Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Oproep aan de volken
1Kom dichterbij, volken, om te horen. Naties, luister goed. Laat de aarde horen en alles wat haar vult, de wereld en alles wat uit haar voortkomt.
קִרְב֤וּ
(qirvu)
kom dichterbij
גוֹיִם֙
(goyim)
volken
לִשְׁמֹ֔עַ
(lishmoa)
om te horen
וּלְאֻמִּ֖ים
(uleumim)
en naties
הַקְשִׁ֑יבוּ
(haqshivu)
luister goed
תִּשְׁמַ֤ע
(tishma)
laat horen
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
וּמְלֹאָ֔הּ
(umeloah)
en haar volheid
תֵּבֵ֖ל
(tevel)
de wereld
וְכָל
(vekhal)
en alles
צֶאֱצָאֶֽיהָ
(tseetsaeiha)
wat uit haar voortkomt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תֵּבֵל (tevel), ‘wereld’: de bewoonde aarde.
Jesaja 34 en 35 horen bij elkaar: eerst het oordeel over de volken en over Edom, daarna de belofte voor Yahweh’s volk.
Wie hier gaat horen, zijn de volken zelf en de hele aarde.
2Want Yahweh heeft gramschap tegen alle volken en woede tegen heel hun leger. Hij heeft hen met de ban geslagen. Hij heeft hen overgegeven aan de slachting.
כִּ֣י
(ki)
want
קֶ֤צֶף
(qetsef)
gramschap
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
עַל
(al)
tegen
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וְחֵמָ֖ה
(vechema)
en woede
עַל
(al)
tegen
כָּל
(kal)
heel
צְבָאָ֑ם
(tsevaam)
hun leger
הֶחֱרִימָ֖ם
(hecherimam)
Hij heeft hen met de ban geslagen
נְתָנָ֥ם
(netanam)
Hij heeft hen overgegeven
לַטָּֽבַח
(latavach)
aan de slachting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֵרֶם (cherem), ‘ban’: de ban betekent dat iets aan Yahweh wordt overgegeven en volledig vernietigd wordt.
Wij vertalen het werkwoord met ‘met de ban slaan’, zoals in 2 Kon. 19:11.
Zie ook Joz. 6:17.
צָבָא (tsava), ‘leger’: de legermacht van de volken.
קֶצֶף (qetsef), ‘gramschap’, en חֵמָה (chemah), ‘woede’: twee woorden voor Yahweh’s toorn. Vergelijk Deut. 29:22.
4Heel het leger van de hemel vergaat. De hemel wordt opgerold als een boekrol. Heel hun leger verwelkt, zoals een blad van de wijnstok verwelkt, en zoals wat verwelkt aan de vijgenboom.
וְנָמַ֨קּוּ֙
(venamaqu)
en zullen vergaan
כָּל
(kal)
heel
צְבָ֣א
(tseva)
het leger van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְנָגֹ֥לּוּ
(venagolu)
en worden opgerold
כַסֵּ֖פֶר
(kasefer)
als een boekrol
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וְכָל
(vekhal)
en heel
צְבָאָ֣ם
(tsevaam)
hun leger
יִבּ֔וֹל
(yibol)
verwelkt
כִּנְבֹ֤ל
(kinvol)
zoals het verwelken van
עָלֶה֙
(ale)
een blad
מִגֶּ֔פֶן
(migefen)
van de wijnstok
וּכְנֹבֶ֖לֶת
(ukhenovelet)
en zoals het verwelkte
מִתְּאֵנָֽה
(miteena)
aan de vijgenboom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de sterren en andere hemellichamen, zoals in Deut. 4:19.
נָגֹלּוּ (nagollu), ‘zij worden opgerold’: de hemel wordt opgerold zoals men een boekrol oprolt. Vergelijk Openb. 6:14.
נֹבֶלֶת (nevelet), ‘wat verwelkt’: het Hebreeuws zegt niet of het om een blad of om een vrucht gaat. Wij laten het open.
5„Want Mijn zwaard is in de hemel doordrenkt. Zie, op Edom komt het neer, op het volk van Mijn ban, om recht te spreken.”
כִּֽי
(ki)
want
רִוְּתָ֥ה
(riveta)
is doordrenkt
בַשָּׁמַ֖יִם
(bashamayim)
in de hemel
חַרְבִּ֑י
(charbi)
Mijn zwaard
הִנֵּה֙
(hine)
zie
עַל
(al)
op
אֱד֣וֹם
(edom)
Edom
תֵּרֵ֔ד
(tered)
komt het neer
וְעַל
(veal)
en op
עַ֥ם
(am)
het volk van
חֶרְמִ֖י
(chermi)
Mijn ban
לְמִשְׁפָּֽט
(lemishpat)
om recht te spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Uitleg
Vanaf hier spreekt Yahweh Zelf: ‘Mijn zwaard’ en ‘het volk van Mijn ban’.
Daarom staat vers 5 rood.
Vanaf vers 6 spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon.
רִוְּתָה (rivvetah), ‘is doordrenkt’: van רָוָה (ravah), ‘drinken tot men verzadigd is’. Het beeld is een zwaard dat zich met bloed volzuigt, zoals in vers 6 en 7. Dat het zwaard ‘in de hemel’ is doordrenkt, geeft aan dat het oordeel daar al besloten is voordat het op de aarde neerkomt.
אֱדוֹם (Edom): het bergland ten zuiden van de Dode Zee, het volk van Ezau (Gen. 36:1). Edom staat hier voor de vijandelijke volken. Vergelijk Amos 1:11–12.
עַם חֶרְמִי (am chermi), ‘het volk van Mijn ban’: het volk dat Yahweh aan de ban heeft gewijd; zie vers 2.
לְמִשְׁפָּט (lemishpat), ‘om recht te spreken’: mishpat is ‘recht’; hier gaat het om het uitspreken en uitvoeren van het vonnis.
6Yahweh heeft een zwaard. Het is vol bloed. Het is vet geworden van vet, van het bloed van lammeren en bokken, van het vet van de nieren van rammen. Want Yahweh heeft een slachtoffer in Bozra, een grote slachting in het land Edom.
חֶ֣רֶב
(cherev)
een zwaard
לַיהוָ֞ה
(laYahweh)
heeft Yahweh
מָלְאָ֥ה
(malea)
het is vol
דָם֙
(dam)
bloed
הֻדַּ֣שְׁנָה
(hudashna)
het is vet geworden
מֵחֵ֔לֶב
(mechelev)
van vet
מִדַּ֤ם
(midam)
van het bloed van
כָּרִים֙
(karim)
lammeren
וְעַתּוּדִ֔ים
(veatudim)
en bokken
מֵחֵ֖לֶב
(mechelev)
van het vet van
כִּלְי֣וֹת
(kilyot)
de nieren van
אֵילִ֑ים
(eilim)
rammen
כִּ֣י
(ki)
want
זֶ֤בַח
(zevach)
een slachtoffer
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּבָצְרָ֔ה
(bevatsera)
in Bozra
וְטֶ֥בַח
(vetevach)
en een slachting
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom.
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Uitleg
Het offer is hier een beeld: Yahweh houdt een slachtmaal, en de dieren zijn de mensen.
10Nacht en dag wordt het niet gedoofd. Voor eeuwig stijgt haar rook op. Van generatie op generatie ligt zij verwoest. Voor altijd en altijd gaat niemand erdoor.
לַ֤יְלָה
(layla)
nacht
וְיוֹמָם֙
(veyomam)
en dag
לֹ֣א
(lo)
niet
תִכְבֶּ֔ה
(tikhbe)
wordt gedoofd
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor eeuwig
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
stijgt op
עֲשָׁנָ֑הּ
(ashanah)
haar rook
מִדּ֤וֹר
(midor)
van generatie
לָדוֹר֙
(lador)
op generatie
תֶּחֱרָ֔ב
(techerav)
ligt zij verwoest
לְנֵ֣צַח
(lenetsach)
voor altijd
נְצָחִ֔ים
(netsachim)
en altijd
אֵ֥ין
(ein)
niemand
עֹבֵ֖ר
(over)
gaat
בָּֽהּ
(bah)
erdoor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עוֹלָם (olam), ‘voor eeuwig’; לְנֵצַח נְצָחִים (lenetsach netsachim), ‘voor altijd en altijd’: een versterkte uitdrukking, letterlijk ‘tot het eindeloze van het eindeloze’.
11Pelikaan en egel nemen haar in bezit. Ooruil en raaf wonen erin. Hij spant over haar het meetsnoer van de woestheid uit, en de stenen van de leegte.
וִירֵשׁ֨וּהָ֙
(vireshuha)
en nemen haar in bezit
קָאַ֣ת
(qaat)
pelikaan
וְקִפּ֔וֹד
(veqipod)
en egel
וְיַנְשׁ֥וֹף
(veyanshof)
en ooruil
וְעֹרֵ֖ב
(veorev)
en raaf
יִשְׁכְּנוּ
(yishkenu)
wonen
בָ֑הּ
(bah)
erin
וְנָטָ֥ה
(venata)
en Hij spant uit
עָלֶ֛יהָ
(aleiha)
over haar
קַֽו
(qav)
het meetsnoer van
תֹ֖הוּ
(tohu)
woestheid
וְאַבְנֵי
(veavnei)
en de stenen van
בֹֽהוּ
(bohu)
leegte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָאָת (qa’at), ‘pelikaan’, יַנְשׁוּף (yanshuf), ‘ooruil’ en עֹרֵב (orev), ‘raaf’: vogels van verlaten plaatsen.
Vergelijk Lev. 11:13–19 en Ps. 102:7.
קִפּוֹד (qippod), ‘egel’: de betekenis is onzeker; ook ‘stekelvarken’ of ‘roerdomp’ worden voorgesteld.
תֹהוּ (tohu), ‘woestheid’, en בֹהוּ (bohu), ‘leegte’: dezelfde twee woorden als in Gen. 1:2, ‘woest en leeg’. Het land wordt teruggebracht tot de toestand van vóór de schepping.
קָו (qav), ‘meetsnoer’: zoals in 2 Kon. 21:13. Het meetsnoer wordt hier niet gebruikt om te bouwen, maar om af te meten wat verwoest moet worden. אַבְנֵי (avnei), ‘de stenen van’: lodenstenen van een schietlood. Wij laten het bij ‘de stenen van de leegte’.
14Woestijnbewoners ontmoeten hyena’s, en de bokgeest roept naar zijn makker. Ja, daar komt Lilit tot rust en vindt zij een rustplaats voor zichzelf.
וּפָגְשׁ֤וּ
(ufageshu)
en ontmoeten
צִיִּים֙
(tsiyim)
woestijnbewoners
אֶת
(et)
(obj.)
אִיִּ֔ים
(iyim)
hyena’s
וְשָׂעִ֖יר
(vesair)
en de bokgeest
עַל
(al)
naar
רֵעֵ֣הוּ
(reehu)
zijn makker
יִקְרָ֑א
(yiqra)
roept
אַךְ
(akh)
ja
שָׁם֙
(sham)
daar
הִרְגִּ֣יעָה
(hirgia)
vindt rust
לִּילִ֔ית
(lilit)
Lilit
וּמָצְאָ֥ה
(umatsea)
en vindt
לָ֖הּ
(lah)
voor zich
מָנֽוֹחַ
(manoach)
een rustplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִיִּים (tsiyyim), ‘woestijnbewoners’: dieren of wezens van de woestijn; zie Ps. 72:9.
אִיִּים (iyyim), ‘hyena’s’: letterlijk ‘huilers’; de betekenis is onzeker.
שָׂעִיר (sa’ir), ‘bokgeest’: letterlijk ‘harige’, zoals in Lev. 17:7. Het is een geest- of demonenwezen in de gedaante van een bok.
לִּילִית (Lilit), ‘Lilit’: een naam die alleen hier staat. Hij hangt samen met het woord voor ‘nacht’ (laylah). De betekenis is onzeker: een nachtwezen of een nachtdier. Wij laten de naam staan.
15Daar nestelt de pijlslang. Zij legt eieren, laat ze openbreken en verzamelt ze in haar schaduw. Ja, daar komen de zwarte wouwen bijeen, ieder bij haar gezellin.
שָׁ֣מָּה
(shama)
daar
קִנְּנָ֤ה
(qinena)
nestelt
קִפּוֹז֙
(qipoz)
de pijlslang
וַתְּמַלֵּ֔ט
(vatemalet)
en legt eieren
וּבָקְעָ֖ה
(uvaqea)
en laat openbreken
וְדָגְרָ֣ה
(vedagera)
en verzamelt
בְצִלָּ֑הּ
(betsilah)
in haar schaduw
אַךְ
(akh)
ja
שָׁ֛ם
(sham)
daar
נִקְבְּצ֥וּ
(niqbetsu)
komen bijeen
דַיּ֖וֹת
(dayot)
zwarte wouwen
אִשָּׁ֥ה
(isha)
ieder
רְעוּתָֽהּ
(reutah)
bij haar gezellin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִפּוֹז (qippoz), ‘pijlslang’: dit woord komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker; ook ‘uil’ of ‘springslang’ worden voorgesteld.
De werkwoorden ‘legt eieren’, ‘laat openbreken’ en ‘verzamelt’ horen bij een nestelend dier; ook die betekenissen zijn onzeker.
דַּיּוֹת (dayyot), ‘zwarte wouwen’: meervoud van דַּיָּה (dayyah), ‘zwarte wouw’, zoals in Deut. 14:13. De weergave is onzeker.
16Zoek in het boek van Yahweh en lees. Niet één van hen ontbreekt. Geen van hen mist haar gezellin. Want mijn mond, die heeft het bevolen, en Zijn Geest, die heeft hen verzameld.
דִּרְשׁ֨וּ
(dirshu)
zoekt
מֵֽעַל
(meal)
in
סֵ֤פֶר
(sefer)
het boek van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּֽקְרָ֔אוּ
(uqerau)
en leest
אַחַ֤ת
(achat)
één
מֵהֵ֨נָּה֙
(mehena)
van hen
לֹ֣א
(lo)
niet
נֶעְדָּ֔רָה
(nedara)
ontbreekt
אִשָּׁ֥ה
(isha)
ieder
רְעוּתָ֖הּ
(reutah)
haar gezellin
לֹ֣א
(lo)
niet
פָקָ֑דוּ
(paqadu)
mist zij
כִּֽי
(ki)
want
פִי֙
(pi)
mijn mond
ה֣וּא
(hu)
die
צִוָּ֔ה
(tsiva)
heeft bevolen
וְרוּח֖וֹ
(verucho)
en Zijn Geest
ה֥וּא
(hu)
die
קִבְּצָֽן
(qibetsan)
heeft hen verzameld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Het boek van Yahweh’: de tekst zegt niet welk boek het is.
Het kan gaan om de profetie zelf, die op schrift staat, of om het boek waarin Yahweh Zijn besluiten vastlegt.
Lezing
Het Hebreeuws heeft hier ‘mijn mond’ (פִי, pi).
Sommige oude vertalingen lezen ‘de mond van Yahweh’.
Wij volgen het Hebreeuws zoals het staat: de profeet verwijst naar zijn eigen woord, naast ‘Zijn Geest’.
17Hij zelf heeft voor hen het lot geworpen. Zijn hand heeft het land onder hen verdeeld met het meetsnoer. Voor eeuwig nemen zij het in bezit. Van generatie op generatie wonen zij erin.
וְהֽוּא
(vehu)
en Hij zelf
הִפִּ֤יל
(hipil)
heeft geworpen
לָהֶן֙
(lahen)
voor hen
גּוֹרָ֔ל
(goral)
het lot
וְיָד֛וֹ
(veyado)
en Zijn hand
חִלְּקַ֥תָּה
(chileqata)
heeft het verdeeld
לָהֶ֖ם
(lahem)
onder hen
בַּקָּ֑ו
(baqav)
met het meetsnoer
עַד
(ad)
tot
עוֹלָם֙
(olam)
eeuwig
יִֽירָשׁ֔וּהָ
(yirashuha)
nemen zij het in bezit
לְד֥וֹר
(ledor)
van generatie
וָד֖וֹר
(vador)
op generatie
יִשְׁכְּנוּ
(yishkenu)
wonen zij
בָֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גּוֹרָל (goral), ‘lot’: het land wordt aan de dieren toebedeeld zoals Kanaän aan de stammen van Israël werd toebedeeld (Num. 26:55).
Zo draait de uitdrukking om: de dieren erven wat verwoest is.