Elohim Bijbel

Job 1

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job en de satan

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Job, een onberispelijk man

1Er was een man in het land Uz. Zijn naam was Job. Die man was onberispelijk en oprecht. Hij had ontzag voor Elohim en hield zich ver van het kwaad.
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
הָיָ֥ה
(haya)
was
בְאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land
ע֖וּץ
(uts)
Uz
אִיּ֣וֹב
(iyov)
Job
שְׁמ֑וֹ
(shemo)
zijn naam
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en was
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַה֗וּא
(hahu)
die
תָּ֧ם
(tam)
onberispelijk
וְיָשָׁ֛ר
(veyashar)
en oprecht
וִירֵ֥א
(vire)
en ontzag hebbend voor
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וְסָ֥ר
(vesar)
en wijkend
מֵרָֽע
(mera)
van het kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Uz (עוּץ, Uts): de ligging is onzeker.

Klaagliederen 4:21 verbindt Uz met Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee (nu het zuidwesten van Jordanië).

Andere voorstellen zoeken Uz in het noorden van Arabië of bij Aram, het gebied rond Damascus in het huidige Syrië (Gen. 10:23).

Uitleg

תָּם (tam), ‘onberispelijk’, betekent ‘heel, volledig’; יָשָׁר (yashar) is ‘oprecht’, recht van doen en laten.

2Hij kreeg zeven zonen en drie dochters.
וַיִּוָּ֥לְדוּ
(vayivaledu)
en werden geboren
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
שִׁבְעָ֥ה
(shiva)
zeven
בָנִ֖ים
(banim)
zonen
וְשָׁל֥וֹשׁ
(veshalosh)
en drie
בָּנֽוֹת
(banot)
dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hij bezat zevenduizend schapen en geiten, drieduizend kamelen, vijfhonderd paar runderen en vijfhonderd ezelinnen, en een zeer groot aantal knechten. Die man was de rijkste van alle mensen in het oosten.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
מִ֠קְנֵהוּ
(miqnehu)
zijn vee
שִֽׁבְעַ֨ת
(shivat)
zeven
אַלְפֵי
(alfei)
duizenden van
צֹ֜אן
(tson)
schapen en geiten
וּשְׁלֹ֧שֶׁת
(usheloshet)
en drie
אַלְפֵ֣י
(alfei)
duizenden van
גְמַלִּ֗ים
(gemalim)
kamelen
וַחֲמֵ֨שׁ
(vachamesh)
en vijf
מֵא֤וֹת
(meot)
honderden
צֶֽמֶד
(tsemed)
span van
בָּקָר֙
(baqar)
runderen
וַחֲמֵ֣שׁ
(vachamesh)
en vijf
מֵא֣וֹת
(meot)
honderden
אֲתוֹנ֔וֹת
(atonot)
ezelinnen
וַעֲבֻדָּ֖ה
(vaavuda)
en dienstvolk
רַבָּ֣ה
(raba)
talrijk
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיְהִי֙
(vayhi)
en was
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַה֔וּא
(hahu)
die
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
מִכָּל
(mikal)
van alle
בְּנֵי
(benei)
zonen van
קֶֽדֶם
(qedem)
het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֶמֶד (tsemed), ‘span’, is een paar runderen onder één juk.

‘Vijfhonderd paar’ zijn dus 1000 runderen.

4Zijn zonen hielden om de beurt een feest, ieder in zijn eigen huis op zijn eigen dag. Dan nodigden ze hun drie zussen uit om met hen te eten en te drinken.
וְהָלְכ֤וּ
(vehalekhu)
en gingen
בָנָיו֙
(banav)
zijn zonen
וְעָשׂ֣וּ
(veasu)
en hielden
מִשְׁתֶּ֔ה
(mishte)
een feestmaal
בֵּ֖ית
(beit)
huis van
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
יוֹמ֑וֹ
(yomo)
zijn dag
וְשָׁלְח֗וּ
(veshalechu)
en zonden
וְקָרְאוּ֙
(veqareu)
en riepen
לִשְׁלֹ֣שֶׁת
(lishloshet)
voor drie
אַחְיֽוֹתֵיהֶ֔ם
(achyoteihem)
hun zusters
לֶאֱכֹ֥ל
(leekhol)
om te eten
וְלִשְׁתּ֖וֹת
(velishtot)
en te drinken
עִמָּהֶֽם
(imahem)
met hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Als de dagen van het feest voorbij waren, stuurde Job een bericht en heiligde hen. Hij stond vroeg op en bracht brandoffers, voor ieder van hen één. Want Job dacht: „Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en Elohim in hun hart vervloekt.” Zo deed Job altijd.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het gebeurde
כִּ֣י
(ki)
toen
הִקִּיפֽוּ֩
(hiqifu)
omgegaan waren
יְמֵ֨י
(yemei)
dagen van
הַמִּשְׁתֶּ֜ה
(hamishte)
het feest
וַיִּשְׁלַ֧ח
(vayishlach)
en zond
אִיּ֣וֹב
(iyov)
Job
וַֽיְקַדְּשֵׁ֗ם
(vayqadeshem)
en heiligde hen
וְהִשְׁכִּ֣ים
(vehishkim)
en stond vroeg op
בַּבֹּקֶר֮
(baboqer)
in de morgen
וְהֶעֱלָ֣ה
(veheela)
en bracht op
עֹלוֹת֮
(olot)
brandoffers
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
naar het getal van
כֻּלָּם֒
(kulam)
hen allen
כִּ֚י
(ki)
want
אָמַ֣ר
(amar)
zei
אִיּ֔וֹב
(iyov)
Job
אוּלַי֙
(ulay)
misschien
חָטְא֣וּ
(chateu)
hebben gezondigd
בָנַ֔י
(banay)
mijn zonen
וּבֵרֲכ֥וּ
(uverakhu)
en hebben ‘gezegend’
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
בִּלְבָבָ֑ם
(bilvavam)
in hun hart
כָּ֛כָה
(kakha)
zo
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
deed
אִיּ֖וֹב
(iyov)
Job
כָּל
(kal)
al
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּרְכוּ (berekhu) betekent gewoonlijk ‘zij hebben gezegend’.

Hier staat het voor het tegendeel: ‘vervloeken’.

Het is een omschrijving: de schrijver vermijdt de woorden ‘Elohim vervloeken’.

Zo ook in 1:11, 2:5 en 2:9.

וַיְקַדְּשֵׁם (vaykaddeshem), ‘en hij heiligde hen’: Job maakte hen, door offers en reiniging, geschikt om voor Elohim te staan.

De satan voor Yahweh

6Op een dag kwamen de zonen van Elohim zich voor Yahweh opstellen. Ook de satan kwam in hun midden.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
הַיּ֔וֹם
(hayom)
op de dag
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en kwamen
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
לְהִתְיַצֵּ֖ב
(lehityatsev)
om zich te stellen
עַל
(al)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּב֥וֹא
(vayavo)
en kwam
גַֽם
(gam)
ook
הַשָּׂטָ֖ן
(hasatan)
de satan
בְּתוֹכָֽם
(betokham)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי הָאֱלֹהִים (bene ha’Elohim), ‘zonen van Elohim’, zijn hemelse wezens, zoals in Gen. 6:2 en Job 38:7.

הַשָּׂטָן (hasatan), ‘de satan’, is letterlijk ‘de tegenstander’ of ‘de aanklager’, met lidwoord: een titel.

In de latere Schrift is hij de satan zelf (Zach. 3:1–2; Openb. 12:9–10).

7Yahweh zei tegen de satan: „Waar kom je vandaan?” De satan antwoordde Yahweh: „Ik trek rond over de aarde en loop daar heen en weer.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
הַשָּׂטָ֖ן
(hasatan)
de satan
מֵאַ֣יִן
(meayin)
vanwaar
תָּבֹ֑א
(tavo)
kom je
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַשָּׂטָ֤ן
(hasatan)
de satan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
מִשּׁ֣וּט
(mishut)
van rondtrekken
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
over de aarde
וּמֵֽהִתְהַלֵּ֖ךְ
(umehithalekh)
en van heen en weer lopen
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Yahweh zei tegen de satan: „Heb je aandacht gehad voor Mijn dienaar Job? Want er is niemand zoals hij op de aarde: een onberispelijk en oprecht man, die ontzag heeft voor Elohim en zich ver van het kwaad houdt.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
הַשָּׂטָ֔ן
(hasatan)
de satan
הֲשַׂ֥מְתָּ
(hasamta)
heb je gezet
לִבְּךָ֖
(libekha)
je hart
עַל
(al)
op
עַבְדִּ֣י
(avdi)
Mijn dienaar
אִיּ֑וֹב
(iyov)
Job
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֤ין
(ein)
er is niet
כָּמֹ֨הוּ֙
(kamohu)
zoals hij
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
op de aarde
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
תָּ֧ם
(tam)
onberispelijk
וְיָשָׁ֛ר
(veyashar)
en oprecht
יְרֵ֥א
(yere)
ontzag hebbend voor
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וְסָ֥ר
(vesar)
en wijkend
מֵרָֽע
(mera)
van het kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂמְתָּ לִבְּךָ (samta libbekha), letterlijk ‘heb je je hart gezet op’: heb je aandacht gehad voor.

עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn dienaar’, is een eretitel (Num. 12:7).

9De satan antwoordde Yahweh: „Heeft Job soms voor niets ontzag voor Elohim?
וַיַּ֧עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַשָּׂטָ֛ן
(hasatan)
de satan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
הַֽחִנָּ֔ם
(hachinam)
voor niets?
יָרֵ֥א
(yare)
heeft ontzag
אִיּ֖וֹב
(iyov)
Job
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
voor Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hebt U niet een omheining gezet rond hem, rond zijn huis en rond alles wat hij heeft? Het werk van zijn handen hebt U gezegend, en zijn vee heeft zich over het land verspreid.
הֲלֹֽא
(halo)
niet?
אַ֠תָּה
(ata)
U
שַׂ֣כְתָּ
(sakhta)
hebt omheind
בַעֲד֧וֹ
(baado)
rondom hem
וּבְעַד
(uvead)
en rondom
בֵּית֛וֹ
(beito)
zijn huis
וּבְעַ֥ד
(uvead)
en rondom
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֖וֹ
(lo)
van hem
מִסָּבִ֑יב
(misaviv)
overal
מַעֲשֵׂ֤ה
(maase)
het werk van
יָדָיו֙
(yadav)
zijn handen
בֵּרַ֔כְתָּ
(berakhta)
hebt U gezegend
וּמִקְנֵ֖הוּ
(umiqnehu)
en zijn vee
פָּרַ֥ץ
(parats)
breekt uit
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂכְתָּ (sakta), ‘U hebt omheind’, komt van een woord voor ‘een heg of omheining zetten’: een beschermende muur van doornen.

11Maar steek Uw hand uit en raak alles aan wat hij heeft. Dan zal hij U zeker vervloeken, recht in Uw gezicht.”
וְאוּלָם֙
(veulam)
maar
שְֽׁלַֽח
(shelach)
steek uit
נָ֣א
(na)
toch
יָֽדְךָ֔
(yadekha)
Uw hand
וְגַ֖ע
(vega)
en raak aan
בְּכָל
(bekhal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֑וֹ
(lo)
van hem
אִם
(im)
indien
לֹ֥א
(lo)
niet
עַל
(al)
in
פָּנֶ֖יךָ
(paneikha)
Uw gezicht
יְבָרֲכֶֽךָּ
(yevarakheka)
zal hij U ‘zegenen’
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Yahweh zei tegen de satan: „Zie, alles wat hij heeft, is in jouw hand. Alleen tegen hem zelf mag je je hand niet uitsteken.” Daarna ging de satan weg uit de nabijheid van Yahweh.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
הַשָּׂטָ֗ן
(hasatan)
de satan
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
כָל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לוֹ֙
(lo)
van hem
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in jouw hand
רַ֣ק
(raq)
alleen
אֵלָ֔יו
(elav)
tegen hem
אַל
(al)
niet
תִּשְׁלַ֖ח
(tishlach)
steek uit
יָדֶ֑ךָ
(yadekha)
jouw hand
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging weg
הַשָּׂטָ֔ן
(hasatan)
de satan
מֵעִ֖ם
(meim)
van bij
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh geeft de satan de macht over Jobs bezit, niet over Job zelf.

De rampen komen

13Op een dag waren Jobs zonen en dochters aan het eten en wijn aan het drinken, in het huis van hun oudste broer.
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het gebeurde
הַיּ֑וֹם
(hayom)
op de dag
וּבָנָ֨יו
(uvanav)
en zijn zonen
וּבְנֹתָ֤יו
(uvenotav)
en zijn dochters
אֹֽכְלִים֙
(okhelim)
aten
וְשֹׁתִ֣ים
(veshotim)
en dronken
יַ֔יִן
(yayin)
wijn
בְּבֵ֖ית
(beveit)
in het huis van
אֲחִיהֶ֥ם
(achihem)
hun broer
הַבְּכֽוֹר
(habekhor)
de oudste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Toen kwam er een bode bij Job. Hij zei: „De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen graasden ernaast.
וּמַלְאָ֛ךְ
(umalakh)
en een bode
בָּ֥א
(ba)
kwam
אֶל
(el)
naar
אִיּ֖וֹב
(iyov)
Job
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
הַבָּקָר֙
(habaqar)
de runderen
הָי֣וּ
(hayu)
waren
חֹֽרְשׁ֔וֹת
(choreshot)
aan het ploegen
וְהָאֲתֹנ֖וֹת
(vehaatonot)
en de ezelinnen
רֹע֥וֹת
(root)
graasden
עַל
(al)
naast
יְדֵיהֶֽם
(yedeihem)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Toen viel Sjeba aan en nam ze mee. De jongens hebben ze met het zwaard gedood. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen.”
וַתִּפֹּ֤ל
(vatipol)
en viel aan
שְׁבָא֙
(sheva)
Sjeba
וַתִּקָּחֵ֔ם
(vatiqachem)
en nam ze
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַנְּעָרִ֖ים
(hanearim)
de jongens
הִכּ֣וּ
(hiku)
sloegen ze
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָ֑רֶב
(charev)
het zwaard
וָֽאִמָּ֨לְטָ֧ה
(vaimaleta)
en ik ben ontkomen
רַק
(raq)
alleen
אֲנִ֛י
(ani)
ik
לְבַדִּ֖י
(levadi)
alleen
לְהַגִּ֥יד
(lehagid)
om te vertellen
לָֽךְ
(lakh)
aan u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sjeba (שְׁבָא, Sheva): een volk in het zuidwesten van Arabië (het huidige Jemen), bekend van handel in wierook en specerijen (1 Kon. 10:1–2).

Hier zijn het roversbenden die van daar kwamen.

Uitleg

נְעָרִים (ne’arim), ‘jongens’: jonge mannen in dienst, knechten.

16Terwijl hij nog sprak, kwam er een ander. Die zei: „Een vuur van Elohim is uit de hemel gevallen. Het heeft de schapen en geiten en de jongens in brand gestoken en verteerd. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen.”
ע֣וֹד
(od)
nog
זֶ֣ה
(ze)
deze
מְדַבֵּ֗ר
(medaber)
sprak
וְזֶה֮
(veze)
en deze
בָּ֣א
(ba)
kwam
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en zei
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur van
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
נָֽפְלָה֙
(nafela)
is gevallen
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַתִּבְעַ֥ר
(vativar)
en het brandde
בַּצֹּ֛אן
(batson)
onder de schapen en geiten
וּבַנְּעָרִ֖ים
(uvanearim)
en onder de jongens
וַתֹּאכְלֵ֑ם
(vatokhlem)
en het verteerde ze
וָאִמָּ֨לְטָ֧ה
(vaimaleta)
en ik ben ontkomen
רַק
(raq)
alleen
אֲנִ֛י
(ani)
ik
לְבַדִּ֖י
(levadi)
alleen
לְהַגִּ֥יד
(lehagid)
om te vertellen
לָֽךְ
(lakh)
aan u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵשׁ אֱלֹהִים (esh Elohim), ‘vuur van Elohim’: letterlijk zo gezegd; het kan bliksem zijn.

Zie 1 Kon. 18:38.

17Terwijl hij nog sprak, kwam er weer een ander. Die zei: „De Chaldeeën hebben zich in drie groepen opgesteld en de kamelen overvallen. Ze hebben ze meegenomen en de jongens met het zwaard gedood. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen.”
ע֣וֹד
(od)
nog
זֶ֣ה
(ze)
deze
מְדַבֵּ֗ר
(medaber)
sprak
וְזֶה֮
(veze)
en deze
בָּ֣א
(ba)
kwam
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en zei
כַּשְׂדִּ֞ים
(kasdim)
Chaldeeën
שָׂ֣מוּ
(samu)
stelden op
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
רָאשִׁ֗ים
(rashim)
groepen
וַֽיִּפְשְׁט֤וּ
(vayifshetu)
en overvielen
עַל
(al)
op
הַגְּמַלִּים֙
(hagemalim)
de kamelen
וַיִּקָּח֔וּם
(vayiqachum)
en namen ze
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַנְּעָרִ֖ים
(hanearim)
de jongens
הִכּ֣וּ
(hiku)
sloegen ze
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָ֑רֶב
(charev)
het zwaard
וָאִמָּ֨לְטָ֧ה
(vaimaleta)
en ik ben ontkomen
רַק
(raq)
alleen
אֲנִ֛י
(ani)
ik
לְבַדִּ֖י
(levadi)
alleen
לְהַגִּ֥יד
(lehagid)
om te vertellen
לָֽךְ
(lakh)
aan u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Chaldeeën (כַּשְׂדִּים, Kasdim) waren hier rondtrekkende roversbenden uit het zuiden van het huidige Irak.

Uitleg

שְׁלֹשָׁה רָאשִׁים (sheloshah rashim), ‘drie hoofden’, zijn drie groepen aanvallers.

18Terwijl hij nog sprak, kwam er weer een ander. Die zei: „Uw zonen en dochters waren aan het eten en wijn aan het drinken, in het huis van hun oudste broer.
עַ֚ד
(ad)
tot
זֶ֣ה
(ze)
deze
מְדַבֵּ֔ר
(medaber)
sprak
וְזֶ֖ה
(veze)
en deze
בָּ֣א
(ba)
kwam
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
בָּנֶ֨יךָ
(baneikha)
uw zonen
וּבְנוֹתֶ֤יךָ
(uvenoteikha)
en uw dochters
אֹֽכְלִים֙
(okhelim)
aten
וְשֹׁתִ֣ים
(veshotim)
en dronken
יַ֔יִן
(yayin)
wijn
בְּבֵ֖ית
(beveit)
in het huis van
אֲחִיהֶ֥ם
(achihem)
hun broer
הַבְּכֽוֹר
(habekhor)
de oudste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19En zie, er kwam een grote wind van de overkant van de woestijn. Hij greep het huis bij de vier hoeken, en het stortte in op de jongeren. Ze zijn dood. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen.”
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
ר֨וּחַ
(ruach)
een wind
גְּדוֹלָ֜ה
(gedola)
grote
בָּ֣אָה
(baa)
kwam
מֵעֵ֣בֶר
(meever)
van de overkant van
הַמִּדְבָּ֗ר
(hamidbar)
de woestijn
וַיִּגַּע֙
(vayiga)
en raakte
בְּאַרְבַּע֙
(bearba)
de vier
פִּנּ֣וֹת
(pinot)
hoeken van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en het viel
עַל
(al)
op
הַנְּעָרִ֖ים
(hanearim)
de jongeren
וַיָּמ֑וּתוּ
(vayamutu)
en zij stierven
וָאִמָּ֨לְטָ֧ה
(vaimaleta)
en ik ben ontkomen
רַק
(raq)
alleen
אֲנִ֛י
(ani)
ik
לְבַדִּ֖י
(levadi)
alleen
לְהַגִּ֥יד
(lehagid)
om te vertellen
לָֽךְ
(lakh)
aan u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het huis stortte in doordat de wind de vier hoeken van het huis tegelijk greep.

De ‘jongeren’ zijn hier Jobs zonen en dochters (vers 18).

Job rouwt en aanbidt

20Toen stond Job op. Hij scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd kaal. Hij viel op de grond en boog zich diep neer.
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
אִיּוֹב֙
(iyov)
Job
וַיִּקְרַ֣ע
(vayiqra)
en scheurde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מְעִל֔וֹ
(meilo)
zijn mantel
וַיָּ֖גָז
(vayagaz)
en schoor af
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en viel
אַ֖רְצָה
(artsa)
naar de grond
וַיִּשְׁתָּֽחוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het scheuren van kleren en het scheren van het hoofd zijn tekens van rouw.

21Hij zei: „Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. Yahweh heeft gegeven en Yahweh heeft genomen. Gezegend zij de naam van Yahweh.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
עָרֹ֨ם
(arom)
naakt
יָצָ֜אתִי
(yatsati)
ben ik gekomen
מִבֶּ֣טֶן
(mibeten)
uit de buik van
אִמִּ֗י
(imi)
mijn moeder
וְעָרֹם֙
(vearom)
en naakt
אָשׁ֣וּב
(ashuv)
zal ik terugkeren
שָׁ֔מָה
(shama)
daarheen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
נָתַ֔ן
(natan)
gaf
וַיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
לָקָ֑ח
(laqach)
nam
יְהִ֛י
(yehi)
moge zijn
שֵׁ֥ם
(shem)
de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מְבֹרָֽךְ
(mevorakh)
gezegend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁמָּה (shammah), ‘daarheen’, is de aarde, de schoot waar de mens uit genomen is (Gen. 3:19; Ps. 139:15).

Zie ook 1 Tim. 6:7.

22In dit alles zondigde Job niet. Hij zei niets ongepasts over Elohim.
בְּכָל
(bekhal)
in alles
זֹ֖את
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
חָטָ֣א
(chata)
zondigde
אִיּ֑וֹב
(iyov)
Job
וְלֹא
(velo)
en niet
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
תִּפְלָ֖ה
(tifla)
iets ongepasts
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
aan Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּפְלָה (tifla) is letterlijk ‘iets smaakloos’, ‘iets ongepasts’.

Sommigen lezen: ‘hij legde Elohim niets ten laste’.