Open in de app Alle boeken Spreuken ← 5 7 → Spreuken 6 Borg staan, de luiaard, de man van Belial, zes dingen die Yahweh haat, overspel
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Borg staan 1 Mijn zoon, als je borg bent geworden voor je naaste, als je voor een vreemde een handslag hebt gegeven,
עָרַ֣בְתָּ
(aravta)
je borg bent geworden
לְרֵעֶ֑ךָ
(lereekha)
voor je naaste
תָּקַ֖עְתָּ
(taqata)
je hebt geslagen
לַזָּ֣ר
(lazar)
voor een vreemde
כַּפֶּֽיךָ
(kapeikha)
je handpalmen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרַבְתָּ (aravta), ‘je bent borg geworden’: je hebt je verplicht om de schuld van een ander te betalen.
תָּקַעְתָּ כַּפֶּיךָ (taqa’ta kappekha), ‘je hebt je handen geslagen’: een handslag als teken van de afspraak.
Vergelijk Spr. 11:15 en 17:18.
זָר (zar), ‘vreemde’: hier een ander, iemand buiten je eigen kring.
2 dan ben je verstrikt door de woorden van je mond, gevangen door de woorden van je mond.
נוֹקַ֥שְׁתָּ
(noqashta)
verstrikt
בְאִמְרֵי
(beimrei)
door de woorden van
נִ֝לְכַּ֗דְתָּ
(nilkadta)
gevangen
בְּאִמְרֵי
(beimrei)
door de woorden van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 Doe dan dit, mijn zoon, en red jezelf, want je bent in de hand van je naaste gekomen. Ga, buig diep neer en dring aan bij je naasten.
וְֽהִנָּצֵ֗ל
(vehinatsel)
en red jezelf
בָ֤אתָ
(bata)
je bent gekomen
בְכַף
(bekhaf)
in de hand van
הִ֝תְרַפֵּ֗ס
(hitrapes)
buig diep neer
וּרְהַ֥ב
(urehav)
en dring aan
רֵעֶֽיךָ
(reeikha)
bij je naasten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִתְרַפֵּס (hitrappes), ‘buig diep neer’: letterlijk ‘jezelf onderwerpen, vertrappen’.
רְהַב (rehav), ‘dring aan’: het werkwoord betekent ‘bestormen, met aandrang bestoken’.
4 Geef je ogen geen slaap en je oogleden geen sluimer.
לְעֵינֶ֑יךָ
(leeineikha)
aan je ogen
וּ֝תְנוּמָ֗ה
(utenuma)
en sluimer
לְעַפְעַפֶּֽיךָ
(leafapeikha)
aan je oogleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Red jezelf als een gazelle uit de hand, en als een vogel uit de hand van een vogelaar.
הִ֭נָּצֵל
(hinatsel)
red jezelf
כִּצְבִ֣י
(kitsvi)
als een gazelle
מִיָּ֑ד
(miyad)
uit de hand
וּ֝כְצִפּ֗וֹר
(ukhetsipor)
en als een vogel
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
יָקֽוּשׁ
(yaqush)
een vogelaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws heeft alleen ‘uit de hand’.
Bij de gazelle wordt niet gezegd uit wiens hand.
Wij laten dat zo staan.
Het wordt vaak aangevuld met ‘de jager’.
De luiaard en de mier 6 Ga naar de mier, luiaard. Kijk naar haar wegen en word wijs.
דְרָכֶ֣יהָ
(derakheiha)
haar wegen
וַחֲכָֽם
(vachakham)
en word wijs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָצֵל (atsel), ‘luiaard’: iemand die niet wil werken.
Het woord komt vaker voor in Spreuken (zie 6:9; 10:26; 13:4).
נְמָלָה (nemalah), ‘mier’: de mier is hier het voorbeeld van wijsheid zonder bevel van boven.
7 Zij heeft geen aanvoerder, geen opzichter en geen heerser.
קָצִ֗ין
(qatsin)
aanvoerder
וּמֹשֵֽׁל
(umoshel)
en heerser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָצִין (qatsin), ‘aanvoerder’; שֹׁטֵר (shoter), ‘opzichter’; מֹשֵׁל (moshel), ‘heerser’.
Drie namen voor wie leiding geeft.
8 Zij bereidt in de zomer haar brood. Zij verzamelt in de oogst haar voedsel.
תָּכִ֣ין
(takhin)
zij bereidt
בַּקַּ֣יִץ
(baqayits)
in de zomer
לַחְמָ֑הּ
(lachmah)
haar brood
אָגְרָ֥ה
(agera)
zij verzamelt
בַ֝קָּצִ֗יר
(baqatsir)
in de oogst
מַאֲכָלָֽהּ
(maakhalah)
haar voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Hoelang nog blijf je liggen, luiaard? Wanneer sta je op uit je slaap?
תִּשְׁכָּ֑ב
(tishkav)
zul je liggen
מִשְּׁנָתֶֽךָ
(mishenatekha)
uit je slaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Een beetje slaap, een beetje sluimer, een beetje de handen ineenslaan om te liggen.
תְּנוּמ֑וֹת
(tenumot)
sluimer
חִבֻּ֖ק
(chibuq)
het ineenslaan van
יָדַ֣יִם
(yadayim)
de handen
לִשְׁכָּֽב
(lishkav)
om te liggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers heeft geen werkwoord: ‘een beetje slaap, een beetje sluimer, een beetje handen vouwen om te liggen’.
Spr. 24:33 heeft dezelfde woorden.
11 En je armoede zal komen als een rondtrekker, en je gebrek als een man met een schild.
וּבָֽא
(uva)
en zij zal komen
כִמְהַלֵּ֥ךְ
(kimhalekh)
als een rondtrekker
רֵאשֶׁ֑ךָ
(reshekha)
je armoede
וּ֝מַחְסֹֽרְךָ֗
(umachsorekha)
en je gebrek
כְּאִ֣ישׁ
(keish)
als een man met
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֵאשֶׁךָ (reshekha), ‘je armoede’: van het woord רֵישׁ (resh), ‘armoede’.
מְהַלֵּךְ (mehallekh), ‘zwerver’: iemand die rondtrekt. Dit beeld is meerduidig; het kan ook ‘rover’ bedoelen.
אִישׁ מָגֵן (ish magen), ‘gewapend man’: letterlijk ‘man van een schild’.
De man van Belial 12 Een man van Belial, een man van onheil, gaat rond met een verdraaide mond.
בְּ֭לִיַּעַל
(beliyaal)
Belial
ה֝וֹלֵ֗ךְ
(holekh)
gaat rond
עִקְּשׁ֥וּת
(iqeshut)
met verdraaidheid van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: ‘nietswaardigheid, onheil’.
Het woord staat hier voor een slecht mens.
Vergelijk ‘zonen van Belial’ in 1 Sam. 2:12.
Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.
13 Hij knipoogt met zijn oog, hij schraapt met zijn voet, hij wijst met zijn vingers.
בְּ֭עֵינָו
(beeinav)
met zijn oog
בְּרַגְלָ֑ו
(beraglav)
met zijn voet
בְּאֶצְבְּעֹתָֽיו
(beetsbeotav)
met zijn vingers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קֹרֵץ (qorets) ‘knipoogt’, מֹלֵל (molel) ‘schraapt’ (of ‘maakt een gebaar’), מֹרֶה (moreh) ‘wijst’: drie heimelijke gebaren waarmee hij zijn slechte bedoelingen overbrengt zonder woorden.
De betekenis van het middelste werkwoord is onzeker.
14 Verdraaidheid is in zijn hart. Hij smeedt kwaad, op elk moment. Hij stuurt twisten uit.
תַּֽהְפֻּכ֨וֹת
(tahpukhot)
verdraaidheden
בְּלִבּ֗וֹ
(belibo)
in zijn hart
מִדְיָנִ֥ים
(midyanim)
twisten
יְשַׁלֵּֽחַ
(yeshaleach)
stuurt hij uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is מדנים (medanim), ‘twisten’.
De gelezen vorm (qere) is מִדְיָנִים (midyanim), ook ‘twisten’.
De betekenis blijft gelijk.
Zie ook vers 19.
15 Daarom komt zijn ramp plotseling. In een oogwenk wordt hij gebroken, en er is geen genezing.
פִּ֭תְאֹם
(pitom)
plotseling
פֶּ֥תַע
(peta)
in een oogwenk
יִ֝שָּׁבֵ֗ר
(yishaver)
wordt hij gebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zes dingen die Yahweh haat 16 Zes zijn het die Yahweh haat, en zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel:
הֵ֭נָּה
(hena)
zij zijn het
וְ֝שֶׁ֗בַע
(vesheva)
en zeven
תּוֹעֲבַ֥ת
(toavat)
gruwel van
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
Zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֶׁשׁ … וְשֶׁבַע (shesh… veshevaʿ), ‘zes… en zeven’: een getalspreuk.
Eerst een rond getal, daarna één erbij; de lijst loopt dus tot zeven.
Vergelijk Job 5:19 en Spr. 30:15–31.
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord betekent ook ‘leven’, ‘persoon’ of ‘begeerte’. Bij Yahweh bedoelt het Hemzelf, Zijn innerlijk.
תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: iets waar Yahweh een afkeer van heeft.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is תועבות (to’evot), ‘gruwelen’.
De gelezen vorm (qere) is תּוֹעֲבַת (to’avat), ‘gruwel van’.
Wij volgen de gelezen vorm.
17 hoogmoedige ogen, een leugentong, en handen die onschuldig bloed vergieten;
וְ֝יָדַ֗יִם
(veyadayim)
en handen
שֹׁפְכ֥וֹת
(shofekhot)
die vergieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵינַיִם רָמוֹת (enayim ramot): letterlijk ‘hoge ogen’.
Het gaat om hoogmoedige blikken.
18 een hart dat plannen van onheil smeedt, voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen;
חֹ֭רֵשׁ
(choresh)
dat smeedt
מַחְשְׁב֣וֹת
(machshevot)
plannen van
רַגְלַ֥יִם
(raglayim)
voeten
מְ֝מַהֲר֗וֹת
(memaharot)
die zich haasten
לָר֥וּץ
(laruts)
om te rennen
לָֽרָעָה
(laraa)
naar het kwade
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 een valse getuige die leugens uitblaast, en wie twisten tussen broers uitstuurt.
יָפִ֣יחַ
(yafiach)
hij blaast uit
כְּ֭זָבִים
(kezavim)
leugens
וּמְשַׁלֵּ֥חַ
(umeshaleach)
en hij die uitstuurt
מְ֝דָנִ֗ים
(medanim)
twisten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het geschreven woord (ketiv) מדנים (medanim) en de gelezen vorm zijn hier gelijk: ‘twisten’.
Het werkwoord שָׁלַח (shalach), ‘uitsturen’, staat ook in vers 14.
Het onderwijs van vader en moeder 20 Bewaar, mijn zoon, het gebod van je vader en verlaat het onderwijs van je moeder niet.
מִצְוַ֣ת
(mitsvat)
het gebod van
תִּ֝טֹּ֗שׁ
(titosh)
verlaat
תּוֹרַ֥ת
(torat)
het onderwijs van
אִמֶּֽךָ
(imekha)
je moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers lijkt op Spr. 1:8, maar hier staat ‘gebod’ (mitsvah) voor de vader en ‘onderwijs’ (torah) voor de moeder.
21 Bind ze voortdurend op je hart. Doe ze om je hals.
קָשְׁרֵ֣ם
(qasherem)
bind ze
תָמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
עָ֝נְדֵ֗ם
(anedem)
doe ze om
גַּרְגְּרֹתֶֽךָ
(gargerotekha)
je hals
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 Als je rondgaat, leidt het je. Als je ligt, waakt het over je. En als je wakker wordt, spreekt het met je.
בְּהִתְהַלֶּכְךָ֨
(behithalekhkha)
bij je rondgaan
תַּנְחֶ֬ה
(tanche)
zal het leiden
בְּֽ֭שָׁכְבְּךָ
(beshakhbekha)
bij je liggen
תִּשְׁמֹ֣ר
(tishmor)
zal het waken
וַ֝הֲקִיצ֗וֹתָ
(vahaqitsota)
en bij het wakker worden
תְשִׂיחֶֽךָ
(tesichekha)
zal spreken met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In het Hebreeuws staat alles in het vrouwelijk enkelvoud: het gaat om het gebod en het onderwijs samen.
Wij schrijven ‘het’.
23 Want een lamp is het gebod en licht het onderwijs, en een weg van het leven zijn de terechtwijzingen van de tucht,
וְת֣וֹרָה
(vetora)
en onderwijs
וְדֶ֥רֶךְ
(vederekh)
en weg van
תּוֹכְח֥וֹת
(tokhechot)
terechtwijzingen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Waarschuwing tegen overspel 24 om je te bewaren voor een slechte vrouw, voor de gladheid van de tong van een vreemde vrouw.
לִ֭שְׁמָרְךָ
(lishmarekha)
om je te bewaren
מֵאֵ֣שֶׁת
(meeshet)
voor een vrouw van
מֵֽ֝חֶלְקַ֗ת
(mechelqat)
voor de gladheid van
נָכְרִיָּֽה
(nakheriya)
een vreemde vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָכְרִיָּה (nokriyah), ‘vreemde vrouw’: zie Spr. 2:16 en 5:3.
Lezing
אֵשֶׁת רָע (eshet ra), ‘slechte vrouw’: letterlijk ‘vrouw van het kwade’.
De geschreven medeklinkers kunnen ook gelezen worden als ‘vrouw van een ander’ (reʿa).
Sommige oude vertalingen lijken dat te lezen.
Wij volgen de Masoretische lezing.
25 Begeer haar schoonheid niet in je hart. Laat haar je niet meenemen met haar oogleden.
יָ֭פְיָהּ
(yafeyah)
haar schoonheid
בִּלְבָבֶ֑ךָ
(bilvavekha)
in je hart
תִּ֝קָּֽחֲךָ֗
(tiqachakha)
laat haar je meenemen
בְּעַפְעַפֶּֽיהָ
(beafapeiha)
met haar oogleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Want om een hoer gaat het tot een brood toe, maar de vrouw van een man jaagt op een kostbaar leven.
וְאֵ֥שֶׁת
(veeshet)
en de vrouw van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk.
Het Hebreeuws heeft geen werkwoord in de eerste helft: ‘want om een hoer, tot aan een brood’.
Er zijn twee lezingen: (1) een hoer kost hooguit een brood; (2) door een hoer kom je tot een brood, dat wil zeggen tot armoede.
Wij laten de zin dicht bij het Hebreeuws.
נֶפֶשׁ יְקָרָה (nefesh yeqarah), ‘kostbaar leven’: letterlijk ‘kostbare ziel’.
27 Kan een man vuur in zijn boezem scheppen zonder dat zijn kleren verbranden?
הֲיַחְתֶּ֤ה
(hayachte)
zal scheppen
בְּחֵיק֑וֹ
(becheiqo)
in zijn boezem
וּ֝בְגָדָ֗יו
(uvegadav)
en zijn kleren
תִשָּׂרַֽפְנָה
(tisarafna)
zullen verbranden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יַחְתֶּה (yachteh), ‘scheppen’: vuur of gloeiende kolen met de hand oppakken.
28 Of kan een man over gloeiende kolen lopen zonder dat zijn voeten verschroeid worden?
יְהַלֵּ֣ךְ
(yehalekh)
zal lopen
הַגֶּחָלִ֑ים
(hagechalim)
de kolen
וְ֝רַגְלָ֗יו
(veraglav)
en zijn voeten
תִכָּוֶֽינָה
(tikaveina)
zullen verschroeid worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 Zo is wie naar de vrouw van zijn naaste toe gaat: niemand die haar aanraakt, blijft ongestraft.
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
de vrouw van
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
יִ֝נָּקֶ֗ה
(yinaqe)
blijft ongestraft
הַנֹּגֵ֥עַ
(hanogea)
die aanraakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַבָּא אֶל (habba el), ‘wie binnengaat tot’: een omschrijving voor gemeenschap hebben met een vrouw.
Wij vertalen ‘naar … toe gaat’.
30 Men veracht een dief niet als hij steelt om zijn ziel te vullen, wanneer hij honger heeft.
יָב֣וּזוּ
(yavuzu)
men veracht
לַ֭גַּנָּב
(laganav)
de dief
יִגְנ֑וֹב
(yignov)
hij steelt
לְמַלֵּ֥א
(lemale)
om te vullen
נַ֝פְשׁ֗וֹ
(nafsho)
zijn ziel
יִרְעָֽב
(yirav)
hij honger heeft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de begeerte, de honger die vervuld wil worden.
31 Maar wordt hij gevonden, dan betaalt hij zevenvoudig. Hij geeft al het vermogen van zijn huis.
וְ֭נִמְצָא
(venimtsa)
en wordt gevonden
יְשַׁלֵּ֣ם
(yeshalem)
hij zal betalen
שִׁבְעָתָ֑יִם
(shivatayim)
zevenvoudig
ה֖וֹן
(hon)
het vermogen van
יִתֵּֽן
(yiten)
hij zal geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Wie overspel pleegt met een vrouw, is zonder hart. Wie zijn ziel verderft, die doet dit.
נֹאֵ֣ף
(noef)
pleger van overspel met
מַֽשְׁחִ֥ית
(mashchit)
verderver van
נַ֝פְשׁ֗וֹ
(nafsho)
zijn ziel
יַעֲשֶֽׂנָּה
(yaasena)
doet dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲסַר לֵב (chasar lev), ‘zonder hart’: iemand zonder verstand.
Zo ook Spr. 7:7 en 9:4.
Het hart is in het Hebreeuws de plaats van denken en oordelen.
33 Een slag en schande vindt hij, en zijn smaad wordt niet uitgewist.
וְקָל֥וֹן
(veqalon)
en schande
יִמְצָ֑א
(yimtsa)
vindt hij
וְ֝חֶרְפָּת֗וֹ
(vecherpato)
en zijn smaad
תִמָּחֶֽה
(timache)
wordt uitgewist
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶגַע (nega), ‘slag’: een klap of plaag.
De man krijgt een slag en schande; zijn smaad blijft.
34 Want naijver is de woede van een man, en hij spaart niet op de dag van de wraak.
יַ֝חְמ֗וֹל
(yachmol)
spaart hij
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִנְאָה (qin’ah), ‘naijver’: de felle ijver van een man voor zijn vrouw.
נָקָם (naqam), ‘wraak’.
35 Hij neemt geen enkel losgeld aan en stemt niet in, hoeveel steekpenning je ook aanbiedt.
יִ֭שָּׂא
(yisa)
neemt hij aan
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
יֹ֝אבֶ֗ה
(yove)
stemt hij in
תַרְבֶּה
(tarbe)
je vermenigvuldigt
שֹֽׁחַד
(shochad)
steekpenning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֹא יִשָּׂא פְּנֵי (lo yissa penei), ‘hij neemt het gezicht niet aan’: hij kijkt niet naar het losgeld.
כֹּפֶר (kofer), ‘losgeld’: de betaling waarmee men zich vrijkoopt. Vergelijk Exod. 21:30.
שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: wat men aanbiedt om iemand om te kopen of om te bewegen toe te geven; zo ook Spr. 17:8 en 17:23.