Elohim Bijbel

Markus 9

12345678910111213141516

De gedaanteverandering, de jongen met een stomme geest en de vraag wie de grootste is

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Sommigen zullen het koninkrijk van Elohim in kracht zien

1Hij zei tegen hen: „Voorwaar, Ik zeg jullie: er zijn enkelen van hen die hier staan. Zij zullen de dood zeker niet proeven totdat zij het koninkrijk van Elohim in kracht gekomen zien.”
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
Hij zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
εἰσίν
(eisin)
er zijn
τινες
(tines)
enkelen
τῶν
(ton)
van de
ὧδε
(hode)
hier
ἑστηκότων
(hestekoton)
staande
οἵτινες
(hoitines)
die
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
γεύσωνται
(geusontai)
zullen proeven
θανάτου
(thanatou)
dood
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
(ooit)
ἴδωσιν
(idosin)
zij zien
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐληλυθυῖαν
(elelythuian)
gekomen
ἐν
(en)
in
δυνάμει
(dynamei)
kracht
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀμήν (amen), ‘voorwaar’: van het Hebreeuwse אָמֵן (amen), ‘vast, waar’.

Yeshua gebruikt het om een uitspraak te bevestigen.

Zie ook Matt. 16:28; Luc. 9:27.

Yeshua wordt van gedaante veranderd

2Na 6 dagen nam Yeshua Petrus, Jakobus en Johannes mee en bracht hen apart naar een hoge berg, alleen hen. Daar werd Hij voor hen van gedaante veranderd.
Καὶ
(Kai)
en
μετὰ
(meta)
na
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ἓξ
(hex)
6
παραλαμβάνει
(paralambanei)
neemt mee
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τὸν
(ton)
de
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
καὶ
(kai)
en
ἀναφέρει
(anapherei)
brengt omhoog
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἰς
(eis)
naar
ὄρος
(oros)
berg
ὑψηλὸν
(hypselon)
hoge
κατ’
(kat’)
in
ἰδίαν
(idian)
afzondering
μόνους
(monous)
alleen
καὶ
(kai)
en
μετεμορφώθη
(metemorphothe)
werd veranderd van gedaante
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

μετεμορφώθη (metemorphothe), ‘werd van gedaante veranderd’: van dit woord komt ons ‘metamorfose’.

De tekst zegt in 9:3 alleen hoe Zijn kleren werden.

Zie ook Matt. 17:1–8; Luc. 9:28–36.

3Zijn kleren werden glanzend, zeer wit, zoals geen bleker op aarde ze zo wit kan maken.
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
kleren
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐγένετο
(egeneto)
werden
στίλβοντα
(stilbonta)
glanzend
λευκὰ
(leuka)
wit
λίαν
(lian)
zeer
οἷα
(hoia)
zoals
γναφεὺς
(gnapheus)
bleker
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
οὕτως
(houtos)
zo
λευκᾶναι
(leukanai)
wit maken
Bron: SBLGNT
Uitleg

γναφεύς (gnapheus), ‘bleker’: iemand die stoffen en kleren wast, stampt en bleekt.

4En Elia verscheen aan hen, samen met Mozes, en zij spraken met Yeshua.
καὶ
(kai)
en
ὤφθη
(ophthe)
verscheen
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
Ἠλίας
(Elias)
Elia
σὺν
(syn)
samen met
Μωϋσεῖ
(Moysei)
Mozes
καὶ
(kai)
en
ἦσαν
(esan)
zij waren
συλλαλοῦντες
(syllalountes)
sprekend
τῷ
(to)
met
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Bron: SBLGNT
5Petrus antwoordde en zei tegen Yeshua: „Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten wij 3 hutten maken: één voor U, één voor Mozes en één voor Elia.”
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Ῥαββί
(Rhabbi)
rabbi
καλόν
(kalon)
goed
ἐστιν
(estin)
is
ἡμᾶς
(hemas)
dat wij
ὧδε
(hode)
hier
εἶναι
(einai)
zijn
καὶ
(kai)
en
ποιήσωμεν
(poiesomen)
laten wij maken
τρεῖς
(treis)
3
σκηνάς
(skenas)
hutten
σοὶ
(soi)
voor U
μίαν
(mian)
één
καὶ
(kai)
en
Μωϋσεῖ
(Moysei)
voor Mozes
μίαν
(mian)
één
καὶ
(kai)
en
Ἠλίᾳ
(Elia)
voor Elia
μίαν
(mian)
één
Bron: SBLGNT
Uitleg

ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: van het Hebreeuwse רַבִּי (rabbi), letterlijk ‘mijn grote’, dus ‘mijn meester’; een eretitel voor een leraar.

Het woord staat hier voor het eerst in dit evangelie bij de aanspreking van Yeshua door een leerling.

σκηνή (skene), ‘hut’: een onderkomen van takken of doek, zoals de hutten van het feest van de hutten (Lev. 23:42–43).

6Petrus wist namelijk niet wat hij moest antwoorden, want zij waren zeer bang geworden.
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
namelijk
ᾔδει
(edei)
hij wist
τί
(ti)
wat
ἀποκριθῇ
(apokrithe)
hij moest antwoorden
ἔκφοβοι
(ekphoboi)
zeer bang
γὰρ
(gar)
want
ἐγένοντο
(egenonto)
zij werden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft geen onderwerp bij ‘wist’; wij schrijven ‘Petrus’, die in 9:5 sprak.

7Er kwam een wolk die hen overschaduwde, en er kwam een stem uit de wolk: „Dit is Mijn geliefde Zoon. Luister naar Hem.”
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
kwam
νεφέλη
(nephele)
wolk
ἐπισκιάζουσα
(episkiazousa)
overschaduwend
αὐτοῖς
(autois)
hen
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
kwam
φωνὴ
(phone)
stem
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
νεφέλης
(nepheles)
wolk
Οὗτός
(Houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
υἱός
(huios)
Zoon
μου
(mou)
Mijn
ὁ
(ho)
de
ἀγαπητός
(agapetos)
geliefde
ἀκούετε
(akouete)
luister
αὐτοῦ
(autou)
naar Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

De stem uit de wolk is die van de Vader; wij zetten haar rood, zoals in Matt. 3:17.

Vergelijk Ps. 2:7 (‘Mijn zoon ben jij’).

De woorden ‘Luister naar Hem’ doen denken aan Deut. 18:15 (‘Naar hem moet je luisteren’), over de profeet zoals Mozes.

Zie ook Mark. 1:11.

8Plotseling keken zij rond en zagen niemand meer bij zich, behalve Yeshua alleen.
καὶ
(kai)
en
ἐξάπινα
(exapina)
plotseling
περιβλεψάμενοι
(periblepsamenoi)
rondkijkend
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
οὐδένα
(oudena)
niemand
εἶδον
(eidon)
zagen zij
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
μόνον
(monon)
alleen
μεθ’
(meth’)
bij
ἑαυτῶν
(heauton)
zich
Bron: SBLGNT

Elia moet eerst komen

9Zij daalden van de berg af. Hij gebood hun aan niemand te vertellen wat zij gezien hadden, totdat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.
Καὶ
(Kai)
en
καταβαινόντων
(katabainonton)
afdalend
αὐτῶν
(auton)
zij
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ὄρους
(orous)
berg
διεστείλατο
(diesteilato)
gebood
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἵνα
(hina)
opdat
μηδενὶ
(medeni)
niemand
ἃ
(ha)
wat
εἶδον
(eidon)
zij zagen
διηγήσωνται
(diegesontai)
zouden vertellen
εἰ
(ei)
indien
μὴ
(me)
niet
ὅταν
(hotan)
wanneer
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
ἀναστῇ
(anaste)
opstaat
Bron: SBLGNT
10Zij hielden dat woord vast en discussieerden onder elkaar over wat het betekent om uit de doden op te staan.
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
ἐκράτησαν
(ekratesan)
hielden vast
πρὸς
(pros)
onder
ἑαυτοὺς
(heautous)
zichzelf
συζητοῦντες
(syzetountes)
discussiërend
τί
(ti)
wat
ἐστιν
(estin)
is
τὸ
(to)
het
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
ἀναστῆναι
(anastenai)
opstaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκράτησαν (ekratesan), ‘vasthouden’: het kan betekenen dat zij het woord voor zich hielden of dat zij het in hun gedachten vasthielden.

Wij kiezen de tweede lezing; het Grieks laat het open.

11Zij vroegen Hem: „Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?”
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτων
(eperoton)
zij vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ὅτι
(Hoti)
waarom
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
ὅτι
(hoti)
dat
Ἠλίαν
(Elian)
Elia
δεῖ
(dei)
moet
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
πρῶτον
(proton)
eerst
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὅτι (hoti) staat hier voor ‘waarom’, zoals in 9:28.

Zie ook Matt. 17:10.

Zie ookMat 17:10
12Hij zei tegen hen: „Elia komt wel eerst en herstelt alles. En hoe staat er over de Mensenzoon geschreven dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden?
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἔφη
(ephe)
Hij zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἠλίας
(Elias)
Elia
μὲν
(men)
wel
ἐλθὼν
(elthon)
komend
πρῶτον
(proton)
eerst
ἀποκαθιστάνει
(apokathistanei)
herstelt
πάντα
(panta)
alles
καὶ
(kai)
en
πῶς
(pos)
hoe
γέγραπται
(gegraptai)
is geschreven
ἐπὶ
(epi)
over
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
ἵνα
(hina)
opdat
πολλὰ
(polla)
veel
πάθῃ
(pathe)
Hij lijdt
καὶ
(kai)
en
ἐξουδενηθῇ
(exoudenethe)
veracht wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀποκαθιστάνει (apokathistanei), ‘herstelt’: weer in de oorspronkelijke staat brengen.

Vergelijk Mal. 3:23–24 (Hebreeuwse telling; in de Nederlandse telling is dit 4:5–6) over Elia.

Het Grieks noemt geen vers over het lijden van de Mensenzoon; vergelijk Jes. 53:3 en Ps. 22:7.

13Maar Ik zeg jullie dat ook Elia gekomen is, en zij hebben met hem gedaan wat zij maar wilden, zoals over hem geschreven staat.”
ἀλλὰ
(alla)
maar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
καὶ
(kai)
ook
Ἠλίας
(Elias)
Elia
ἐλήλυθεν
(elelythen)
is gekomen
καὶ
(kai)
en
ἐποίησαν
(epoiesan)
zij deden
αὐτῷ
(auto)
met hem
ὅσα
(hosa)
alles wat
ἤθελον
(ethelon)
zij wilden
καθὼς
(kathos)
zoals
γέγραπται
(gegraptai)
is geschreven
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Yeshua zegt hier niet met zoveel woorden wie Elia is, en noemt geen vers voor ‘zoals over hem geschreven staat’.

Zie ook Matt. 17:12–13.

De jongen met een stomme geest

14Toen zij bij de leerlingen kwamen, zagen zij een grote menigte om hen heen en schriftgeleerden die met hen discussieerden.
Καὶ
(Kai)
en
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
πρὸς
(pros)
bij
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
εἶδον
(eidon)
zagen zij
ὄχλον
(ochlon)
menigte
πολὺν
(polyn)
grote
περὶ
(peri)
rondom
αὐτοὺς
(autous)
hen
καὶ
(kai)
en
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
συζητοῦντας
(syzetountas)
discussiërend
πρὸς
(pros)
met
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 17:14–21; Luc. 9:37–43.

15Meteen was heel de menigte ontzet toen zij Hem zagen. Zij kwamen naar Hem toe rennen en begroetten Hem.
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
πᾶς
(pas)
heel
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἰδόντες
(idontes)
ziende
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐξεθαμβήθησαν
(exethambethesan)
werden ontzet
καὶ
(kai)
en
προστρέχοντες
(prostrechontes)
toe rennend
ἠσπάζοντο
(espazonto)
begroetten
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξεθαμβήθησαν (exethambethesan), ‘werden ontzet’: sterke schrik of verbazing.

Het woord komt in dit evangelie meer voor; wij vertalen het steeds met ‘ontzet’.

16Hij vroeg hun: „Waarover discussiëren jullie met hen?”
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτησεν
(eperotesen)
Hij vroeg
αὐτούς
(autous)
hen
Τί
(Ti)
wat
συζητεῖτε
(syzeteite)
discussiëren jullie
πρὸς
(pros)
met
αὑτούς
(hautous)
zichzelf
Bron: SBLGNT
Lezing

De SBLGNT heeft hier πρὸς αὑτούς (pros hautous), een vorm die ‘onder elkaar’ kan betekenen.

Wij lezen ‘met hen’, zoals πρὸς αὐτούς in 9:14.

17Eén uit de menigte antwoordde Hem: „Leraar, ik heb mijn zoon naar U toe gebracht; hij heeft een stomme geest.
καὶ
(kai)
en
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτῷ
(auto)
Hem
εἷς
(heis)
één
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
ἤνεγκα
(enenka)
ik bracht
τὸν
(ton)
de
υἱόν
(huion)
zoon
μου
(mou)
mijn
πρὸς
(pros)
naar
σέ
(se)
U
ἔχοντα
(echonta)
hebbend
πνεῦμα
(pneuma)
geest
ἄλαλον
(alalon)
stomme
Bron: SBLGNT
Uitleg

πνεῦμα ἄλαλον (pneuma alalon), ‘stomme geest’: een geest die het kind niet laat spreken.

In 9:25 wordt de geest ook ‘doof’ genoemd.

18Waar de geest hem ook overvalt, slingert die hem tegen de grond. En hij schuimbekt, knarst met zijn tanden en wordt stijf. Ik zei tegen Uw leerlingen dat zij de geest moesten uitdrijven, maar zij konden het niet.”
καὶ
(kai)
en
ὅπου
(hopou)
waar
ἐὰν
(ean)
ook
αὐτὸν
(auton)
hem
καταλάβῃ
(katalabe)
overvalt
ῥήσσει
(rhessei)
slingert tegen de grond
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἀφρίζει
(aphrizei)
schuimbekt
καὶ
(kai)
en
τρίζει
(trizei)
knarst
τοὺς
(tous)
de
ὀδόντας
(odontas)
tanden
καὶ
(kai)
en
ξηραίνεται
(xerainetai)
wordt stijf
καὶ
(kai)
en
εἶπα
(eipa)
ik zei
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
σου
(sou)
Uw
ἵνα
(hina)
opdat
αὐτὸ
(auto)
het
ἐκβάλωσιν
(ekbalosin)
zij uitdrijven
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἴσχυσαν
(ischysan)
konden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ῥήσσει (resei), ‘slingert tegen de grond’: het werkwoord betekent letterlijk ‘scheuren, stukslaan’.

ξηραίνεται (xerainetai), ‘wordt stijf’: letterlijk ‘verdort, droogt uit’. Het Grieks noemt geen onderwerp bij ‘overvalt’ en ‘slingert’; wij schrijven ‘de geest’.

19Hij antwoordde hun en zei: „O ongelovige generatie, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Mij.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγει
(legei)
zegt
Ὦ
(O)
o
γενεὰ
(genea)
generatie
ἄπιστος
(apistos)
ongelovige
ἕως
(heos)
tot
πότε
(pote)
wanneer
πρὸς
(pros)
bij
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἔσομαι
(esomai)
zal Ik zijn
ἕως
(heos)
tot
πότε
(pote)
wanneer
ἀνέξομαι
(anexomai)
zal Ik verdragen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
φέρετε
(pherete)
brengt
αὐτὸν
(auton)
hem
πρός
(pros)
bij
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
20Zij brachten hem bij Hem. Zodra de geest Hem zag, trok die hem meteen krampachtig heen en weer. De jongen viel op de grond en rolde schuimbekkend rond.
καὶ
(kai)
en
ἤνεγκαν
(enenkan)
zij brachten
αὐτὸν
(auton)
hem
πρὸς
(pros)
naar
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziende
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
geest
εὐθὺς
(euthys)
meteen
συνεσπάραξεν
(synesparaxen)
schudde heen en weer
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
πεσὼν
(peson)
vallend
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
grond
ἐκυλίετο
(ekylieto)
rolde
ἀφρίζων
(aphrizon)
schuimbekkend
Bron: SBLGNT
21Hij vroeg aan zijn vader: „Hoelang is het al geleden dat dit hem is overkomen?” Die zei: „Van kinds af aan.
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτησεν
(eperotesen)
Hij vroeg
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Πόσος
(Posos)
hoeveel
χρόνος
(chronos)
tijd
ἐστὶν
(estin)
is het
ὡς
(hos)
sinds
τοῦτο
(touto)
dit
γέγονεν
(gegonen)
gebeurd is
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐκ
(Ek)
van
παιδιόθεν
(paidiothen)
kinds af aan
Bron: SBLGNT
Uitleg

De woorden van de vader lopen door in 9:22.

22Vaak heeft de geest hem in het vuur en in het water geworpen om hem om te brengen. Maar als U iets kunt, help ons en heb medelijden met ons.”
καὶ
(kai)
en
πολλάκις
(pollakis)
vaak
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
πῦρ
(pyr)
vuur
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔβαλεν
(ebalen)
wierp
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
ὕδατα
(hydata)
wateren
ἵνα
(hina)
opdat
ἀπολέσῃ
(apolese)
hij ombrengt
αὐτόν
(auton)
hem
ἀλλ’
(all’)
maar
εἴ
(ei)
als
τι
(ti)
iets
δύνῃ
(dyne)
U kunt
βοήθησον
(boetheson)
help
ἡμῖν
(hemin)
ons
σπλαγχνισθεὶς
(splanchnistheis)
medelijden hebbend
ἐφ’
(eph’)
met
ἡμᾶς
(hemas)
ons
Bron: SBLGNT
23Yeshua zei tegen hem: „‘Als U kunt’! Alles is mogelijk voor wie gelooft.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Τὸ
(To)
(aanhaling)
Εἰ
(Ei)
als
δύνῃ
(dyne)
U kunt
πάντα
(panta)
alles
δυνατὰ
(dynata)
mogelijk
τῷ
(to)
voor de
πιστεύοντι
(pisteuonti)
gelovende
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het lidwoord Τὸ (to) voor ‘Als U kunt’ maakt van die woorden een aanhaling: Yeshua herhaalt wat de vader in 9:22 zei.

24Meteen riep de vader van het kind uit: „Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!”
εὐθὺς
(euthys)
meteen
κράξας
(kraxas)
roepend
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
vader
τοῦ
(tou)
van het
παιδίου
(paidiou)
kind
ἔλεγεν
(elegen)
zei
Πιστεύω
(Pisteuo)
ik geloof
βοήθει
(boethei)
help
μου
(mou)
mijn
τῇ
(te)
het
ἀπιστίᾳ
(apistia)
ongeloof
Bron: SBLGNT
25Yeshua zag dat er een menigte toe kwam lopen. Hij bestrafte de onreine geest en zei tegen hem: „Jij stomme en dove geest, Ik beveel je: ga uit hem. Ga nooit meer in hem.”
ἰδὼν
(idon)
ziende
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
ἐπισυντρέχει
(episyntrechei)
toeloopt
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
τῷ
(to)
de
πνεύματι
(pneumati)
geest
τῷ
(to)
de
ἀκαθάρτῳ
(akatharto)
onreine
λέγων
(legon)
zeggend
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Τὸ
(To)
de
ἄλαλον
(alalon)
stomme
καὶ
(kai)
en
κωφὸν
(kophon)
dove
πνεῦμα
(pneuma)
geest
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐπιτάσσω
(epitasso)
beveel
σοι
(soi)
je
ἔξελθε
(exelthe)
ga uit
ἐξ
(ex)
uit
αὐτοῦ
(autou)
hem
καὶ
(kai)
en
μηκέτι
(meketi)
niet meer
εἰσέλθῃς
(eiselthes)
ga binnen
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπετίμησεν (epetimesen), ‘bestrafte’: terechtwijzen met gezag.

Wij vertalen het overal zo (ook 10:13 en 10:48).

ἐπιτάσσω (epitasso), ‘bevelen’.

26De geest schreeuwde, schudde hem hevig heen en weer en ging uit. De jongen werd als een dode, zodat de meesten zeiden dat hij gestorven was.
καὶ
(kai)
en
κράξας
(kraxas)
schreeuwend
καὶ
(kai)
en
πολλὰ
(polla)
veel
σπαράξας
(sparaxas)
heen en weer schuddend
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ὡσεὶ
(hosei)
als
νεκρὸς
(nekros)
dode
ὥστε
(hoste)
zodat
τοὺς
(tous)
de
πολλοὺς
(pollous)
meesten
λέγειν
(legein)
zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
ἀπέθανεν
(apethanen)
hij stierf
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft geen onderwerp bij ‘schreeuwde’, ‘ging uit’ en ‘werd’; wij schrijven ‘de geest’ en ‘de jongen’.

27Maar Yeshua nam hem bij de hand en richtte hem op, en hij stond op.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
κρατήσας
(kratesas)
grijpend
τῆς
(tes)
de
χειρὸς
(cheiros)
hand
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἤγειρεν
(egeiren)
richtte op
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἀνέστη
(aneste)
stond op
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἤγειρεν (egeiren), ‘richtte op’: het werkwoord ἐγείρω (egeiro) betekent ‘doen opstaan’ en wordt ook gebruikt voor ‘opwekken uit de doden’ (zie 12:26).

28Toen Hij een huis binnengegaan was, vroegen Zijn leerlingen Hem apart: „Waarom hebben wij het niet kunnen uitdrijven?”
καὶ
(kai)
en
εἰσελθόντος
(eiselthontos)
binnengegaan
αὐτοῦ
(autou)
Hij
εἰς
(eis)
in
οἶκον
(oikon)
huis
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
κατ’
(kat’)
in
ἰδίαν
(idian)
afzondering
ἐπηρώτων
(eperoton)
vroegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Ὅτι
(Hoti)
waarom
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
οὐκ
(ouk)
niet
ἠδυνήθημεν
(edynethemen)
konden
ἐκβαλεῖν
(ekbalein)
uitdrijven
αὐτό
(auto)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκβάλλω (ekballo), ‘uitdrijven’: wij gebruiken dit woord voor het verdrijven van geesten en demonen.

29Hij zei tegen hen: „Deze soort kan door niets uitgaan, behalve door gebed.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τοῦτο
(Touto)
deze
τὸ
(to)
de
γένος
(genos)
soort
ἐν
(en)
door
οὐδενὶ
(oudeni)
niets
δύναται
(dynatai)
kan
ἐξελθεῖν
(exelthein)
uitgaan
εἰ
(ei)
indien
μὴ
(me)
niet
ἐν
(en)
door
προσευχῇ
(proseuche)
gebed
Bron: SBLGNT
Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat: ‘dan door gebed en vasten’.

De SBLGNT heeft alleen ‘door gebed’.

Yeshua kondigt opnieuw Zijn dood aan

30Zij vertrokken vandaar en trokken door Galilea. Hij wilde niet dat iemand het wist.
Κἀκεῖθεν
(Kakeithen)
en vandaar
ἐξελθόντες
(exelthontes)
uitgegaan
παρεπορεύοντο
(pareporeuonto)
trokken door
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἤθελεν
(ethelen)
wilde Hij
ἵνα
(hina)
opdat
τις
(tis)
iemand
γνοῖ
(gnoi)
wist
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

31Want Hij onderwees Zijn leerlingen en zei tegen hen: „De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van mensen. Zij zullen Hem doden, en nadat Hij gedood is, zal Hij na 3 dagen opstaan.”
ἐδίδασκεν
(edidasken)
Hij onderwees
γὰρ
(gar)
want
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
Hij zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὅτι
(hoti)
dat
Ὁ
(Ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
παραδίδοται
(paradidotai)
wordt overgeleverd
εἰς
(eis)
in
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
καὶ
(kai)
en
ἀποκτενοῦσιν
(apoktenousin)
zullen doden
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἀποκτανθεὶς
(apoktantheis)
gedood zijnde
μετὰ
(meta)
na
τρεῖς
(treis)
3
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ἀναστήσεται
(anastesetai)
zal opstaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραδίδοται (paradidotai), ‘wordt overgeleverd’: het werkwoord παραδίδωμι (paradidomi) vertalen wij overal met ‘overleveren’.

ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’.

Zie ook Matt. 17:22–23; Luc. 9:43–45.

32Zij begrepen dit woord niet en waren bang het Hem te vragen.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἠγνόουν
(egnooun)
begrepen niet
τὸ
(to)
het
ῥῆμα
(rhema)
woord
καὶ
(kai)
en
ἐφοβοῦντο
(ephobounto)
waren bang
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐπερωτῆσαι
(eperotesai)
te vragen
Bron: SBLGNT

Wie is de grootste?

33Zij kwamen in Kapernaüm. Toen Hij in het huis was, vroeg Hij hun: „Waarover overlegden jullie onderweg?”
Καὶ
(Kai)
en
ἦλθον
(elthon)
zij kwamen
εἰς
(eis)
in
Καφαρναούμ
(Kapharnaoum)
Kapernaüm
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
γενόμενος
(genomenos)
zijnde
ἐπηρώτα
(eperota)
Hij vroeg
αὐτούς
(autous)
hun
Τί
(Ti)
wat
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
διελογίζεσθε
(dielogizesthe)
overlegden jullie
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

Zie ook Matt. 18:1–5; Luc. 9:46–48.

34Zij zwegen, want onderweg hadden zij met elkaar gesproken over wie de grootste was.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἐσιώπων
(esiopon)
zwegen
πρὸς
(pros)
tot
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
γὰρ
(gar)
want
διελέχθησαν
(dielechthesan)
spraken
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
τίς
(tis)
wie
μείζων
(meizon)
groter
Bron: SBLGNT
35Hij ging zitten en riep de twaalf. Hij zei tegen hen: „Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.”
καὶ
(kai)
en
καθίσας
(kathisas)
gaan zitten
ἐφώνησεν
(ephonesen)
riep
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Εἴ
(Ei)
als
τις
(tis)
iemand
θέλει
(thelei)
wil
πρῶτος
(protos)
eerste
εἶναι
(einai)
zijn
ἔσται
(estai)
zal zijn
πάντων
(panton)
van allen
ἔσχατος
(eschatos)
laatste
καὶ
(kai)
en
πάντων
(panton)
van allen
διάκονος
(diakonos)
dienaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: iemand die anderen dient, bijvoorbeeld aan tafel.

Het werkwoord διακονέω (diakoneo) vertalen wij met ‘dienen’ (ook 10:43–45).

36Hij nam een kind, zette het in hun midden, nam het in Zijn armen en zei tegen hen:
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
παιδίον
(paidion)
kind
ἔστησεν
(estesen)
zette
αὐτὸ
(auto)
het
ἐν
(en)
in
μέσῳ
(meso)
midden
αὐτῶν
(auton)
van hen
καὶ
(kai)
en
ἐναγκαλισάμενος
(enankalisamenos)
in de armen nemend
αὐτὸ
(auto)
het
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Bron: SBLGNT
37„Wie één van zulke kinderen in Mijn naam ontvangt, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij gezonden heeft.”
Ὃς
(Hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
ἓν
(hen)
één
τῶν
(ton)
van de
τοιούτων
(toiouton)
zulke
παιδίων
(paidion)
kinderen
δέξηται
(dexetai)
ontvangt
ἐπὶ
(epi)
in
τῷ
(to)
de
ὀνόματί
(onomati)
naam
μου
(mou)
Mijn
ἐμὲ
(eme)
Mij
δέχεται
(dechetai)
ontvangt
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
ἐμὲ
(eme)
Mij
δέχηται
(dechetai)
ontvangt
οὐκ
(ouk)
niet
ἐμὲ
(eme)
Mij
δέχεται
(dechetai)
ontvangt
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸν
(ton)
Hem
ἀποστείλαντά
(aposteilanta)
die gezonden heeft
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

τὸν ἀποστείλαντα (ton aposteilanta), ‘Hem die Mij gezonden heeft’: Elohim, de Vader.

Zie ook Matt. 10:40; Luc. 9:48.

Wie niet tegen ons is, is voor ons

38Johannes zei tegen Hem: „Leraar, wij zagen iemand die in Uw naam demonen uitdreef, en wij hielden hem tegen, omdat hij ons niet volgde.”
Ἔφη
(Ephe)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
ὁ
(ho)
de
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
εἴδομέν
(eidomen)
wij zagen
τινα
(tina)
iemand
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ὀνόματί
(onomati)
naam
σου
(sou)
Uw
ἐκβάλλοντα
(ekballonta)
uitdrijvend
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
καὶ
(kai)
en
ἐκωλύομεν
(ekolyomen)
wij hielden tegen
αὐτόν
(auton)
hem
ὅτι
(hoti)
omdat
οὐκ
(ouk)
niet
ἠκολούθει
(ekolouthei)
hij volgde
ἡμῖν
(hemin)
ons
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Luc. 9:49–50.

39Yeshua zei: „Houd hem niet tegen. Want er is niemand die in Mijn naam een krachtige daad doet en daarna snel kwaad over Mij kan spreken.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Μὴ
(Me)
niet
κωλύετε
(kolyete)
houd tegen
αὐτόν
(auton)
hem
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
ὃς
(hos)
die
ποιήσει
(poiesei)
zal doen
δύναμιν
(dynamin)
krachtige daad
ἐπὶ
(epi)
op
τῷ
(to)
de
ὀνόματί
(onomati)
naam
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
δυνήσεται
(dynesetai)
zal kunnen
ταχὺ
(tachy)
snel
κακολογῆσαί
(kakologesai)
kwaad spreken
με
(me)
over Mij
Bron: SBLGNT
40Want wie niet tegen ons is, is voor ons.
ὃς
(hos)
wie
γὰρ
(gar)
want
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
καθ’
(kath’)
tegen
ἡμῶν
(hemon)
ons
ὑπὲρ
(hyper)
voor
ἡμῶν
(hemon)
ons
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
41Want voorwaar, Ik zeg jullie: wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij de Messias horen, zal zijn loon zeker niet verliezen.
Ὃς
(Hos)
wie
γὰρ
(gar)
want
ἂν
(an)
(ooit)
ποτίσῃ
(potise)
laat drinken
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ποτήριον
(poterion)
beker
ὕδατος
(hydatos)
van water
ἐν
(en)
in
ὀνόματι
(onomati)
naam
ὅτι
(hoti)
dat
χριστοῦ
(christou)
van de Messias
ἐστε
(este)
jullie zijn
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
ἀπολέσῃ
(apolese)
hij verliest
τὸν
(ton)
het
μισθὸν
(misthon)
loon
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐν ὀνόματι ὅτι χριστοῦ ἐστε (en onomati hoti christou este), letterlijk ‘in naam dat jullie van de Messias zijn’.

Wij vertalen ‘omdat jullie bij de Messias horen’.

Zie ook Matt. 10:42.

Zie ookMat 10:42

Struikelblokken

42En wie één van deze kleinen die in Mij geloven laat struikelen: voor hem is het beter dat er een ezelsmolensteen om zijn nek ligt en hij in de zee geworpen is.
Καὶ
(Kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
σκανδαλίσῃ
(skandalise)
laat struikelen
ἕνα
(hena)
één
τῶν
(ton)
van de
μικρῶν
(mikron)
kleinen
τούτων
(touton)
deze
τῶν
(ton)
de
πιστευόντων
(pisteuonton)
gelovenden
εἰς
(eis)
in
ἐμέ
(eme)
Mij
καλόν
(kalon)
goed
ἐστιν
(estin)
is
αὐτῷ
(auto)
voor hem
μᾶλλον
(mallon)
meer
εἰ
(ei)
als
περίκειται
(perikeitai)
ligt
μύλος
(mylos)
molensteen
ὀνικὸς
(onikos)
van een ezel
περὶ
(peri)
om
τὸν
(ton)
de
τράχηλον
(trachelon)
nek
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
βέβληται
(bebletai)
geworpen is
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
Bron: SBLGNT
Uitleg

σκανδαλίζω (skandalizo), ‘laten struikelen’: iemand laten vallen of laten afvallen.

Wij vertalen het overal zo.

μύλος ὀνικός (mylos onikos), ‘ezelsmolensteen’, letterlijk ‘molen van een ezel’: een grote molensteen die door een ezel gedraaid werd (zoals Matt. 18:6).

Zie ook Matt. 18:6–9; Luc. 17:1–2.

43En als jouw hand je laat struikelen, hak haar af. Het is beter voor jou verminkt het leven binnen te gaan dan met twee handen naar de Gehenna te gaan, naar het onuitblusbare vuur.
Καὶ
(Kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
σκανδαλίζῃ
(skandalize)
laat struikelen
σε
(se)
je
ἡ
(he)
de
χείρ
(cheir)
hand
σου
(sou)
jouw
ἀπόκοψον
(apokopson)
hak af
αὐτήν
(auten)
haar
καλόν
(kalon)
goed
ἐστίν
(estin)
is
σε
(se)
voor jou
κυλλὸν
(kyllon)
verminkt
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
ζωὴν
(zoen)
leven
ἢ
(e)
dan
τὰς
(tas)
de
δύο
(dyo)
twee
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἔχοντα
(echonta)
hebbend
ἀπελθεῖν
(apelthein)
weg te gaan
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
γέενναν
(geennan)
Gehenna
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
het
πῦρ
(pyr)
vuur
τὸ
(to)
het
ἄσβεστον
(asbeston)
onuitblusbare
Bron: SBLGNT
Uitleg

γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: van het Hebreeuwse גֵּי הִנֹּם (ge hinnom), ‘dal van Hinnom’, bij Jeruzalem (Joz. 15:8).

Daar werden in de tijd van de koningen kinderen verbrand (Jer. 7:31).

Het woord werd een naam voor de plaats van het oordeel.

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet.

45En als jouw voet je laat struikelen, hak hem af. Het is beter voor jou kreupel het leven binnen te gaan dan met twee voeten in de Gehenna geworpen te worden.
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ὁ
(ho)
de
πούς
(pous)
voet
σου
(sou)
jouw
σκανδαλίζῃ
(skandalize)
laat struikelen
σε
(se)
je
ἀπόκοψον
(apokopson)
hak af
αὐτόν
(auton)
hem
καλόν
(kalon)
goed
ἐστίν
(estin)
is
σε
(se)
voor jou
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
ζωὴν
(zoen)
leven
χωλὸν
(cholon)
kreupel
ἢ
(e)
dan
τοὺς
(tous)
de
δύο
(dyo)
twee
πόδας
(podas)
voeten
ἔχοντα
(echonta)
hebbend
βληθῆναι
(blethenai)
geworpen te worden
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
γέενναν
(geennan)
Gehenna
Bron: SBLGNT
Uitleg

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet.

47En als jouw oog je laat struikelen, ruk het uit. Het is beter voor jou met één oog het koninkrijk van Elohim binnen te gaan dan met twee ogen in de Gehenna geworpen te worden,
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ὁ
(ho)
het
ὀφθαλμός
(ophthalmos)
oog
σου
(sou)
jouw
σκανδαλίζῃ
(skandalize)
laat struikelen
σε
(se)
je
ἔκβαλε
(ekbale)
ruk uit
αὐτόν
(auton)
het
καλόν
(kalon)
goed
σέ
(se)
voor jou
ἐστιν
(estin)
is
μονόφθαλμον
(monophthalmon)
met één oog
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἢ
(e)
dan
δύο
(dyo)
twee
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
ἔχοντα
(echonta)
hebbend
βληθῆναι
(blethenai)
geworpen te worden
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
γέενναν
(geennan)
Gehenna
Bron: SBLGNT
48waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt.
ὅπου
(hopou)
waar
ὁ
(ho)
de
σκώληξ
(skolex)
worm
αὐτῶν
(auton)
hun
οὐ
(ou)
niet
τελευτᾷ
(teleuta)
sterft
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
πῦρ
(pyr)
vuur
οὐ
(ou)
niet
σβέννυται
(sbennytai)
wordt gedoofd
Bron: SBLGNT
Uitleg

De woorden zijn een aanhaling van Jes. 66:24: ‘want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet gedoofd worden’.

Zie ookJes 66:24

Zout

49Want ieder zal met vuur gezouten worden.
Πᾶς
(Pas)
ieder
γὰρ
(gar)
want
πυρὶ
(pyri)
met vuur
ἁλισθήσεται
(halisthesetai)
zal gezouten worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἁλισθήσεται (halisthesetai), ‘gezouten worden’.

Wat ‘zouten met vuur’ precies betekent, zegt de tekst niet.

Vergelijk Lev. 2:13, waar het graanoffer met zout gezouten wordt.

Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt: ‘en elk offer zal met zout gezouten worden’.

De SBLGNT heeft dit niet.

Zie ookLev 2:13
50Zout is goed. Maar als het zout smaakloos wordt, waarmee zullen jullie het smaak geven? Heb zout in jullie zelf en leef in vrede met elkaar.”
καλὸν
(kalon)
goed
τὸ
(to)
het
ἅλας
(halas)
zout
ἐὰν
(ean)
als
δὲ
(de)
maar
τὸ
(to)
het
ἅλας
(halas)
zout
ἄναλον
(analon)
smaakloos
γένηται
(genetai)
wordt
ἐν
(en)
met
τίνι
(tini)
wat
αὐτὸ
(auto)
het
ἀρτύσετε
(artysete)
zullen jullie smaak geven
ἔχετε
(echete)
heb
ἐν
(en)
in
ἑαυτοῖς
(heautois)
jullie zelf
ἅλα
(hala)
zout
καὶ
(kai)
en
εἰρηνεύετε
(eireneuete)
leef in vrede
ἐν
(en)
met
ἀλλήλοις
(allelois)
elkaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄναλον (analon), ‘smaakloos’: zout dat zijn zoutheid kwijt is. ἀρτύω (artyo), ‘smaak geven’.

Zie ook Matt. 5:13; Luc. 14:34–35.