Open in de app Alle boeken Spreuken ← 13 15 → Spreuken 14 Spreuken over wijsheid en zotheid, de weg van de mens en de vrees voor Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1 De wijsheid van de vrouwen heeft haar huis gebouwd, maar de zotheid breekt het af met haar handen.
חַכְמ֣וֹת
(chakhmot)
wijsheid van
בָּנְתָ֣ה
(baneta)
heeft gebouwd
בֵיתָ֑הּ
(beitah)
haar huis
וְ֝אִוֶּ֗לֶת
(veivelet)
en zotheid
בְּיָדֶ֥יהָ
(beyadeiha)
met haar handen
תֶהֶרְסֶֽנּוּ
(tehersenu)
breekt het af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַכְמוֹת (chakhmot), ‘wijsheid’: het woord staat in het meervoud, ook in Spr. 1:20 en 9:1.
Letterlijk: ‘de wijsheden van vrouwen – zij heeft haar huis gebouwd’.
Het werkwoord staat in het enkelvoud.
De tegenhanger is אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’.
Vergelijk Spr. 9:1 en 9:13.
2 Wie in zijn oprechtheid gaat, vreest Yahweh, maar wie bochtig is in zijn wegen, veracht Hem.
בְּ֭יָשְׁרוֹ
(beyashero)
in zijn oprechtheid
וּנְל֖וֹז
(uneloz)
en wie bochtig is in
דְּרָכָ֣יו
(derakhav)
zijn wegen
בּוֹזֵֽהוּ
(bozehu)
veracht Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְלוֹז (naloz), ‘bochtig’: wie op kromme wegen gaat.
בּוֹזֵהוּ (bozehu), ‘veracht Hem’: het achtervoegsel verwijst naar Yahweh uit de eerste helft.
3 In de mond van een zot zit een roede van hoogmoed, maar de lippen van de wijzen bewaken hen.
בְּֽפִי
(befi)
in de mond van
חֹ֣טֶר
(choter)
een roede van
וְשִׂפְתֵ֥י
(vesiftei)
en de lippen van
חֲ֝כָמִ֗ים
(chakhamim)
wijzen
תִּשְׁמוּרֵֽם
(tishmurem)
bewaken hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹטֶר (choter), ‘roede’: een dunne tak of loot.
De hoogmoed van de zot slaat hemzelf, of hij groeit als een loot uit zijn mond.
אֱוִיל (evil), ‘zot’.
4 Waar geen runderen zijn, is de krib schoon, maar veel opbrengst komt door de kracht van een os.
בְּאֵ֣ין
(beein)
waar geen is
אֲ֭לָפִים
(alafim)
runderen
תְּ֝בוּא֗וֹת
(tevuot)
opbrengst
בְּכֹ֣חַ
(bekhoach)
door de kracht van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲלָפִים (alafim), ‘runderen’: het woord kan ook ‘duizenden’ betekenen.
בָּר (bar), ‘schoon’: het kan ook ‘koren’ betekenen; de krib is dan leeg.
תְּבוּאוֹת (tevu’ot), ‘opbrengst’.
5 Een betrouwbare getuige liegt niet, maar een leugengetuige blaast leugens uit.
אֱ֭מוּנִים
(emunim)
betrouwbare
וְיָפִ֥יחַ
(veyafiach)
en blaast uit
כְּ֝זָבִ֗ים
(kezavim)
leugens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָפִיחַ (yafiach), ‘blaast uit’: wie leugens blaast, gebruikt zijn adem om ze te verspreiden.
Vergelijk Spr. 14:25; 6:19; 19:5; 19:9.
6 De spotter heeft wijsheid gezocht, en er is niets, maar voor de inzichtige is kennis gemakkelijk.
בִּקֶּשׁ
(biqesh)
heeft gezocht
חָכְמָ֣ה
(chakhema)
wijsheid
וְדַ֖עַת
(vedaat)
en kennis
לְנָב֣וֹן
(lenavon)
voor een inzichtige
נָקָֽל
(naqal)
is gemakkelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָקָל (naqal), ‘gemakkelijk’: letterlijk ‘licht’.
De inzichtige neemt kennis snel op.
7 Ga weg bij een dwaze man, want je hebt bij hem geen lippen van kennis gevonden.
מִ֭נֶּגֶד
(mineged)
van voor
יָ֝דַ֗עְתָּ
(yadata)
je hebt gevonden
שִׂפְתֵי
(siftei)
lippen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws is kort: ‘ga van voor een dwaze man, en niet heb je gekend lippen van kennis’.
Wij lezen: bij hem vind je geen woorden van kennis.
Een andere lezing is ‘anders leer je geen lippen van kennis kennen’.
8 De wijsheid van de slimme is zijn weg te begrijpen, maar de zotheid van de dwazen is bedrog.
חָכְמַ֣ת
(chakhemat)
wijsheid van
הָבִ֣ין
(havin)
is te begrijpen
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
zijn weg
וְאִוֶּ֖לֶת
(veivelet)
en zotheid van
כְּסִילִ֣ים
(kesilim)
dwazen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרוּם (arum), ‘slimme’: hier in goede zin.
De ‘slimheid’ (ormah) is de gave om vooruit te zien.
מִרְמָה (mirmah), ‘bedrog’: ook zelfbedrog.
9 Zotten spotten met schuld, maar tussen oprechten is welbehagen.
יָלִ֣יץ
(yalits)
spotten met
יְשָׁרִ֣ים
(yesharim)
oprechten
רָצֽוֹן
(ratson)
welbehagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het vers is moeilijk.
אָשָׁם (asham) is ‘schuld’ en ook ‘schuldoffer’.
Het werkwoord יָלִיץ (yalitz) staat in het enkelvoud.
Een andere lezing is: ‘de schuld spot met zotten’.
Wij vertalen letterlijk: zotten spotten met schuld.
רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’: goede wil en aanvaarding.
10 Het hart kent de bitterheid van zijn ziel, en in zijn vreugde mengt een vreemde zich niet.
מָרַּ֣ת
(marat)
bitterheid van
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn ziel
וּ֝בְשִׂמְחָת֗וֹ
(uvesimchato)
en in zijn vreugde
יִתְעָ֥רַב
(yitarav)
mengt zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָרָּה (marrah), ‘bitterheid’: het verdriet dat alleen het hart kent.
זָר (zar), ‘vreemde’: iemand die er niet bij hoort.
11 Het huis van de goddelozen wordt verwoest, maar de tent van de oprechten bloeit.
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
יִשָּׁמֵ֑ד
(yishamed)
wordt verwoest
וְאֹ֖הֶל
(veohel)
en de tent van
יְשָׁרִ֣ים
(yesharim)
oprechten
יַפְרִֽיחַ
(yafriach)
bloeit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Er is een weg die recht is voor het gezicht van een man, maar het einde ervan zijn wegen van de dood.
לִפְנֵי
(lifnei)
voor het gezicht van
וְ֝אַחֲרִיתָ֗הּ
(veacharitah)
en het einde ervan
דַּרְכֵי
(darkhei)
wegen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De spreuk staat bijna woordelijk ook in Spr. 16:25.
Wij vertalen beide gelijk.
לִפְנֵי אִישׁ (lifne ish), letterlijk ‘voor het gezicht van een man’: naar zijn oordeel.
13 Zelfs bij het lachen heeft het hart pijn, en het einde van de vreugde is verdriet.
בִּשְׂח֥וֹק
(bischoq)
bij het lachen
יִכְאַב
(yikhav)
heeft pijn
וְאַחֲרִיתָ֖הּ
(veacharitah)
en het einde ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוּגָה (tugah), ‘verdriet’.
אַחֲרִית (acharit), ‘einde’: wat er na komt.
14 De afvallige van hart wordt verzadigd van zijn eigen wegen, en de goede man wordt verzadigd van wat uit hemzelf komt.
מִדְּרָכָ֣יו
(miderakhav)
van zijn wegen
יִ֭שְׂבַּע
(yisba)
wordt verzadigd
ס֣וּג
(sug)
de afvallige van
וּ֝מֵעָלָ֗יו
(umealav)
en van wat uit hemzelf komt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סוּג לֵב (sug lev), ‘afvallige van hart’: iemand die zich van binnen heeft afgekeerd.
מֵעָלָיו (me’alav), letterlijk ‘van boven hem’: van zichzelf, uit wat hij zelf doet.
Lezing
Het Hebreeuws zegt in de tweede helft alleen: ‘en van zichzelf een goede man’.
Het werkwoord ‘wordt verzadigd’ komt uit de eerste helft.
15 De eenvoudige gelooft elk woord, maar de slimme let op zijn schreden.
פֶּ֭תִי
(peti)
een eenvoudige
וְ֝עָר֗וּם
(vearum)
en een slimme
לַאֲשֻׁרֽוֹ
(laashuro)
zijn schreden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פֶּתִי (peti), ‘eenvoudige’: wie licht te beïnvloeden is.
אַשֻּׁר (ashur), ‘schrede’.
16 De wijze is bevreesd en wijkt af van het kwaad, maar de dwaas wordt overmoedig en vertrouwt zichzelf.
מֵרָ֑ע
(mera)
van het kwaad
וּ֝כְסִ֗יל
(ukhesil)
en een dwaas
מִתְעַבֵּ֥ר
(mitaber)
wordt overmoedig
וּבוֹטֵֽחַ
(uvoteach)
en vertrouwt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָרֵא (yare), ‘is bevreesd’: hier voor het kwaad, niet voor Yahweh.
מִתְעַבֵּר (mit’abber), ‘wordt overmoedig’: letterlijk ‘gaat te ver’.
17 Wie snel kwaad wordt, bedrijft zotheid, en een man van listige plannen wordt gehaat.
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man van
מְ֝זִמּ֗וֹת
(mezimot)
listige plannen
יִשָּׂנֵֽא
(yisane)
wordt gehaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְצַר אַפַּיִם (qetsar apayim), letterlijk ‘kort van neus’: snel kwaad, het tegenovergestelde van ‘langzaam tot toorn’ (vers 29).
מְזִמּוֹת (mezimmot), ‘plannen’: het meervoud wijst hier op listige, kwade plannen, anders dan het enkelvoud מְזִמָּה (mezimmah), ‘doordachtheid’, in Spr. 1:4. Zo ook Spr. 12:2.
18 De eenvoudigen erven zotheid, maar de slimmen omkransen zich met kennis.
פְתָאיִ֣ם
(petayim)
eenvoudigen
וַֽ֝עֲרוּמִ֗ים
(vaarumim)
en slimmen
יַכְתִּ֥רוּ
(yakhtiru)
omkransen zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָחֲלוּ (nachalu), ‘erven’: zotheid is het enige wat zij bezitten.
יַכְתִּרוּ (yakhtiru), ‘omkransen zich’: kennis is hun kroon.
19 De slechten buigen zich neer voor de goeden, en de goddelozen bij de poorten van de rechtvaardige.
שַׁח֣וּ
(shachu)
buigen zich neer
וּ֝רְשָׁעִ֗ים
(ureshaim)
en goddelozen
שַׁעֲרֵ֥י
(shaarei)
poorten van
צַדִּֽיק
(tsadiq)
een rechtvaardige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het werkwoord שַׁחוּ (shachu), ‘buigen zich neer’, staat alleen in de eerste helft.
In de tweede helft wordt het herhaald.
20 Zelfs bij zijn naaste is de berooide gehaat, maar de vrienden van de rijke zijn velen.
לְ֭רֵעֵהוּ
(lereehu)
bij zijn naaste
יִשָּׂ֣נֵא
(yisane)
wordt gehaat
וְאֹהֲבֵ֖י
(veohavei)
en vrienden van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֵעֵהוּ (re’ehu), ‘zijn naaste’.
רָשׁ (rash), ‘berooide’ en עָשִׁיר (ashir), ‘rijke’. Vergelijk Spr. 19:4, 7.
21 Wie zijn naaste veracht, zondigt, maar gelukkig is wie zich ontfermt over de nederigen.
לְרֵעֵ֥הוּ
(lereehu)
zijn naaste
וּמְחוֹנֵ֖ן
(umechonen)
en wie zich ontfermt over
עֲנָוִ֣ים
(anavim)
nederigen
אַשְׁרָֽיו
(ashrav)
gelukkig is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַשְׁרָיו (ashrav), ‘gelukkig hij’: het woord uit Ps. 1:1.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is עניים (aniyyim), ‘ellendigen’.
De te lezen vorm (qere) is עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’.
Wij volgen de qere.
22 Dwalen zij niet die kwaad beramen? Maar trouw en waarheid zijn er voor hen die het goede beramen.
חֹ֣רְשֵׁי
(choreshei)
beramers van
וְחֶ֥סֶד
(vechesed)
en trouw
וֶ֝אֱמֶ֗ת
(veemet)
en waarheid
חֹ֣רְשֵׁי
(choreshei)
beramers van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’ en אֱמֶת (emet), ‘waarheid’.
Lezing
De tweede helft zegt letterlijk: ‘en trouw en waarheid – beramers van goed’.
Wij lezen: trouw en waarheid zijn voor wie het goede beraamt.
23 Bij alle inspanning is er overschot, maar gepraat met de lippen leidt alleen tot gebrek.
וּדְבַר
(udevar)
en een woord van
שְׂ֝פָתַ֗יִם
(sefatayim)
de lippen
לְמַחְסֽוֹר
(lemachsor)
tot gebrek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֶצֶב (etsev), ‘inspanning’: zwaar werk, ook ‘moeite’.
מוֹתָר (motar), ‘overschot’: wat overblijft als voordeel.
24 De kroon van de wijzen is hun rijkdom, maar de zotheid van de dwazen is zotheid.
עֲטֶ֣רֶת
(ateret)
kroon van
חֲכָמִ֣ים
(chakhamim)
wijzen
עָשְׁרָ֑ם
(asheram)
hun rijkdom
אִוֶּ֖לֶת
(ivelet)
zotheid van
כְּסִילִ֣ים
(kesilim)
dwazen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen in de eerste helft ‘hun slimheid’ (עָרְמָתָם , ormatam) in plaats van ‘hun rijkdom’ (עָשְׁרָם , oshram).
Wij volgen de Masoretische tekst.
25 Een getuige van waarheid bevrijdt levens, maar wie leugens uitblaast, is bedrog.
נְ֭פָשׁוֹת
(nefashot)
levens
וְיָפִ֖חַ
(veyafiach)
en wie uitblaast
כְּזָבִ֣ים
(kezavim)
leugens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַצִּיל (matsil), ‘bevrijdt’: hier met נְפָשׁוֹת (nefashot), ‘levens’; het meervoud van נֶפֶשׁ (nefesh).
26 In de vrees voor Yahweh is een sterk vertrouwen, en voor zijn kinderen zal er een toevlucht zijn.
בְּיִרְאַ֣ת
(beyirat)
in de vrees voor
מִבְטַח
(mivtach)
vertrouwen van
וּ֝לְבָנָ֗יו
(ulevanav)
en voor zijn kinderen
מַחְסֶֽה
(machse)
een toevlucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag.
וּלְבָנָיו (ulevanav), ‘en voor zijn kinderen’: het gaat om de kinderen van wie Yahweh vreest. De toevlucht (מַחְסֶה , machseh) is voor zijn nageslacht.
27 De vrees voor Yahweh is een bron van leven, om weg te wijken van de strikken van de dood.
יִרְאַ֣ת
(yirat)
vrees voor
מְק֣וֹר
(meqor)
een bron van
לָ֝ס֗וּר
(lasur)
om weg te wijken
מִמֹּ֥קְשֵׁי
(mimoqeshei)
van de strikken van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De spreuk staat bijna gelijk in Spr. 13:14; daar is het ‘onderwijs van een wijze’ de bron.
28 In een talrijk volk ligt de luister van een koning, maar bij gebrek aan volk is de ondergang van een vorst.
בְּרָב
(berav)
in de menigte van
הַדְרַת
(hadrat)
luister van
מֶ֑לֶךְ
(melekh)
een koning
וּבְאֶ֥פֶס
(uveefes)
en bij gebrek aan
מְחִתַּ֥ת
(mechitat)
ondergang van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַדְרַת (hadrat), ‘luister’.
מְחִתַּת (mechittat), ‘ondergang’, zoals in Spr. 13:3.
רָזוֹן (razon), ‘vorst’: een hoge heerser; het woord is zeldzaam.
29 Wie langzaam is tot toorn, heeft veel verstand, maar wie kort van geest is, verheft zotheid.
אֶ֣רֶךְ
(erekh)
langzaam van
תְּבוּנָ֑ה
(tevuna)
verstand
וּקְצַר
(uqetsar)
en kort van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶרֶךְ אַפַּיִם (erekh apayim), ‘langzaam tot toorn’, zoals in Exod. 34:6.
קְצַר רוּחַ (qetsar ruach), ‘kort van geest’: ongeduldig.
30 Een gezond hart is het leven van het lichaam, maar naijver is rotting voor de beenderen.
בְ֭שָׂרִים
(besarim)
het lichaam
מַרְפֵּ֑א
(marpe)
dat gezond is
וּרְקַ֖ב
(ureqav)
en rotting van
עֲצָמ֣וֹת
(atsamot)
beenderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַרְפֵּא (marpe), ‘gezond’: het woord betekent ‘genezing’ en ‘rust’.
רָקָב (raqav), ‘rotting’: de beenderen verteren van binnen.
31 Wie de geringe onderdrukt, smaadt zijn Maker, maar wie Hem eert, ontfermt zich over de arme.
עֹ֣שֵֽׁק
(osheq)
wie onderdrukt
עֹשֵׂ֑הוּ
(osehu)
zijn Maker
וּ֝מְכַבְּד֗וֹ
(umekhabedo)
en wie Hem eert
חֹנֵ֥ן
(chonen)
ontfermt zich over
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דַּל (dal), ‘geringe’: wie weinig bezit of weinig kan.
Het woord betekent ook ‘arme’.
אֶבְיוֹן (evyon), ‘arme’.
עֹשֵׂהוּ (osehu), ‘zijn Maker’: de Maker van de geringe is Yahweh. Vergelijk Spr. 17:5 en 22:2.
32 De goddeloze wordt door zijn kwaad neergestoten, maar de rechtvaardige vindt toevlucht in zijn dood.
בְּֽ֭רָעָתוֹ
(beraato)
door zijn kwaad
יִדָּחֶ֣ה
(yidache)
wordt neergestoten
רָשָׁ֑ע
(rasha)
een goddeloze
וְחֹסֶ֖ה
(vechose)
en vindt toevlucht
בְמוֹת֣וֹ
(bemoto)
in zijn dood
צַדִּֽיק
(tsadiq)
een rechtvaardige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִדָּחֶה (yiddacheh), ‘wordt neergestoten’: omver geduwd.
Lezing
בְמוֹתוֹ (vemoto), ‘in zijn dood’.
Sommige oude vertalingen lezen ‘in zijn onberispelijkheid’ (בְּתֻמּוֹ , betummo).
Wij volgen de Masoretische tekst.
33 In het hart van de inzichtige rust de wijsheid, maar te midden van dwazen maakt zij zich bekend.
בְּלֵ֣ב
(belev)
in het hart van
נָ֭בוֹן
(navon)
een inzichtige
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וּבְקֶ֥רֶב
(uveqerev)
en te midden van
כְּ֝סִילִ֗ים
(kesilim)
dwazen
תִּוָּדֵֽעַ
(tivadea)
maakt zij zich bekend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּוָּדֵעַ (tivvade’a), ‘maakt zich bekend’: de wijsheid laat zich ook onder dwazen merken.
Lezing
Sommige oude vertalingen hebben in de tweede helft een ontkenning: ‘wordt niet bekend’.
Wij volgen de Masoretische tekst.
34 Gerechtigheid verheft een volk, maar de zonde is een schande voor de volken.
צְדָקָ֥ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
תְרֽוֹמֵֽם
(teromem)
verheft
וְחֶ֖סֶד
(vechesed)
en schande
לְאֻמִּ֣ים
(leumim)
voor volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
חֶסֶד (chesed) betekent meestal ‘trouw’, maar hier past ‘schande’, zoals in Lev. 20:17 en Spr. 25:10.
Een andere lezing is: ‘trouw is voor de volken een zondoffer (חַטָּאת , chatta’t)’.
Wij kiezen ‘schande’.
35 Het welbehagen van een koning is voor de dienaar die doorzicht heeft, maar zijn woede zal zijn voor wie schande brengt.
רְֽצוֹן
(retson)
welbehagen van
מֶ֭לֶךְ
(melekh)
een koning
לְעֶ֣בֶד
(leeved)
voor een dienaar
מַשְׂכִּ֑יל
(maskil)
die doorzicht heeft
וְ֝עֶבְרָת֗וֹ
(veevrato)
en zijn woede
מֵבִֽישׁ
(mevish)
voor wie schande brengt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשְׂכִּיל (maskil), ‘die doorzicht heeft’.
מֵבִישׁ (mevish), ‘wie schande brengt’: hij maakt zijn heer beschaamd.