Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De stad zit eenzaam en verlaten
1Hoe zit zij daar, eenzaam, de stad die vol volk was! Als een weduwe is zij geworden, zij die groot was onder de volken. De vorstin onder de gewesten is een dwangarbeidster geworden.
אֵיכָ֣ה
(eikha)
hoe
יָשְׁבָ֣ה
(yasheva)
zit zij
בָדָ֗ד
(badad)
eenzaam
הָעִיר֙
(hair)
de stad
רַבָּ֣תִי
(rabati)
vol van
עָ֔ם
(am)
volk
הָיְתָ֖ה
(hayeta)
zij is geworden
כְּאַלְמָנָ֑ה
(kealmana)
als een weduwe
רַּבָּ֣תִי
(rabati)
groot
בַגּוֹיִ֗ם
(bagoyim)
onder de volken
שָׂרָ֨תִי֙
(sarati)
vorstin
בַּמְּדִינ֔וֹת
(bamedinot)
onder de gewesten
הָיְתָ֖ה
(hayeta)
zij is geworden
לָמַֽס
(lamas)
tot dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Klaagliederen 1 tot en met 4 zijn alfabetgedichten (acrostichons): elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet.
In hoofdstuk 3 begint elke drie verzen met dezelfde letter.
Dit vers begint met de eerste letter, א (alef).
Wij vervormen het Nederlands niet om die opbouw na te bootsen; zij is alleen in de grondtekst te zien.
Hoofdstuk 5 heeft ook 22 verzen, maar is niet alfabetisch.
אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: een uitroep van klacht en ontzetting. Het is ook de Hebreeuwse naam van dit boek. Het woord opent ook Jes. 1:21 en staat in Deut. 1:12.
רַבָּתִי (rabbati), ‘vol van’ en ‘groot’: hetzelfde woord, twee keer. De stad was vol mensen en groot onder de volken.
מַס (mas), ‘dwangarbeid’: verplichte arbeid voor een overheerser, zoals in Deut. 20:11 en Joz. 16:10.
De stad is Jeruzalem; zij heet in dit hoofdstuk ook Sion, Juda en Dochter Sion.
2Zij weent en weent in de nacht. Haar tranen lopen over haar wangen. Van al haar minnaars is er niemand die haar troost. Al haar vrienden hebben haar verraden. Zij zijn haar vijanden geworden.
בָּכ֨וֹ
(bakho)
weend
תִבְכֶּ֜ה
(tivke)
zij weent
בַּלַּ֗יְלָה
(balayla)
in de nacht
וְדִמְעָתָהּ֙
(vedimatah)
en haar tranen
עַ֣ל
(al)
op
לֶֽחֱיָ֔הּ
(lecheyah)
haar wangen
אֵֽין
(ein)
niet is
לָ֥הּ
(lah)
voor haar
מְנַחֵ֖ם
(menachem)
trooster
מִכָּל
(mikal)
van al
אֹהֲבֶ֑יהָ
(ohaveiha)
haar minnaars
כָּל
(kal)
al
רֵעֶ֨יהָ֙
(reeiha)
haar vrienden
בָּ֣גְדוּ
(bagedu)
hebben verraden
בָ֔הּ
(bah)
haar
הָ֥יוּ
(hayu)
zij zijn geworden
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
לְאֹיְבִֽים
(leoyevim)
tot vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹהֲבֶיהָ (ohaveiha), ‘haar minnaars’: de volken met wie Juda verbonden was en op wie zij steunde.
Zie ook Hos. 2:7 (NL 2:5) en Jer. 30:14.
מְנַחֵם (menachem), ‘trooster’: van נִחַם (nicham), ‘troosten’. Dit woord keert terug in vers 9, 16, 17 en 21: er is niemand die troost.
3Juda is weggevoerd, na ellende en zware slavernij. Zij woont onder de volken en vindt geen rust. Al haar achtervolgers hebben haar ingehaald, midden in de benauwdheid.
גָּֽלְתָ֨ה
(galeta)
zij is weggevoerd
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
מֵעֹ֨נִי֙
(meoni)
na ellende
וּמֵרֹ֣ב
(umerov)
en na veel
עֲבֹדָ֔ה
(avoda)
slavernij
הִ֚יא
(hi)
zij
יָשְׁבָ֣ה
(yasheva)
zij woont
בַגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
לֹ֥א
(lo)
niet
מָצְאָ֖ה
(matsea)
zij heeft gevonden
מָנ֑וֹחַ
(manoach)
rust
כָּל
(kal)
al
רֹדְפֶ֥יהָ
(rodefeiha)
haar achtervolgers
הִשִּׂיג֖וּהָ
(hisiguha)
hebben haar ingehaald
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הַמְּצָרִֽים
(hametsarim)
de benauwdheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵעֹנִי (me’oni), ‘na ellende’: het voorzetsel מִן (min) kan ‘na’ of ‘vanwege’ betekenen.
De ballingschap volgt op ellende en zware slavernij.
בֵּין הַמְּצָרִים (ben hammetsarim), ‘midden in de benauwdheid’: letterlijk ‘tussen de engten’. Het woord is verwant aan מֵצַר (metsar), ‘benauwdheid’ in Ps. 118:5.
4De wegen naar Sion treuren, want niemand komt meer naar de feesttijd. Al haar poorten zijn verlaten. Haar priesters zuchten. Haar maagden zijn bedroefd. En zijzelf: het is bitter voor haar.
דַּרְכֵ֨י
(darkhei)
wegen van
צִיּ֜וֹן
(tsiyon)
Sion
אֲבֵל֗וֹת
(avelot)
treurend
מִבְּלִי֙
(mibeli)
omdat niet zijn
בָּאֵ֣י
(baei)
komers naar
מוֹעֵ֔ד
(moed)
de feesttijd
כָּל
(kal)
al
שְׁעָרֶ֨יהָ֙
(sheareiha)
haar poorten
שֽׁוֹמֵמִ֔ין
(shomemin)
verlaten
כֹּהֲנֶ֖יהָ
(kohaneiha)
haar priesters
נֶאֱנָחִ֑ים
(neenachim)
zuchtend
בְּתוּלֹתֶ֥יהָ
(betuloteiha)
haar maagden
נּוּג֖וֹת
(nugot)
bedroefd
וְהִ֥יא
(vehi)
en zij
מַר
(mar)
bitter
לָֽהּ
(lah)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מוֹעֵד (mo’ed), ‘feesttijd’: de vaste tijden waarop heel Israël naar de plaats van Yahweh optrok, zoals in Deut. 16:16.
Het woord keert terug in vers 15 en in 2:6, 2:7 en 2:22.
נוּגוֹת (nugot), ‘bedroefd’: van יָגָה (yagah), ‘bedroeven’. Hetzelfde werkwoord staat in vers 5 en 12 (‘bedroefd’) en in 3:32–33.
5Haar tegenstanders zijn de baas geworden. Haar vijanden leven in rust. Want Yahweh heeft haar bedroefd om haar vele overtredingen. Haar kleine kinderen zijn als gevangenen weggegaan, voor de tegenstander uit.
הָי֨וּ
(hayu)
zij zijn geworden
צָרֶ֤יהָ
(tsareiha)
haar tegenstanders
לְרֹאשׁ֙
(lerosh)
tot hoofd
אֹיְבֶ֣יהָ
(oyeveiha)
haar vijanden
שָׁל֔וּ
(shalu)
zij leven in rust
כִּֽי
(ki)
want
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
הוֹגָ֖הּ
(hogah)
heeft bedroefd
עַ֣ל
(al)
om
רֹב
(rov)
veelheid van
פְּשָׁעֶ֑יהָ
(peshaeiha)
haar overtredingen
עוֹלָלֶ֛יהָ
(olaleiha)
haar kleine kinderen
הָלְכ֥וּ
(halekhu)
zijn gegaan
שְׁבִ֖י
(shevi)
gevangenschap
לִפְנֵי
(lifnei)
voor het gezicht van
צָֽר
(tsar)
de tegenstander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְרֹאשׁ (lerosh), ‘tot hoofd’: zij zijn de baas geworden.
Het is het omgekeerde van Deut. 28:44, waar het volk ‘het hoofd’ had kunnen zijn.
עֹלָלֶיהָ (olaleiha), ‘haar kleine kinderen’: kinderen, ook zuigelingen. Het woord keert terug in 2:11, 2:19, 2:20 en 4:4.
6Uit Dochter Sion is al haar pracht vertrokken. Haar oversten zijn als herten geworden die geen weide vinden. Zonder kracht lopen zij voor de achtervolger uit.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en is vertrokken
מן
(min)
uit
מִבַּת
(mibat)
van de dochter van
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
כָּל
(kal)
al
הֲדָרָ֑הּ
(hadarah)
haar pracht
הָי֣וּ
(hayu)
zij zijn geworden
שָׂרֶ֗יהָ
(sareiha)
haar oversten
כְּאַיָּלִים֙
(keayalim)
als herten
לֹא
(lo)
niet
מָצְא֣וּ
(matseu)
zij vonden
מִרְעֶ֔ה
(mire)
weide
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en zij gaan
בְלֹא
(belo)
zonder
כֹ֖חַ
(koach)
kracht
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het gezicht van
רוֹדֵֽף
(rodef)
een achtervolger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: de stad Jeruzalem als een jonge vrouw voorgesteld, zoals in Jes. 1:8.
Wij houden ‘Dochter Sion’ als vaste naam.
אַיָּלִים (ayyalim), ‘herten’: dieren die zonder weide verzwakt raken.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) מִבַּת (mibbat), ‘van de dochter van’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft alleen בַּת (bat).
7Jeruzalem denkt terug aan de dagen van haar ellende en haar zwerftochten, aan al haar kostbaarheden uit vroeger tijd. Toen haar volk in de hand van de tegenstander viel en niemand haar hielp, zagen haar tegenstanders het. Zij lachten om haar ondergang.
זָֽכְרָ֣ה
(zakhera)
zij denkt terug
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
יְמֵ֤י
(yemei)
dagen van
עָנְיָהּ֙
(aneyah)
haar ellende
וּמְרוּדֶ֔יהָ
(umerudeiha)
en haar zwerftochten
כֹּ֚ל
(kol)
al
מַחֲמֻדֶ֔יהָ
(machamudeiha)
haar kostbaarheden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָי֖וּ
(hayu)
waren
מִ֣ימֵי
(mimei)
van de dagen van
קֶ֑דֶם
(qedem)
vroeger
בִּנְפֹ֧ל
(binfol)
toen viel
עַמָּ֣הּ
(amah)
haar volk
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
צָ֗ר
(tsar)
de tegenstander
וְאֵ֤ין
(veein)
en niet is
עוֹזֵר֙
(ozer)
een helper
לָ֔הּ
(lah)
voor haar
רָא֣וּהָ
(rauha)
zagen haar
צָרִ֔ים
(tsarim)
tegenstanders
שָׂחֲק֖וּ
(sachaqu)
zij lachten
עַ֥ל
(al)
om
מִשְׁבַּתֶּֽהָ
(mishbateha)
haar ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
מִשְׁבַּתֶּהָ (mishbatteha), ‘haar ondergang’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij שָׁבַת (shavat), ‘ophouden’, en kan ook ‘haar ophouden’ of ‘haar sabbatten’ betekenen. Sommige oude vertalingen lezen anders.
8Jeruzalem heeft zwaar gezondigd. Daarom is zij iets onreins geworden. Allen die haar eerden, verachten haar, want zij hebben haar naaktheid gezien. Ook zijzelf zucht en keert zich af.
חֵ֤טְא
(chete)
zonde
חָֽטְאָה֙
(chatea)
zij heeft gezondigd
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
עַל
(al)
daarom
כֵּ֖ן
(ken)
(zo)
לְנִידָ֣ה
(lenida)
tot iets onreins
הָיָ֑תָה
(hayata)
zij is geworden
כָּֽל
(kal)
al
מְכַבְּדֶ֤יהָ
(mekhabedeiha)
die haar eerden
הִזִּיל֨וּהָ֙
(hiziluha)
verachten haar
כִּי
(ki)
want
רָא֣וּ
(rau)
zij hebben gezien
עֶרְוָתָ֔הּ
(ervatah)
haar naaktheid
גַּם
(gam)
ook
הִ֥יא
(hi)
zij
נֶאֶנְחָ֖ה
(neencha)
zucht
וַתָּ֥שָׁב
(vatashav)
en zij keert zich
אָחֽוֹר
(achor)
terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
נִידָה (nidah), ‘iets onreins’: het woord lijkt op נִדָּה (niddah), ‘onreinheid’ (Lev. 15:19).
Het kan ook ‘iets waarvoor men het hoofd schudt’ betekenen (van נוּד, nud).
Wij vertalen ‘iets onreins’, zoals ook in vers 17.
עֶרְוָה (ervah), ‘naaktheid’: het blootleggen en beschamen van de stad, zoals in Ezech. 16:37.
9Haar onreinheid zit in haar zomen. Zij dacht niet aan haar einde. Zij is ontstellend diep gezonken. Niemand troost haar. Zie, Yahweh, mijn ellende, want de vijand heeft zich groot gemaakt.
טֻמְאָתָ֣הּ
(tumatah)
haar onreinheid
בְּשׁוּלֶ֗יהָ
(beshuleiha)
in haar zomen
לֹ֤א
(lo)
niet
זָֽכְרָה֙
(zakhera)
zij dacht aan
אַחֲרִיתָ֔הּ
(acharitah)
haar einde
וַתֵּ֣רֶד
(vatered)
en zij is gedaald
פְּלָאִ֔ים
(pelaim)
ontstellend
אֵ֥ין
(ein)
niet is
מְנַחֵ֖ם
(menachem)
een trooster
לָ֑הּ
(lah)
voor haar
רְאֵ֤ה
(ree)
zie
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
עָנְיִ֔י
(aneyi)
mijn ellende
כִּ֥י
(ki)
want
הִגְדִּ֖יל
(higdil)
heeft zich groot gemaakt
אוֹיֵֽב
(oyev)
de vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוּלֶיהָ (shuleiha), ‘haar zomen’: de onderrand van het kleed.
De onreinheid zit zichtbaar in de kleren, zoals in Jer. 13:22.
פְּלָאִים (pelaim), ‘ontstellend’: letterlijk ‘wonderlijk’. Haar val is verbijsterend.
Vanaf ‘Zie, Yahweh’ spreekt de stad zelf. Haar stem klinkt ook aan het slot van vers 11 en in vers 12–22. In de tekst staat niet aangegeven wie spreekt; de wisseling blijkt uit het ‘ik’ en ‘mijn’. Wij zetten geen aanhalingstekens.
10De tegenstander heeft zijn hand uitgestrekt naar al haar kostbaarheden. Zij heeft gezien hoe volken haar heiligdom binnengingen, volken van wie U gezegd had dat zij Uw vergadering niet mochten binnengaan.
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
פָּ֣רַשׂ
(paras)
heeft uitgestrekt
צָ֔ר
(tsar)
de tegenstander
עַ֖ל
(al)
naar
כָּל
(kal)
al
מַחֲמַדֶּ֑יהָ
(machamadeiha)
haar kostbaarheden
כִּֽי
(ki)
want
רָאֲתָ֤ה
(raata)
zij heeft gezien
גוֹיִם֙
(goyim)
volken
בָּ֣אוּ
(bau)
zij zijn binnengegaan
מִקְדָּשָׁ֔הּ
(miqdashah)
in haar heiligdom
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
צִוִּ֔יתָה
(tsivita)
U hebt bevolen
לֹא
(lo)
niet
יָבֹ֥אוּ
(yavou)
zij zullen binnengaan
בַקָּהָ֖ל
(baqahal)
in de vergadering
לָֽךְ
(lakh)
Uw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: de tempel van Yahweh.
Het verbod waarnaar de zin verwijst, staat voor Ammonieten en Moabieten in Deut. 23:4 (NL 23:3).
11Heel haar volk zucht en zoekt brood. Zij hebben hun kostbaarheden voor voedsel gegeven om weer op krachten te komen. Zie, Yahweh, en kijk: ik ben een verachte geworden.
כָּל
(kal)
al
עַמָּ֤הּ
(amah)
haar volk
נֶאֱנָחִים֙
(neenachim)
zuchtend
מְבַקְּשִׁ֣ים
(mevaqeshim)
zoekend
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
נָתְנ֧וּ
(natenu)
zij hebben gegeven
מַחֲמַדֵּיהֶ֛ם
(machamadeihem)
hun kostbaarheden
בְּאֹ֖כֶל
(beokhel)
voor voedsel
לְהָשִׁ֣יב
(lehashiv)
om terug te brengen
נָ֑פֶשׁ
(nafesh)
leven
רְאֵ֤ה
(ree)
zie
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְֽהַבִּ֔יטָה
(vehabita)
en kijk
כִּ֥י
(ki)
want
הָיִ֖יתִי
(hayiti)
ik ben geworden
זוֹלֵלָֽה
(zolela)
een verachte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זוֹלֵלָה (zolelah), ‘verachte’: het woord kan ook ‘gulzige’ betekenen (Deut. 21:20).
Wij kiezen ‘verachte’, omdat het past bij הִזִּילוּהָ (hizilu-ha), ‘zij verachten haar’, in vers 8.
לְהָשִׁיב נֶפֶשׁ (lehashiv nefesh), ‘om weer op krachten te komen’: letterlijk ‘om de ziel terug te brengen’. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat voor ‘ziel, leven’; zie ook vers 16 en 19.
12Raakt het jullie niet, alle voorbijgangers? Kijk en zie: is er een pijn zoals mijn pijn, die mij is aangedaan? Yahweh heeft mij bedroefd op de dag van Zijn brandende toorn.
ל֣וֹא
(lo)
raakt het niet
אֲלֵיכֶם֮
(aleikhem)
jullie
כָּל
(kal)
al
עֹ֣בְרֵי
(overei)
voorbijgangers van
דֶרֶךְ֒
(derekh)
de weg
הַבִּ֣יטוּ
(habitu)
kijkt
וּרְא֗וּ
(ureu)
en ziet
אִם
(im)
of
יֵ֤שׁ
(yesh)
er is
מַכְאוֹב֙
(makhov)
pijn
כְּמַכְאֹבִ֔י
(kemakhovi)
zoals mijn pijn
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עוֹלַ֖ל
(olal)
is aangedaan
לִ֑י
(li)
aan mij
אֲשֶׁר֙
(asher)
waarmee
הוֹגָ֣ה
(hoga)
heeft bedroefd
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
חֲר֥וֹן
(charon)
gloed van
אַפּֽוֹ
(apo)
Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לוֹא אֲלֵיכֶם (lo alekhem), ‘raakt het jullie niet’: de betekenis van deze twee woorden is onzeker.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
Wij kiezen een vraag aan de voorbijgangers.
De voorbijgangers zijn de mensen die langs de verwoeste stad komen; zie ook 2:15.
13Uit de hoogte heeft Hij vuur in mijn beenderen gezonden, en het overmeestert ze. Hij heeft een net voor mijn voeten gespreid. Hij heeft mij achterwaarts doen keren. Hij heeft mij tot een woestenij gemaakt, kwijnend de hele dag.
מִמָּר֛וֹם
(mimarom)
uit de hoogte
שָֽׁלַח
(shalach)
Hij heeft gezonden
אֵ֥שׁ
(esh)
vuur
בְּעַצְמֹתַ֖י
(beatsmotay)
in mijn beenderen
וַיִּרְדֶּ֑נָּה
(vayirdena)
en het overmeestert ze
פָּרַ֨שׂ
(paras)
Hij heeft gespreid
רֶ֤שֶׁת
(reshet)
een net
לְרַגְלַי֙
(leraglay)
voor mijn voeten
הֱשִׁיבַ֣נִי
(heshivani)
Hij heeft mij doen keren
אָח֔וֹר
(achor)
achterwaarts
נְתָנַ֨נִי֙
(netanani)
Hij heeft mij gemaakt
שֹֽׁמֵמָ֔ה
(shomema)
tot een woestenij
כָּל
(kal)
de hele
הַיּ֖וֹם
(hayom)
dag
דָּוָֽה
(dava)
kwijnend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּרְדֶּנָּה (vayyirdennah), ‘en het overmeestert ze’: het werkwoord kan van רָדָה (radah), ‘heersen’, komen.
Het kan ook ‘en het daalt erin’ betekenen.
De betekenis is onzeker.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
דָּוָה (davah), ‘kwijnend’: ziek, zwak, zoals in vers 22 (דַּוָּי, davvay).
14Het juk van mijn overtredingen is door Zijn hand vastgebonden. Ze zijn ineengevlochten en op mijn nek gekomen. Hij heeft mijn kracht doen wankelen. De Heer heeft mij overgegeven in handen waartegen ik niet kan opstaan.
נִשְׂקַד֩
(nisqad)
is vastgebonden
עֹ֨ל
(ol)
juk van
פְּשָׁעַ֜י
(peshaay)
mijn overtredingen
בְּיָד֗וֹ
(beyado)
door Zijn hand
יִשְׂתָּֽרְג֛וּ
(yistaregu)
zij zijn ineengevlochten
עָל֥וּ
(alu)
zij zijn omhoog gekomen
עַל
(al)
op
צַוָּארִ֖י
(tsavari)
mijn nek
הִכְשִׁ֣יל
(hikhshil)
Hij heeft laten wankelen
כֹּחִ֑י
(kochi)
mijn kracht
נְתָנַ֣נִי
(netanani)
Hij heeft mij gegeven
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
de Heer
בִּידֵ֖י
(bidei)
in handen van
לֹא
(lo)
niet
אוּכַ֥ל
(ukhal)
ik kan
קֽוּם
(qum)
opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: een titel van Yahweh.
Wij vertalen hem als ‘de Heer’ en, als de dichter Hem aanspreekt, als ‘Heer’ (zie 3:58).
Als de titel bij Yahweh staat, vertalen wij ‘Heer Yahweh’.
נִשְׂקַד (nisqad), ‘is vastgebonden’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Het beeld is een juk dat met touwen is vastgemaakt.
15De Heer heeft al mijn sterken in mijn midden terzijde geschoven. Hij heeft een feesttijd tegen mij uitgeroepen om mijn jongemannen te breken. De Heer heeft de wijnpers getreden voor de maagd, Dochter Juda.
סִלָּ֨ה
(sila)
Hij heeft terzijde geschoven
כָל
(kal)
al
אַבִּירַ֤י
(abiray)
mijn sterken
אֲדֹנָי֙
(adonay)
de Heer
בְּקִרְבִּ֔י
(beqirbi)
in mijn midden
קָרָ֥א
(qara)
Hij heeft geroepen
עָלַ֛י
(alay)
tegen mij
מוֹעֵ֖ד
(moed)
een feesttijd
לִשְׁבֹּ֣ר
(lishbor)
om te breken
בַּחוּרָ֑י
(bachuray)
mijn jongemannen
גַּ֚ת
(gat)
wijnpers
דָּרַ֣ךְ
(darakh)
Hij heeft getreden
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
de Heer
לִבְתוּלַ֖ת
(livtulat)
voor de maagd
בַּת
(bat)
dochter van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סִלָּה (sillah), ‘Hij heeft terzijde geschoven’: het is niet het woord ‘Sela’ uit de Psalmen.
Het werkwoord komt ook voor in Ps. 119:118 (‘U verwerpt’).
De betekenis is ‘wegwerpen als iets waardeloos’.
מוֹעֵד (mo’ed), ‘feesttijd’: Yahweh roept een ‘feesttijd’ uit, maar nu is het een dag van oordeel. Zie ook vers 4.
גַּת (gat), ‘wijnpers’: het beeld van het oordeel als het treden van druiven. Zie Jes. 63:3 en Joël 4:13 (NL 3:13).
16Daarom huil ik. Mijn oog, mijn oog stroomt over van water. Want ver van mij is een trooster, iemand die mij weer op krachten brengt. Mijn zonen zijn verwoest, want de vijand heeft de overhand gekregen.
עַל
(al)
om
אֵ֣לֶּה
(ele)
deze dingen
אֲנִ֣י
(ani)
ik
בוֹכִיָּ֗ה
(bokhiya)
huilend
עֵינִ֤י
(eini)
mijn oog
עֵינִי֙
(eini)
mijn oog
יֹ֣רְדָה
(yoreda)
daalt
מַּ֔יִם
(mayim)
water
כִּֽי
(ki)
want
רָחַ֥ק
(rachaq)
is ver
מִמֶּ֛נִּי
(mimeni)
van mij
מְנַחֵ֖ם
(menachem)
een trooster
מֵשִׁ֣יב
(meshiv)
die terugbrengt
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
הָי֤וּ
(hayu)
zij zijn geworden
בָנַי֙
(banay)
mijn zonen
שֽׁוֹמֵמִ֔ים
(shomemim)
verwoest
כִּ֥י
(ki)
want
גָבַ֖ר
(gavar)
heeft de overhand gekregen
אוֹיֵֽב
(oyev)
de vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְשִׁיב נַפְשִׁי (meshiv nafshi), ‘die mij weer op krachten brengt’: zoals in vers 11 en 19.
17Sion strekt haar handen uit. Niemand troost haar. Yahweh heeft over Jakob bevolen dat zijn tegenstanders rondom hem zijn. Jeruzalem is onrein geworden te midden van hen.
פֵּֽרְשָׂ֨ה
(peresa)
heeft uitgespreid
צִיּ֜וֹן
(tsiyon)
Sion
בְּיָדֶ֗יהָ
(beyadeiha)
haar handen
אֵ֤ין
(ein)
niet is
מְנַחֵם֙
(menachem)
een trooster
לָ֔הּ
(lah)
voor haar
צִוָּ֧ה
(tsiva)
Hij heeft bevolen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְיַעֲקֹ֖ב
(leyaaqov)
over Jakob
סְבִיבָ֣יו
(sevivav)
rondom hem
צָרָ֑יו
(tsarav)
zijn tegenstanders
הָיְתָ֧ה
(hayeta)
is geworden
יְרוּשָׁלִַ֛ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לְנִדָּ֖ה
(lenida)
tot iets onreins
בֵּינֵיהֶֽם
(beineihem)
tussen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Jakob staat hier voor het hele volk.
In dit vers praat de dichter weer over de stad in de derde persoon (‘Sion strekt haar handen uit’). Daarna volgt in vers 18 weer de stem van de stad.
18Yahweh is rechtvaardig, want tegen Zijn mond ben ik weerspannig geweest. Hoor toch, alle volken, en zie mijn pijn. Mijn maagden en mijn jongemannen zijn in gevangenschap gegaan.
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
rechtvaardig
ה֛וּא
(hu)
Hij
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֣י
(ki)
want
פִ֣יהוּ
(pihu)
Zijn mond
מָרִ֑יתִי
(mariti)
ik ben weerspannig geweest
שִׁמְעוּ
(shimu)
hoort
נָ֣א
(na)
toch
כָל
(kal)
al
הָֽעַמִּ֗ים
(haamim)
de volken
וּרְאוּ֙
(ureu)
en ziet
מַכְאֹבִ֔י
(makhovi)
mijn pijn
בְּתוּלֹתַ֥י
(betulotay)
mijn maagden
וּבַחוּרַ֖י
(uvachuray)
en mijn jongemannen
הָלְכ֥וּ
(halekhu)
zijn gegaan
בַשֶּֽׁבִי
(bashevi)
in gevangenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: de stad erkent dat Yahweh recht doet.
פִּיהוּ (pihu), ‘Zijn mond’: wat Yahweh gezegd en bevolen heeft. De stad zegt: ik ben weerspannig geweest tegen Zijn woord.
19Ik riep naar mijn minnaars, maar zij hebben mij bedrogen. Mijn priesters en mijn oudsten zijn in de stad omgekomen, terwijl zij voedsel zochten om weer op krachten te komen.
קָרָ֤אתִי
(qarati)
ik riep
לַֽמְאַהֲבַי֙
(lamahavay)
naar mijn minnaars
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
רִמּ֔וּנִי
(rimuni)
hebben mij bedrogen
כֹּהֲנַ֥י
(kohanay)
mijn priesters
וּזְקֵנַ֖י
(uzeqenay)
en mijn oudsten
בָּעִ֣יר
(bair)
in de stad
גָּוָ֑עוּ
(gavau)
zijn omgekomen
כִּֽי
(ki)
terwijl
בִקְשׁ֥וּ
(biqshu)
zij zochten
אֹ֨כֶל֙
(okhel)
voedsel
לָ֔מוֹ
(lamo)
voor zich
וְיָשִׁ֖יבוּ
(veyashivu)
om te laten terugkeren
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשָֽׁם
(nafsham)
hun ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רִמּוּנִי (rimmuni), ‘zij hebben mij bedrogen’: van רָמָה (ramah), ‘bedriegen’.
20Zie, Yahweh, want ik ben in nood. Mijn ingewanden koken. Mijn hart is in mijn binnenste omgekeerd, want ik ben zeer weerspannig geweest. Buiten maakt het zwaard kinderloos; binnen is het als de dood.
רְאֵ֨ה
(ree)
zie
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
צַר
(tsar)
benauwd is het
לִי֙
(li)
voor mij
מֵעַ֣י
(meay)
mijn ingewanden
חֳמַרְמָ֔רוּ
(chomarmaru)
koken
נֶהְפַּ֤ךְ
(nehpakh)
is omgekeerd
לִבִּי֙
(libi)
mijn hart
בְּקִרְבִּ֔י
(beqirbi)
in mijn binnenste
כִּ֥י
(ki)
want
מָר֖וֹ
(maro)
zeer
מָרִ֑יתִי
(mariti)
ik ben weerspannig geweest
מִח֥וּץ
(michuts)
buiten
שִׁכְּלָה
(shikela)
maakt kinderloos
חֶ֖רֶב
(cherev)
het zwaard
בַּבַּ֥יִת
(babayit)
binnen
כַּמָּֽוֶת
(kamavet)
als de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֳמַרְמָרוּ (chomarmaru), ‘koken’: het beeld van een onrustig kolkend binnenste.
מָרוֹ מָרִיתִי (maro mariti), ‘ik ben zeer weerspannig geweest’: het werkwoord staat twee keer, en dat geeft nadruk. Zie ook vers 18.
בַּבַּיִת כַּמָּוֶת (babayit kamavet), ‘binnen is het als de dood’: binnen het huis heerst honger en ziekte. Vergelijk Ezech. 7:15.
21Men heeft gehoord dat ik zucht, maar niemand troost mij. Al mijn vijanden hebben gehoord van het onheil dat mij treft. Zij zijn blij dat U het hebt gedaan. U hebt de dag laten komen die U hebt uitgeroepen. Laat hen worden zoals ik.
שָׁמְע֞וּ
(shameu)
zij hebben gehoord
כִּ֧י
(ki)
dat
נֶאֱנָחָ֣ה
(neenacha)
zuchtend
אָ֗נִי
(ani)
ik
אֵ֤ין
(ein)
niet is
מְנַחֵם֙
(menachem)
een trooster
לִ֔י
(li)
voor mij
כָּל
(kal)
al
אֹ֨יְבַ֜י
(oyevay)
mijn vijanden
שָׁמְע֤וּ
(shameu)
hebben gehoord
רָֽעָתִי֙
(raati)
mijn onheil
שָׂ֔שׂוּ
(sasu)
zij zijn blij
כִּ֥י
(ki)
dat
אַתָּ֖ה
(ata)
U
עָשִׂ֑יתָ
(asita)
hebt gedaan
הֵבֵ֥אתָ
(heveta)
U hebt laten komen
יוֹם
(yom)
de dag
קָרָ֖אתָ
(qarata)
U hebt uitgeroepen
וְיִֽהְי֥וּ
(veyihyu)
en laat hen zijn
כָמֽוֹנִי
(kamoni)
zoals ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵבֵאתָ יוֹם־קָרָאתָ (heveta yom qarata), ‘U hebt de dag laten komen die U hebt uitgeroepen’: de vorm van het werkwoord kan ook een bede zijn (‘laat de dag komen’).
Wij kiezen de voltooide vorm en laten daarna de bede volgen: ‘Laat hen worden zoals ik.’
22Laat al hun kwaad voor U komen. Doe met hen wat U met mij hebt gedaan vanwege al mijn overtredingen. Want mijn zuchten zijn vele en mijn hart is ziek.
תָּבֹ֨א
(tavo)
laat komen
כָל
(kal)
al
רָעָתָ֤ם
(raatam)
hun kwaad
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor U
וְעוֹלֵ֣ל
(veolel)
en doe
לָ֔מוֹ
(lamo)
aan hen
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עוֹלַ֛לְתָּ
(olalta)
U hebt gedaan
לִ֖י
(li)
aan mij
עַ֣ל
(al)
vanwege
כָּל
(kal)
al
פְּשָׁעָ֑י
(peshaay)
mijn overtredingen
כִּֽי
(ki)
want
רַבּ֥וֹת
(rabot)
veel zijn
אַנְחֹתַ֖י
(anchotay)
mijn zuchten
וְלִבִּ֥י
(velibi)
en mijn hart
דַוָּֽי
(davay)
ziek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)