Galaten 4
Zonen en niet langer knechten: Paulus’ zorg om de Galaten en de twee vrouwen, Hagar en de vrije
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Knechten en zonen
νήπιος (nepios), ‘kind’: letterlijk iemand die nog niet kan spreken; hier een minderjarige die nog niet over zijn erfenis beschikt. δοῦλος (doulos), ‘knecht’: iemand die eigendom is van een heer; zie ook Gal. 3:28.
Paulus beschrijft met een voorbeeld uit het gewone leven hoe iets wat van een kind is, toch onder gezag staat.
ἐπίτροπος (epitropos), ‘voogd’, en οἰκονόμος (oikonomos), ‘beheerder’: mensen die voor een minderjarige zorgen en zijn bezit beheren. προθεσμία (prothesmia), ‘vastgestelde tijd’: de dag die de vader vooraf bepaald heeft.
στοιχεῖα τοῦ κόσμου (stoicheia tou kosmou), ‘de grondbeginselen van de wereld’: στοιχεῖον betekent eigenlijk ‘iets wat in een rij staat’, een eerste onderdeel, zoals een letter van het alfabet.
Het kan de eerste beginselen van onderwijs bedoelen, of de elementen van de wereld.
Ook in 4:9.
Het Grieks zegt niet uitdrukkelijk wat Paulus precies bedoelt; wij houden ‘grondbeginselen’.
δεδουλωμένοι (dedoulomenoi), ‘tot knechten gemaakt’: van hetzelfde woord als δοῦλος.
Zie ook Gal. 4:9.
ἐξαπέστειλεν (exapesteilen), ‘zond’: van ἐξαποστέλλω; wij houden ‘zenden’ voor ἀποστέλλω en verwanten. πλήρωμα (pleroma), ‘volheid’: de tijd was ‘vol’, het vastgestelde moment (vers 2) was gekomen.
‘Geboren uit een vrouw’ en ‘geboren onder de wet’: het Grieks heeft tweemaal hetzelfde woord (γενόμενον, gegonen); wij vertalen beide ‘geboren’.
‘Onder de wet’: zie 4:21.
ἐξαγοράζω (exagorazo), ‘vrijkopen’: iemand uit de macht van een ander kopen. υἱοθεσία (huiothesia), ‘aanneming als zoon’: letterlijk ‘het zoon-plaatsen’, de wettelijke stap waarmee iemand als zoon en erfgenaam wordt aangenomen.
Zie ook Gal. 4:7.
Ἀββά (Abba): Aramees voor ‘vader’; wij laten het staan.
De Messias gebruikt het woord zelf in Mark. 14:36.
Het Grieks voegt ὁ πατήρ (ho pater), ‘Vader’, toe.
Het Grieks heeft ‘onze harten’, hoewel het begin van het vers ‘jullie’ zegt; wij volgen de SBLGNT.
De woorden ‘Abba, Vader’ zijn de roep van de Geest in ons, gericht tot Elohim; wij zetten ze daarom zwart, niet rood.
Zie ook Mark. 14:36.
De aanspreking wisselt van ‘jullie’ (vers 6) naar ‘je’: het Grieks heeft hier het enkelvoud.
Paulus spreekt elke lezer persoonlijk aan.
Terug naar de grondbeginselen?
τοῖς φύσει μὴ οὖσι θεοῖς (tois physei me ousi theois), ‘hen die van nature geen goden zijn’: de afgoden van de volken. δουλεύω (douleuo), ‘als knecht dienen’: wij vertalen het overal zo (4:8, 4:9, 4:25; vergelijk 5:13).
γνωσθέντες ὑπὸ θεοῦ (gnosthentes hypo theou), ‘door Elohim gekend’: Elohim neemt het initiatief. ἄνωθεν (anothen), ‘van voren af aan’: het woord betekent ook ‘van boven’. ἀσθενῆ καὶ πτωχὰ στοιχεῖα (asthene kai ptocha stoicheia), ‘zwakke en arme grondbeginselen’: zie 4:3.
καιροί (kairoi), ‘tijden’: vaste tijden, zoals feesttijden en seizoenen.
Paulus noemt niet welke dagen of maanden hij bedoelt; wij voegen niets toe.
κοπιάω (kopiao), ‘arbeiden’: zwaar werk doen, zich inspannen.
Paulus’ zorg om hen
ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook de zusters in de gemeente; zie Gal. 1:2.
In het tweede deel (‘want ook ik ben zoals jullie’) heeft het Grieks geen werkwoord; wij vullen ‘ben’ aan. Paulus bedoelt: ik ben geworden zoals jullie, dus zonder de wet van Mozes als maatstaf; de tekst zegt het niet uitdrukkelijk.
σάρξ (sarx), ‘vlees’: het woord noemt hier het lichaam en tegelijk de zwakke menselijke natuur.
De zwakheid wordt niet nader omschreven. τὸ πρότερον (to proteron), ‘de eerste keer’: het kan ook ‘eerder’ betekenen.
εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’.
Zie ook Gal. 3:3.
πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: het Griekse woord betekent zowel ‘beproeving’ als ‘verzoeking’.
Het Grieks heeft hier ‘jullie beproeving in mijn vlees’: de zwakheid van Paulus was een beproeving voor de Galaten. ἐξεπτύσατε (exeptysate), ‘uitgespuwd’: letterlijk ‘uitgespuugd’, een gebaar van afkeer. ἄγγελον θεοῦ (angelon theou), ‘een engel van Elohim’: een bode van Elohim.
Het Grieks heeft geen lidwoord vóór ‘Messias Yeshua’; wij schrijven ‘als Messias Yeshua’.
μακαρισμός (makarismos), ‘het gelukkig noemen’: verwant met μακάριος (makarios), ‘gelukkig’, zoals in Matt. 5:3.
Wij schrijven ‘geluk’.
Het Grieks zegt niet wat precies bedoeld wordt: de vreugde of het geluk dat zij toen ervoeren.
‘De ogen uitrukken’ is een uitdrukking voor het grootste offer dat iemand kan brengen.
Het Grieks heeft geen vraagteken: dit kan een vraag zijn of een verontruste vaststelling. ἀληθεύω (aletheuo), ‘de waarheid zeggen’.
ζηλόω (zeloo), ‘ijveren voor’: het kan ook ‘jaloers zijn op’ betekenen. ἐκκλείω (ekkleio), ‘buitensluiten’: het Grieks zegt niet van wat; mogelijk van Paulus, van de gemeente of van de genade.
Wij laten dat open.
ζηλοῦσθαι (zelousthai), ‘met ijver gezocht te worden’: een lijdende vorm; iemand wil dat anderen zich met ijver aan hem wijden.
Paulus zegt: ijver is goed, mits die altijd in het goede is en niet alleen wanneer hij erbij is.
ὠδίνω (odino), ‘weeën hebben’: het beeld van een moeder die baart. μορφόω (morphoo), ‘gestalte geven’: de Messias krijgt in hen gestalte.
Het Grieks heeft hier geen volledige zin; wij laten dat zo.
ἀλλάξαι τὴν φωνήν μου (allaxai ten phonen mou), ‘mijn stem veranderen’: van toon wisselen. ἀποροῦμαι (aporoumai), ‘ten einde raad zijn’: letterlijk ‘geen uitweg weten’.
Hagar en de vrije vrouw
νόμος (nomos), ‘wet’: het Griekse woord vertaalt Hebreeuws תּוֹרָה (tora), ‘onderwijs, instructie’.
Het kan de wet van Mozes bedoelen of de eerste vijf boeken.
Wij houden overal ‘de wet’.
In de tweede vermelding (‘horen jullie de wet niet?’) lijkt ‘de wet’ te wijzen op het geschrevene, want vers 22 gaat verder met ‘er staat geschreven’.
Zie ook Gen. 16:15; Gen. 21:1–3.
παιδίσκη (paidiske), ‘slavin’: Hagar, de Egyptische slavin van Sarai, zoals Sarah in Gen. 16:1 nog heet (haar nieuwe naam volgt in Gen. 17:15); het Grieks noemt Hagars naam pas in vers 24.
De vrije vrouw is Sarah; haar naam staat niet in de tekst.
Abrahams twee zonen zijn Ismaël en Isaak (Gen. 16:15; 21:2–3); ook hun namen noemt Paulus hier niet.
Zie ook Gen. 16:1; Gen. 16:15; Gen. 17:15; Gen. 21:2–3.
κατὰ σάρκα (kata sarka), ‘naar het vlees’: op de gewone menselijke wijze. δι᾽ ἐπαγγελίας (di epangelias), ‘door een belofte’: de geboorte van Isaak kwam voort uit wat Elohim beloofd had (Gen. 17:16–19; 18:10). ἐπαγγελία (epangelia), ‘belofte’.
Zie ook Gen. 17:16–19; Gen. 18:10.
Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.
ἀλληγορούμενα (allegoroumena), ‘allegorisch gezegd’: een verhaal wordt gebruikt om iets anders te zeggen.
Paulus leest het verhaal van Hagar en Sarah als een beeld.
διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: in het gewone Grieks ook ‘testament’; wij houden ‘verbond’, zoals in Gal. 3:15.
Het Grieks heeft bij ‘baart’ geen voorwerp; wij voegen ‘kinderen’ niet toe. Σινᾶ (Sina), ‘Sinaï’: de berg waar de wet gegeven werd (Exod. 19:20).
Zie ook Exod. 19:20.
Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.
Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël.
De grenzen zijn niet scherp te trekken.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Het Grieks heeft een lidwoord vóór ‘Hagar’ (τὸ Ἁγάρ), alsof de naam zelf bedoeld wordt: de naam ‘Hagar’ staat voor de berg Sinaï in Arabië.
Συστοιχεῖ (systoichei), ‘staat in dezelfde rij’: hetzelfde stamwoord als στοιχεῖα (4:3) en στοιχέω (5:25, 6:16): wat in één rij staat, hoort bij elkaar. ‘Het huidige Jeruzalem’: de stad zoals zij nu is, tegenover ‘het Jeruzalem boven’ (vers 26). Het Grieks laat open of ‘zij dient als knecht’ over Hagar of over Jeruzalem gaat.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
ἄνω Ἰερουσαλήμ (ano Ierousalem), ‘het Jeruzalem boven’: het hemelse Jeruzalem, tegenover ‘het huidige Jeruzalem’ (vers 25).
Het citaat is uit Jes. 54:1.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Jubel, onvruchtbare, jij die niet gebaard hebt.
Breek uit in gejubel en schreeuw het uit, jij die geen weeën hebt gehad.
Want de zonen van de verwoeste vrouw zijn talrijker dan de zonen van de gehuwde vrouw’.
De Griekse tekst heeft ‘Verheug je’ en ‘de verlatene’ (ἔρημος kan ook ‘woestijn’ betekenen) en ‘haar die de man heeft’.
In Jesaja sluit het vers af met ‘zegt Yahweh’; Paulus haalt het aan als wat ‘geschreven’ staat, zonder die slotwoorden, daarom zwart.
Zie ook Jes. 54:1.
κατὰ Ἰσαάκ (kata Isaak), ‘zoals Isaak’: naar de wijze van Isaak.
Zie vers 23.
Zie ook Gen. 21:2–3.
ἐδίωκε (edioke), ‘vervolgde’: het Grieks gebruikt het gewone woord voor ‘vervolgen’.
In Gen. 21:9 staat in ons Hebreeuws dat Ismaël Isaak ‘treiterde’. κατὰ πνεῦμα (kata pneuma), ‘naar de Geest’: Paulus zet het tegenover ‘naar het vlees’ (vers 23): Isaak werd geboren door wat Elohim had beloofd.
Zie ook Gen. 21:9.
Het citaat is uit Gen. 21:10.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Jaag deze slavin weg, en haar zoon, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaak.’
De Griekse tekst van Paulus heeft ‘de zoon van de vrije vrouw’ in plaats van ‘mijn zoon, met Isaak’.
In Genesis spreekt Sarah; de woorden zijn dus zwart. οὐ μή (ou me), ‘beslist niet’.
Zie ook Gen. 21:10.
Paulus sluit af met de gevolgtrekking: wij horen bij de vrije vrouw, niet bij de slavin.
Vergelijk het begin van het volgende hoofdstuk, 5:1.