Elohim Bijbel

Genesis 4

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Kaïn en Abel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Kaïn en Abel

1Adam had gemeenschap met Eva, zijn vrouw. Ze werd zwanger en beviel van Kaïn. Ze zei: „Ik heb een jongen gekregen, met behulp van Yahweh.”
וְהָ֣אָדָ֔ם
(vehaadam)
en Adam
יָדַ֖ע
(yada)
kende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חַוָּ֣ה
(chava)
Eva
אִשְׁתּ֑וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַתַּ֨הַר֙
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קַ֔יִן
(qayin)
Kaïn
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en ze zei
קָנִ֥יתִי
(qaniti)
ik heb verworven
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֶת
(et)
met
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

יָדַע (yada), ‘kennen’, is hier lichamelijke gemeenschap; zo ook in 4:17 en 4:25.

וְהָאָדָם (vehaadam), letterlijk ‘en de mens’, met lidwoord.

Hier staat ‘Adam’, omdat het om de man van Eva gaat.

Ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier de naam; zie de voetnoot bij Gen. 2:16.

קָנִיתִי (qaniti) is ‘ik heb verworven, gekregen’; het klinkt aan op קַיִן (Qayin), ‘Kaïn’.

‘Gekregen’ geeft de geboorte weer; dezelfde wortel betekent in 14:19 ‘bezitten’ (‘bezitter van hemel en aarde’).

אִישׁ (ish), ‘man’, is hier weergegeven als ‘jongen’, omdat het om een pasgeboren kind gaat.

אֶת־יהוה (et-YHWH): letterlijk ‘met Yahweh’; ‘met behulp van Yahweh’ is een weergave.

Er staat אֶת (et), ‘met’, en niet מִן (min), ‘van’: Yahweh is niet de vader.

De vader is Adam.

Het kan zijn dat zij daadwerkelijk de bijstand heeft ervaren van Yahweh, omdat niemand tot dan enige ervaring had met een geboorte.

‘Met behulp van Yahweh’ past dan goed als weergave.

Lezing

Eva is de eerste vrouw ooit die een kind baart.

2Daarna beviel ze ook van zijn broer Abel. Abel werd herder van schapen en geiten en Kaïn werd een bewerker van de grond.
וַתֹּ֣סֶף
(vatosef)
en ze voegde toe
לָלֶ֔דֶת
(laledet)
te baren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָ֑בֶל
(havel)
Abel
וַֽיְהִי
(vayhi)
en hij was
הֶ֨בֶל֙
(hevel)
Abel
רֹ֣עֵה
(roe)
herder van
צֹ֔אן
(tson)
kleinvee
וְקַ֕יִן
(veqayin)
en Kaïn
הָיָ֖ה
(haya)
was
עֹבֵ֥ד
(oved)
bewerker van
אֲדָמָֽה
(adama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De offergaven

3Na verloop van tijd bracht Kaïn een offergave aan Yahweh, van de vrucht van de grond.
וַֽיְהִ֖י
(vayhi)
en het gebeurde
מִקֵּ֣ץ
(miqets)
aan het einde van
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וַיָּבֵ֨א
(vayave)
en hij bracht
קַ֜יִן
(qayin)
Kaïn
מִפְּרִ֧י
(miperi)
van de vrucht van
הָֽאֲדָמָ֛ה
(haadama)
de grond
מִנְחָ֖ה
(mincha)
offergave
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘offergave’, is hier een algemeen woord voor een gave aan Yahweh.

In de wet van Mozes wordt het later de naam van het graanoffer (Leviticus 2).

De tekst zegt niet waarom Yahweh de gave van Abel wel aannam en die van Kaïn niet; vers 4 noemt de eerstgeborenen en het vet van de kudde, de beste delen.

4Ook Abel bracht iets: van de eerstgeborenen van zijn kudde en van hun vet. Yahweh keek vriendelijk naar Abel en zijn offergave,
וְהֶ֨בֶל
(vehevel)
en Abel
הֵבִ֥יא
(hevi)
bracht
גַם
(gam)
ook
ה֛וּא
(hu)
hij
מִבְּכֹר֥וֹת
(mibekhorot)
van de eerstgeborenen van
צֹאנ֖וֹ
(tsono)
zijn kleinvee
וּמֵֽחֶלְבֵהֶ֑ן
(umechelvehen)
en van hun vet
וַיִּ֣שַׁע
(vayisha)
en Hij keek met welgevallen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
הֶ֖בֶל
(hevel)
Abel
וְאֶל
(veel)
en naar
מִנְחָתֽוֹ
(minchato)
zijn offergave
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5maar naar Kaïn en zijn offergave keek Hij niet om. Kaïn werd zeer kwaad en zijn gezicht werd somber.
וְאֶל
(veel)
en naar
קַ֥יִן
(qayin)
Kaïn
וְאֶל
(veel)
en naar
מִנְחָת֖וֹ
(minchato)
zijn offergave
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁעָ֑ה
(shaa)
Hij keek met welgevallen
וַיִּ֤חַר
(vayichar)
en het ontbrandde
לְקַ֨יִן֙
(leqayin)
voor Kaïn
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en ze vielen
פָּנָֽיו
(panav)
zijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Kaïn bracht wel de vrucht van zijn grond, maar misschien niet specifiek het beste deel.

Hebr. 11:4 zegt dat Abel door geloof een beter offer bracht, en 1 Joh. 3:12 zegt dat Kaïns werken boos waren.

Het kan dus ook om Kaïns hartgesteldheid gaan, die niet goed was.

Dat hij boos werd toen Yahweh zijn offer niet aanzag, en direct daarna, ondanks Yahweh’s waarschuwing (4:7), zijn broer doodsloeg, wijst op een fundamenteel verkeerde houding.

Lezing

Abel bracht het beste van zijn opbrengst: de eerstgeborenen van zijn kudde en hun vet.

6Yahweh zei tegen Kaïn: „Waarom ben je kwaad, en waarom is je gezicht somber geworden?
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
קָ֑יִן
(qayin)
Kaïn
לָ֚מָּה
(lama)
waarom
חָ֣רָה
(chara)
is het ontbrand
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
וְלָ֖מָּה
(velama)
en waarom
נָפְל֥וּ
(nafelu)
zijn ze gevallen
פָנֶֽיךָ
(paneikha)
je gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרָה לָךְ (charah lakh), ‘het brandt in je’, staat voor ‘ben je kwaad’.

נָפְלוּ פָנֶיךָ (nafelu fanekha), ‘je gezicht is gevallen’, staat voor ‘is je gezicht somber geworden’: donker kijken.

7Is het niet zo dat je, als je het goede doet, je gezicht kunt opheffen? Maar als je het goede niet doet, ligt de zonde aan de deur op de loer. Naar jou gaat zijn verlangen uit, maar jij moet over hem heersen.”
הֲל֤וֹא
(halo)
is het niet
אִם
(im)
als
תֵּיטִיב֙
(teitiv)
je goed doet
שְׂאֵ֔ת
(seet)
opheffing
וְאִם֙
(veim)
en als
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵיטִ֔יב
(teitiv)
je goed doet
לַפֶּ֖תַח
(lapetach)
bij de deur
חַטָּ֣את
(chatat)
zonde
רֹבֵ֑ץ
(rovets)
neerliggend
וְאֵלֶ֨יךָ֙
(veeleikha)
en naar jou
תְּשׁ֣וּקָת֔וֹ
(teshuqato)
zijn verlangen
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תִּמְשָׁל
(timshal)
zult heersen
בּֽוֹ
(bo)
over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּשׁוּקָה (teshuqah), ‘verlangen’, en מָשַׁל (mashal), ‘heersen’, staan ook in Gen. 3:16.

‘Zijn’ en ‘hem’ zijn de zonde: חַטָּאת (chatat) is vrouwelijk, maar de zonde wordt voorgesteld als een roofdier, en רֹבֵץ (rovets), ‘neerliggend’, is mannelijk.

שְׂאֵת (se’et) betekent ‘opheffing’: een opgeheven gezicht, aanvaarding of vergeving.

תִּמְשָׁל (timshal) is letterlijk ‘jij zult heersen’; de vorm kan ook een opdracht (‘moet’) of mogelijkheid (‘kunt’) uitdrukken.

Hier: ‘moet’, omdat Yahweh Kaïn waarschuwt.

‘Opheffen’ staat tegenover het gevallen gezicht in 4:6.

De moord op Abel

8Kaïn zei tegen zijn broer Abel: „Laten we naar het veld gaan.” Toen ze op het veld waren, stond Kaïn op tegen zijn broer Abel en doodde hem.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
קַ֖יִן
(qayin)
Kaïn
אֶל
(el)
tegen
הֶ֣בֶל
(hevel)
Abel
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
נלכה
(nelkhah)
laten we gaan
השדה
(hasadeh)
naar het veld
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
בִּהְיוֹתָ֣ם
(bihyotam)
toen ze waren
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
op het veld
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en hij stond op
קַ֛יִן
(qayin)
Kaïn
אֶל
(el)
tegen
הֶ֥בֶל
(hevel)
Abel
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
וַיַּהַרְגֵֽהוּ
(vayahargehu)
en hij doodde hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Samaritaanse Pentateuch
Uitleg

In de Masoretische tekst zegt Kaïn iets, maar de woorden ontbreken.

De Septuaginta, de Samaritaanse Pentateuch en de Peshitta hebben: ‘Laten we naar het veld gaan.’

Dit vers volgt hen.

Vergelijk 1 Joh. 3:12.

Aanvullend

Jasher 1:17–25 vertelt een uitgebreider gesprek tussen Kaïn en Abel, over de kudde op Kaïns land, waarna Kaïn Abel met het ijzeren deel van zijn ploeg slaat; dat staat niet in Genesis.

9Yahweh zei tegen Kaïn: „Waar is Abel, je broer?” Kaïn zei: „Ik weet het niet. Ben ik soms de hoeder van mijn broer?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
קַ֔יִן
(qayin)
Kaïn
אֵ֖י
(ei)
waar
הֶ֣בֶל
(hevel)
Abel
אָחִ֑יךָ
(achikha)
je broer
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik weet
הֲשֹׁמֵ֥ר
(hashomer)
(vraag) hoeder
אָחִ֖י
(achi)
mijn broer
אָנֹֽכִי
(anokhi)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het Hebreeuws staat alleen ‘en hij zei’.

‘Kaïn’ is ter verduidelijking ingevuld: het antwoord komt van Kaïn, aan wie Yahweh vroeg waar Abel was.

10Hij zei: „Wat heb je gedaan? Luister: het bloed van je broer schreeuwt naar Mij vanuit de grond.
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשִׂ֑יתָ
(asita)
heb je gedaan
ק֚וֹל
(qol)
stem van
דְּמֵ֣י
(demei)
bloed van
אָחִ֔יךָ
(achikha)
je broer
צֹעֲקִ֥ים
(tsoaqim)
schreeuwend
אֵלַ֖י
(elay)
naar Mij
מִן
(min)
vanuit
הָֽאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vloek over Kaïn

11Nu ben je vervloekt, weg van de grond die haar mond geopend heeft om het bloed van je broer uit jouw hand te ontvangen.
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
אָר֣וּר
(arur)
vervloekt
אָ֑תָּה
(ata)
jij
מִן
(min)
van
הָֽאֲדָמָה֙
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
פָּצְתָ֣ה
(patseta)
ze heeft geopend
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פִּ֔יהָ
(piha)
haar mond
לָקַ֛חַת
(laqachat)
om te ontvangen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דְּמֵ֥י
(demei)
bloed van
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
מִיָּדֶֽךָ
(miyadekha)
uit je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדָמָה (adamah) is de vruchtbare grond, anders dan אֶרֶץ (erets), ‘land, aarde’.

Kaïn wordt van de grond vervloekt waarop hij werkte.

‘Van de grond’ is hier van déze akker, het perceel dat het bloed opnam.

In 4:12 geeft de grond hem haar kracht niet meer; de aarde is waarop hij zwerft.

12Als je deze grond bewerkt, zal ze je haar kracht niet meer geven. Een onrustige zwerver zul je zijn op de aarde.”
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תַֽעֲבֹד֙
(taavod)
je bewerkt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
לֹֽא
(lo)
niet
תֹסֵ֥ף
(tosef)
ze zal toevoegen
תֵּת
(tet)
te geven
כֹּחָ֖הּ
(kochah)
haar kracht
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
נָ֥ע
(na)
zwervend
וָנָ֖ד
(vanad)
en rusteloos
תִּֽהְיֶ֥ה
(tihye)
je zult zijn
בָאָֽרֶץ
(baarets)
op de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּי תַעֲבֹד אֶת־הָאֲדָמָה (ki ta’avod et-ha’adamah): letterlijk ‘wanneer je de grond bewerkt’.

הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’, is de grond die het bloed van Abel ontving (4:10–11): hetzelfde veld (שָׂדֶה, sadeh) als in 4:8, waar Kaïn hem doodde.

Het lidwoord wijst terug naar die grond; daarom ‘deze’.

Ze geeft Kaïn haar kracht niet meer, want hij is vervloekt (4:11).

13Kaïn zei tegen Yahweh: „Mijn schuld is te groot om te dragen.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
קַ֖יִן
(qayin)
Kaïn
אֶל
(el)
tegen
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
עֲוֺנִ֖י
(avoni)
mijn schuld
מִנְּשֹֽׂא
(mineso)
om te dragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָוֹן (avon) betekent ‘schuld’ en ook ‘straf voor schuld’.

נְשֹׂא (nso) komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ en ‘vergeven’: ‘te groot om te dragen’ of ‘te groot om vergeven te worden’.

14Zie, U hebt mij vandaag verdreven van mijn grond, en ik kan niet meer in Uw nabijheid zijn. Een onrustige zwerver zal ik zijn op de aarde, en ieder die mij vindt, kan mij doden.”
הֵן֩
(hen)
zie
גֵּרַ֨שְׁתָּ
(gerashta)
U hebt verdreven
אֹתִ֜י
(oti)
mij
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
מֵעַל֙
(meal)
van op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
וּמִפָּנֶ֖יךָ
(umipaneikha)
en van Uw gezicht
אֶסָּתֵ֑ר
(esater)
zal ik mij verbergen
וְהָיִ֜יתִי
(vehayiti)
en ik zal zijn
נָ֤ע
(na)
zwervend
וָנָד֙
(vanad)
en rusteloos
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
op de aarde
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָל
(kal)
ieder
מֹצְאִ֖י
(motsei)
die mij vindt
יַֽהַרְגֵֽנִי
(yahargeni)
hij zal mij doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵעַל פְּנֵי הָאֲדָמָה (me’al penei ha’adamah): letterlijk ‘van boven op het gezicht van de grond’.

וּמִפָּנֶיךָ אֶסָּתֵר (umipanekha essater) is letterlijk ‘en van Uw gezicht zal ik verborgen zijn’: buiten Uw aanwezigheid; zie 4:16.

יַהַרְגֵנִי (yaharegeni), letterlijk ‘zal mij doden’, is een onvoltooide tijd en kan ook een mogelijkheid uitdrukken: ‘kan mij doden’.

Het is de grond die Kaïn heeft bewoond en bewerkt (4:2; 4:11–12).

‘Mijn’ staat niet in het Hebreeuws; het geeft weer dat het om de grond gaat waar hij leefde en werkte.

Kaïn spreekt zijn angst uit.

15Yahweh zei tegen hem: „Niet zomaar! Er zal zeven keer wraak genomen worden op ieder die Kaïn doodt.” Yahweh plaatste een teken op Kaïn, zodat niemand die hem vond, hem zou durven doden.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לא
(lo)
niet
כן
(ken)
zo
כָּל
(kal)
ieder
הֹרֵ֣ג
(horeg)
die doodt
קַ֔יִן
(qayin)
Kaïn
שִׁבְעָתַ֖יִם
(shivatayim)
zevenvoudig
יֻקָּ֑ם
(yuqam)
hij zal gewroken worden
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en Hij zette
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לְקַ֨יִן֙
(leqayin)
voor Kaïn
א֔וֹת
(ot)
een teken
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
opdat niet
הַכּוֹת
(hakot)
zou slaan
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
כָּל
(kal)
ieder
מֹצְאֽוֹ
(motseo)
die hem vond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta, Vulgaat en Syrische vertaling
Uitleg

לְבִלְתִּי הַכּוֹת־אֹתוֹ (levilti hakkot-oto): letterlijk ‘om hem niet te slaan’.

‘Zou durven doden’ is een weergave: het teken (אוֹת, ot) houdt niemand lichamelijk tegen, maar maakt dat niemand het aandurft, door de zevenvoudige wraak van de zin ervoor.

‘Niet zomaar!’ geeft de bedoeling weer: Yahweh wijst Kaïns verwachting af dat hij gedood zal worden.

In de Hebreeuwse tekst staat ‘daarom’ (לָכֵן, lakhen).

Kaïn in het gebied Nod

16Kaïn ging weg uit de nabijheid van Yahweh en vestigde zich in het gebied Nod, ten oosten van Eden.
וַיֵּ֥צֵא
(vayetse)
en hij ging uit
קַ֖יִן
(qayin)
Kaïn
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
van voor het gezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land
נ֖וֹד
(nod)
Nod
קִדְמַת
(qidmat)
ten oosten van
עֵֽדֶן
(eden)
Eden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging is ten oosten van Eden: zie de voetnoot bij Gen. 2:8.

Een plaats met de naam Nod is niet teruggevonden.

Uitleg

נוֹד (Nod), ‘zwerven’.

אֶרֶץ (erets) is ‘land, gebied’; hier ‘gebied’, omdat ‘land’ aan een staat met bestuur doet denken.

נוֹד (nod) heeft dezelfde stam als ‘zwerver’ in 4:12.

De nakomelingen van Kaïn

17Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw. Ze werd zwanger en beviel van Henoch. Kaïn bouwde een nederzetting en noemde de nederzetting naar de naam van zijn zoon: Henoch.
וַיֵּ֤דַע
(vayeda)
en hij kende
קַ֨יִן֙
(qayin)
Kaïn
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַתַּ֖הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֲנ֑וֹךְ
(chanokh)
Henoch
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en hij was
בֹּ֣נֶה
(bone)
bouwer van
עִ֔יר
(ir)
een nederzetting
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en hij noemde
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
הָעִ֔יר
(hair)
de nederzetting
כְּשֵׁ֖ם
(keshem)
naar de naam van
בְּנ֥וֹ
(beno)
zijn zoon
חֲנֽוֹךְ
(chanokh)
Henoch
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging van Kaïns nederzetting חֲנוֹךְ (Chanoch; in de tekst: Henoch) is onbekend.

Als Eden in het bergland van Oost-Turkije en Armenië lag (zie de voetnoot bij Gen. 2:8), dan lag de nederzetting ten oosten van dat bergland.

Uitleg

עִיר (ir) is een omheinde woonplaats, hier vertaald als ‘nederzetting’ omdat het niet noodzakelijk een stad is zoals wij die kennen.

Volgens 4:16 woonde Kaïn ten oosten van Eden, dus de nederzetting lag waarschijnlijk ook daar.

Aanvullend

Jubileeën 4:9 noemt Kaïns vrouw Awan, zijn zuster.

18Henoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, Mechujaël de vader van Metusaël, en Metusaël de vader van Lemech.
וַיִּוָּלֵ֤ד
(vayivaled)
en er werd geboren
לַֽחֲנוֹךְ֙
(lachanokh)
aan Henoch
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עִירָ֔ד
(irad)
Irad
וְעִירָ֕ד
(veirad)
en Irad
יָלַ֖ד
(yalad)
verwekte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מְחֽוּיָאֵ֑ל
(mechuyael)
Mechujaël
וּמְחִיּיָאֵ֗ל
(umechiyyael)
en Mechujaël
יָלַד֙
(yalad)
verwekte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מְת֣וּשָׁאֵ֔ל
(metushael)
Metusaël
וּמְתוּשָׁאֵ֖ל
(umetushael)
en Metusaël
יָלַ֥ד
(yalad)
verwekte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
לָֽמֶךְ
(lamekh)
Lemech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Lemech nam twee vrouwen. De ene heette Ada, de tweede Zilla.
וַיִּֽקַּֽח
(vayiqach)
en hij nam
ל֥וֹ
(lo)
voor zich
לֶ֖מֶךְ
(lemekh)
Lemech
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
נָשִׁ֑ים
(nashim)
vrouwen
שֵׁ֤ם
(shem)
naam van
הָֽאַחַת֙
(haachat)
de ene
עָדָ֔ה
(ada)
Ada
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en naam van
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
de tweede
צִלָּֽה
(tsila)
Zilla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֶמֶךְ (Lemech) is de eerste man in de Schrift met twee vrouwen.

Tot hier was het één man en één vrouw (2:24).

Aanvullend

Jasher 2:16–18 noemt Ada en Zilla dochters van Kenan; dat staat niet in Genesis.

20Ada beviel van Jabal. Hij was de vader van hen die in tenten wonen en vee houden.
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en ze baarde
עָדָ֖ה
(ada)
Ada
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יָבָ֑ל
(yaval)
Jabal
ה֣וּא
(hu)
hij
הָיָ֔ה
(haya)
was
אֲבִ֕י
(avi)
vader van
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
bewoner van
אֹ֖הֶל
(ohel)
tent
וּמִקְנֶֽה
(umiqne)
en vee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zijn broer heette Jubal. Hij was de vader van allen die lier en fluit bespelen.
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en naam van
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
יוּבָ֑ל
(yuval)
Jubal
ה֣וּא
(hu)
hij
הָיָ֔ה
(haya)
was
אֲבִ֕י
(avi)
vader van
כָּל
(kal)
ieder
תֹּפֵ֥שׂ
(tofes)
die hanteert
כִּנּ֖וֹר
(kinor)
lier
וְעוּגָֽב
(veugav)
en fluit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Ook Zilla kreeg een zoon: Tubal-Kaïn, die allerlei gereedschap van brons en ijzer smeedde. De zus van Tubal-Kaïn was Naäma.
וְצִלָּ֣ה
(vetsila)
en Zilla
גַם
(gam)
ook
הִ֗וא
(hi)
zij
יָֽלְדָה֙
(yaleda)
baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
תּ֣וּבַל
(tuval)
Tubal
קַ֔יִן
(qayin)
Kaïn
לֹטֵ֕שׁ
(lotesh)
hamerend
כָּל
(kal)
ieder
חֹרֵ֥שׁ
(choresh)
bewerker van
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
brons
וּבַרְזֶ֑ל
(uvarzel)
en ijzer
וַֽאֲח֥וֹת
(vaachot)
en zuster van
תּֽוּבַל
(tuval)
Tubal
קַ֖יִן
(qayin)
Kaïn
נַֽעֲמָֽה
(naama)
Naäma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹטֵשׁ (lotesh) is een onzeker woord: ‘hamerend, scherp makend’.

חֹרֵשׁ (choresh) is een bewerker of ambachtsman en נְחֹשֶׁת (nechoshet) is brons of koper.

De vertaling ‘allerlei gereedschap smeedde’ is een verklaring van deze onzekere zin.

Het lied van Lemech

23Lemech zei tegen zijn vrouwen: „Ada en Zilla, luister naar mijn stem. Vrouwen van Lemech, hoor wat ik zeg: een man heb ik gedood vanwege mijn wond, een jongen vanwege mijn striem.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֶ֜מֶךְ
(lemekh)
Lemech
לְנָשָׁ֗יו
(lenashav)
tot zijn vrouwen
עָדָ֤ה
(ada)
Ada
וְצִלָּה֙
(vetsila)
en Zilla
שְׁמַ֣עַן
(shemaan)
hoor
קוֹלִ֔י
(qoli)
mijn stem
נְשֵׁ֣י
(neshei)
vrouwen van
לֶ֔מֶךְ
(lemekh)
Lemech
הַאְזֵ֖נָּה
(hazena)
luister
אִמְרָתִ֑י
(imrati)
mijn spraak
כִּ֣י
(ki)
want
אִ֤ישׁ
(ish)
een man
הָרַ֨גְתִּי֙
(haragti)
ik heb gedood
לְפִצְעִ֔י
(lefitsi)
voor mijn wond
וְיֶ֖לֶד
(veyeled)
en een jongen
לְחַבֻּרָתִֽי
(lechaburati)
voor mijn striem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ הָרַגְתִּי לְפִצְעִי וְיֶלֶד לְחַבֻּרָתִי (ish haragti lefitsi’i veyeled lechaburati): letterlijk ‘een man heb ik gedood voor mijn wond, en een jongen voor mijn striem’.

Het voorzetsel לְ (le) is hier vertaald met ‘vanwege’; het kan ook ‘zodra’ of ‘tot (mijn) schade’ betekenen.

Lemechs woorden zijn een lied: dichtregels met parallelle halve regels (4:23–24).

De tekst zegt niet of het om één of twee personen gaat.

Lezingen: 1.

Lemech schept op over een buitensporige wraakactie (vgl. 4:24). 2.

Het is een vraag aan zijn vrouwen: ‘Heb ik een man gedood…?’ 3.

Hij verdedigt zich of is bang voor de gevolgen (vgl. 4:15).

Aanvullend

Jasher 2:26–36 vertelt dat de blinde Lemech Kaïn voor een dier aanzag en doodde, en daarna zijn zoon; dat staat niet in Genesis.

Jubileeën 4:31 laat Kaïn omkomen doordat zijn huis instort.

24Als er voor Kaïn zeven keer wraak genomen wordt, dan voor Lemech 77 keer.”
כִּ֥י
(ki)
want
שִׁבְעָתַ֖יִם
(shivatayim)
zevenvoudig
יֻקַּם
(yuqam)
wordt gewroken
קָ֑יִן
(qayin)
Kaïn
וְלֶ֖מֶךְ
(velemekh)
en Lemech
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
וְשִׁבְעָֽה
(veshiva)
en zeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּי שִׁבְעָתַיִם יֻקַּם־קָיִן וְלֶמֶךְ שִׁבְעִים וְשִׁבְעָה (ki shiv'atayim yuqqam-Qayin veLemech shiv'im veshiv'ah).

שִׁבְעָתַיִם (shiv'atayim) is ‘zevenvoudig’.

Het voorzetsel כִּי (ki) is hier vertaald met ‘als’; het kan ook ‘want’ of ‘omdat’ betekenen.

שִׁבְעִים וְשִׁבְעָה (shiv'im veshiv'ah) is letterlijk ‘zeventig en zeven’, dus 77.

Zeven staat voor volheid en zeventig voor overmaat; Lemech stelt zich boven Kaïns bescherming (4:15).

Het Griekse ἑβδομηκοντάκις ἑπτά (Septuaginta; Mattheüs 18:22) kan ook als ‘zeventig maal zeven’ (490) worden gelezen.

Vgl.

Dan. 9:24.

Seth en Enosh

25Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw. Ze kreeg een zoon en noemde hem Seth, want, zei ze: „Elohim heeft mij een andere nakomeling gegeven in plaats van Abel, omdat Kaïn hem gedood heeft.”
וַיֵּ֨דַע
(vayeda)
en hij kende
אָדָ֥ם
(adam)
Adam
עוֹד֙
(od)
weer
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
שֵׁ֑ת
(shet)
Seth
כִּ֣י
(ki)
want
שָֽׁת
(shat)
heeft gesteld
לִ֤י
(li)
mij
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
זֶ֣רַע
(zera)
nageslacht
אַחֵ֔ר
(acher)
ander
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
הֶ֔בֶל
(hevel)
Abel
כִּ֥י
(ki)
want
הֲרָג֖וֹ
(harago)
hij doodde hem
קָֽיִן
(qayin)
Kaïn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

אָדָם (Adam) staat hier zonder lidwoord en is dus met zekerheid een eigennaam.

In 4:1 stond het met lidwoord; ook daar is ‘Adam’ gekozen.

שֵׁת (Seth) klinkt aan op שָׁת (shat), ‘hij heeft gesteld, gegeven’.

זֶרַע (zera) is ‘nageslacht’, hetzelfde woord als in Gen. 3:15; hier als één nakomeling weergegeven, omdat het over Seth gaat.

Zie de voetnoot bij Gen. 2:16.

Seth is de zoon die Abel vervangt.

26Ook Seth kreeg een zoon, en hij noemde hem Enosh. Toen begon men de naam van Yahweh aan te roepen.
וּלְשֵׁ֤ת
(uleshet)
en aan Seth
גַּם
(gam)
ook
הוּא֙
(hu)
hij
יֻלַּד
(yulad)
werd geboren
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
אֱנ֑וֹשׁ
(enosh)
Enosh
אָ֣ז
(az)
toen
הוּחַ֔ל
(huchal)
werd begonnen
לִקְרֹ֖א
(liqro)
aan te roepen
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
de naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱנוֹשׁ (Enosh) betekent ‘mens’, het sterfelijke mens-zijn.

Het aanroepen van de Naam kan hier openbare aanbidding of individuele aanbidding van Seth of van Enosh betekenen.

De tekst laat dat open.

De Naam was al bekend: zie de voetnoot bij Gen. 2:4.

Aanvullend

Jubileeën 4:11–12 zegt dat Enosh de naam van Yahweh begon aan te roepen.