Elohim Bijbel

Spreuken 10

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Spreuken van Salomo: de rechtvaardige en de goddeloze

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Spreuken van Salomo

1Spreuken van Salomo. Een wijze zoon verblijdt zijn vader, maar een dwaze zoon is het verdriet van zijn moeder.
מִשְׁלֵ֗י
(mishlei)
spreuken van
שְׁלֹ֫מֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בֵּ֣ן
(ben)
een zoon
חָ֭כָם
(chakham)
wijze
יְשַׂמַּח
(yesamach)
verblijdt
אָ֑ב
(av)
een vader
וּבֵ֥ן
(uven)
maar een zoon
כְּ֝סִ֗יל
(kesil)
dwaze
תּוּגַ֥ת
(tugat)
verdriet van
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁלֵי (mishlei), ‘spreuken’: een mashal is een kort gezegde dat een waarheid in een beeld of vergelijking vastlegt.

Hier begint de eerste verzameling korte, losse spreuken (10:1–22:16).

בֵּן חָכָם (ben chakham), ‘wijze zoon’, en בֵּן כְּסִיל (ben kesil), ‘dwaze zoon’: wij vertalen chakham steeds met ‘wijze’ en kesil met ‘dwaas’. Vergelijk Spr. 15:20.

2Schatten van goddeloosheid baten niet, maar gerechtigheid bevrijdt van de dood.
לֹא
(lo)
niet
י֭וֹעִילוּ
(yoilu)
baten
אוֹצְר֣וֹת
(otserot)
schatten van
רֶ֑שַׁע
(resha)
goddeloosheid
וּ֝צְדָקָ֗ה
(utsedaqa)
maar gerechtigheid
תַּצִּ֥יל
(tatsil)
bevrijdt
מִמָּֽוֶת
(mimavet)
van de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’: leven zoals het volgens Yahweh recht is.

תַּצִּיל (tatsil), ‘bevrijdt’: het werkwoord hitsil. De tweede helft staat ook in Spr. 11:4.

3Yahweh laat de ziel van de rechtvaardige niet hongeren, maar de begeerte van de goddelozen stoot Hij weg.
לֹֽא
(lo)
niet
יַרְעִ֣יב
(yariv)
laat hongeren
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
ziel van
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וְהַוַּ֖ת
(vehavat)
maar begeerte van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
יֶהְדֹּֽף
(yehdof)
stoot Hij weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven en de hele persoon, ook de honger en de begeerte.

Waar de zin het eist, vertalen wij ‘leven’, ‘persoon’ of ‘begeerte’.

הַוַּת (havvat), ‘begeerte’: het woord kan ook ‘verderf’ of ‘ondergang’ betekenen. Zo ook Spr. 11:6.

4Berooid is wie werkt met een slappe hand, maar de hand van de ijverigen maakt rijk.
רָ֗אשׁ
(rash)
berooid
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
wie werkt
כַף
(kaf)
een hand
רְמִיָּ֑ה
(remiya)
slap
וְיַ֖ד
(veyad)
maar hand van
חָרוּצִ֣ים
(charutsim)
ijverigen
תַּעֲשִֽׁיר
(taashir)
maakt rijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָשׁ (rash), ‘berooid’: de man die niets heeft overgehouden.

רְמִיָּה (remiyyah), ‘slap’: het woord kan ook ‘bedrieglijk’ betekenen. Zo ook Spr. 12:24.

5Wie in de zomer verzamelt, is een zoon met doorzicht. Wie in de oogst diep slaapt, is een zoon die schande brengt.
אֹגֵ֣ר
(oger)
wie verzamelt
בַּ֭קַּיִץ
(baqayits)
in de zomer
בֵּ֣ן
(ben)
een zoon
מַשְׂכִּ֑יל
(maskil)
met doorzicht
נִרְדָּ֥ם
(nirdam)
wie diep slaapt
בַּ֝קָּצִ֗יר
(baqatsir)
in de oogst
בֵּ֣ן
(ben)
een zoon
מֵבִֽישׁ
(mevish)
die schande brengt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zegeningen komen op het hoofd van de rechtvaardige, maar de mond van de goddelozen bedekt geweld.
בְּ֭רָכוֹת
(berakhot)
zegeningen
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
op het hoofd van
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וּפִ֥י
(ufi)
maar mond van
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
יְכַסֶּ֥ה
(yekhase)
bedekt
חָמָֽס
(chamas)
geweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָמָס (chamas), ‘geweld’.

Het Hebreeuws laat twee lezingen toe: ‘de mond van de goddelozen bedekt geweld’ (zoals wij vertalen) of ‘geweld bedekt de mond van de goddelozen’. Zo ook vers 11.

7De herinnering aan de rechtvaardige is tot zegen, maar de naam van de goddelozen rot weg.
זֵ֣כֶר
(zekher)
herinnering aan
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
rechtvaardige
לִבְרָכָ֑ה
(livrakha)
tot zegen
וְשֵׁ֖ם
(veshem)
maar naam van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
יִרְקָֽב
(yirqav)
rot weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Wie wijs is van hart, neemt geboden aan, maar wie zot is met zijn lippen, komt ten val.
חֲכַם
(chakham)
wijze van
לֵ֭ב
(lev)
hart
יִקַּ֣ח
(yiqach)
neemt aan
מִצְוֺ֑ת
(mitsvot)
geboden
וֶאֱוִ֥יל
(veevil)
maar zot van
שְׂ֝פָתַ֗יִם
(sefatayim)
lippen
יִלָּבֵֽט
(yilavet)
komt ten val
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִלָּבֵט (yilavet), ‘komt ten val’: een zeldzaam werkwoord, ‘neergeworpen worden’.

Zo ook vers 10.

9Wie wandelt in onberispelijkheid, wandelt veilig, maar wie zijn wegen krom maakt, wordt ontdekt.
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wie wandelt
בַּ֭תֹּם
(batom)
in onberispelijkheid
יֵ֣לֶךְ
(yelekh)
wandelt hij
בֶּ֑טַח
(betach)
veilig
וּמְעַקֵּ֥שׁ
(umeaqesh)
maar wie krom maakt
דְּ֝רָכָ֗יו
(derakhav)
zijn wegen
יִוָּדֵֽעַ
(yivadea)
wordt ontdekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Wie met het oog knipoogt, bezorgt smart, en wie zot is met zijn lippen, komt ten val.
קֹ֣רֵֽץ
(qorets)
wie knipoogt
עַ֭יִן
(ayin)
het oog
יִתֵּ֣ן
(yiten)
bezorgt
עַצָּ֑בֶת
(atsavet)
smart
וֶאֱוִ֥יל
(veevil)
en zot van
שְׂ֝פָתַ֗יִם
(sefatayim)
lippen
יִלָּבֵֽט
(yilavet)
komt ten val
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De tweede helft is gelijk aan vers 8b.

Sommige oude vertalingen hebben hier een andere tweede helft.

Wij volgen de Masoretische tekst.

11De mond van de rechtvaardige is een bron van leven, maar de mond van de goddelozen bedekt geweld.
מְק֣וֹר
(meqor)
bron van
חַ֭יִּים
(chayim)
leven
פִּ֣י
(pi)
mond van
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וּפִ֥י
(ufi)
en mond van
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
יְכַסֶּ֥ה
(yekhase)
bedekt
חָמָֽס
(chamas)
geweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Haat wekt ruzies op, maar liefde bedekt alle overtredingen.
שִׂ֭נְאָה
(sina)
haat
תְּעוֹרֵ֣ר
(teorer)
wekt op
מְדָנִ֑ים
(medanim)
ruzies
וְעַ֥ל
(veal)
maar over
כָּל
(kal)
alle
פְּ֝שָׁעִ֗ים
(peshaim)
overtredingen
תְּכַסֶּ֥ה
(tekhase)
bedekt
אַהֲבָֽה
(ahava)
liefde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַהֲבָה (ahavah), ‘liefde’.

Zie ook 1 Petr. 4:8.

13Op de lippen van de inzichtige wordt wijsheid gevonden, maar de stok is voor de rug van wie zonder hart is.
בְּשִׂפְתֵ֣י
(besiftei)
op de lippen van
נָ֭בוֹן
(navon)
inzichtige
תִּמָּצֵ֣א
(timatse)
wordt gevonden
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְ֝שֵׁ֗בֶט
(veshevet)
maar stok
לְגֵ֣ו
(legev)
voor de rug van
חֲסַר
(chasar)
wie zonder
לֵֽב
(lev)
hart is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָבוֹן (navon), ‘inzichtige’: wie bina, ‘inzicht’, heeft.

לֵב (lev), ‘hart’: de zetel van denken en willen. Wie ‘zonder hart’ is, heeft geen verstand.

14Wijzen bewaren kennis, maar de mond van de zot is een ondergang die dichtbij is.
חֲכָמִ֥ים
(chakhamim)
wijzen
יִצְפְּנוּ
(yitspenu)
bewaren
דָ֑עַת
(daat)
kennis
וּפִֽי
(ufi)
maar mond van
אֱ֝וִיל
(evil)
zot
מְחִתָּ֥ה
(mechita)
ondergang
קְרֹבָֽה
(qerova)
nabij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Het vermogen van de rijke is zijn sterke stad. De ondergang van de geringen is hun armoede.
ה֣וֹן
(hon)
vermogen van
עָ֭שִׁיר
(ashir)
rijke
קִרְיַ֣ת
(qiryat)
stad van
עֻזּ֑וֹ
(uzo)
zijn sterkte
מְחִתַּ֖ת
(mechitat)
ondergang van
דַּלִּ֣ים
(dalim)
geringen
רֵישָֽׁם
(reisham)
hun armoede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹן (hon), ‘vermogen’.

דַּלִּים (dallim), ‘geringen’: de arme, zwakke mensen.

16Het loon van de rechtvaardige is tot leven. De opbrengst van de goddeloze is tot zonde.
פְּעֻלַּ֣ת
(peulat)
loon van
צַדִּ֣יק
(tsadiq)
rechtvaardige
לְחַיִּ֑ים
(lechayim)
tot leven
תְּבוּאַ֖ת
(tevuat)
opbrengst van
רָשָׁ֣ע
(rasha)
goddeloze
לְחַטָּֽאת
(lechatat)
tot zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Wie tucht bewaart, is op het pad naar leven, maar wie terechtwijzing verlaat, doet dwalen.
אֹ֣רַח
(orach)
pad
לְ֭חַיִּים
(lechayim)
naar leven
שׁוֹמֵ֣ר
(shomer)
wie bewaart
מוּסָ֑ר
(musar)
tucht
וְעוֹזֵ֖ב
(veozev)
maar wie verlaat
תּוֹכַ֣חַת
(tokhachat)
terechtwijzing
מַתְעֶֽה
(mate)
doet dwalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’.

מַתְעֶה (mat’eh), ‘doet dwalen’: het Hebreeuws zegt niet of hij zichzelf of anderen laat dwalen.

18Wie haat verbergt, heeft leugenlippen, en wie laster verspreidt, is een dwaas.
מְכַסֶּ֣ה
(mekhase)
wie verbergt
שִׂ֭נְאָה
(sina)
haat
שִׂפְתֵי
(siftei)
lippen van
שָׁ֑קֶר
(shaqer)
leugen
וּמוֹצִ֥א
(umotsi)
en wie verspreidt
דִ֝בָּ֗ה
(diba)
laster
ה֣וּא
(hu)
hij
כְסִֽיל
(kesil)
dwaas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Bij veel woorden ontbreekt de overtreding niet, maar wie zijn lippen bedwingt, heeft doorzicht.
בְּרֹ֣ב
(berov)
bij veel
דְּ֭בָרִים
(devarim)
woorden
לֹ֣א
(lo)
niet
יֶחְדַּל
(yechdal)
houdt op
פָּ֑שַׁע
(pasha)
overtreding
וְחֹשֵׂ֖ךְ
(vechosekh)
maar wie bedwingt
שְׂפָתָ֣יו
(sefatav)
zijn lippen
מַשְׂכִּֽיל
(maskil)
heeft doorzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De tong van de rechtvaardige is uitgelezen zilver. Het hart van de goddelozen is weinig waard.
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
נִ֭בְחָר
(nivchar)
uitgelezen
לְשׁ֣וֹן
(leshon)
tong van
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardige
לֵ֖ב
(lev)
hart van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
כִּמְעָֽט
(kimat)
als weinig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּמְעָט (kime’at), ‘als weinig’: zo goed als niets waard.

21De lippen van de rechtvaardige weiden velen, maar zotten sterven door gebrek aan hart.
שִׂפְתֵ֣י
(siftei)
lippen van
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
rechtvaardige
יִרְע֣וּ
(yiru)
weiden
רַבִּ֑ים
(rabim)
velen
וֶֽ֝אֱוִילִ֗ים
(veevilim)
en zotten
בַּחֲסַר
(bachasar)
door gebrek aan
לֵ֥ב
(lev)
hart
יָמֽוּתוּ
(yamutu)
sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22De zegen van Yahweh, die maakt rijk. Hij voegt er geen smart aan toe.
בִּרְכַּ֣ת
(birkat)
zegen van
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
הִ֣יא
(hi)
zij
תַעֲשִׁ֑יר
(taashir)
maakt rijk
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יוֹסִ֖ף
(yosif)
voegt toe
עֶ֣צֶב
(etsev)
smart
עִמָּֽהּ
(imah)
erbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶצֶב (etsev), ‘smart’: ook ‘moeite’ of ‘zwoegen’.

Het Hebreeuws laat twee lezingen toe: ‘Hij voegt er geen smart aan toe’ (zoals wij vertalen) of ‘moeite voegt er niets aan toe’.

23Voor de dwaas is het als lachen om een schanddaad te doen, maar wijsheid is voor de man van verstand.
כִּשְׂח֣וֹק
(kischoq)
als lachen
לִ֭כְסִיל
(likhsil)
voor de dwaas
עֲשׂ֣וֹת
(asot)
het doen van
זִמָּ֑ה
(zima)
schanddaad
וְ֝חָכְמָ֗ה
(vechakhema)
en wijsheid
לְאִ֣ישׁ
(leish)
voor de man
תְּבוּנָֽה
(tevuna)
van verstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: een kwaad plan of een schandelijke daad.

24Wat de goddeloze vreest, dat komt over hem, maar het verlangen van de rechtvaardigen wordt gegeven.
מְגוֹרַ֣ת
(megorat)
wat vreest
רָ֭שָׁע
(rasha)
goddeloze
הִ֣יא
(hi)
het
תְבוֹאֶ֑נּוּ
(tevoenu)
komt over hem
וְתַאֲוַ֖ת
(vetaavat)
en verlangen van
צַדִּיקִ֣ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יִתֵּֽן
(yiten)
wordt gegeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Als de storm voorbijtrekt, is de goddeloze er niet meer, maar de rechtvaardige is een eeuwig fundament.
כַּעֲב֣וֹר
(kaavor)
als voorbijtrekt
ס֭וּפָה
(sufa)
storm
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet meer is
רָשָׁ֑ע
(rasha)
goddeloze
וְ֝צַדִּ֗יק
(vetsadiq)
maar rechtvaardige
יְס֣וֹד
(yesod)
fundament van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סוּפָה (sufah), ‘storm’: een wervelwind die alles meesleurt.

יְסוֹד עוֹלָם (yesod olam), ‘eeuwig fundament’.

26Zoals azijn voor de tanden en rook voor de ogen, zo is de luiaard voor wie hem sturen.
כַּחֹ֤מֶץ
(kachomets)
als azijn
לַשִּׁנַּ֗יִם
(lashinayim)
voor de tanden
וְכֶעָשָׁ֥ן
(vekheashan)
en als rook
לָעֵינָ֑יִם
(laeinayim)
voor de ogen
כֵּ֥ן
(ken)
zo
הֶ֝עָצֵ֗ל
(heatsel)
de luiaard
לְשֹׁלְחָֽיו
(lesholechav)
voor zijn zenders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De vrees voor Yahweh voegt dagen toe, maar de jaren van de goddelozen worden verkort.
יִרְאַ֣ת
(yirat)
vrees voor
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
תּוֹסִ֣יף
(tosif)
voegt toe
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וּשְׁנ֖וֹת
(ushenot)
en jaren van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
תִּקְצֹֽרְנָה
(tiqtsorena)
worden verkort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag.

Zie ook Spr. 1:7.

28Het verwachten van de rechtvaardigen is blijdschap, maar de hoop van de goddelozen gaat verloren.
תּוֹחֶ֣לֶת
(tochelet)
verwachting van
צַדִּיקִ֣ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
שִׂמְחָ֑ה
(simcha)
blijdschap
וְתִקְוַ֖ת
(vetiqvat)
en hoop van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
תֹּאבֵֽד
(toved)
gaat verloren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29De weg van Yahweh is een toevlucht voor de onberispelijke, maar een ondergang voor wie onheil doen.
מָע֣וֹז
(maoz)
toevlucht
לַ֭תֹּם
(latom)
voor de onberispelijke
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּ֝מְחִתָּ֗ה
(umechita)
en ondergang
לְפֹ֣עֲלֵי
(lefoalei)
voor wie doen
אָֽוֶן
(aven)
onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָעוֹז (ma’oz), ‘toevlucht’: een sterke plek om te schuilen.

אָוֶן (aven), ‘onheil’: ook ‘ongerechtigheid’.

30De rechtvaardige wankelt voor eeuwig niet, maar de goddelozen wonen niet in het land.
צַדִּ֣יק
(tsadiq)
rechtvaardige
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
בַּל
(bal)
niet
יִמּ֑וֹט
(yimot)
wankelt
וּ֝רְשָׁעִ֗ים
(ureshaim)
maar goddelozen
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁכְּנוּ
(yishkenu)
wonen
אָֽרֶץ
(arets)
land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid voort, maar de tong van de verdraaidheden wordt afgesneden.
פִּֽי
(pi)
mond van
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
rechtvaardige
יָנ֣וּב
(yanuv)
brengt voort
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וּלְשׁ֥וֹן
(uleshon)
en tong van
תַּ֝הְפֻּכ֗וֹת
(tahpukhot)
verdraaidheden
תִּכָּרֵֽת
(tikaret)
wordt afgesneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּהְפֻּכוֹת (tahpukhot), ‘verdraaidheden’: wat omgedraaid en verdraaid is, zoals leugen en bedrog.

Zo ook vers 32.

32De lippen van de rechtvaardige weten wat welgevallig is, maar de mond van de goddelozen is verdraaidheid.
שִׂפְתֵ֣י
(siftei)
lippen van
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
rechtvaardige
יֵדְע֣וּן
(yedeun)
weten
רָצ֑וֹן
(ratson)
welgevallen
וּפִ֥י
(ufi)
en mond van
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
תַּהְפֻּכֽוֹת
(tahpukhot)
verdraaidheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)