Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De last van Habakuk
1De last die Habakuk, de profeet, zag.
הַמַּשָׂא֙
(hamasa)
de last
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָזָ֔ה
(chaza)
zag
חֲבַקּ֖וּק
(chavaquq)
Habakuk
הַנָּבִֽיא
(hanavi)
de profeet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמַּשָׂא (hammassa), ‘de last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord.
Het komt van nasa, ‘dragen’ of ‘opheffen’.
Het staat ook boven Jes. 13 en Nah. 1.
חֲבַקּוּק (Chavaqquq), ‘Habakuk’: de naam is waarschijnlijk afgeleid van een werkwoord voor ‘omhelzen’; dat is niet zeker. Over de profeet zelf is niets bekend. Het boek noemt geen koning en geen jaartal.
חָזָה (chazah), ‘zag’: de profeet ‘ziet’ het woord van Yahweh.
4Daarom is de Torah verslapt en komt het recht nooit tevoorschijn. Want de goddeloze omringt de rechtvaardige. Daarom komt het recht verdraaid tevoorschijn.
עַל
(al)
wegens
כֵּן֙
(ken)
dit
תָּפ֣וּג
(tafug)
is verslapt
תּוֹרָ֔ה
(tora)
Torah
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יֵצֵ֥א
(yetse)
komt tevoorschijn
לָנֶ֖צַח
(lanetsach)
nooit
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
כִּ֤י
(ki)
want
רָשָׁע֙
(rasha)
de goddeloze
מַכְתִּ֣יר
(makhtir)
omringt
אֶת
(et)
(obj.)
הַצַּדִּ֔יק
(hatsadiq)
de rechtvaardige
עַל
(al)
wegens
כֵּ֛ן
(ken)
dit
יֵצֵ֥א
(yetse)
komt tevoorschijn
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
מְעֻקָּֽל
(meuqal)
verdraaid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרָה (torah), ‘Torah’: hier het onderricht van Yahweh.
Het recht wordt niet meer toegepast.
תָּפוּג (tafug), ‘is verslapt’: letterlijk ‘wordt verlamd’ of ‘wordt koud’ (zoals in Gen. 45:26, van het hart van Jakob).
לָנֶצַח (lanetsach), ‘nooit’: letterlijk ‘voor altijd’ of ‘blijvend’. De zin zegt dat het recht niet tot zijn doel komt.
מְעֻקָּל (me'uqqal), ‘verdraaid’: een zeldzaam woord, afgeleid van aqal, ‘krom’.
5„Kijk onder de volken en zie, wees verbaasd en sta versteld. Want Ik verricht een werk in jullie dagen. Jullie zouden het niet geloven als het verteld werd.
רְא֤וּ
(reu)
kijk
בַגּוֹיִם֙
(bagoyim)
onder de volken
וְֽהַבִּ֔יטוּ
(vehabitu)
en zie
וְהִֽתַּמְּה֖וּ
(vehitamehu)
en wees verbaasd
תְּמָ֑הוּ
(temahu)
sta versteld
כִּי
(ki)
want
פֹ֨עַל֙
(poal)
een werk
פֹּעֵ֣ל
(poel)
Ik verricht
בִּֽימֵיכֶ֔ם
(bimeikhem)
in jullie dagen
לֹ֥א
(lo)
niet
תַאֲמִ֖ינוּ
(taaminu)
zouden jullie geloven
כִּ֥י
(ki)
als
יְסֻפָּֽר
(yesupar)
het verteld wordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is in het Hebreeuws meervoud: ‘jullie’.
Het Nieuwe Testament haalt het aan (Hand. 13:41).
בַגּוֹיִם (bagoyim), ‘onder de volken’: sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord, namelijk ‘trouwelozen’ (vergelijk vers 13).
Vanaf hier tot en met vers 11 spreekt Yahweh in de eerste persoon. Het antwoord begint zonder inleiding.
6Want zie, Ik laat de Chaldeeën opstaan, dat bittere en onstuimige volk. Het trekt door de breedten van de aarde om woonplaatsen in bezit te nemen die niet van hem zijn.
כִּֽי
(ki)
want
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Mij
מֵקִים֙
(meqim)
Ik laat opstaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
הַגּ֖וֹי
(hagoy)
het volk
הַמַּ֣ר
(hamar)
bittere
וְהַנִּמְהָ֑ר
(vehanimhar)
en onstuimige
הַֽהוֹלֵךְ֙
(haholekh)
dat trekt
לְמֶרְחֲבֵי
(lemerchavei)
door de breedten van
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
לָרֶ֖שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
מִשְׁכָּנ֥וֹת
(mishkanot)
woonplaatsen
לֹּא
(lo)
niet
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַכַּשְׂדִּים (haKasdim), ‘de Chaldeeën’: de bewoners van Babel, de grote macht van die tijd (2 Kon. 24–25).
Hier wordt het volk door Yahweh gewekt.
Het Hebreeuws noemt geen koning.
הַמַּר וְהַנִּמְהָר (hamar vehannimhar), ‘bitter en onstuimig’: het woord mar betekent ‘bitter’; nimhar komt van mahar, ‘haasten’, en is hier ‘onstuimig’.
7Schrikwekkend en ontzagwekkend is het. Van hemzelf gaan zijn recht en zijn hoogheid uit.
אָיֹ֥ם
(ayom)
schrikwekkend
וְנוֹרָ֖א
(venora)
en ontzagwekkend
ה֑וּא
(hu)
is het
מִמֶּ֕נּוּ
(mimenu)
van hemzelf
מִשְׁפָּט֥וֹ
(mishpato)
zijn recht
וּשְׂאֵת֖וֹ
(useeto)
en zijn hoogheid
יֵצֵֽא
(yetse)
gaan uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָיֹם (ayom), ‘schrikwekkend’ en וְנוֹרָא (venora), ‘ontzagwekkend’: het tweede woord wordt elders van Yahweh gezegd (Ps. 66:3).
מִשְׁפָּטוֹ (mishpato), ‘zijn recht’ en וּשְׂאֵתוֹ (se'eto), ‘zijn hoogheid’: het volk stelt zelf zijn wet en zijn waardigheid vast. Het erkent niemand boven zich.
8Sneller dan luipaarden zijn zijn paarden, scherper dan avondwolven. Zijn ruiters springen voort. Zijn ruiters komen van ver; zij vliegen als een arend die zich haast om te eten.
וְקַלּ֨וּ
(veqalu)
en zijn sneller
מִנְּמֵרִ֜ים
(minemerim)
dan luipaarden
סוּסָ֗יו
(susav)
zijn paarden
וְחַדּוּ֙
(vechadu)
en scherper
מִזְּאֵ֣בֵי
(mizeevei)
dan wolven van
עֶ֔רֶב
(erev)
de avond
וּפָ֖שׁוּ
(ufashu)
en springen voort
פָּֽרָשָׁ֑יו
(parashav)
zijn ruiters
וּפָֽרָשָׁיו֙
(ufarashav)
en zijn ruiters
מֵרָח֣וֹק
(merachoq)
van ver
יָבֹ֔אוּ
(yavou)
komen
יָעֻ֕פוּ
(yaufu)
zij vliegen
כְּנֶ֖שֶׁר
(kenesher)
als een arend
חָ֥שׁ
(chash)
die zich haast
לֶאֱכֽוֹל
(leekhol)
om te eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִזְּאֵבֵי עֶרֶב (ze'evei erev), ‘avondwolven’: wolven die in de avond hongerig jagen.
Zie ook Sef. 3:3.
וּפָשׁוּ (ufashu), ‘springen voort’: de betekenis is onzeker; het werkwoord kan ‘stampen’ of ‘springen’ zijn.
כְּנֶשֶׁר (kenesher), ‘als een arend’: een beeld van de vijand die snel toeslaat (Deut. 28:49; Jer. 48:40).
12Bent U niet van oudsher, Yahweh, mijn Elohim, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven. Yahweh, U hebt hem gesteld tot oordeel; Rots, U hebt hem gevestigd om te straffen.
הֲל֧וֹא
(halo)
niet
אַתָּ֣ה
(ata)
U
מִקֶּ֗דֶם
(miqedem)
van oudsher
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֛י
(elohay)
mijn Elohim
קְדֹשִׁ֖י
(qedoshi)
mijn Heilige
לֹ֣א
(lo)
niet
נָמ֑וּת
(namut)
zullen wij sterven
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְמִשְׁפָּ֣ט
(lemishpat)
tot oordeel
שַׂמְתּ֔וֹ
(samto)
hebt U hem gesteld
וְצ֖וּר
(vetsur)
en Rots
לְהוֹכִ֥יחַ
(lehokhiach)
om te straffen
יְסַדְתּֽוֹ
(yesadto)
hebt U hem gevestigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְהוָה אֱלֹהַי קְדֹשִׁי (Yahweh elohai qedoshi), ‘Yahweh, mijn Elohim, mijn Heilige’: de profeet spreekt Yahweh persoonlijk aan, zonder een volk te noemen.
Van hieraf is de profeet weer de spreker.
לֹא נָמוּת (lo namut), ‘wij zullen niet sterven’: sommige oude vertalingen lezen anders, namelijk ‘U sterft niet’.
וְצוּר (vetsur), ‘Rots’: een titel van Yahweh (Deut. 32:4).
לְמִשְׁפָּט (lemishpat), ‘tot oordeel’: mishpat is meestal ‘recht’. Hier gaat het om het oordeel dat de Chaldeeën voor Yahweh uitvoeren.
לְהוֹכִיחַ (lehokhiach), ‘om te straffen’: het werkwoord yakach betekent ‘terechtwijzen’ of ‘straffen’.
13Te rein van ogen bent U om het kwade te zien; ellende kunt U niet aanschouwen. Waarom kijkt U toe naar de trouwelozen? Waarom zwijgt U als een goddeloze iemand verslindt die rechtvaardiger is dan hij?
טְה֤וֹר
(tehor)
rein
עֵינַ֨יִם֙
(einayim)
van ogen
מֵרְא֣וֹת
(mereot)
om te zien
רָ֔ע
(ra)
het kwade
וְהַבִּ֥יט
(vehabit)
en kijken
אֶל
(el)
naar
עָמָ֖ל
(amal)
ellende
לֹ֣א
(lo)
niet
תוּכָ֑ל
(tukhal)
kunt U
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
תַבִּיט֙
(tabit)
kijkt U toe
בּֽוֹגְדִ֔ים
(bogedim)
naar de trouwelozen
תַּחֲרִ֕ישׁ
(tacharish)
zwijgt U
בְּבַלַּ֥ע
(bevala)
als verslindt
רָשָׁ֖ע
(rasha)
een goddeloze
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
dan hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טְהוֹר עֵינַיִם (tahor einayim), ‘rein van ogen’: Yahweh kan geen kwaad aanschouwen.
רָע (ra), ‘het kwade’ en עָמָל (amal), ‘ellende’: zie vers 3.
בּוֹגְדִים (bogedim), ‘de trouwelozen’: wie het verbond verbreekt; zie ook vers 5.
רָשָׁע צַדִּיק מִמֶּנּוּ (rasha tsaddiq mimmenu), ‘een goddeloze … die rechtvaardiger is dan hij’: de Chaldeeën zijn goddeloos, maar degenen die zij verslinden zijn rechtvaardiger dan zij.
16Daarom slacht hij offers voor zijn net en laat hij offerrook opgaan voor zijn vangnet. Want door die twee is zijn deel vet en zijn voedsel overvloedig.
עַל
(al)
wegens
כֵּן֙
(ken)
dit
יְזַבֵּ֣חַ
(yezabeach)
slacht hij offers
לְחֶרְמ֔וֹ
(lechermo)
voor zijn net
וִֽיקַטֵּ֖ר
(viqater)
en laat offerrook opgaan
לְמִכְמַרְתּ֑וֹ
(lemikhmarto)
voor zijn vangnet
כִּ֤י
(ki)
want
בָהֵ֨מָּה֙
(bahema)
door die twee
שָׁמֵ֣ן
(shamen)
vet
חֶלְק֔וֹ
(chelqo)
is zijn deel
וּמַאֲכָל֖וֹ
(umaakhalo)
en zijn voedsel
בְּרִאָֽה
(beria)
overvloedig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְזַבֵּחַ (yezabbeach), ‘slacht hij offers’ en וִיקַטֵּר (veyqatter), ‘laat hij offerrook opgaan’: de vijand vereert zijn eigen net, het middel van zijn macht.
וּמַאֲכָלוֹ (shamen chelqo), ‘vet is zijn deel’: het beeld van een rijke maaltijd.