Elohim Bijbel

1 Koningen 2

12345678910111213141516171819202122

Davids laatste woorden en de dood van zijn vijanden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Davids opdracht aan Salomo

1De dagen van David kwamen dicht bij zijn dood. Hij gaf zijn zoon Salomo deze opdracht:
וַיִּקְרְב֥וּ
(vayiqrevu)
en naderden
יְמֵֽי
(yemei)
dagen van
דָוִ֖ד
(david)
David
לָמ֑וּת
(lamut)
om te sterven
וַיְצַ֛ו
(vaytsav)
en hij gebood
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Ik ga de weg van heel de aarde. Wees sterk en toon je een man.
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
הֹלֵ֔ךְ
(holekh)
ga
בְּדֶ֖רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְחָזַקְתָּ֖
(vechazaqta)
en wees sterk
וְהָיִ֥יתָֽ
(vehayita)
en wees
לְאִֽישׁ
(leish)
tot een man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De weg van heel de aarde’ is een uitdrukking voor sterven.

Vergelijk Joz. 23:14.

3Vervul de plicht die je tegenover Yahweh, je Elohim, hebt. Loop op Zijn wegen. Houd Zijn voorschriften, Zijn geboden, Zijn rechtsregels en Zijn getuigenissen, zoals geschreven staat in de wet van Mozes. Dan zul je slagen in alles wat je doet en overal waar je je heen wendt.
וְשָׁמַרְתָּ֞
(veshamarta)
en neem in acht
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֣רֶת
(mishmeret)
wat te bewaren is voor
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לָלֶ֤כֶת
(lalekhet)
om te lopen
בִּדְרָכָיו֙
(bidrakhav)
op Zijn wegen
לִשְׁמֹ֨ר
(lishmor)
om te houden
חֻקֹּתָ֤יו
(chuqotav)
Zijn voorschriften
מִצְוֺתָיו֙
(mitsvotav)
Zijn geboden
וּמִשְׁפָּטָ֣יו
(umishpatav)
en Zijn rechtsregels
וְעֵדְוֺתָ֔יו
(veedevotav)
en Zijn getuigenissen
כַּכָּת֖וּב
(kakatuv)
zoals geschreven
בְּתוֹרַ֣ת
(betorat)
in de wet van
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תַּשְׂכִּ֗יל
(taskil)
je slaagt
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
תַּֽעֲשֶׂ֔ה
(taase)
je doet
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תִּפְנֶ֖ה
(tifne)
je je wendt
שָֽׁם
(sham)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wat te bewaren is’: de plicht, de dienst van waakzaamheid.

Vergelijk Num. 3:7–8.

תּוֹרָה (torah), ‘wet’ of ‘onderwijs’: hier de wet die Mozes heeft opgeschreven. Zie Deut. 17:18–20 en Deut. 31:9–13.

חֻקָּה (chuqqah), ‘voorschrift’; מִצְוָה (mitsvah), ‘gebod’; מִשְׁפָּט (mishpat), ‘rechtsregel’; עֵדוּת (edut), ‘getuigenis’. Dezelfde vier woorden staan bij elkaar in Deut. 6:17 en 6:20.

4Dan zal Yahweh Zijn woord waarmaken dat Hij over mij sprak: ‘Als jouw zonen op hun weg letten en voor Mijn aangezicht in waarheid lopen, met heel hun hart en heel hun ziel, dan’, zei Hij, ‘zal het jou nooit ontbreken aan een man op de troon van Israël.’
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
יָקִ֨ים
(yaqim)
zal doen gelden
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֗וֹ
(devaro)
Zijn woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij sprak
עָלַי֮
(alay)
over mij
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
als
יִשְׁמְר֨וּ
(yishmeru)
zullen houden
בָנֶ֜יךָ
(baneikha)
je zonen
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכָּ֗ם
(darkam)
hun weg
לָלֶ֤כֶת
(lalekhet)
om te lopen
לְפָנַי֙
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
בֶּאֱמֶ֔ת
(beemet)
in waarheid
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָבָ֖ם
(levavam)
hun hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun ziel
לֵאמֹ֕ר
(lemor)
zeggend
לֹֽא
(lo)
niet
יִכָּרֵ֤ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
כִּסֵּ֥א
(kise)
troon van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David noemt hier de belofte van Yahweh over zijn nageslacht.

Zie 2 Sam. 7:12–16 en 1 Kron. 22:9–10.

De belofte hier is voorwaardelijk: de zonen moeten op hun weg letten.

Vergelijk 1 Kon. 8:25 en 9:4–5.

Wat David over Joab, Barzillai en Simeï zegt

5Jij weet zelf ook wat Joab, de zoon van Zeruja, mij heeft aangedaan. Hij heeft twee bevelhebbers van de legers van Israël gedood: Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter. Hij vermoordde hen en vergoot in vredestijd bloed zoals dat in oorlog gebeurt. Dat bloed van de oorlog bracht hij op de gordel om zijn heupen en op de sandalen aan zijn voeten.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
יָדַ֡עְתָּ
(yadata)
weet
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָ֨שָׂה
(asa)
heeft gedaan
לִ֜י
(li)
aan mij
יוֹאָ֣ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֗ה
(tseruya)
Zeruja
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֣ה
(asa)
hij deed
לִשְׁנֵֽי
(lishnei)
aan twee
שָׂרֵ֣י
(sarei)
bevelhebbers van
צִבְא֣וֹת
(tsivot)
legers van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
לְאַבְנֵ֨ר
(leavner)
aan Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֜ר
(ner)
Ner
וְלַעֲמָשָׂ֤א
(velaamasa)
en aan Amasa
בֶן
(ben)
zoon van
יֶ֨תֶר֙
(yeter)
Jeter
וַיַּ֣הַרְגֵ֔ם
(vayahargem)
en hij doodde hen
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
דְּמֵֽי
(demei)
bloed van
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
בְּשָׁלֹ֑ם
(beshalom)
in vrede
וַיִּתֵּ֞ן
(vayiten)
en hij bracht
דְּמֵ֣י
(demei)
bloed van
מִלְחָמָ֗ה
(milchama)
oorlog
בַּחֲגֹֽרָתוֹ֙
(bachagorato)
op zijn gordel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּמָתְנָ֔יו
(bematenav)
om zijn heupen
וּֽבְנַעֲל֖וֹ
(uvenaalo)
en op zijn sandaal
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּרַגְלָֽיו
(beraglav)
aan zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De moord op Abner staat in 2 Sam. 3:22–27, die op Amasa in 2 Sam. 20:8–10.

Het ‘bloed van de oorlog’ aan zijn gordel en sandalen betekent: Joab droeg de sporen van de moord, alsof het oorlog was, terwijl het vrede was.

6Handel naar je wijsheid. Laat zijn grijze hoofd niet in vrede naar het dodenrijk gaan.
וְעָשִׂ֖יתָ
(veasita)
en doe
כְּחָכְמָתֶ֑ךָ
(kechakhematekha)
naar je wijsheid
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תוֹרֵ֧ד
(tored)
laat dalen
שֵׂיבָת֛וֹ
(seivato)
zijn grijsheid
בְּשָׁלֹ֖ם
(beshalom)
in vrede
שְׁאֹֽל
(sheol)
naar het dodenrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (sheol), ‘dodenrijk’: de plaats van de doden.

‘Grijs hoofd’ (שֵׂיבָה, sevah) staat voor hoge leeftijd.

Joab zou een natuurlijke dood sterven; David wil dat dat niet gebeurt.

7Maar de zonen van Barzillai, de Gileadiet, moet je goedheid bewijzen. Laat hen eten aan je tafel, want zo zijn zij mij tegemoetgekomen toen ik voor je broer Absalom vluchtte.
וְלִבְנֵ֨י
(velivnei)
en aan de zonen van
בַרְזִלַּ֤י
(barzilay)
Barzillai
הַגִּלְעָדִי֙
(hagiladi)
de Gileadiet
תַּֽעֲשֶׂה
(taase)
zul je doen
חֶ֔סֶד
(chesed)
goedheid
וְהָי֖וּ
(vehayu)
en laten zijn
בְּאֹכְלֵ֣י
(beokhelei)
onder de etenden
שֻׁלְחָנֶ֑ךָ
(shulchanekha)
van je tafel
כִּי
(ki)
want
כֵן֙
(ken)
zo
קָרְב֣וּ
(qarevu)
zijn genaderd
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
בְּבָרְחִ֕י
(bevarechi)
toen ik vluchtte
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor
אַבְשָׁל֥וֹם
(avshalom)
Absalom
אָחִֽיךָ
(achikha)
je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Barzillai uit Gilead hielp David met voedsel in Machanajim (2 Sam. 17:27–29) en vergezelde hem naar de Jordaan (2 Sam. 19:32–40).

8Zie, bij je is ook Simeï, de zoon van Gera, de Benjaminiet uit Bachurim. Hij heeft mij vreselijk vervloekt op de dag dat ik naar Machanajim ging. Maar hij kwam naar beneden mij tegemoet bij de Jordaan, en ik zwoer hem bij Yahweh: ‘Ik zal je niet met het zwaard doden.’
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
עִ֠מְּךָ
(imekha)
bij je
שִֽׁמְעִ֨י
(shimi)
Simeï
בֶן
(ben)
zoon van
גֵּרָ֥א
(gera)
Gera
בֶן
(ben)
zoon van
הַיְמִינִי֮
(haymini)
de Benjaminiet
מִבַּחֻרִים֒
(mibachurim)
uit Bachurim
וְה֤וּא
(vehu)
en hij
קִֽלְלַ֨נִי֙
(qillani)
vervloekte mij
קְלָלָ֣ה
(qelala)
een vloek
נִמְרֶ֔צֶת
(nimretset)
hevige
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag
לֶכְתִּ֣י
(lekhti)
dat ik ging
מַחֲנָ֑יִם
(machanayim)
naar Machanajim
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יָרַ֤ד
(yarad)
daalde af
לִקְרָאתִי֙
(liqrati)
mij tegemoet
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
וָאֶשָּׁ֨בַֽע
(vaeshava)
en ik zwoer
ל֤וֹ
(lo)
aan hem
בַֽיהוָה֙
(baYahweh)
bij Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
als
אֲמִֽיתְךָ֖
(amitekha)
ik doodt jou
בֶּחָֽרֶב
(becharev)
met het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bachurim lag ten oosten van Jeruzalem, bij de weg naar de Jordaan; de ligging is onzeker, mogelijk bij het huidige Ras et-Tmim.

Machanajim lag in Gilead, ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië; de precieze plek is onzeker.

Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

De vloek van Simeï staat in 2 Sam. 16:5–13.

David zwoer hem later te sparen: 2 Sam. 19:17–24.

9Maar nu, laat hem niet ongestraft. Je bent een wijs man en je weet wat je met hem moet doen. Laat zijn grijze hoofd met bloed naar het dodenrijk dalen.”
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
אַל
(al)
niet
תְּנַקֵּ֔הוּ
(tenaqehu)
laat hem ongestraft
כִּ֛י
(ki)
want
אִ֥ישׁ
(ish)
man
חָכָ֖ם
(chakham)
wijs
אָ֑תָּה
(ata)
jij
וְיָֽדַעְתָּ֙
(veyadata)
en je weet
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
תַּֽעֲשֶׂה
(taase)
je moet doen
לּ֔וֹ
(lo)
aan hem
וְהוֹרַדְתָּ֧
(vehoradta)
en laat dalen
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׂיבָת֛וֹ
(seivato)
zijn grijsheid
בְּדָ֖ם
(bedam)
met bloed
שְׁאֽוֹל
(sheol)
naar het dodenrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

David sterft

10David ging bij zijn vaderen liggen en werd begraven in de stad van David.
וַיִּשְׁכַּ֥ב
(vayishkav)
en lag
דָּוִ֖ד
(david)
David
עִם
(im)
met
אֲבֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵ֖ר
(vayiqaver)
en werd begraven
בְּעִ֥יר
(beir)
in de stad van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

11De tijd die David over Israël regeerde was veertig jaar. In Hebron regeerde hij zeven jaar en in Jeruzalem drieëndertig jaar.
וְהַיָּמִ֗ים
(vehayamim)
en de dagen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
מָלַ֤ךְ
(malakh)
regeerde
דָּוִד֙
(david)
David
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
בְּחֶבְר֤וֹן
(bechevron)
in Hebron
מָלַךְ֙
(malakh)
regeerde hij
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
וּבִירוּשָׁלִַ֣ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
מָלַ֔ךְ
(malakh)
regeerde hij
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וְשָׁלֹ֖שׁ
(veshalosh)
en drie
שָׁנִֽים
(shanim)
jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Vergelijk 2 Sam. 5:4–5.

Daar staat ook veertig jaar, verdeeld in zeven jaar en zes maanden in Hebron en drieëndertig jaar in Jeruzalem.

12Salomo zat op de troon van zijn vader David. Zijn koningschap werd zeer vast.
וּשְׁלֹמֹ֕ה
(ushelomo)
en Salomo
יָשַׁ֕ב
(yashav)
zat
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֖א
(kise)
troon van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַתִּכֹּ֥ן
(vatikon)
en werd gevestigd
מַלְכֻת֖וֹ
(malkhuto)
zijn koningschap
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Adonia vraagt om Abisag

13Adonia, de zoon van Chagit, kwam bij Bat-Sjeba, de moeder van Salomo. Zij vroeg: „Kom je in vrede?” Hij zei: „In vrede.”
וַיָּבֹ֞א
(vayavo)
en kwam
אֲדֹנִיָּ֣הוּ
(adoniyahu)
Adonia
בֶן
(ben)
zoon van
חַגֵּ֗ית
(chageit)
Chagit
אֶל
(el)
tot
בַּת
(bat)
Bat
שֶׁ֨בַע֙
(sheva)
Sjeba
אֵם
(em)
moeder van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en zij zei
הֲשָׁל֣וֹם
(hashalom)
is het vrede
בֹּאֶ֑ךָ
(boekha)
je komst
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁלֽוֹם
(shalom)
vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַגִּית (Chagit), ‘Chagit’: een van de vrouwen van David (2 Sam. 3:4).

14Hij zei: „Ik heb een woord voor u.” Zij zei: „Spreek.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּבָ֥ר
(davar)
een woord
לִ֖י
(li)
voor mij
אֵלָ֑יִךְ
(elayikh)
tot je
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en zij zei
דַּבֵּֽר
(daber)
spreek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Hij zei: „U weet dat het koningschap van mij was. Heel Israël had zijn blik op mij gericht, dat ik koning zou zijn. Maar het koningschap werd omgekeerd en ging naar mijn broer, want van Yahweh was het voor hem.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַ֤תְּ
(at)
jij
יָדַ֨עַתְּ֙
(yadaat)
weet
כִּי
(ki)
dat
לִי֙
(li)
van mij
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
was
הַמְּלוּכָ֔ה
(hamelukha)
het koningschap
וְעָלַ֞י
(vealay)
en op mij
שָׂ֧מוּ
(samu)
hadden gezet
כָֽל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
פְּנֵיהֶ֖ם
(peneihem)
hun gezicht
לִמְלֹ֑ךְ
(limlokh)
op de koning
וַתִּסֹּ֤ב
(vatisov)
maar het werd omgekeerd
הַמְּלוּכָה֙
(hamelukha)
het koningschap
וַתְּהִ֣י
(vatehi)
en werd
לְאָחִ֔י
(leachi)
aan mijn broer
כִּ֥י
(ki)
want
מֵיְהוָ֖ה
(meYahweh)
van Yahweh
הָ֥יְתָה
(hayeta)
was het
לּֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Adonia erkent dat de troon van Yahweh kwam.

Hij vraagt dan toch iets wat het koningschap raakt.

16Nu heb ik één verzoek aan u. Wijs mij niet af.” Zij zei tegen hem: „Spreek.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
שְׁאֵלָ֤ה
(sheela)
verzoek
אַחַת֙
(achat)
één
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
ik
שֹׁאֵ֣ל
(shoel)
vraag
מֵֽאִתָּ֔ךְ
(meitakh)
van je
אַל
(al)
niet
תָּשִׁ֖בִי
(tashivi)
wijs af
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָ֑י
(panay)
mijn gezicht
וַתֹּ֥אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
דַּבֵּֽר
(daber)
spreek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij zei: „Zeg toch tegen koning Salomo, want hij zal u niet afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunemitische, tot vrouw geeft.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אִמְרִי
(imri)
zeg
נָא֙
(na)
toch
לִשְׁלֹמֹ֣ה
(lishlomo)
aan Salomo
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּ֥י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
יָשִׁ֖יב
(yashiv)
zal hij afwijzen
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָ֑יִךְ
(panayikh)
je gezicht
וְיִתֶּן
(veyiten)
en hij zal geven
לִ֛י
(li)
mij
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִישַׁ֥ג
(avishag)
Abisag
הַשּׁוּנַמִּ֖ית
(hashunamit)
de Sunemitische
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sunem: Abisag, de Sunemitische, kwam uit Sunem (Solem), aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël.

Uitleg

Abisag was de verzorgster van de oude koning (1:1–4).

Een koninklijke vrouw of bijvrouw vragen kon gelden als aanspraak op de troon.

Vergelijk 2 Sam. 3:7 en 16:21–22.

18Bat-Sjeba zei: „Goed. Ik zal met de koning over u spreken.”
וַתֹּ֥אמֶר
(vatomer)
en zei
בַּת
(bat)
Bat
שֶׁ֖בַע
(sheva)
Sjeba
ט֑וֹב
(tov)
goed
אָנֹכִ֕י
(anokhi)
ik
אֲדַבֵּ֥ר
(adaber)
zal spreken
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
over je
אֶל
(el)
tot
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookSpr 14:15
19Bat-Sjeba ging naar koning Salomo om met hem over Adonia te spreken. De koning stond op om haar tegemoet te gaan en boog zich voor haar neer. Hij ging op zijn troon zitten en liet een troon neerzetten voor de moeder van de koning. Zij ging aan zijn rechterhand zitten.
וַתָּבֹ֤א
(vatavo)
en kwam
בַת
(bat)
Bat
שֶׁ֨בַע֙
(sheva)
Sjeba
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
לְדַבֶּר
(ledaber)
om te spreken
ל֖וֹ
(lo)
tot hem
עַל
(al)
over
אֲדֹנִיָּ֑הוּ
(adoniyahu)
Adonia
וַיָּקָם֩
(vayaqam)
en stond op
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לִקְרָאתָ֜הּ
(liqratah)
haar tegemoet
וַיִּשְׁתַּ֣חוּ
(vayishtachu)
en boog zich
לָ֗הּ
(lah)
voor haar
וַיֵּ֨שֶׁב֙
(vayeshev)
en zat
עַל
(al)
op
כִּסְא֔וֹ
(kiso)
zijn troon
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en liet zetten
כִּסֵּא֙
(kise)
een troon
לְאֵ֣ם
(leem)
voor de moeder van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַתֵּ֖שֶׁב
(vateshev)
en zij zat
לִֽימִינֽוֹ
(limino)
aan zijn rechterhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De rechterhand is de plaats van eer.

Zie ook Ps. 110:1.

20Zij zei: „Ik heb één klein verzoek aan je. Wijs mij niet af.” De koning zei tegen haar: „Vraag het, mijn moeder, want ik zal je niet afwijzen.”
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zij zei
שְׁאֵלָ֨ה
(sheela)
een verzoek
אַחַ֤ת
(achat)
één
קְטַנָּה֙
(qetana)
klein
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
ik
שֹׁאֶ֣לֶת
(shoelet)
vraag
מֵֽאִתָּ֔ךְ
(meitakh)
van je
אַל
(al)
niet
תָּ֖שֶׁב
(tashev)
wijs af
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָ֑י
(panay)
mijn gezicht
וַיֹּֽאמֶר
(vayomer)
en zei
לָ֤הּ
(lah)
tot haar
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
שַׁאֲלִ֣י
(shaali)
vraag
אִמִּ֔י
(imi)
mijn moeder
כִּ֥י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
אָשִׁ֖יב
(ashiv)
ik zal afwijzen
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָֽיִךְ
(panayikh)
je gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zij zei: „Laat Abisag, de Sunemitische, aan je broer Adonia tot vrouw worden gegeven.”
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zij zei
יֻתַּ֖ן
(yutan)
laat worden gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִישַׁ֣ג
(avishag)
Abisag
הַשֻּׁנַמִּ֑ית
(hashunamit)
de Sunemitische
לַאֲדֹנִיָּ֥הוּ
(laadoniyahu)
aan Adonia
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sunem: Abisag, de Sunemitische, kwam uit Sunem (Solem), aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël.

22Koning Salomo antwoordde zijn moeder: „Waarom vraag je Abisag, de Sunemitische, voor Adonia? Vraag dan ook het koningschap voor hem, want hij is mijn oudere broer. Vraag het voor hem, voor de priester Abjatar en voor Joab, de zoon van Zeruja.”
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en antwoordde
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לְאִמּ֗וֹ
(leimo)
aan zijn moeder
וְלָמָה֩
(velama)
en waarom
אַ֨תְּ
(at)
jij
שֹׁאֶ֜לֶת
(shoelet)
vraagt
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִישַׁ֤ג
(avishag)
Abisag
הַשֻּׁנַמִּית֙
(hashunamit)
de Sunemitische
לַאֲדֹ֣נִיָּ֔הוּ
(laadoniyahu)
voor Adonia
וְשַֽׁאֲלִי
(veshaali)
en vraag
לוֹ֙
(lo)
voor hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּלוּכָ֔ה
(hamelukha)
het koningschap
כִּ֛י
(ki)
want
ה֥וּא
(hu)
hij
אָחִ֖י
(achi)
mijn broer
הַגָּד֣וֹל
(hagadol)
de oudere
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
dan ik
וְלוֹ֙
(velo)
en voor hem
וּלְאֶבְיָתָ֣ר
(uleevyatar)
en voor Abjatar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וּלְיוֹאָ֖ב
(uleyoav)
en voor Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָֽה
(tseruya)
Zeruja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sunem: Abisag, de Sunemitische, kwam uit Sunem (Solem), aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël.

Uitleg

Salomo hoort in het verzoek een greep naar de troon.

Wij vertalen ‘Vraag dan ook het koningschap voor hem’ als zijn scherpe antwoord.

23Koning Salomo zwoer bij Yahweh: „Zo moge Elohim mij doen, en zo nog meer: Adonia heeft dit woord tegen zijn eigen leven gesproken.
וַיִּשָּׁבַע֙
(vayishava)
en zwoer
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
בַּֽיהוָ֖ה
(baYahweh)
bij Yahweh
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יַֽעֲשֶׂה
(yaase)
moge doen
לִּ֤י
(li)
aan mij
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
יוֹסִ֔יף
(yosif)
moge toevoegen
כִּ֣י
(ki)
dat
בְנַפְשׁ֔וֹ
(benafsho)
tegen zijn leven
דִּבֶּר֙
(diber)
heeft gesproken
אֲדֹ֣נִיָּ֔הוּ
(adoniyahu)
Adonia
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De eedformule ‘Zo moge Elohim mij doen, en zo nog meer’ vraagt Elohim de zwoerder te straffen als hij zijn woord niet houdt.

Zie ook Ruth 1:17 en 1 Sam. 3:17.

24Nu, zo waar Yahweh leeft: Hij heeft mij bevestigd. Hij heeft mij op de troon van mijn vader David laten zitten. Hij heeft mij een huis gemaakt, zoals Hij gesproken heeft. Vandaag nog wordt Adonia gedood.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
חַי
(chay)
levend is
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֱכִינַ֗נִי
(hekhinani)
mij heeft bevestigd
וַיּֽוֹשִׁיבַ֨נִי֙
(vayoshivani)
en mij heeft laten zitten
עַל
(al)
op
כִּסֵּא֙
(kise)
troon van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וַאֲשֶׁ֧ר
(vaasher)
en die
עָֽשָׂה
(asa)
heeft gemaakt
לִ֛י
(li)
voor mij
בַּ֖יִת
(bayit)
een huis
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֵּ֑ר
(diber)
Hij heeft gesproken
כִּ֣י
(ki)
dat
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
יוּמַ֖ת
(yumat)
zal worden gedood
אֲדֹנִיָּֽהוּ
(adoniyahu)
Adonia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Een huis gemaakt’ betekent: een dynastie, een koninklijk huis gegeven.

Zie 2 Sam. 7:11 en 7:27.

25Koning Salomo stuurde Benaja, de zoon van Jojada. Hij stootte Adonia neer, en die stierf.
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
בְּנָיָ֣הוּ
(benayahu)
Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֑ע
(yehoyada)
Jojada
וַיִּפְגַּע
(vayifga)
en hij stootte neer
בּ֖וֹ
(bo)
hem
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en hij stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Abjatar wordt verbannen

26Tegen de priester Abjatar zei de koning: „Ga naar je akkers in Anatot. Je verdient de dood. Maar op deze dag zal ik je niet doden, want je hebt de ark van mijn Heer Yahweh gedragen voor mijn vader David. Ook heb je geleden in alles wat mijn vader heeft geleden.”
וּלְאֶבְיָתָ֨ר
(uleevyatar)
en aan Abjatar
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אָמַ֣ר
(amar)
zei
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עֲנָתֹת֙
(anatot)
Anatot
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
עַל
(al)
naar
שָׂדֶ֔יךָ
(sadeikha)
je akkers
כִּ֛י
(ki)
want
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
מָ֖וֶת
(mavet)
dood
אָ֑תָּה
(ata)
jij
וּבַיּ֨וֹם
(uvayom)
en op dag
הַזֶּ֜ה
(haze)
deze
לֹ֣א
(lo)
niet
אֲמִיתֶ֗ךָ
(amitekha)
zal ik doden jou
כִּֽי
(ki)
want
נָשָׂ֜אתָ
(nasata)
je hebt gedragen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֨וֹן
(aron)
ark van
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
mijn Heer
יְהֹוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וְכִ֣י
(vekhi)
en dat
הִתְעַנִּ֔יתָ
(hitanita)
je hebt geleden
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶֽׁר
(asher)
wat
הִתְעַנָּ֖ה
(hitana)
heeft geleden
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Anatot (Anatot) lag ongeveer 5 km ten noordoosten van Jeruzalem, bij het huidige Anata, in het Westjordaanland.

Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), hier ‘mijn Heer Yahweh’.

Salomo noemt de ark zoals David hem noemde (2 Sam. 7:18).

Abjatar was een nakomeling van Eli, de priester van Silo (1 Sam. 14:3; 22:20).

27Salomo verdreef Abjatar, zodat hij geen priester voor Yahweh meer was. Zo werd het woord van Yahweh vervuld dat Hij in Silo over het huis van Eli had gesproken.
וַיְגָ֤רֶשׁ
(vaygaresh)
en verdreef
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
אֶבְיָתָ֔ר
(evyatar)
Abjatar
מִהְי֥וֹת
(mihyot)
van te zijn
כֹּהֵ֖ן
(kohen)
priester
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לְמַלֵּא֙
(lemale)
om te vervullen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֛ר
(diber)
Hij sprak
עַל
(al)
over
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
עֵלִ֖י
(eli)
Eli
בְּשִׁלֹֽה
(beshilo)
in Silo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

Het woord over het huis van Eli staat in 1 Sam. 2:27–36.

Abjatar was een nakomeling van dat huis.

Joab sterft

28Het bericht kwam bij Joab. Joab had zich aangesloten bij Adonia, maar bij Absalom had hij zich niet aangesloten. Joab vluchtte naar de tent van Yahweh en greep de hoorns van het altaar vast.
וְהַשְּׁמֻעָה֙
(vehashemua)
en het bericht
בָּ֣אָה
(baa)
kwam
עַד
(ad)
tot
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
כִּ֣י
(ki)
want
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
נָטָה֙
(nata)
had zich gewend
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אֲדֹנִיָּ֔ה
(adoniya)
Adonia
וְאַחֲרֵ֥י
(veacharei)
en achter
אַבְשָׁל֖וֹם
(avshalom)
Absalom
לֹ֣א
(lo)
niet
נָטָ֑ה
(nata)
had hij zich gewend
וַיָּ֤נָס
(vayanas)
en vluchtte
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיַּחֲזֵ֖ק
(vayachazeq)
en greep vast
בְּקַרְנ֥וֹת
(beqarnot)
aan de hoorns van
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De tent van Yahweh’: hier staat een altaar bij.

Zie 3:4 en 1 Kron. 16:39 voor de tent en het altaar in Gibeon.

De hoorns van het altaar: zie 1:50 en Exod. 21:14.

Lezing

De Hebreeuwse tekst heeft ‘Absalom’.

Sommige oude vertalingen hebben hier ‘Salomo’.

Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

Joab had Absalom niet gesteund (2 Sam. 18:2; 20:23).

29Men meldde koning Salomo dat Joab naar de tent van Yahweh was gevlucht en zie, naast het altaar stond. Salomo stuurde Benaja, de zoon van Jojada, en zei: „Ga, stoot hem neer.”
וַיֻּגַּ֞ד
(vayugad)
en men meldde
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
כִּ֣י
(ki)
dat
נָ֤ס
(nas)
gevlucht was
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
אֵ֣צֶל
(etsel)
naast
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en zond
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָיָ֧הוּ
(benayahu)
Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֛ע
(yehoyada)
Jojada
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
לֵ֥ךְ
(lekh)
ga
פְּגַע
(pega)
stoot neer
בּֽוֹ
(bo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Benaja kwam bij de tent van Yahweh en zei tegen hem: „Zo zegt de koning: ‘Kom naar buiten.’” Hij zei: „Nee, hier zal ik sterven.” Benaja bracht de koning bericht en zei: „Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.”
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
בְנָיָ֜הוּ
(benayahu)
Benaja
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
צֵ֔א
(tse)
kom naar buiten
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹ֖א
(lo)
nee
כִּ֣י
(ki)
want
פֹ֣ה
(po)
hier
אָמ֑וּת
(amut)
zal ik sterven
וַיָּ֨שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
בְּנָיָ֤הוּ
(benayahu)
Benaja
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
דָּבָ֣ר
(davar)
een woord
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
כֹּֽה
(ko)
zo
דִבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
וְכֹ֥ה
(vekho)
en zo
עָנָֽנִי
(anani)
heeft hij mij geantwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31De koning zei tegen hem: „Doe zoals hij heeft gezegd. Stoot hem neer en begraaf hem. Zo haal je het bloed dat Joab zonder reden heeft vergoten van mij en van het huis van mijn vader weg.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עֲשֵׂה֙
(ase)
doe
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֔ר
(diber)
hij heeft gesproken
וּפְגַע
(ufega)
en stoot neer
בּ֖וֹ
(bo)
hem
וּקְבַרְתּ֑וֹ
(uqevarto)
en begraaf hem
וַהֲסִירֹ֣תָ
(vahasirota)
en haal weg
דְּמֵ֣י
(demei)
bloed van
חִנָּ֗ם
(chinam)
zonder reden
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
שָׁפַ֣ךְ
(shafakh)
heeft vergoten
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
מֵעָלַ֕י
(mealay)
van mij
וּמֵעַ֖ל
(umeal)
en van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie bloed vergiet, brengt bloedschuld over het land en zijn huis.

Zie Num. 35:33 en Deut. 19:10–13.

Joab zocht toevlucht bij het altaar, maar het altaar beschermt een moordenaar niet: Exod. 21:14.

32Yahweh laat zijn bloed terugkomen op zijn eigen hoofd. Hij stootte twee mannen neer die rechtvaardiger en beter waren dan hij, en doodde hen met het zwaard, zonder dat mijn vader David het wist: Abner, de zoon van Ner, de bevelhebber van het leger van Israël, en Amasa, de zoon van Jeter, de bevelhebber van het leger van Juda.
וְהֵשִׁיב֩
(veheshiv)
en laat terugkeren
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמ֜וֹ
(damo)
zijn bloed
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֗וֹ
(rosho)
zijn hoofd
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
פָּגַ֣ע
(paga)
hij neerstootte
בִּשְׁנֵֽי
(bishnei)
twee
אֲ֠נָשִׁים
(anashim)
mannen
צַדִּקִ֨ים
(tsadiqim)
rechtvaardige
וְטֹבִ֤ים
(vetovim)
en betere
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
dan hij
וַיַּהַרְגֵ֣ם
(vayahargem)
en doodde hen
בַּחֶ֔רֶב
(bacherev)
met het zwaard
וְאָבִ֥י
(veavi)
en mijn vader
דָוִ֖ד
(david)
David
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֑ע
(yada)
wist het
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֤ר
(avner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵר֙
(ner)
Ner
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲמָשָׂ֥א
(amasa)
Amasa
בֶן
(ben)
zoon van
יֶ֖תֶר
(yeter)
Jeter
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
צְבָ֥א
(tseva)
leger van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Hun bloed komt terug op het hoofd van Joab en op het hoofd van zijn nageslacht, voor altijd. Maar voor David, zijn nageslacht, zijn huis en zijn troon zal er vrede zijn van Yahweh, tot in eeuwigheid.”
וְשָׁ֤בוּ
(veshavu)
en zullen terugkeren
דְמֵיהֶם֙
(demeihem)
hun bloed
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
op het hoofd van
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וּבְרֹ֥אשׁ
(uverosh)
en op het hoofd van
זַרְע֖וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
לְעֹלָ֑ם
(leolam)
tot in eeuwigheid
וּלְדָוִ֡ד
(uledavid)
en voor David
וּ֠לְזַרְעוֹ
(ulezaro)
en voor zijn nageslacht
וּלְבֵית֨וֹ
(uleveito)
en voor zijn huis
וּלְכִסְא֜וֹ
(ulekhiso)
en voor zijn troon
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
שָׁל֛וֹם
(shalom)
vrede
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwig
מֵעִ֥ם
(meim)
van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Benaja, de zoon van Jojada, ging naar boven, stootte hem neer en doodde hem. Hij werd begraven in zijn eigen huis in de woestijn.
וַיַּ֗עַל
(vayaal)
en ging op
בְּנָיָ֨הוּ֙
(benayahu)
Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְה֣וֹיָדָ֔ע
(yehoyada)
Jojada
וַיִּפְגַּע
(vayifga)
en stootte neer
בּ֖וֹ
(bo)
hem
וַיְמִתֵ֑הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּקָּבֵ֥ר
(vayiqaver)
en werd begraven
בְּבֵית֖וֹ
(beveito)
in zijn huis
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

‘In de woestijn’: de plek van zijn huis is onbekend.

35De koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger. Ook de priester Zadok stelde de koning aan in plaats van Abjatar.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָיָ֧הוּ
(benayahu)
Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֛ע
(yehoyada)
Jojada
תַּחְתָּ֖יו
(tachtav)
in zijn plaats
עַל
(al)
over
הַצָּבָ֑א
(hatsava)
het leger
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צָד֤וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
נָתַ֣ן
(natan)
gaf
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
תַּ֖חַת
(tachat)
in plaats van
אֶבְיָתָֽר
(evyatar)
Abjatar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Simeï sterft

36De koning liet Simeï roepen en zei tegen hem: „Bouw een huis voor jezelf in Jeruzalem en woon daar. Je mag er niet vandaan gaan, nergens heen.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
לְשִׁמְעִ֔י
(leshimi)
Simeï
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
בְּֽנֵה
(bene)
bouw
לְךָ֥
(lekha)
voor jezelf
בַ֨יִת֙
(bayit)
een huis
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְיָשַׁבְתָּ֖
(veyashavta)
en woon
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תֵצֵ֥א
(tetse)
ga naar buiten
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
אָ֥נֶה
(ane)
hierheen
וָאָֽנָה
(vaana)
en daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Simeï moest in Jeruzalem blijven, waar hij onder toezicht stond.

37Op de dag dat je naar buiten gaat en de beek Kidron oversteekt, moet je weten: je zult zeker sterven. Je bloed zal op je eigen hoofd zijn.”
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag
צֵאתְךָ֗
(tsetkha)
van je uitgaan
וְעָֽבַרְתָּ֙
(veavarta)
en je steekt over
אֶת
(et)
(obj.)
נַ֣חַל
(nachal)
beek
קִדְר֔וֹן
(qidron)
Kidron
יָדֹ֥עַ
(yadoa)
weet
תֵּדַ֖ע
(teda)
zeker weet je
כִּ֣י
(ki)
dat
מ֣וֹת
(mot)
sterven
תָּמ֑וּת
(tamut)
zul je sterven
דָּמְךָ֖
(damekha)
je bloed
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
בְרֹאשֶֽׁךָ
(beroshekha)
op je hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek Kidron (Kidron) loopt ten oosten van Jeruzalem tussen de stad en de Olijfberg, in het huidige Israël.

Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

38Simeï zei tegen de koning: „Het is goed. Zoals mijn heer de koning heeft gesproken, zo zal uw dienaar doen.” Simeï woonde lange tijd in Jeruzalem.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
שִׁמְעִ֤י
(shimi)
Simeï
לַמֶּ֨לֶךְ֙
(lamelekh)
tot de koning
ט֣וֹב
(tov)
goed
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּר֙
(diber)
heeft gesproken
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כֵּ֖ן
(ken)
zo
יַעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
zal doen
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
je dienaar
וַיֵּ֧שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
שִׁמְעִ֛י
(shimi)
Simeï
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

39Na drie jaar gebeurde het dat twee dienaren van Simeï wegvluchtten naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gat. Men meldde Simeï: „Zie, uw dienaren zijn in Gat.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
מִקֵּץ֙
(miqets)
aan het einde van
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
וַיִּבְרְח֤וּ
(vayivrechu)
en vluchtten
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
עֲבָדִים֙
(avadim)
dienaren
לְשִׁמְעִ֔י
(leshimi)
van Simeï
אֶל
(el)
naar
אָכִ֥ישׁ
(akhish)
Achis
בֶּֽן
(ben)
zoon van
מַעֲכָ֖ה
(maakha)
Maächa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
גַּ֑ת
(gat)
Gat
וַיַּגִּ֤ידוּ
(vayagidu)
en men meldde
לְשִׁמְעִי֙
(leshimi)
aan Simeï
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
עֲבָדֶ֖יךָ
(avadeikha)
je dienaren
בְּגַֽת
(begat)
in Gat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat (Gat) was een van de vijf steden van de Filistijnen, waarschijnlijk Tel Tsafit (Tell es-Safi) in het huidige Israël.

Over Achis, de zoon van Maächa: zie ook 1 Sam. 27:2, waar een Achis, de zoon van Maoch, koning van Gat is.

Of dit dezelfde is, is onzeker.

40Simeï stond op, zadelde zijn ezel en ging naar Gat, naar Achis, om zijn dienaren te zoeken. Simeï ging en bracht zijn dienaren terug uit Gat.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
שִׁמְעִ֗י
(shimi)
Simeï
וַֽיַּחֲבֹשׁ֙
(vayachavosh)
en zadelde
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמֹר֔וֹ
(chamoro)
zijn ezel
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en ging
גַּ֨תָה֙
(gata)
naar Gat
אֶל
(el)
naar
אָכִ֔ישׁ
(akhish)
Achis
לְבַקֵּ֖שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
שִׁמְעִ֔י
(shimi)
Simeï
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en bracht
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
מִגַּֽת
(migat)
uit Gat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

41Men meldde Salomo dat Simeï van Jeruzalem naar Gat was gegaan en was teruggekomen.
וַיֻּגַּ֖ד
(vayugad)
en men meldde
לִשְׁלֹמֹ֑ה
(lishlomo)
aan Salomo
כִּי
(ki)
dat
הָלַ֨ךְ
(halakh)
was gegaan
שִׁמְעִ֧י
(shimi)
Simeï
מִירוּשָׁלִַ֛ם
(mirushaliam)
van Jeruzalem
גַּ֖ת
(gat)
naar Gat
וַיָּשֹֽׁב
(vayashov)
en was teruggekeerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

42De koning liet Simeï roepen en zei tegen hem: „Heb ik je niet bij Yahweh laten zweren en je gewaarschuwd: ‘Op de dag dat je naar buiten gaat en ergens heen gaat, moet je weten dat je zeker zult sterven’? Jij zei tegen mij: ‘Het woord dat ik gehoord heb, is goed.’
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
לְשִׁמְעִ֗י
(leshimi)
aan Simeï
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
הֲל֧וֹא
(halo)
heb ik niet
הִשְׁבַּעְתִּ֣יךָ
(hishbatikha)
je laten zweren
בַֽיהוָ֗ה
(baYahweh)
bij Yahweh
וָאָעִ֤ד
(vaaid)
en gewaarschuwd
בְּךָ֙
(bekha)
jou
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag
צֵאתְךָ֗
(tsetkha)
van je uitgaan
וְהָֽלַכְתָּ֙
(vehalakhta)
en je gaat
אָ֣נֶה
(ane)
hierheen
וָאָ֔נָה
(vaana)
en daarheen
יָדֹ֥עַ
(yadoa)
weet
תֵּדַ֖ע
(teda)
zeker weet je
כִּ֣י
(ki)
dat
מ֣וֹת
(mot)
sterven
תָּמ֑וּת
(tamut)
zul je sterven
וַתֹּ֧אמֶר
(vatomer)
en je zei
אֵלַ֛י
(elay)
tot mij
ט֥וֹב
(tov)
goed
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
שָׁמָֽעְתִּי
(shamati)
dat ik hoorde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Waarom heb je dan de eed bij Yahweh niet gehouden, en het gebod dat ik je gaf?”
וּמַדּ֕וּעַ
(umadua)
en waarom
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמַ֔רְתָּ
(shamarta)
heb je gehouden
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
שְׁבֻעַ֣ת
(shevuat)
de eed van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּצְוָ֖ה
(hamitsva)
het gebod
אֲשֶׁר
(asher)
dat
צִוִּ֥יתִי
(tsiviti)
ik gebood
עָלֶֽיךָ
(aleikha)
over jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44De koning zei tegen Simeï: „Je kent al het kwaad dat je hart weet, dat je aan mijn vader David hebt gedaan. Yahweh laat je kwaad op je eigen hoofd terugkomen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
שִׁמְעִ֗י
(shimi)
Simeï
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
יָדַ֨עְתָּ֙
(yadata)
weet
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֗ה
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יָדַע֙
(yada)
weet
לְבָ֣בְךָ֔
(levavekha)
je hart
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשִׂ֖יתָ
(asita)
je deed
לְדָוִ֣ד
(ledavid)
aan David
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
וְהֵשִׁ֧יב
(veheshiv)
en laat terugkeren
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
רָעָתְךָ֖
(raatekha)
je kwaad
בְּרֹאשֶֽׁךָ
(beroshekha)
op je hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Maar koning Salomo is gezegend, en de troon van David zal voor het aangezicht van Yahweh vast staan, tot in eeuwigheid.”
וְהַמֶּ֥לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
בָּר֑וּךְ
(barukh)
gezegend
וְכִסֵּ֣א
(vekhise)
en de troon van
דָוִ֗ד
(david)
David
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
נָכ֛וֹן
(nakhon)
gevestigd
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46De koning gaf Benaja, de zoon van Jojada, een bevel. Hij ging naar buiten, stootte hem neer en Simeï stierf. Zo werd het koningschap vast in de hand van Salomo.
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָיָ֨הוּ֙
(benayahu)
Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְה֣וֹיָדָ֔ע
(yehoyada)
Jojada
וַיֵּצֵ֕א
(vayetse)
en hij ging uit
וַיִּפְגַּע
(vayifga)
en stootte neer
בּ֖וֹ
(bo)
hem
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en stierf
וְהַמַּמְלָכָ֥ה
(vehamamlakha)
en het koningschap
נָכ֖וֹנָה
(nakhona)
werd gevestigd
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)