Elisa en Hazaël; Joram en Achazia, koningen van Juda
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De vrouw en de hongersnood
1Elisa had gesproken tot de vrouw wier zoon hij levend had gemaakt. Hij had gezegd: „Sta op en ga, jij en je huis. Verblijf als gast waar je maar kunt verblijven. Want Yahweh heeft een hongersnood geroepen. Ook is die over het land gekomen, zeven jaar lang.”
וֶאֱלִישָׁ֡ע
(veelisha)
en Elisa
דִּבֶּ֣ר
(diber)
had gesproken
אֶל
(el)
tot
הָאִשָּׁה֩
(haisha)
de vrouw
אֲשֶׁר
(asher)
wier
הֶחֱיָ֨ה
(hecheya)
hij levend had gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָ֜הּ
(benah)
haar zoon
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
ק֤וּמִי
(qumi)
sta op
וּלְכִי֙
(ulekhi)
en ga
אַ֣תְּ
(at)
jij
וּבֵיתֵ֔ךְ
(uveitekh)
en je huis
וְג֖וּרִי
(veguri)
en verblijf als gast
בַּאֲשֶׁ֣ר
(baasher)
waar
תָּג֑וּרִי
(taguri)
je kunt verblijven
כִּֽי
(ki)
want
קָרָ֤א
(qara)
heeft geroepen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לָֽרָעָ֔ב
(laraav)
om honger
וְגַם
(vegam)
en ook
בָּ֥א
(ba)
is gekomen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִֽים
(shanim)
jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de vrouw wier zoon Elisa levend maakte (2 Kon. 4:8–37).
De tekst noemt haar niet bij naam.
קָרָא לָרָעָב (qara lara’av), ‘hij heeft een hongersnood geroepen’: Yahweh roept de honger op, zoals Hij ook in Ps. 105:16 doet.
גּוּר (gur), ‘als gast verblijven’: wonen als vreemdeling, zonder eigen grond. Vergelijk 1 Kon. 17:20.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft voor ‘jij’ de vorm אתי, het qere heeft אַתְּ (at).
2De vrouw stond op en deed naar het woord van de man van Elohim. Zij ging, zij en haar huis, en verbleef zeven jaar als gast in het land van de Filistijnen.
וַתָּ֨קָם֙
(vataqam)
en stond op
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וַתַּ֕עַשׂ
(vataas)
en deed
כִּדְבַ֖ר
(kidvar)
naar het woord van
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וַתֵּ֤לֶךְ
(vatelekh)
en ging
הִיא֙
(hi)
zij
וּבֵיתָ֔הּ
(uveitah)
en haar huis
וַתָּ֥גָר
(vatagar)
en verbleef als gast
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִֽים
(shanim)
jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het land van de Filistijnen is de kustvlakte ten zuidwesten van Juda, in het huidige Israël en de Gazastrook.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
5Hij vertelde de koning hoe hij de dode levend had gemaakt. Zie, daar riep de vrouw, wier zoon hij levend had gemaakt, de koning aan om haar huis en haar akker. Gechazi zei: „Mijn heer de koning, dit is de vrouw, en dit is haar zoon, die Elisa levend heeft gemaakt.”
וַ֠יְהִי
(vayhi)
en het was
ה֥וּא
(hu)
hij
מְסַפֵּ֣ר
(mesaper)
vertellend
לַמֶּלֶךְ֮
(lamelekh)
aan de koning
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
hoe
הֶחֱיָ֣ה
(hecheya)
hij levend maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֵּת֒
(hamet)
de dode
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
הָאִשָּׁ֜ה
(haisha)
de vrouw
אֲשֶׁר
(asher)
wier
הֶחֱיָ֤ה
(hecheya)
hij levend maakte
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָהּ֙
(benah)
haar zoon
צֹעֶ֣קֶת
(tsoeqet)
roepend
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
om
בֵּיתָ֖הּ
(beitah)
haar huis
וְעַל
(veal)
en om
שָׂדָ֑הּ
(sadah)
haar akker
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
גֵּֽחֲזִי֙
(gechazi)
Gechazi
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
זֹ֚את
(zot)
dit
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וְזֶה
(veze)
en dit
בְּנָ֖הּ
(benah)
haar zoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֶחֱיָ֥ה
(hecheya)
levend maakte
אֱלִישָֽׁע
(elisha)
Elisa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van de koning, niet van Yahweh.
6De koning vroeg het aan de vrouw en zij vertelde het hem. De koning gaf haar een hofbeambte mee. Hij zei: „Geef haar alles terug wat van haar was. Geef haar ook alle opbrengst van het veld, vanaf de dag dat zij het land verliet tot nu toe.”
וַיִּשְׁאַ֥ל
(vayishal)
en vroeg
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לָאִשָּׁ֖ה
(laisha)
aan de vrouw
וַתְּסַפֶּר
(vatesaper)
en zij vertelde
ל֑וֹ
(lo)
hem
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en gaf
לָ֣הּ
(lah)
aan haar
הַמֶּלֶךְ֩
(hamelekh)
de koning
סָרִ֨יס
(saris)
hofbeambte
אֶחָ֜ד
(echad)
een
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הָשֵׁ֤יב
(hasheiv)
breng terug
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָהּ֙
(lah)
van haar was
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
תְּבוּאֹ֣ת
(tevuot)
opbrengst van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
מִיּ֛וֹם
(miyom)
vanaf de dag
עָזְבָ֥ה
(azeva)
zij verliet
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
וְעַד
(vead)
en tot
עָֽתָּה
(ata)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סָרִיס (saris), ‘hofbeambte’: een ambtenaar aan het hof.
Het woord kan ook een gesneden man (eunuch) aanduiden.
תְּבוּאַת הַשָּׂדֶה (tevu’at hasadeh), ‘opbrengst van het veld’: de oogsten van de jaren dat het land onbewerkt bleef.
8De koning zei tegen Hazaël: „Neem een geschenk in je hand en ga de man van Elohim tegemoet. Raadpleeg Yahweh door hem en vraag: ‘Zal ik van deze ziekte genezen?’”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
חֲזָהאֵ֗ל
(chazahel)
Hazaël
קַ֤ח
(qach)
neem
בְּיָֽדְךָ֙
(beyadekha)
in je hand
מִנְחָ֔ה
(mincha)
geschenk
וְלֵ֕ךְ
(velekh)
en ga
לִקְרַ֖את
(liqrat)
tegemoet
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וְדָרַשְׁתָּ֨
(vedarashta)
en raadpleeg
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵֽאוֹתוֹ֙
(meoto)
door hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הַאֶחְיֶ֖ה
(haechye)
zal ik leven
מֵחֳלִ֥י
(mecholi)
van de ziekte
זֶֽה
(ze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: hier een gave aan de profeet.
Het is geen offer.
Elders vertalen wij het als ‘graanoffer’ of ‘offergave’.
Vergelijk 1 Kon. 14:3.
הַאֶחְיֶה מֵחֳלִי זֶה (ha’echyeh mecholi zeh), ‘zal ik van deze ziekte genezen?’: letterlijk ‘zal ik leven van deze ziekte?’. Dezelfde vraag stelde Achazia van Israël in 2 Kon. 1:2.
9Hazaël ging hem tegemoet. Hij nam een geschenk in zijn hand mee: van al het goede van Damascus een vracht van 40 kamelen. Hij kwam, ging voor hem staan en zei: „Uw zoon Ben-Hadad, de koning van Aram, heeft mij naar u gestuurd. Hij vraagt: ‘Zal ik van deze ziekte genezen?’”
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
חֲזָאֵל֮
(chazael)
Hazaël
לִקְרָאתוֹ֒
(liqrato)
hem tegemoet
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
מִנְחָ֤ה
(mincha)
geschenk
בְיָדוֹ֙
(beyado)
in zijn hand
וְכָל
(vekhal)
en alle
ט֣וּב
(tuv)
goed van
דַּמֶּ֔שֶׂק
(dameseq)
Damascus
מַשָּׂ֖א
(masa)
vracht van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
גָּמָ֑ל
(gamal)
kamelen
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
וַיַּעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en stond
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor hem
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּנְךָ֨
(binkha)
uw zoon
בֶן
(ben)
Ben
הֲדַ֤ד
(hadad)
Hadad
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָם֙
(aram)
Aram
שְׁלָחַ֤נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar u
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הַאֶחְיֶ֖ה
(haechye)
zal ik leven
מֵחֳלִ֥י
(mecholi)
van de ziekte
זֶֽה
(ze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
‘Uw zoon Ben-Hadad’: Hazaël spreekt de profeet met eerbied aan.
De tekst noemt geen gewicht bij de ‘vracht van 40 kamelen’.
12Hazaël zei: „Waarom huilt mijn heer?” Hij zei: „Omdat ik weet welk kwaad je de zonen van Israël zult aandoen. Hun vestingen zul je in brand steken. Hun beste jonge mannen zul je met het zwaard doden. Hun kleine kinderen zul je verpletteren. Hun zwangere vrouwen zul je openrijten.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
חֲזָאֵ֔ל
(chazael)
Hazaël
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
בֹכֶ֑ה
(bokhe)
huilt
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּֽי
(ki)
omdat
יָדַ֡עְתִּי
(yadati)
ik weet
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תַּעֲשֶׂה֩
(taase)
je zult doen
לִבְנֵ֨י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
רָעָ֗ה
(raa)
kwaad
מִבְצְרֵיהֶ֞ם
(mivtsereihem)
hun vestingen
תְּשַׁלַּ֤ח
(teshalach)
zul je in brand steken
בָּאֵשׁ֙
(baesh)
met vuur
וּבַחֻֽרֵיהֶם֙
(uvachureihem)
en hun jonge mannen
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
met het zwaard
תַּהֲרֹ֔ג
(taharog)
zul je doden
וְעֹלְלֵיהֶ֣ם
(veoleleihem)
en hun kleine kinderen
תְּרַטֵּ֔שׁ
(teratesh)
zul je verpletteren
וְהָרֹתֵיהֶ֖ם
(veharoteihem)
en hun zwangere vrouwen
תְּבַקֵּֽעַ
(tevaqea)
zul je openrijten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּחוּר (bachur), ‘jonge man’: hier de beste, uitgelezen jonge mannen.
עֹלָל (olal), ‘klein kind’: een zuigeling of peuter.
Dezelfde wreedheden staan in Amos 1:13 en Hos. 14:1 (Hebreeuwse telling). Hazaëls onderdrukking van Israël staat in 2 Kon. 10:32–33 en 13:3.
13Hazaël zei: „Maar wat is uw dienaar, die hond, dat hij dit grote ding zou doen?” Elisa zei: „Yahweh heeft mij laten zien dat jij koning wordt over Aram.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
חֲזָהאֵ֔ל
(chazahel)
Hazaël
כִּ֣י
(ki)
maar
מָ֤ה
(ma)
wat
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
uw dienaar
הַכֶּ֔לֶב
(hakelev)
de hond
כִּ֣י
(ki)
dat
יַעֲשֶׂ֔ה
(yaase)
hij zou doen
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het ding
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
het grote
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלִישָׁ֔ע
(elisha)
Elisa
הִרְאַ֧נִי
(hirani)
heeft laten zien aan mij
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹתְךָ֖
(otekha)
jou
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning
עַל
(al)
over
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
הַכֶּלֶב (hakkelev), ‘de hond’: een zelfvernedering.
Hazaël vraagt hoe iemand als hij zoiets groots kan doen.
Hij ontkent niet wat Elisa zegt.
Vergelijk 1 Kon. 19:15, waar Yahweh opdracht geeft Hazaël tot koning over Aram te zalven.
14Hij ging weg van Elisa en kwam bij zijn heer. Die zei tegen hem: „Wat heeft Elisa tegen je gezegd?” Hij zei: „Hij zei tegen mij: ‘Je zult zeker leven.’”
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מֵאֵ֣ת
(meet)
van bij
אֱלִישָׁ֗ע
(elisha)
Elisa
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנָ֔יו
(adonav)
zijn heer
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֔וֹ
(lo)
tot hem
מָֽה
(ma)
wat
אָמַ֥ר
(amar)
zei
לְךָ֖
(lekha)
tegen jou
אֱלִישָׁ֑ע
(elisha)
Elisa
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָ֥מַר
(amar)
hij zei
לִ֖י
(li)
tegen mij
חָיֹ֥ה
(chayo)
zeker
תִחְיֶֽה
(tichye)
je zult leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De volgende dag nam hij de deken, doopte die in water en spreidde die over zijn gezicht. Toen stierf hij. Hazaël werd koning in zijn plaats.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
מִֽמָּחֳרָ֗ת
(mimachorat)
op de volgende dag
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
הַמַּכְבֵּר֙
(hamakhber)
de deken
וַיִּטְבֹּ֣ל
(vayitbol)
en doopte
בַּמַּ֔יִם
(bamayim)
in water
וַיִּפְרֹ֥שׂ
(vayifros)
en spreidde
עַל
(al)
over
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij stierf
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
חֲזָהאֵ֖ל
(chazahel)
Hazaël
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַכְבֵּר (makber), ‘deken’: een doek of kleed.
Het woord komt alleen hier voor.
Het Hebreeuws noemt niet wie de deken over het gezicht legt, behalve dat Hazaël hem nam. ‘Zijn gezicht’ en ‘hij stierf’ wijzen op Ben-Hadad. Wij laten het ‘hij’ staan, zoals in het Hebreeuws.
18Hij ging op de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed, want de dochter van Achab was zijn vrouw. Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh.
וַיֵּ֜לֶךְ
(vayelekh)
en ging
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
עָשׂוּ֙
(asu)
deden
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
כִּ֚י
(ki)
want
בַּת
(bat)
dochter van
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
הָֽיְתָה
(hayeta)
was
לּ֖וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּׁ֑ה
(leisha)
tot vrouw
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Maar Yahweh wilde Juda niet vernietigen, omwille van David, Zijn dienaar. Zoals Hij tegen hem had gezegd: Hij zou hem een lamp geven, voor zijn zonen, alle dagen.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָבָ֤ה
(ava)
wilde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְהַשְׁחִ֣ית
(lehashchit)
vernietigen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
לְמַ֖עַן
(lemaan)
omwille van
דָּוִ֣ד
(david)
David
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
אָֽמַר
(amar)
Hij had gezegd
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
לָתֵ֨ת
(latet)
om te geven
ל֥וֹ
(lo)
aan hem
נִ֛יר
(nir)
een lamp
לְבָנָ֖יו
(levanav)
voor zijn zonen
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִיר (nir), ‘lamp’: een beeld voor een nazaat die het huis van David laat voortbestaan.
21Joram trok over naar Zaïr, met al zijn strijdwagens. Hij stond ’s nachts op en versloeg Edom, dat hem omringd had, en de bevelhebbers van de strijdwagens. Het volk vluchtte naar zijn tenten.
וַיַּעֲבֹ֤ר
(vayaavor)
en trok over
יוֹרָם֙
(yoram)
Joram
צָעִ֔ירָה
(tsaira)
naar Zaïr
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָרֶ֖כֶב
(harekhev)
de strijdwagens
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het was
ה֞וּא
(hu)
hij
קָ֣ם
(qam)
opstaand
לַ֗יְלָה
(layla)
in de nacht
וַיַּכֶּ֨ה
(vayake)
en versloeg
אֶת
(et)
(obj.)
אֱד֜וֹם
(edom)
Edom
הַסֹּבֵ֤יב
(hasoveiv)
die rondom was
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שָׂרֵ֣י
(sarei)
bevelhebbers van
הָרֶ֔כֶב
(harekhev)
de strijdwagens
וַיָּ֥נָס
(vayanas)
en vluchtte
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לְאֹהָלָֽיו
(leohalav)
naar zijn tenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zaïr (צָעִירָה, Tsa’irah) is een plaats waarvan de ligging onzeker is.
Men zoekt haar in of bij Edom, ten zuiden van de Dode Zee.
Lezing
De zin is moeilijk.
Wij vertalen letterlijk: Joram versloeg ’s nachts Edom, dat hem omringd had, en de bevelhebbers van de strijdwagens.
Het Hebreeuws noemt niet wie ‘het volk’ is dat naar zijn tenten vluchtte.
26Achazia was 22 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 1 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Atalia, de dochter van Omri, de koning van Israël.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וּשְׁתַּ֤יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
אֲחַזְיָ֣הוּ
(achazyahu)
Achazia
בְמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וְשָׁנָ֣ה
(veshana)
en jaar
אַחַ֔ת
(achat)
één
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֤ם
(veshem)
en de naam van
אִמּוֹ֙
(imo)
zijn moeder
עֲתַלְיָ֔הוּ
(atalyahu)
Atalia
בַּת
(bat)
dochter van
עָמְרִ֖י
(ameri)
Omri
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
בַּת (bat), ‘dochter’: het woord kan ook ‘kleindochter’ betekenen.
Vers 18 noemt de vrouw van Joram een dochter van Achab; hier staat dat Atalia een dochter van Omri is.
Lezing
2 Kron. 22:2 noemt een andere leeftijd voor Achazia (daar 42 jaar).
27Hij ging op de weg van het huis van Achab en deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, zoals het huis van Achab. Want hij was een schoonzoon van het huis van Achab.
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en ging
בְּדֶ֨רֶךְ֙
(bederekh)
op de weg van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֛ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּבֵ֣ית
(keveit)
zoals het huis van
אַחְאָ֑ב
(achav)
Achab
כִּ֛י
(ki)
want
חֲתַ֥ן
(chatan)
schoonzoon van
בֵּית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָתָן (chatan), ‘schoonzoon’: iemand die door huwelijk bij de familie hoort.
29Koning Joram keerde terug om in Jizreël te genezen van de wonden. De Arameeërs hadden hem die toegebracht bij Rama, toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Aram. Achazia, de zoon van Joram, de koning van Juda, ging naar Jizreël om Joram, de zoon van Achab, te bezoeken. Want hij was ziek.
וַיָּשָׁב֩
(vayashav)
en keerde terug
יוֹרָ֨ם
(yoram)
Joram
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְהִתְרַפֵּ֣א
(lehitrape)
om te genezen
בְיִזְרְעֶ֗אל
(beyizreel)
in Jizreël
מִן
(min)
van
הַמַּכִּים֙
(hamakim)
de wonden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יַכֻּ֤הוּ
(yakuhu)
hadden geslagen hem
אֲרַמִּים֙
(aramim)
Arameeërs
בָּֽרָמָ֔ה
(barama)
bij Rama
בְּהִלָּ֣חֲמ֔וֹ
(behilachamo)
toen hij streed
אֶת
(et)
tegen
חֲזָהאֵ֖ל
(chazahel)
Hazaël
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַאֲחַזְיָ֨הוּ
(vaachazyahu)
en Achazia
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹרָ֜ם
(yehoram)
Joram
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
יָרַ֡ד
(yarad)
ging naar beneden
לִרְא֞וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹרָ֧ם
(yoram)
Joram
בֶּן
(ben)
zoon van
אַחְאָ֛ב
(achav)
Achab
בְּיִזְרְעֶ֖אל
(beyizreel)
in Jizreël
כִּֽי
(ki)
want
חֹלֶ֥ה
(chole)
ziek was
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jizreël ligt aan de rand van de vlakte van Jizreël, bij het huidige Zer’in, Israël.
Dat is zeker.
Zie Rama (Ramot in Gilead; ligging onzeker): Rama is hier de korte vorm van Ramot in Gilead.
Het wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.
Dit is niet zeker.
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
Dit verhaal staat ook in 2 Kron. 22:5–6.
Lezing
רָמָה (Ramah), ‘Rama’: waarschijnlijk een korte vorm van Ramot in Gilead (vers 28).