Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Kaïn en Abel
1Adam had gemeenschap met Eva, zijn vrouw. Ze werd zwanger en beviel van Kaïn. Ze zei: „Ik heb een jongen gekregen, met behulp van Yahweh.”
וְהָ֣אָדָ֔ם
(vehaadam)
en Adam
יָדַ֖ע
(yada)
kende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חַוָּ֣ה
(chava)
Eva
אִשְׁתּ֑וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַתַּ֨הַר֙
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קַ֔יִן
(qayin)
Kaïn
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en ze zei
קָנִ֥יתִי
(qaniti)
ik heb verworven
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֶת
(et)
met
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg
יָדַע (yada), ‘kennen’, is hier lichamelijke gemeenschap; zo ook in 4:17 en 4:25.
וְהָאָדָם (vehaadam), letterlijk ‘en de mens’, met lidwoord.
Hier staat ‘Adam’, omdat het om de man van Eva gaat.
Ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier de naam; zie de voetnoot bij Gen. 2:16.
קָנִיתִי (qaniti) is ‘ik heb verworven, gekregen’; het klinkt aan op קַיִן (Qayin), ‘Kaïn’.
‘Gekregen’ geeft de geboorte weer; dezelfde wortel betekent in 14:19 ‘bezitten’ (‘bezitter van hemel en aarde’).
אִישׁ (ish), ‘man’, is hier weergegeven als ‘jongen’, omdat het om een pasgeboren kind gaat.
אֶת־יהוה (et-YHWH): letterlijk ‘met Yahweh’; ‘met behulp van Yahweh’ is een weergave.
Er staat אֶת (et), ‘met’, en niet מִן (min), ‘van’: Yahweh is niet de vader.
De vader is Adam.
Het kan zijn dat zij daadwerkelijk de bijstand heeft ervaren van Yahweh, omdat niemand tot dan enige ervaring had met een geboorte.
‘Met behulp van Yahweh’ past dan goed als weergave.
3Na verloop van tijd bracht Kaïn een offergave aan Yahweh, van de vrucht van de grond.
וַֽיְהִ֖י
(vayhi)
en het gebeurde
מִקֵּ֣ץ
(miqets)
aan het einde van
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וַיָּבֵ֨א
(vayave)
en hij bracht
קַ֜יִן
(qayin)
Kaïn
מִפְּרִ֧י
(miperi)
van de vrucht van
הָֽאֲדָמָ֛ה
(haadama)
de grond
מִנְחָ֖ה
(mincha)
offergave
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִנְחָה (minchah), ‘offergave’, is hier een algemeen woord voor een gave aan Yahweh.
In de wet van Mozes wordt het later de naam van het graanoffer (Leviticus 2).
De tekst zegt niet waarom Yahweh de gave van Abel wel aannam en die van Kaïn niet; vers 4 noemt de eerstgeborenen en het vet van de kudde, de beste delen.
5maar naar Kaïn en zijn offergave keek Hij niet om. Kaïn werd zeer kwaad en zijn gezicht werd somber.
וְאֶל
(veel)
en naar
קַ֥יִן
(qayin)
Kaïn
וְאֶל
(veel)
en naar
מִנְחָת֖וֹ
(minchato)
zijn offergave
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁעָ֑ה
(shaa)
Hij keek met welgevallen
וַיִּ֤חַר
(vayichar)
en het ontbrandde
לְקַ֨יִן֙
(leqayin)
voor Kaïn
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en ze vielen
פָּנָֽיו
(panav)
zijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Kaïn bracht wel de vrucht van zijn grond, maar misschien niet specifiek het beste deel.
Hebr. 11:4 zegt dat Abel door geloof een beter offer bracht, en 1 Joh. 3:12 zegt dat Kaïns werken boos waren.
Het kan dus ook om Kaïns hartgesteldheid gaan, die niet goed was.
Dat hij boos werd toen Yahweh zijn offer niet aanzag, en direct daarna, ondanks Yahweh’s waarschuwing (4:7), zijn broer doodsloeg, wijst op een fundamenteel verkeerde houding.
Lezing
Abel bracht het beste van zijn opbrengst: de eerstgeborenen van zijn kudde en hun vet.
7Is het niet zo dat je, als je het goede doet, je gezicht kunt opheffen? Maar als je het goede niet doet, ligt de zonde aan de deur op de loer. Naar jou gaat zijn verlangen uit, maar jij moet over hem heersen.”
הֲל֤וֹא
(halo)
is het niet
אִם
(im)
als
תֵּיטִיב֙
(teitiv)
je goed doet
שְׂאֵ֔ת
(seet)
opheffing
וְאִם֙
(veim)
en als
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵיטִ֔יב
(teitiv)
je goed doet
לַפֶּ֖תַח
(lapetach)
bij de deur
חַטָּ֣את
(chatat)
zonde
רֹבֵ֑ץ
(rovets)
neerliggend
וְאֵלֶ֨יךָ֙
(veeleikha)
en naar jou
תְּשׁ֣וּקָת֔וֹ
(teshuqato)
zijn verlangen
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תִּמְשָׁל
(timshal)
zult heersen
בּֽוֹ
(bo)
over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּשׁוּקָה (teshuqah), ‘verlangen’, en מָשַׁל (mashal), ‘heersen’, staan ook in Gen. 3:16.
‘Zijn’ en ‘hem’ zijn de zonde: חַטָּאת (chatat) is vrouwelijk, maar de zonde wordt voorgesteld als een roofdier, en רֹבֵץ (rovets), ‘neerliggend’, is mannelijk.
שְׂאֵת (se’et) betekent ‘opheffing’: een opgeheven gezicht, aanvaarding of vergeving.
תִּמְשָׁל (timshal) is letterlijk ‘jij zult heersen’; de vorm kan ook een opdracht (‘moet’) of mogelijkheid (‘kunt’) uitdrukken.
Hier: ‘moet’, omdat Yahweh Kaïn waarschuwt.
‘Opheffen’ staat tegenover het gevallen gezicht in 4:6.
8Kaïn zei tegen zijn broer Abel: „Laten we naar het veld gaan.” Toen ze op het veld waren, stond Kaïn op tegen zijn broer Abel en doodde hem.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
קַ֖יִן
(qayin)
Kaïn
אֶל
(el)
tegen
הֶ֣בֶל
(hevel)
Abel
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
נלכה
(nelkhah)
laten we gaan
השדה
(hasadeh)
naar het veld
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
בִּהְיוֹתָ֣ם
(bihyotam)
toen ze waren
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
op het veld
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en hij stond op
קַ֛יִן
(qayin)
Kaïn
אֶל
(el)
tegen
הֶ֥בֶל
(hevel)
Abel
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
וַיַּהַרְגֵֽהוּ
(vayahargehu)
en hij doodde hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Samaritaanse Pentateuch
Uitleg
In de Masoretische tekst zegt Kaïn iets, maar de woorden ontbreken.
De Septuaginta, de Samaritaanse Pentateuch en de Peshitta hebben: ‘Laten we naar het veld gaan.’
Dit vers volgt hen.
Vergelijk 1 Joh. 3:12.
Aanvullend
Jasher 1:17–25 vertelt een uitgebreider gesprek tussen Kaïn en Abel, over de kudde op Kaïns land, waarna Kaïn Abel met het ijzeren deel van zijn ploeg slaat; dat staat niet in Genesis.
12Als je deze grond bewerkt, zal ze je haar kracht niet meer geven. Een onrustige zwerver zul je zijn op de aarde.”
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תַֽעֲבֹד֙
(taavod)
je bewerkt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
לֹֽא
(lo)
niet
תֹסֵ֥ף
(tosef)
ze zal toevoegen
תֵּת
(tet)
te geven
כֹּחָ֖הּ
(kochah)
haar kracht
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
נָ֥ע
(na)
zwervend
וָנָ֖ד
(vanad)
en rusteloos
תִּֽהְיֶ֥ה
(tihye)
je zult zijn
בָאָֽרֶץ
(baarets)
op de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּי תַעֲבֹד אֶת־הָאֲדָמָה (ki ta’avod et-ha’adamah): letterlijk ‘wanneer je de grond bewerkt’.
הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’, is de grond die het bloed van Abel ontving (4:10–11): hetzelfde veld (שָׂדֶה, sadeh) als in 4:8, waar Kaïn hem doodde.
Het lidwoord wijst terug naar die grond; daarom ‘deze’.
Ze geeft Kaïn haar kracht niet meer, want hij is vervloekt (4:11).
14Zie, U hebt mij vandaag verdreven van mijn grond, en ik kan niet meer in Uw nabijheid zijn. Een onrustige zwerver zal ik zijn op de aarde, en ieder die mij vindt, kan mij doden.”
הֵן֩
(hen)
zie
גֵּרַ֨שְׁתָּ
(gerashta)
U hebt verdreven
אֹתִ֜י
(oti)
mij
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
מֵעַל֙
(meal)
van op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
וּמִפָּנֶ֖יךָ
(umipaneikha)
en van Uw gezicht
אֶסָּתֵ֑ר
(esater)
zal ik mij verbergen
וְהָיִ֜יתִי
(vehayiti)
en ik zal zijn
נָ֤ע
(na)
zwervend
וָנָד֙
(vanad)
en rusteloos
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
op de aarde
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָל
(kal)
ieder
מֹצְאִ֖י
(motsei)
die mij vindt
יַֽהַרְגֵֽנִי
(yahargeni)
hij zal mij doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵעַל פְּנֵי הָאֲדָמָה (me’al penei ha’adamah): letterlijk ‘van boven op het gezicht van de grond’.
וּמִפָּנֶיךָ אֶסָּתֵר (umipanekha essater) is letterlijk ‘en van Uw gezicht zal ik verborgen zijn’: buiten Uw aanwezigheid; zie 4:16.
יַהַרְגֵנִי (yaharegeni), letterlijk ‘zal mij doden’, is een onvoltooide tijd en kan ook een mogelijkheid uitdrukken: ‘kan mij doden’.
Het is de grond die Kaïn heeft bewoond en bewerkt (4:2; 4:11–12).
‘Mijn’ staat niet in het Hebreeuws; het geeft weer dat het om de grond gaat waar hij leefde en werkte.
15Yahweh zei tegen hem: „Niet zomaar! Er zal zeven keer wraak genomen worden op ieder die Kaïn doodt.” Yahweh plaatste een teken op Kaïn, zodat niemand die hem vond, hem zou durven doden.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לא
(lo)
niet
כן
(ken)
zo
כָּל
(kal)
ieder
הֹרֵ֣ג
(horeg)
die doodt
קַ֔יִן
(qayin)
Kaïn
שִׁבְעָתַ֖יִם
(shivatayim)
zevenvoudig
יֻקָּ֑ם
(yuqam)
hij zal gewroken worden
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en Hij zette
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לְקַ֨יִן֙
(leqayin)
voor Kaïn
א֔וֹת
(ot)
een teken
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
opdat niet
הַכּוֹת
(hakot)
zou slaan
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
כָּל
(kal)
ieder
מֹצְאֽוֹ
(motseo)
die hem vond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta, Vulgaat en Syrische vertaling
Uitleg
לְבִלְתִּי הַכּוֹת־אֹתוֹ (levilti hakkot-oto): letterlijk ‘om hem niet te slaan’.
‘Zou durven doden’ is een weergave: het teken (אוֹת, ot) houdt niemand lichamelijk tegen, maar maakt dat niemand het aandurft, door de zevenvoudige wraak van de zin ervoor.
‘Niet zomaar!’ geeft de bedoeling weer: Yahweh wijst Kaïns verwachting af dat hij gedood zal worden.
In de Hebreeuwse tekst staat ‘daarom’ (לָכֵן, lakhen).
17Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw. Ze werd zwanger en beviel van Henoch. Kaïn bouwde een nederzetting en noemde de nederzetting naar de naam van zijn zoon: Henoch.
וַיֵּ֤דַע
(vayeda)
en hij kende
קַ֨יִן֙
(qayin)
Kaïn
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַתַּ֖הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֲנ֑וֹךְ
(chanokh)
Henoch
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en hij was
בֹּ֣נֶה
(bone)
bouwer van
עִ֔יר
(ir)
een nederzetting
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en hij noemde
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
הָעִ֔יר
(hair)
de nederzetting
כְּשֵׁ֖ם
(keshem)
naar de naam van
בְּנ֥וֹ
(beno)
zijn zoon
חֲנֽוֹךְ
(chanokh)
Henoch
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De ligging van Kaïns nederzetting חֲנוֹךְ (Chanoch; in de tekst: Henoch) is onbekend.
Als Eden in het bergland van Oost-Turkije en Armenië lag (zie de voetnoot bij Gen. 2:8), dan lag de nederzetting ten oosten van dat bergland.
Uitleg
עִיר (ir) is een omheinde woonplaats, hier vertaald als ‘nederzetting’ omdat het niet noodzakelijk een stad is zoals wij die kennen.
Volgens 4:16 woonde Kaïn ten oosten van Eden, dus de nederzetting lag waarschijnlijk ook daar.
Aanvullend
Jubileeën 4:9 noemt Kaïns vrouw Awan, zijn zuster.
23Lemech zei tegen zijn vrouwen: „Ada en Zilla, luister naar mijn stem. Vrouwen van Lemech, hoor wat ik zeg: een man heb ik gedood vanwege mijn wond, een jongen vanwege mijn striem.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֶ֜מֶךְ
(lemekh)
Lemech
לְנָשָׁ֗יו
(lenashav)
tot zijn vrouwen
עָדָ֤ה
(ada)
Ada
וְצִלָּה֙
(vetsila)
en Zilla
שְׁמַ֣עַן
(shemaan)
hoor
קוֹלִ֔י
(qoli)
mijn stem
נְשֵׁ֣י
(neshei)
vrouwen van
לֶ֔מֶךְ
(lemekh)
Lemech
הַאְזֵ֖נָּה
(hazena)
luister
אִמְרָתִ֑י
(imrati)
mijn spraak
כִּ֣י
(ki)
want
אִ֤ישׁ
(ish)
een man
הָרַ֨גְתִּי֙
(haragti)
ik heb gedood
לְפִצְעִ֔י
(lefitsi)
voor mijn wond
וְיֶ֖לֶד
(veyeled)
en een jongen
לְחַבֻּרָתִֽי
(lechaburati)
voor mijn striem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִישׁ הָרַגְתִּי לְפִצְעִי וְיֶלֶד לְחַבֻּרָתִי (ish haragti lefitsi’i veyeled lechaburati): letterlijk ‘een man heb ik gedood voor mijn wond, en een jongen voor mijn striem’.
Het voorzetsel לְ (le) is hier vertaald met ‘vanwege’; het kan ook ‘zodra’ of ‘tot (mijn) schade’ betekenen.
Lemechs woorden zijn een lied: dichtregels met parallelle halve regels (4:23–24).
De tekst zegt niet of het om één of twee personen gaat.
Lezingen: 1.
Lemech schept op over een buitensporige wraakactie (vgl. 4:24). 2.
Het is een vraag aan zijn vrouwen: ‘Heb ik een man gedood…?’ 3.
Hij verdedigt zich of is bang voor de gevolgen (vgl. 4:15).
Aanvullend
Jasher 2:26–36 vertelt dat de blinde Lemech Kaïn voor een dier aanzag en doodde, en daarna zijn zoon; dat staat niet in Genesis.
Jubileeën 4:31 laat Kaïn omkomen doordat zijn huis instort.
25Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw. Ze kreeg een zoon en noemde hem Seth, want, zei ze: „Elohim heeft mij een andere nakomeling gegeven in plaats van Abel, omdat Kaïn hem gedood heeft.”
וַיֵּ֨דַע
(vayeda)
en hij kende
אָדָ֥ם
(adam)
Adam
עוֹד֙
(od)
weer
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
שֵׁ֑ת
(shet)
Seth
כִּ֣י
(ki)
want
שָֽׁת
(shat)
heeft gesteld
לִ֤י
(li)
mij
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
זֶ֣רַע
(zera)
nageslacht
אַחֵ֔ר
(acher)
ander
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
הֶ֔בֶל
(hevel)
Abel
כִּ֥י
(ki)
want
הֲרָג֖וֹ
(harago)
hij doodde hem
קָֽיִן
(qayin)
Kaïn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg
אָדָם (Adam) staat hier zonder lidwoord en is dus met zekerheid een eigennaam.
In 4:1 stond het met lidwoord; ook daar is ‘Adam’ gekozen.
שֵׁת (Seth) klinkt aan op שָׁת (shat), ‘hij heeft gesteld, gegeven’.
זֶרַע (zera) is ‘nageslacht’, hetzelfde woord als in Gen. 3:15; hier als één nakomeling weergegeven, omdat het over Seth gaat.