בִטְנִי (bene vitni) is letterlijk ‘de zonen van mijn buik’, dus ‘mijn eigen kinderen’.

Omdat Job zijn kinderen verloor (1:19), begrijpen wij het als ‘de zonen van de buik die mij droeg’, dat wil zeggen zijn broers.

Anderen lezen ‘de kinderen van mijn eigen lichaam’ bij de vrouw die hem is overgebleven.

18Zelfs kleine jongens verachten mij. Sta ik op, dan spreken ze over mij.
גַּם
(gam)
ook
עֲ֭וִילִים
(avilim)
kleine jongens
מָ֣אֲסוּ
(maasu)
verachten
בִ֑י
(bi)
mij
אָ֝ק֗וּמָה
(aquma)
ik sta op
וַיְדַבְּרוּ
(vaydaberu)
en spreken
בִֽי
(bi)
over mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Al mijn vertrouwelingen verafschuwen mij, en wie ik liefhad, heeft zich tegen mij gekeerd.
תִּֽ֭עֲבוּנִי
(tiavuni)
verafschuwen mij
כָּל
(kal)
al
מְתֵ֣י
(metei)
mannen van
סוֹדִ֑י
(sodi)
mijn kring
וְזֶֽה
(veze)
en degene die
אָ֝הַ֗בְתִּי
(ahavti)
ik liefhad
נֶהְפְּכוּ
(nehpekhu)
hebben zich gekeerd
בִֽי
(bi)
tegen mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Mijn bot kleeft aan mijn huid en mijn vlees. Ik ben ontkomen met de huid van mijn tanden.
בְּעוֹרִ֣י
(beori)
aan mijn huid
וּ֭בִבְשָׂרִי
(uvivsari)
en aan mijn vlees
דָּבְקָ֣ה
(daveqa)
kleeft
עַצְמִ֑י
(atsmi)
mijn bot
וָ֝אֶתְמַלְּטָ֗ה
(vaetmaleta)
en ik ben ontkomen
בְּע֣וֹר
(beor)
met de huid van
שִׁנָּֽי
(shinay)
mijn tanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Met de huid van mijn tanden’ is een spreekwoord: nauwelijks.

Er is bijna niets van Job overgebleven; zelfs het tandvlees is verdwenen.

Ik weet dat mijn losser leeft

21Heb medelijden met mij, heb medelijden, jullie, mijn vrienden, want de hand van Eloah heeft mij getroffen.
חָנֻּ֬נִי
(chanuni)
heb medelijden met mij
חָנֻּ֣נִי
(chanuni)
heb medelijden met mij
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
רֵעָ֑י
(reay)
mijn vrienden
כִּ֥י
(ki)
want
יַד
(yad)
hand van
אֱ֝ל֗וֹהַּ
(eloha)
Eloah
נָ֣גְעָה
(nagea)
heeft geraakt
בִּֽי
(bi)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Waarom vervolgen jullie mij als El, en worden jullie niet verzadigd van mijn vlees?
לָ֭מָּה
(lama)
waarom
תִּרְדְּפֻ֣נִי
(tirdefuni)
vervolgen jullie mij
כְמוֹ
(kemo)
zoals
אֵ֑ל
(el)
El
וּ֝מִבְּשָׂרִ֗י
(umibesari)
en van mijn vlees
לֹ֣א
(lo)
niet
תִשְׂבָּֽעוּ
(tisbau)
worden jullie verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Wie geeft dat mijn woorden worden opgeschreven? Wie geeft dat ze in een boekrol worden ingegraveerd,
מִֽי
(mi)
wie
יִתֵּ֣ן
(yiten)
geeft
אֵ֭פוֹ
(efo)
dan
וְיִכָּתְב֣וּן
(veyikatevun)
dat ze worden opgeschreven
מִלָּ֑י
(milay)
mijn woorden
מִֽי
(mi)
wie
יִתֵּ֖ן
(yiten)
geeft
בַּסֵּ֣פֶר
(basefer)
in een boek
וְיֻחָֽקוּ
(veyuchaqu)
dat ze worden gegraveerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job verlangt ernaar dat zijn woorden worden vastgelegd: eerst op een boekrol, dan zelfs in de rots.

Hij wil dat zijn onschuld bewaard blijft voor wie later komen, ook als hij zelf sterft.

Het boek zelf is in zekere zin die vastlegging.

24met een ijzeren stift en lood, voor altijd in de rots gehouwen!
בְּעֵט
(beet)
met een stift van
בַּרְזֶ֥ל
(barzel)
ijzer
וְעֹפָ֑רֶת
(veofaret)
en lood
לָ֝עַ֗ד
(laad)
voor altijd
בַּצּ֥וּר
(batsur)
in rots
יֵחָצְבֽוּן
(yechatsevun)
worden gehouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Maar ik weet dat mijn losser leeft, en dat Hij als laatste over het stof zal opstaan.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
יָ֭דַעְתִּי
(yadati)
weet
גֹּ֣אֲלִי
(goali)
mijn losser
חָ֑י
(chay)
leeft
וְ֝אַחֲר֗וֹן
(veacharon)
en als laatste
עַל
(al)
op
עָפָ֥ר
(afar)
stof
יָקֽוּם
(yaqum)
zal opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּאֵל (go’el), ‘losser’, is in de wet van Israël de naaste verwant die iemand uit schuld of slavernij vrijkoopt of zijn bloed wreekt (Lev. 25:25; Num. 35:19; Ruth 3:9–13).

Job verwacht dat zijn losser leeft, ook als hijzelf sterft, en dat Hij ‘als laatste’ (אַחֲרוֹן, acharon) over het stof zal opstaan: Hij blijft staan als alles voorbij is.

Wie de losser is, zegt Job niet.

In de christelijke uitleg wordt dit vaak op Christus betrokken; in de joodse uitleg is het Eloah zelf.

Vergelijk 16:19 en 9:33.

26En nadat mijn huid zo is afgeslagen, zal ik uit mijn vlees Eloah zien,
וְאַחַ֣ר
(veachar)
en nadat
ע֭וֹרִֽי
(ori)
mijn huid
נִקְּפוּ
(niqefu)
is afgeslagen
זֹ֑את
(zot)
dit
וּ֝מִבְּשָׂרִ֗י
(umibesari)
en uit mijn vlees
אֶֽחֱזֶ֥ה
(echeze)
zal ik zien
אֱלֽוֹהַּ
(eloha)
Eloah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מִבְּשָׂרִי (mibbesari) kan ‘uit mijn vlees’ (vanuit mijn lichaam, dus lichamelijk) of ‘zonder mijn vlees’ (dus nadat het lichaam vergaan is) betekenen.

Het voorzetsel מִן (min) laat beide toe.

Wij kiezen ‘uit mijn vlees’, omdat Job zegt dat hij zelf, met eigen ogen, zal zien (vers 27).

Vergelijk 14:12, waar Job zegt dat doden niet opstaan: het is een geloof dat hij nog niet kan doorzien.

27die ik zelf voor mij zal zien. Mijn ogen zullen Hem zien, en geen vreemde. Mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste.
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
אֲנִ֨י
(ani)
ik
אֶֽחֱזֶה
(echeze)
zal zien
לִּ֗י
(li)
voor mij
וְעֵינַ֣י
(veeinay)
en mijn ogen
רָא֣וּ
(rau)
zullen zien
וְלֹא
(velo)
en niet
זָ֑ר
(zar)
een vreemde
כָּל֖וּ
(kalu)
bezwijken
כִלְיֹתַ֣י
(kilyotay)
mijn nieren
בְּחֵקִֽי
(becheqi)
in mijn binnenste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Als jullie zeggen: ‘Hoe zullen we hem vervolgen?’ en: ‘De wortel van de zaak is in hem te vinden’,
כִּ֣י
(ki)
als
תֹ֭אמְרוּ
(tomru)
jullie zeggen
מַה
(ma)
hoe
נִּרְדָּף
(nirdaf)
zullen we vervolgen
ל֑וֹ
(lo)
hem
וְשֹׁ֥רֶשׁ
(veshoresh)
en wortel van
דָּ֝בָ֗ר
(davar)
de zaak
נִמְצָא
(nimtsa)
wordt gevonden
בִֽי
(bi)
in mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29vrees dan voor het zwaard, want grimmig is de toorn over de schuld die het zwaard straft, zodat jullie weten dat er een rechter is.”
גּ֤וּרוּ
(guru)
vreest
לָכֶ֨ם
(lakhem)
voor jullie
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor
חֶ֗רֶב
(cherev)
zwaard
כִּֽי
(ki)
want
חֵ֭מָה
(chema)
grimmig
עֲוֺנ֣וֹת
(avonot)
schuldig
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
לְמַ֖עַן
(lemaan)
opdat
תֵּדְע֣וּן
(tedeun)
jullie weten
שַׁדּֽוּן
(shadun)
er is een gericht (K: er is een rechter)
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft שַׁדִּין (shaddin), de lezing in de marge (qere) heeft שַׁדּוּן (shaddun).

De betekenis is ‘dat er een gericht is’ of ‘dat er een Rechter is’, met een klank van Sjaddai.

Wij volgen de qere.