De mand met zomerfruit en de honger naar het woord
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Vierde visioen: de mand met zomerfruit
1Dit liet Heer Yahweh mij zien: Zie, een mand met zomerfruit.
כֹּ֥ה
(ko)
zo
הִרְאַ֖נִי
(hirani)
liet mij zien
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
כְּל֥וּב
(keluv)
een mand van
קָֽיִץ
(qayits)
zomerfruit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
כְּלוּב קָיִץ (kelov qayits), ‘een mand met zomerfruit’: fruit dat aan het eind van de zomer geoogst wordt. In vers 2 klinkt het woord voor ‘zomerfruit’ (qayits) bijna gelijk aan het woord voor ‘einde’ (qets). Dat is het woordspel van het visioen.
2Hij zei: „Wat zie jij, Amos?” Ik zei: „Een mand met zomerfruit.” Toen zei Yahweh tegen mij: „Het einde is gekomen voor Mijn volk Israël. Ik zal niet langer aan hen voorbijgaan.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
מָֽה
(ma)
wat
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
רֹאֶה֙
(roe)
ziet
עָמ֔וֹס
(amos)
Amos
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
כְּל֣וּב
(keluv)
een mand van
קָ֑יִץ
(qayits)
zomerfruit
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
בָּ֤א
(ba)
is gekomen
הַקֵּץ֙
(haqets)
het einde
אֶל
(el)
tot
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לֹא
(lo)
niet
אוֹסִ֥יף
(osif)
Ik zal voortgaan
ע֖וֹד
(od)
nog
עֲב֥וֹר
(avor)
voorbijgaan
לֽוֹ
(lo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַקֵּץ (haqqets), ‘het einde’: dit woord klinkt als קָיִץ (qayits), ‘zomerfruit’.
Zoals het zomerfruit rijp is, zo is het volk rijp voor het einde.
עֲבוֹר לוֹ (avor lo), ‘aan hem voorbijgaan’: Yahweh spaart het volk niet meer; zie ook Amos 7:8.
5Jullie zeggen: „Wanneer gaat de nieuwe maand voorbij, zodat wij koren kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij het graan kunnen openen? Dan maken wij de efa kleiner en de sikkel groter. Wij vervalsen de weegschalen met bedrog,
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
מָתַ֞י
(matay)
wanneer
יַעֲבֹ֤ר
(yaavor)
gaat voorbij
הַחֹ֨דֶשׁ֙
(hachodesh)
de maand
וְנַשְׁבִּ֣ירָה
(venashbira)
en wij zullen verkopen
שֶּׁ֔בֶר
(shever)
koren
וְהַשַּׁבָּ֖ת
(vehashabat)
en de sabbat
וְנִפְתְּחָה
(veniftecha)
en wij zullen openen
בָּ֑ר
(bar)
graan
לְהַקְטִ֤ין
(lehaqtin)
om kleiner te maken
אֵיפָה֙
(eifa)
de efa
וּלְהַגְדִּ֣יל
(ulehagdil)
en groter te maken
שֶׁ֔קֶל
(sheqel)
de sikkel
וּלְעַוֵּ֖ת
(uleavet)
en te vervalsen
מֹאזְנֵ֥י
(moznei)
de weegschalen van
מִרְמָֽה
(mirma)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֶׁבֶר (shever), ‘koren’ en בָּר (bar), ‘graan’: twee woorden voor het graan dat de handelaren verkopen.
Wij houden ze uit elkaar.
אֵיפָה (efah) en שֶׁקֶל (sheqel): de efa is ongeveer 22 liter; de sikkel is ongeveer 11,4 gram. De handelaar maakt de maat kleiner en het gewicht van het geld groter.
מֹאזְנֵי מִרְמָה (mozne mirmah), ‘weegschalen van bedrog’: valse weegschalen.
6om de geringen te kopen voor zilver en de arme voor een paar sandalen. Ook het afval van het graan verkopen wij.”
לִקְנ֤וֹת
(liqnot)
om te kopen
בַּכֶּ֨סֶף֙
(bakesef)
met zilver
דַּלִּ֔ים
(dalim)
geringen
וְאֶבְי֖וֹן
(veevyon)
en de arme
בַּעֲב֣וּר
(baavur)
voor
נַעֲלָ֑יִם
(naalayim)
een paar sandalen
וּמַפַּ֥ל
(umapal)
en het afval van
בַּ֖ר
(bar)
graan
נַשְׁבִּֽיר
(nashbir)
wij zullen verkopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דַּלִּים (dallim), ‘geringen’ en אֶבְיוֹן (evyon), ‘arme’: de geringen en de arme worden als koopwaar behandeld: voor zilver of voor een paar sandalen.
מַפַּל בַּר (mappal bar), ‘afval van het graan’: het slechte deel van het graan, het kaf en het afval.
8Zal het land hierover niet beven? Zal ieder die erin woont niet rouwen? Het zal helemaal omhoogkomen als de Nijl. Het wordt opgejaagd en zinkt weg als de Nijl van Egypte.
הַ֤עַל
(haal)
is het over
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹֽא
(lo)
niet
תִרְגַּ֣ז
(tirgaz)
zal beven
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְאָבַ֖ל
(veaval)
en zal rouwen
כָּל
(kal)
ieder
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
die woont
בָּ֑הּ
(bah)
erin
וְעָלְתָ֤ה
(vealeta)
en het zal omhoogkomen
כָאֹר֙
(kaor)
als de Nijl
כֻּלָּ֔הּ
(kulah)
geheel
וְנִגְרְשָׁ֥ה
(venigresha)
en het wordt opgejaagd
וְנִשְׁקְעָ֖ה
(venishqea)
en het zinkt weg
כִּיא֥וֹר
(kior)
als de Nijl van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
כָּאֹר (ka’or) betekent letterlijk ‘als het licht’.
Wij lezen ‘als de Nijl’, zoals in Amos 9:5, waar כַיְאֹר (kaye’or) staat.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ונשקה (venishqah), een ander werkwoord.
De voorgelezen tekst (qere) heeft וְנִשְׁקְעָה (venishqe’ah), ‘en het zinkt weg’.
9„Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Heer Yahweh, dat Ik de zon laat ondergaan op de middag. Ik maak het donker over het land op een lichte dag.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal gebeuren
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהֵבֵאתִ֥י
(veheveti)
en Ik zal laten komen
הַשֶּׁ֖מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
בַּֽצָּהֳרָ֑יִם
(batsahorayim)
op de middag
וְהַחֲשַׁכְתִּ֥י
(vehachashakhti)
en Ik zal donker maken
לָאָ֖רֶץ
(laarets)
het land
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
אֽוֹר
(or)
licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵבֵאתִי הַשֶּׁמֶשׁ (hevetie hashemesh), ‘Ik laat de zon ondergaan’: letterlijk ‘Ik laat de zon komen’.
De zon gaat op de middag onder: een verduistering of een plotselinge nacht.
10Ik verander jullie feesten in rouw en al jullie liederen in een klaaglied. Ik leg rouwkleed op alle heupen en kaalheid op elk hoofd. Ik maak het als de rouw om een enige zoon, en het einde ervan als een bittere dag.
וְהָפַכְתִּ֨י
(vehafakhti)
en Ik zal veranderen
חַגֵּיכֶ֜ם
(chageikhem)
jullie feesten
לְאֵ֗בֶל
(leevel)
in rouw
וְכָל
(vekhal)
en al
שִֽׁירֵיכֶם֙
(shireikhem)
jullie liederen
לְקִינָ֔ה
(leqina)
in een klaaglied
וְהַעֲלֵיתִ֤י
(vehaaleiti)
en Ik zal laten opkomen
עַל
(al)
op
כָּל
(kal)
alle
מָתְנַ֨יִם֙
(matenayim)
heupen
שָׂ֔ק
(saq)
rouwkleed
וְעַל
(veal)
en op
כָּל
(kal)
elk
רֹ֖אשׁ
(rosh)
hoofd
קָרְחָ֑ה
(qarecha)
kaalheid
וְשַׂמְתִּ֨יהָ֙
(vesamtiha)
en Ik zal het maken
כְּאֵ֣בֶל
(keevel)
als de rouw om
יָחִ֔יד
(yachid)
een enige
וְאַחֲרִיתָ֖הּ
(veacharitah)
en het einde ervan
כְּי֥וֹם
(keyom)
als een dag
מָֽר
(mar)
bitter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grof kleed dat men uit rouw om de heupen droeg.
יָחִיד (yachid), ‘een enige zoon’: het zwaarste verlies voor een ouder.
11Zie, er komen dagen, godsspraak van Heer Yahweh, dat Ik honger in het land zal zenden. Niet honger naar brood en niet dorst naar water, maar naar het horen van de woorden van Yahweh.”
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
בָּאִ֗ים
(baim)
komende
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִשְׁלַחְתִּ֥י
(vehishlachti)
en Ik zal zenden
רָעָ֖ב
(raav)
honger
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
לֹֽא
(lo)
niet
רָעָ֤ב
(raav)
honger
לַלֶּ֨חֶם֙
(lalechem)
naar brood
וְלֹֽא
(velo)
en niet
צָמָ֣א
(tsama)
dorst
לַמַּ֔יִם
(lamayim)
naar water
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
wel
לִשְׁמֹ֔עַ
(lishmoa)
naar het horen van
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָעָב (ra’av), ‘honger’: Yahweh zendt een honger die niet naar brood is, maar naar Zijn woord.
12Zij zullen heen en weer zwalken, van zee tot zee en van het noorden tot het oosten. Zij zullen rondtrekken om het woord van Yahweh te zoeken, maar zij zullen het niet vinden.
וְנָעוּ֙
(venau)
en zij zullen zwalken
מִיָּ֣ם
(miyam)
van zee
עַד
(ad)
tot
יָ֔ם
(yam)
zee
וּמִצָּפ֖וֹן
(umitsafon)
en van het noorden
וְעַד
(vead)
en tot
מִזְרָ֑ח
(mizrach)
het oosten
יְשֽׁוֹטְט֛וּ
(yeshotetu)
zij zullen rondtrekken
לְבַקֵּ֥שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִמְצָֽאוּ
(yimtsau)
zullen zij vinden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִיָּם עַד־יָם (miyyam ad yam), ‘van zee tot zee’: het gebied van het volk, van de ene zee naar de andere.
14Zij die zweren bij de schuld van Samaria, zeggen: „Zo waar je god leeft, Dan!” en: „Zo waar de weg naar Beër-Sjeba leeft!” Zij zullen vallen en nooit meer opstaan.
הַנִּשְׁבָּעִים֙
(hanishbaim)
die zweren
בְּאַשְׁמַ֣ת
(beashmat)
bij de schuld van
שֹֽׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en zeggen
חֵ֤י
(chei)
zo waar leeft
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je god
דָּ֔ן
(dan)
Dan
וְחֵ֖י
(vechei)
en zo waar leeft
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
בְּאֵֽר
(beer)
Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וְנָפְל֖וּ
(venafelu)
en zij zullen vallen
וְלֹא
(velo)
en niet
יָק֥וּמוּ
(yaqumu)
zullen zij opstaan
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Dan: Dan, in het uiterste noorden van het land, was een koninklijk heiligdom van het Noordrijk (1 Koningen 12:29).
Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.
Uitleg
אַשְׁמַת שֹׁמְרוֹן (ashmat Shomron), ‘de schuld van Samaria’: sommigen denken aan de naam van een afgod van Samaria (vergelijk 2 Kon. 17:30).
חֵי אֱלֹהֶיךָ דָּן (chei eloheikha Dan), ‘zo waar je god leeft, Dan’: een eed bij de god van Dan. Daar stond een gouden kalf (1 Kon. 12:29).
דֶּרֶךְ בְּאֵר שָׁבַע (derekh Be’er Sheva), ‘de weg naar Beër-Sjeba’: de pelgrimsroute of de godsdienst van die plaats. Vergelijk Amos 5:5.