Elohim Bijbel

Ezechiël 35

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Het oordeel over de berg Seir

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Tegen de berg Seir

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Mensenkind, richt je gezicht naar de berg Seir en profeteer tegen hem.”
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
שִׂ֥ים
(sim)
richt
פָּנֶ֖יךָ
(paneikha)
je gezicht
עַל
(al)
naar
הַ֣ר
(har)
berg
שֵׂעִ֑יר
(seir)
Seir
וְהִנָּבֵ֖א
(vehinave)
en profeteer
עָלָֽיו
(alav)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

הַר שֵׂעִיר (har Se’ir), ‘de berg Seir’: het bergland van Edom, het land van Ezau.

Zie Gen. 36:8–9.

3Zo zegt Heer Yahweh: „Zie, Ik ben tegen je, berg Seir. Ik steek Mijn hand tegen je uit en maak je tot een verwoesting en een woestenij.
וְאָמַ֣רְתָּ
(veamarta)
en zeg
לּ֗וֹ
(lo)
tot hem
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Mij
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tegen je
הַר
(har)
berg
שֵׂעִ֑יר
(seir)
Seir
וְנָטִ֤יתִי
(venatiti)
en Ik steek uit
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
tegen je
וּנְתַתִּ֖יךָ
(unetatikha)
en Ik maak je
שְׁמָמָ֥ה
(shemama)
verwoesting
וּמְשַׁמָּֽה
(umeshama)
en woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

שְׁמָמָה וּמְשַׁמָּה (shemamah umeshammah), ‘een verwoesting en een woestenij’: twee verwante woorden voor een kaal en leeg land.

De woorden komen in dit hoofdstuk steeds terug.

4Je steden maak Ik tot puin, en jij zult een woestenij zijn. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben.
עָרֶ֨יךָ֙
(areikha)
je steden
חָרְבָּ֣ה
(charba)
puin
אָשִׂ֔ים
(asim)
maak Ik
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
שְׁמָמָ֣ה
(shemama)
woestenij
תִֽהְיֶ֑ה
(tihye)
zult zijn
וְיָדַעְתָּ֖
(veyadata)
en je zult weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Eeuwige vijandschap

5Omdat je een eeuwige vijandschap hebt gehad en de zonen van Israël aan de macht van het zwaard hebt overgeleverd, ten tijde van hun ramp, ten tijde van het einde van hun schuld,
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
הֱי֤וֹת
(heyot)
het zijn
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
אֵיבַ֣ת
(eivat)
vijandschap van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
וַתַּגֵּ֥ר
(vatager)
en je hebt overgeleverd
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַל
(al)
aan
יְדֵי
(yedei)
macht van
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
בְּעֵ֣ת
(beet)
ten tijde van
אֵידָ֔ם
(eidam)
hun ramp
בְּעֵ֖ת
(beet)
ten tijde van
עֲוֺ֥ן
(avon)
schuld van
קֵֽץ
(qets)
einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵיבַת עוֹלָם (eivat olam), ‘een eeuwige vijandschap’: de vijandschap tussen Edom en Israël gaat terug op Ezau en Jakob (Gen. 27:41).

Vergelijk Obadja 1:10–14 en Ps. 137:7.

עֵת אֵידָם (et eidam), ‘ten tijde van hun ramp’: de val van Jeruzalem; vergelijk Ezech. 25:12–14.

6daarom, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik maak je tot bloed, en bloed zal je achtervolgen. Omdat je bloed niet hebt gehaat, zal bloed je achtervolgen.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
חַי
(chay)
levend is
אָ֗נִי
(ani)
Ik
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
dat
לְדָ֥ם
(ledam)
tot bloed
אֶעֶשְׂךָ֖
(eeskha)
Ik maak je
וְדָ֣ם
(vedam)
en bloed
יִרְדֲּפֶ֑ךָ
(yirdafekha)
zal je achtervolgen
אִם
(im)
als
לֹ֥א
(lo)
niet
דָ֛ם
(dam)
bloed
שָׂנֵ֖אתָ
(saneta)
je hebt gehaat
וְדָ֥ם
(vedam)
en bloed
יִרְדֲּפֶֽךָ
(yirdafekha)
zal je achtervolgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’, en נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.

לְדָם אֶעֱשֶׂךָ (ledam e’esekha), ‘Ik maak je tot bloed’: bloedvergieten wordt Edom zelf ten deel.

אִם לֹא (im lo), ‘als niet’: elders in dit boek vertaald met ‘zeker’ (Ezech. 5:11 en 34:8). Hier geven wij het weer met ‘omdat’; de betekenis is niet helemaal zeker. Een andere weergave is ‘zeker, je hebt bloed niet gehaat’.

7Ik maak de berg Seir tot een verwoesting en een woestenij. Ik snijd van hem af wie erdoorheen trekt en wie terugkeert.
וְנָֽתַתִּי֙
(venatati)
en Ik maak
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣ר
(har)
berg
שֵׂעִ֔יר
(seir)
Seir
לְשִֽׁמְמָ֖ה
(leshimma)
tot verwoesting
וּשְׁמָמָ֑ה
(ushemama)
en woestenij
וְהִכְרַתִּ֥י
(vehikhrati)
en Ik snijd af
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hem
עֹבֵ֥ר
(over)
wie doortrekt
וָשָֽׁב
(vashav)
en wie terugkeert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

עֹבֵר וָשָׁב (over vashav), ‘wie doortrekt en wie terugkeert’: elk verkeer in het land houdt op.

8Ik vul zijn bergen met zijn gesneuvelden. Op je heuvels, in je dalen en in al je beekbeddingen zullen zij vallen die door het zwaard zijn gesneuveld.
וּמִלֵּאתִ֥י
(umileti)
en Ik vul
אֶת
(et)
(obj.)
הָרָ֖יו
(harav)
zijn bergen
חֲלָלָ֑יו
(chalalav)
zijn gesneuvelden
גִּבְעוֹתֶ֤יךָ
(givoteikha)
je heuvels
וְגֵאוֹתֶ֨יךָ֙
(vegeoteikha)
en je dalen
וְכָל
(vekhal)
en al
אֲפִיקֶ֔יךָ
(afiqeikha)
je beekbeddingen
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard
יִפְּל֥וּ
(yipelu)
zullen vallen
בָהֶֽם
(bahem)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Ik maak je tot eeuwige woestenijen. Je steden zullen niet terugkeren. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
שִֽׁמְמ֤וֹת
(shimmot)
woestenijen van
עוֹלָם֙
(olam)
eeuwigheid
אֶתֶּנְךָ֔
(etenkha)
Ik maak je
וְעָרֶ֖יךָ
(veareikha)
en je steden
לֹ֣א
(lo)
niet
תָשֹׁ֑בְנָה
(tashovena)
zullen terugkeren
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In de geschreven tekst staat תֵּשַׁבְנָה (teshavnah), ‘zij zullen bewoond worden’.

De overlevering leest תָּשֹׁבְנָה (tashovnah), ‘zij zullen terugkeren’.

Wij volgen de overlevering.

Omdat jij zei: de landen zijn van mij

10Omdat je zei: ‘De twee volken en de twee landen zullen van mij zijn, en wij zullen ze in bezit nemen’, terwijl Yahweh daar was,
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
אֲ֠מָרְךָ
(amarekha)
je zei
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֨י
(shenei)
twee
הַגּוֹיִ֜ם
(hagoyim)
de volken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁתֵּ֧י
(shetei)
twee
הָאֲרָצ֛וֹת
(haaratsot)
de landen
לִ֥י
(li)
voor mij
תִהְיֶ֖ינָה
(tihyeina)
zullen zijn
וִֽירַשְׁנ֑וּהָ
(virashnuha)
en wij zullen ze in bezit nemen
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
שָׁ֥ם
(sham)
daar
הָיָֽה
(haya)
was
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁנֵי הַגּוֹיִם וְאֶת שְׁתֵּי הָאֲרָצוֹת (shenei hagoyim ve’et shetei ha’aratsot), ‘de twee volken en de twee landen’: Israël en Juda, de twee delen van het volk (vergelijk Ezech. 37:22).

וַיהוָה שָׁם הָיָה (vaYahweh sham hayah), ‘terwijl Yahweh daar was’: Yahweh was aanwezig in het land dat Edom wilde innemen.

11daarom, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik zal handelen naar je woede en naar je ijver, die je uit je haat tegen hen hebt getoond. Ik zal Mij onder hen bekend maken wanneer Ik je oordeel.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
חַי
(chay)
levend is
אָ֗נִי
(ani)
Ik
נְאֻם֮
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
וְעָשִׂ֗יתִי
(veasiti)
en Ik zal doen
כְּאַפְּךָ֙
(keapekha)
naar je woede
וּכְקִנְאָ֣תְךָ֔
(ukheqinatekha)
en naar je ijver
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשִׂ֔יתָה
(asita)
je hebt gedaan
מִשִּׂנְאָתֶ֖יךָ
(misinateikha)
uit je haat tegen hen
בָּ֑ם
(bam)
in hen
וְנוֹדַ֥עְתִּי
(venodati)
en Ik zal Mij bekend maken
בָ֖ם
(bam)
in hen
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
אֶשְׁפְּטֶֽךָ
(eshpetekha)
Ik je oordeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶוָּדַע (ivvada), ‘Ik zal Mij bekend maken’: Yahweh laat Zich kennen door het oordeel.

12Dan zul je weten dat Ik, Yahweh, al je lasterpraat heb gehoord. Je hebt die tegen de bergen van Israël uitgesproken: ‘Ze zijn woest, aan ons zijn ze gegeven om op te eten.’
וְֽיָדַעְתָּ֮
(veyadata)
en je zult weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
שָׁמַ֣עְתִּי
(shamati)
heb gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
נָאָֽצוֹתֶ֗יךָ
(naatsoteikha)
je lasterpraat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אָמַ֛רְתָּ
(amarta)
je hebt gesproken
עַל
(al)
over
הָרֵ֥י
(harei)
bergen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֣ר
(lemor)
zeggend
שָׁמֵ֑מוּ
(shamemu)
zij zijn woest
לָ֥נוּ
(lanu)
aan ons
נִתְּנ֖וּ
(nitenu)
zijn gegeven
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
om op te eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָאָצוֹתֶיךָ (na’atsotekha), ‘je lasterpraat’: woorden van minachting tegen Yahweh en Zijn land.

Lezing

In de geschreven tekst staat שְׁמָמָה (shemamah), ‘woestenij’.

De overlevering leest שָׁמֵמוּ (shamemu), ‘zij zijn woest’.

Wij volgen de overlevering.

13Jullie hebben met je mond tegen Mij gepocht en jullie woorden tegen Mij vermenigvuldigd. Ik heb het gehoord.”
וַתַּגְדִּ֤ילוּ
(vatagdilu)
en jullie hebben gepocht
עָלַי֙
(alay)
tegen Mij
בְּפִיכֶ֔ם
(befikhem)
met jullie mond
וְהַעְתַּרְתֶּ֥ם
(vehatartem)
en jullie hebben vermenigvuldigd
עָלַ֖י
(alay)
tegen Mij
דִּבְרֵיכֶ֑ם
(divreikhem)
jullie woorden
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
שָׁמָֽעְתִּי
(shamati)
heb gehoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהַעְתַּרְתֶּם (veha’tartem), ‘en jullie hebben vermenigvuldigd’: een zeldzaam werkwoord voor het opstapelen van woorden.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Een woestenij zoals jij je verheugde

14Zo zegt Heer Yahweh: „Terwijl heel de aarde zich verheugt, zal Ik van jou een woestenij maken.
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּשְׂמֹ֨חַ֙
(kismoach)
terwijl zich verheugt
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
שְׁמָמָ֖ה
(shemama)
woestenij
אֶעֱשֶׂה
(eese)
zal Ik maken
לָּֽךְ
(lakh)
van jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zoals jij je verheugde over het erfdeel van het huis van Israël, omdat het woest was, zo zal Ik jou behandelen. Een woestenij zul je worden, berg Seir, en heel Edom, helemaal. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”
כְּשִׂמְחָ֨תְךָ֜
(kesimchatekha)
zoals jouw verheugen
לְנַחְלַ֧ת
(lenachlat)
over het erfdeel van
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
עַ֥ל
(al)
over
אֲשֶׁר
(asher)
dat
שָׁמֵ֖מָה
(shamema)
woest was
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אֶעֱשֶׂה
(eese)
zal Ik doen
לָּ֑ךְ
(lakh)
aan jou
שְׁמָמָ֨ה
(shemama)
woestenij
תִֽהְיֶ֤ה
(tihye)
zul je zijn
הַר
(har)
berg
שֵׂעִיר֙
(seir)
Seir
וְכָל
(vekhal)
en heel
אֱד֣וֹם
(edom)
Edom
כֻּלָּ֔הּ
(kulah)
helemaal
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

Het huis van Israël wordt hier ‘erfdeel’ genoemd (נַחֲלָה, nachalah): het land dat Yahweh aan Israël gaf.