Elohim Bijbel

Lucas 6

123456789101112131415161718192021222324

De sabbat, de twaalf en de rede op de vlakte

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua is heer van de sabbat

1Het gebeurde op een sabbat dat Hij door de korenvelden ging. Zijn leerlingen plukten aren en aten ze, terwijl zij ze met hun handen fijnwreven.
Ἐγένετο
(Egeneto)
gebeurde
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
op
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
διαπορεύεσθαι
(diaporeuesthai)
doorgaan
αὐτὸν
(auton)
Hem
διὰ
(dia)
door
σπορίμων
(sporimon)
korenvelden
καὶ
(kai)
en
ἔτιλλον
(etillon)
plukten
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἤσθιον
(esthion)
aten
τοὺς
(tous)
de
στάχυας
(stachyas)
aren
ψώχοντες
(psochontes)
wrijvend
ταῖς
(tais)
met de
χερσίν
(chersin)
handen
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπόριμα (sporima), ‘korenvelden’: akkers met gezaaid graan.

Aren plukken van het graan van een ander was toegestaan (Deut. 23:26; NL 23:25). ψώχω (psocho), ‘fijnwrijven’: de korrels uit de aren wrijven.

Zie ook Matt. 12:1–8; Mark. 2:23–28.

Lezing

Sommige handschriften hebben hier ‘op de tweede-eerste sabbat’ (σαββάτῳ δευτεροπρώτῳ, sabbato deuteroproto).

Wat dat precies betekent, is onzeker.

De SBLGNT heeft alleen ‘op een sabbat’.

2Enkele Farizeeën zeiden: „Waarom doen jullie wat op de sabbat niet geoorloofd is?”
τινὲς
(tines)
enkelen
δὲ
(de)
maar
τῶν
(ton)
van de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Τί
(Ti)
waarom
ποιεῖτε
(poieite)
doen jullie
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
τοῖς
(tois)
aan de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbatten
Bron: SBLGNT
Uitleg

De Farizeeën rekenden het plukken en wrijven van de aren tot verboden werk op de sabbat; zie Exod. 20:10.

Het werkwoord ‘doen jullie’ staat in het meervoud: zij spreken de leerlingen aan.

Zie ookEx 20:10
3Yeshua antwoordde hun: „Hebben jullie dit nooit gelezen, wat David deed toen hij honger had, hij en zij die bij hem waren?
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
πρὸς
(pros)
tot
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Οὐδὲ
(Oude)
zelfs niet
τοῦτο
(touto)
dit
ἀνέγνωτε
(anegnote)
hebben jullie gelezen
ὃ
(ho)
wat
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
Δαυὶδ
(Dauid)
David
ὁπότε
(hopote)
toen
ἐπείνασεν
(epeinasen)
honger kreeg
αὐτὸς
(autos)
hij
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
hem
ὄντες
(ontes)
zijnde
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het verhaal van David staat in 1 Sam. 21:2–7 (NL 21:1–6).

4Hoe hij het huis van Elohim binnenging, het toonbrood nam, at en ook gaf aan hen die bij hem waren. Dat mag niemand eten, behalve alleen de priesters.”
ὡς
(hos)
hoe
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
binnenging
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἄρτους
(artous)
broden
τῆς
(tes)
van de
προθέσεως
(protheseos)
schikking
λαβὼν
(labon)
nemend
ἔφαγεν
(ephagen)
at
καὶ
(kai)
en
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
τοῖς
(tois)
aan de
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
hem
οὓς
(hous)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
φαγεῖν
(phagein)
te eten
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
μόνους
(monous)
alleen
τοὺς
(tous)
de
ἱερεῖς
(hiereis)
priesters
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρτοι τῆς προθέσεως (artoi tes protheseos), letterlijk ‘broden van de voorlegging’: het toonbrood, twaalf koeken die elke sabbat vers voor het aangezicht van Yahweh werden gelegd (Lev. 24:5–9).

Alleen de priesters mochten ervan eten.

Het Grieks heeft bij ‘hoe hij binnenging’ geen vraagteken; de zin loopt door vanuit vers 3.

5Hij zei tegen hen: „De Mensenzoon is heer van de sabbat.”
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Κύριός
(Kyrios)
heer
ἐστιν
(estin)
is
τοῦ
(tou)
van de
σαββάτου
(sabbatou)
sabbat
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος (kyrios), ‘heer’: eigenaar, wie over iets beslist.

Wij volgen Matt. 12:8 en schrijven ‘heer’ met kleine letter; Mark. 2:28 heeft ‘Heer’ met hoofdletter. ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24.

Lezing

Sommige oude handschriften hebben hier een afwijkende tekst met een extra uitspraak van Yeshua.

Wij vertalen de SBLGNT.

De man met de verschrompelde hand

6Op een andere sabbat ging Hij de synagoge in en onderwees. Daar was een man wiens rechterhand verschrompeld was.
Ἐγένετο
(Egeneto)
gebeurde
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
op
ἑτέρῳ
(hetero)
andere
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnengaan
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
συναγωγὴν
(synagogen)
synagoge
καὶ
(kai)
en
διδάσκειν
(didaskein)
onderwijzen
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
ἐκεῖ
(ekei)
daar
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
χεὶρ
(cheir)
hand
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἡ
(he)
de
δεξιὰ
(dexia)
rechter
ἦν
(en)
was
ξηρά
(xera)
verschrompeld
Bron: SBLGNT
Uitleg

ξηρά (xera), ‘verschrompeld’: uitgedroogd en krachteloos; zie Matt. 12:10.

Lucas zegt dat het de rechterhand was.

Zie ook Matt. 12:9–14; Mark. 3:1–6.

7De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op Hem. Zij wilden zien of Hij op de sabbat zou genezen, zodat zij iets zouden vinden om Hem te beschuldigen.
παρετηροῦντο
(pareterounto)
letten op
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
εἰ
(ei)
of
ἐν
(en)
op
τῷ
(to)
de
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
θεραπεύει
(therapeuei)
geneest
ἵνα
(hina)
opdat
εὕρωσιν
(heurosin)
zouden vinden
κατηγορεῖν
(kategorein)
te beschuldigen
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

παρατηρέω (paratereo), ‘letten op’: nauwkeurig in de gaten houden. κατηγορέω (kategoreo), ‘beschuldigen’: zie Mark. 3:2.

Zie ookMar 3:2
8Maar Hij kende hun overleggingen. Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: „Sta op en ga in het midden staan.” Hij stond op en ging staan.
αὐτὸς
(autos)
Hij
δὲ
(de)
maar
ᾔδει
(edei)
kende
τοὺς
(tous)
de
διαλογισμοὺς
(dialogismous)
overleggingen
αὐτῶν
(auton)
hun
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
aan de
ἀνδρὶ
(andri)
man
τῷ
(to)
die
ξηρὰν
(xeran)
verschrompelde
ἔχοντι
(echonti)
hebbende
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
Ἔγειρε
(Egeire)
sta op
καὶ
(kai)
en
στῆθι
(stethi)
ga staan
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
μέσον
(meson)
midden
καὶ
(kai)
en
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἔστη
(este)
stond
Bron: SBLGNT
Uitleg

διαλογισμός (dialogismos), ‘overlegging’: zie 5:22.

Yeshua laat de man in het midden staan, zodat iedereen kan zien wat er gaat gebeuren.

9Yeshua zei tegen hen: „Ik vraag jullie: is het geoorloofd om op de sabbat goed te doen of kwaad te doen? Om een leven te redden of het om te brengen?”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πρὸς
(pros)
tot
αὐτούς
(autous)
hen
Ἐπερωτῶ
(Eperoto)
vraag Ik
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
εἰ
(ei)
of
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
τῷ
(to)
op de
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
ἀγαθοποιῆσαι
(agathopoiesai)
goed te doen
ἢ
(e)
of
κακοποιῆσαι
(kakopoiesai)
kwaad te doen
ψυχὴν
(psychen)
leven
σῶσαι
(sosai)
te redden
ἢ
(e)
of
ἀπολέσαι
(apolesai)
om te brengen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘leven’, ook ‘ziel’: hier gaat het om het leven van een mens; zie Mark. 3:4. ἀπολέσαι (apolesai), ‘ombrengen’: zie 4:34.

Het Grieks heeft één voorwerp (ψυχήν, ‘leven’) bij ‘redden’ en ‘ombrengen’; het Nederlands herhaalt het als ‘het’.

Zie ookMar 3:4
10Hij keek hen allen rond aan en zei tegen hem: „Steek je hand uit.” Hij deed het, en zijn hand werd hersteld.
καὶ
(kai)
en
περιβλεψάμενος
(periblepsamenos)
rondkijkend
πάντας
(pantas)
allen
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Ἔκτεινον
(Ekteinon)
steek uit
τὴν
(ten)
de
χεῖρά
(cheira)
hand
σου
(sou)
je
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
καὶ
(kai)
en
ἀπεκατεστάθη
(apekatestathe)
werd hersteld
ἡ
(he)
de
χεὶρ
(cheir)
hand
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔκτεινον (ekteinon), ‘steek uit’: wij volgen Mark. 3:5; Matt. 12:13 heeft ‘strek uit’.

11Maar zij werden vervuld van razernij en overlegden met elkaar wat zij Yeshua zouden kunnen aandoen.
αὐτοὶ
(autoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἐπλήσθησαν
(eplesthesan)
werden vervuld
ἀνοίας
(anoias)
van razernij
καὶ
(kai)
en
διελάλουν
(dielaloun)
overlegden
πρὸς
(pros)
met
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
τί
(ti)
wat
ἂν
(an)
zouden
ποιήσαιεν
(poiesaien)
doen
τῷ
(to)
aan
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄνοια (anoia) is letterlijk ‘zonder verstand’: razernij die niet meer redeneert.

Markus noemt hier de Herodianen (Mark. 3:6).

Zie ookMar 3:6

Yeshua kiest de twaalf apostelen

12In die dagen ging Hij naar de berg om te bidden. Hij bracht de nacht door in gebed tot Elohim.
Ἐγένετο
(Egeneto)
gebeurde
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
ταύταις
(tautais)
deze
ἐξελθεῖν
(exelthein)
uitgaan
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ὄρος
(oros)
berg
προσεύξασθαι
(proseuxasthai)
bidden
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
διανυκτερεύων
(dianyktereuon)
doorbrengend de nacht
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
προσευχῇ
(proseuche)
gebed
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

Lucas zegt vaker dat Yeshua zich terugtrekt om te bidden; zie 5:16. τῇ προσευχῇ τοῦ θεοῦ (te proseuche tou theou), ‘in het gebed van Elohim’: wij lezen ‘gebed tot Elohim’; het kan ook een gebed zijn dat Elohim toebehoort.

Zie ook Mark. 3:13–19.

13Toen het dag werd, riep Hij Zijn leerlingen bij zich. Hij koos uit hen twaalf uit, die Hij ook apostelen noemde:
καὶ
(kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ἡμέρα
(hemera)
dag
προσεφώνησεν
(prosephonesen)
riep bij zich
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἐκλεξάμενος
(eklexamenos)
gekozen hebbend
ἀπ’
(ap’)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
οὓς
(hous)
die
καὶ
(kai)
ook
ἀποστόλους
(apostolous)
apostelen
ὠνόμασεν
(onomasen)
noemde
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden wordt; zie Matt. 10:2.

Het getal twaalf doet denken aan de twaalf stammen van Israël.

Zie ook Matt. 10:1–4; Mark. 3:13–19.

14Simon, aan wie Hij ook de naam Petrus gaf, en Andreas, zijn broer, en Jakobus en Johannes en Filippus en Bartolomeüs,
Σίμωνα
(Simona)
Simon
ὃν
(hon)
wie
καὶ
(kai)
ook
ὠνόμασεν
(onomasen)
noemde
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Ἀνδρέαν
(Andrean)
Andreas
τὸν
(ton)
de
ἀδελφὸν
(adelphon)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
καὶ
(kai)
en
Φίλιππον
(Philippon)
Filippus
καὶ
(kai)
en
Βαρθολομαῖον
(Bartholomaion)
Bartolomeüs
Bron: SBLGNT
Uitleg

Πέτρος (Petros), ‘Petrus’, betekent ‘rots’; zie Mark. 3:16 en Joh. 1:42.

15en Matteüs en Tomas en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, die de Zeloot genoemd werd,
καὶ
(kai)
en
Μαθθαῖον
(Maththaion)
Matteüs
καὶ
(kai)
en
Θωμᾶν
(Thoman)
Tomas
καὶ
(kai)
en
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
Ἁλφαίου
(Halphaiou)
van Alfeüs
καὶ
(kai)
en
Σίμωνα
(Simona)
Simon
τὸν
(ton)
de
καλούμενον
(kaloumenon)
genoemde
Ζηλωτὴν
(Zeloten)
Zeloot
Bron: SBLGNT
Uitleg

ζηλωτής (zelotes), ‘Zeloot’, ‘ijveraar’: zo noemt Lucas Simon.

Matteüs en Markus hebben hier het Aramese Καναναῖος (Kananaios), dat ook ‘ijveraar’ betekent (zie Mark. 3:18).

Wij schrijven overal ‘de Zeloot’.

Zie ookMar 3:18
16en Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd.
καὶ
(kai)
en
Ἰούδαν
(Ioudan)
Judas
Ἰακώβου
(Iakobou)
van Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰούδαν
(Ioudan)
Judas
Ἰσκαριὼθ
(Iskarioth)
Iskariot
ὃς
(hos)
die
ἐγένετο
(egeneto)
werd
προδότης
(prodotes)
verrader
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἰούδας Ἰακώβου (Ioudas Iakobou) is letterlijk ‘Judas van Jakobus’: zoon of broer van een Jakobus.

Hij wordt vaak gelijkgesteld met Taddeüs uit Matt. 10:3 en Mark. 3:18, maar dat is niet zeker. προδότης (prodotes), ‘verrader’: Matt. 10:4 en Mark. 3:19 gebruiken het werkwoord ‘overleveren’ (παραδίδωμι).

Yeshua geneest en onderwijst op een vlakke plaats

17Hij kwam met hen naar beneden en bleef staan op een vlakke plaats. Daar waren een grote groep leerlingen van Hem en een grote menigte volk uit heel Judea, Jeruzalem en de kuststreek van Tyrus en Sidon.
Καὶ
(Kai)
en
καταβὰς
(katabas)
afgedaald
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
ἔστη
(este)
bleef staan
ἐπὶ
(epi)
op
τόπου
(topou)
plaats
πεδινοῦ
(pedinou)
vlakke
καὶ
(kai)
en
ὄχλος
(ochlos)
menigte
πολὺς
(polys)
grote
μαθητῶν
(matheton)
van leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
πλῆθος
(plethos)
menigte
πολὺ
(poly)
grote
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
ἀπὸ
(apo)
uit
πάσης
(pases)
heel
τῆς
(tes)
de
Ἰουδαίας
(Ioudaias)
Judea
καὶ
(kai)
en
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
τῆς
(tes)
van de
παραλίου
(paraliou)
kuststreek
Τύρου
(Tyrou)
Tyrus
καὶ
(kai)
en
Σιδῶνος
(Sidonos)
Sidon
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Uitleg

τόπος πεδινός (topos pedinos), ‘vlakke plaats’: in Matt. 5:1 spreekt Yeshua vanaf de berg; Lucas plaatst Hem op een vlakte, nadat Hij van de berg is afgedaald. παράλιος (paralios), ‘kuststreek’: het land langs de Middellandse Zee.

Zie ook Matt. 4:24–25; Mark. 3:7–12.

18Zij waren gekomen om Hem te horen en van hun ziekten genezen te worden. Ook zij die door onreine geesten geplaagd werden, werden genezen.
οἳ
(hoi)
die
ἦλθον
(elthon)
kwamen
ἀκοῦσαι
(akousai)
horen
αὐτοῦ
(autou)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἰαθῆναι
(iathenai)
genezen te worden
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
νόσων
(noson)
ziekten
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἐνοχλούμενοι
(enochloumenoi)
geplaagden
ἀπὸ
(apo)
door
πνευμάτων
(pneumaton)
geesten
ἀκαθάρτων
(akatharton)
onreine
ἐθεραπεύοντο
(etherapeuonto)
werden genezen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐνοχλέω (enochleo), ‘plagen, lastigvallen’: door onreine geesten gekweld worden.

19De hele menigte probeerde Hem aan te raken, want er ging kracht van Hem uit en Hij genas hen allen.
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
heel
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἐζήτουν
(ezetoun)
zocht
ἅπτεσθαι
(haptesthai)
aan te raken
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ὅτι
(hoti)
want
δύναμις
(dynamis)
kracht
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἐξήρχετο
(exercheto)
ging uit
καὶ
(kai)
en
ἰᾶτο
(iato)
genas
πάντας
(pantas)
allen
Bron: SBLGNT
Uitleg

δύναμις (dynamis), ‘kracht’: zie 4:14.

Vergelijk 5:17.

Gelukkig en wee

20Hij sloeg Zijn ogen op naar Zijn leerlingen en zei: „Gelukkig de armen, want van jullie is het koninkrijk van Elohim.
Καὶ
(Kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hij
ἐπάρας
(eparas)
opgeslagen hebbend
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἰς
(eis)
naar
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἔλεγεν
(elegen)
zei
Μακάριοι
(Makarioi)
gelukkig
οἱ
(hoi)
de
πτωχοί
(ptochoi)
armen
ὅτι
(hoti)
want
ὑμετέρα
(hymetera)
van jullie
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: dit past bij het Hebreeuwse אַשְׁרֵי (ashre), ‘gelukkig’, zoals in Ps. 1:1; zie Matt. 5:3.

Lucas heeft hier ‘de armen’ zonder ‘van geest’ en spreekt de leerlingen rechtstreeks aan: ‘van jullie is het koninkrijk’.

De zaligsprekingen in 6:20–23 gaan samen met de weeklachten in 6:24–26.

Zie ook Matt. 5:3–12.

21Gelukkig zij die nu hongeren, want jullie zullen verzadigd worden. Gelukkig zij die nu huilen, want jullie zullen lachen.
μακάριοι
(makarioi)
gelukkig
οἱ
(hoi)
de
πεινῶντες
(peinontes)
hongerenden
νῦν
(nyn)
nu
ὅτι
(hoti)
want
χορτασθήσεσθε
(chortasthesesthe)
zult verzadigd worden
μακάριοι
(makarioi)
gelukkig
οἱ
(hoi)
de
κλαίοντες
(klaiontes)
huilenden
νῦν
(nyn)
nu
ὅτι
(hoti)
want
γελάσετε
(gelasete)
zult lachen
Bron: SBLGNT
Uitleg

χορτάζω (chortazo), ‘verzadigen’: voldoende te eten geven.

Matt. 5:6 spreekt over hongeren en dorsten ‘naar gerechtigheid’; Lucas heeft hier ‘nu’.

Zie ookMat 5:6
22Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie haten, en wanneer zij jullie buitensluiten, beschimpen en jullie naam als slecht verwerpen, omwille van de Mensenzoon.
Μακάριοί
(Makarioi)
gelukkig
ἐστε
(este)
zijn jullie
ὅταν
(hotan)
wanneer
μισήσωσιν
(misesosin)
haten
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
οἱ
(hoi)
de
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
καὶ
(kai)
en
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἀφορίσωσιν
(aphorisosin)
buitensluiten
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
καὶ
(kai)
en
ὀνειδίσωσιν
(oneidisosin)
beschimpen
καὶ
(kai)
en
ἐκβάλωσιν
(ekbalosin)
verwerpen
τὸ
(to)
de
ὄνομα
(onoma)
naam
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ὡς
(hos)
als
πονηρὸν
(poneron)
slecht
ἕνεκα
(heneka)
omwille van
τοῦ
(tou)
de
υἱοῦ
(huiou)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀφορίζω (aphorizo), ‘buitensluiten, afscheiden’: uit de kring van de gemeenschap zetten. ἐκβάλωσιν τὸ ὄνομα ὑμῶν ὡς πονηρόν (ekbalosin to onoma hymon hos poneron), ‘jullie naam als slecht verwerpen’: jullie naam in diskrediet brengen. ὀνειδίζω (oneidizo), ‘beschimpen’: zie Matt. 5:11.

Zie ookMat 5:11
23Verheug jullie op die dag en spring op van vreugde, want zie: jullie loon is groot in de hemel. Op dezelfde manier deden hun vaderen immers met de profeten.
χάρητε
(charete)
verheug jullie
ἐν
(en)
in
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
τῇ
(te)
de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
καὶ
(kai)
en
σκιρτήσατε
(skirtesate)
spring op
ἰδοὺ
(idou)
zie
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
het
μισθὸς
(misthos)
loon
ὑμῶν
(hymon)
jullie
πολὺς
(polys)
groot
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
οὐρανῷ
(ourano)
hemel
κατὰ
(kata)
volgens
τὰ
(ta)
de
αὐτὰ
(auta)
zelfde
γὰρ
(gar)
want
ἐποίουν
(epoioun)
deden
τοῖς
(tois)
aan de
προφήταις
(prophetais)
profeten
οἱ
(hoi)
de
πατέρες
(pateres)
vaderen
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

σκιρτάω (skirtao), ‘opspringen’: springen van vreugde; vergelijk Mal. 3:20 (NL 4:2), waar de kalveren uit de stal springen.

Vergelijk Matt. 5:12.

24Maar wee jullie, rijken, want jullie hebben jullie troost al ontvangen.
πλὴν
(plen)
maar
οὐαὶ
(ouai)
wee
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
τοῖς
(tois)
aan de
πλουσίοις
(plousiois)
rijken
ὅτι
(hoti)
want
ἀπέχετε
(apechete)
hebben ontvangen
τὴν
(ten)
de
παράκλησιν
(paraklesin)
troost
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐαί (ouai), ‘wee’: een uitroep van rouw en waarschuwing; zie Matt. 11:21. ἀπέχω (apecho), ‘volledig ontvangen’: zie Matt. 6:2. παράκλησις (paraklesis), ‘troost’: de troost die zij al ontvangen hebben, is alles wat zij nog krijgen.

25Wee jullie die nu verzadigd zijn, want jullie zullen honger lijden. Wee jullie die nu lachen, want jullie zullen rouwen en huilen.
οὐαὶ
(ouai)
wee
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
οἱ
(hoi)
de
ἐμπεπλησμένοι
(empeplesmenoi)
verzadigden
νῦν
(nyn)
nu
ὅτι
(hoti)
want
πεινάσετε
(peinasete)
zult honger hebben
οὐαί
(ouai)
wee
οἱ
(hoi)
de
γελῶντες
(gelontes)
lachenden
νῦν
(nyn)
nu
ὅτι
(hoti)
want
πενθήσετε
(penthesete)
zult rouwen
καὶ
(kai)
en
κλαύσετε
(klausete)
zult huilen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐμπεπλησμένοι (empeplesmenoi), ‘verzadigd’: vol gegeten.

26Wee, wanneer alle mensen goed over jullie spreken. Op dezelfde manier deden hun vaderen immers met de valse profeten.
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
ὅταν
(hotan)
wanneer
καλῶς
(kalos)
goed
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
εἴπωσιν
(eiposin)
zeggen
πάντες
(pantes)
alle
οἱ
(hoi)
de
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
κατὰ
(kata)
volgens
τὰ
(ta)
de
αὐτὰ
(auta)
zelfde
γὰρ
(gar)
want
ἐποίουν
(epoioun)
deden
τοῖς
(tois)
aan de
ψευδοπροφήταις
(pseudoprophetais)
valse profeten
οἱ
(hoi)
de
πατέρες
(pateres)
vaderen
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψευδοπροφήτης (pseudoprophetes), ‘valse profeet’: zie Matt. 7:15.

Zie ookMat 7:15

Heb jullie vijanden lief

27Maar Ik zeg jullie die luisteren: heb jullie vijanden lief en doe goed aan wie jullie haten.
Ἀλλὰ
(Alla)
maar
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
λέγω
(lego)
zeg Ik
τοῖς
(tois)
aan de
ἀκούουσιν
(akouousin)
luisteraars
ἀγαπᾶτε
(agapate)
heb lief
τοὺς
(tous)
de
ἐχθροὺς
(echthrous)
vijanden
ὑμῶν
(hymon)
jullie
καλῶς
(kalos)
goed
ποιεῖτε
(poieite)
doe
τοῖς
(tois)
aan de
μισοῦσιν
(misousin)
haters
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

Met ‘Maar’ gaat Yeshua over naar de oproep om vijanden lief te hebben.

Zie ook Matt. 5:43–48.

28Zegen wie jullie vervloeken en bid voor wie jullie slecht behandelen.
εὐλογεῖτε
(eulogeite)
zegen
τοὺς
(tous)
de
καταρωμένους
(kataromenous)
vervloekenden
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
προσεύχεσθε
(proseuchesthe)
bid
περὶ
(peri)
voor
τῶν
(ton)
de
ἐπηρεαζόντων
(epereazonton)
slecht behandelenden
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπηρεάζω (epereazo), ‘slecht behandelen’: iemand beledigen of kwaad doen.

Matt. 5:44 heeft hier ‘vervolgen’.

Zie ookMat 5:44
29Aan wie je op de wang slaat, bied ook de andere aan. En van wie je mantel wegneemt, onthoud ook je onderkleed niet.
τῷ
(to)
aan de
τύπτοντί
(typtonti)
slaande
σε
(se)
je
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
σιαγόνα
(siagona)
wang
πάρεχε
(pareche)
bied aan
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
ἄλλην
(allen)
andere
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
αἴροντός
(airontos)
wegnemende
σου
(sou)
je
τὸ
(to)
de
ἱμάτιον
(himation)
mantel
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
het
χιτῶνα
(chitona)
onderkleed
μὴ
(me)
niet
κωλύσῃς
(kolyses)
onthoud
Bron: SBLGNT
Uitleg

σιαγών (siagon), ‘wang’.

Bij Matteüs wordt het onderkleed (χιτών) via een rechtszaak genomen en daarna de mantel (Matt. 5:40); bij Lucas wordt eerst de mantel (ἱμάτιον) weggenomen en volgt dan het onderkleed.

Zie ook Matt. 5:39–40.

30Geef aan ieder die je vraagt, en eis niets terug van wie neemt wat van jou is.
παντὶ
(panti)
aan ieder
αἰτοῦντί
(aitounti)
vragende
σε
(se)
je
δίδου
(didou)
geef
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
αἴροντος
(airontos)
wegnemende
τὰ
(ta)
de
σὰ
(sa)
jouwe
μὴ
(me)
niet
ἀπαίτει
(apaitei)
eis terug
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπαιτέω (apaiteo), ‘terugeisen’.

Zie ook Matt. 5:42.

Zie ookMat 5:42
31En zoals jullie willen dat de mensen voor jullie doen, doe dat op dezelfde manier voor hen.
καὶ
(kai)
en
καθὼς
(kathos)
zoals
θέλετε
(thelete)
willen jullie
ἵνα
(hina)
dat
ποιῶσιν
(poiosin)
doen
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
οἱ
(hoi)
de
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
ποιεῖτε
(poieite)
doe
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
ὁμοίως
(homoios)
op dezelfde wijze
Bron: SBLGNT
Uitleg

Deze regel heet vaak de ‘gouden regel’.

Zie ook Matt. 7:12.

Zie ookMat 7:12
32Als jullie liefhebben wie jullie liefhebben, welke dank valt jullie dan toe? Want ook de zondaars hebben wie hen liefhebben, lief.
Καὶ
(Kai)
en
εἰ
(ei)
als
ἀγαπᾶτε
(agapate)
hebben jullie lief
τοὺς
(tous)
de
ἀγαπῶντας
(agapontas)
liefhebbenden
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ποία
(poia)
welke
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
χάρις
(charis)
dank
ἐστίν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
γὰρ
(gar)
want
οἱ
(hoi)
de
ἁμαρτωλοὶ
(hamartoloi)
zondaars
τοὺς
(tous)
de
ἀγαπῶντας
(agapontas)
liefhebbenden
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἀγαπῶσιν
(agaposin)
hebben lief
Bron: SBLGNT
Uitleg

χάρις (charis) betekent meestal ‘genade’ (zie 1:30).

Hier gaat het om ‘dank’, de erkenning die iemand verdient.

Wij vertalen χάρις in deze uitdrukking steeds met ‘dank’ (zie ook 17:9).

Zie ook Matt. 5:46–47.

33En als jullie goed doen aan wie goed aan jullie doen, welke dank valt jullie dan toe? Ook de zondaars doen hetzelfde.
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ἀγαθοποιῆτε
(agathopoiete)
goed doen
τοὺς
(tous)
de
ἀγαθοποιοῦντας
(agathopoiountas)
goeddoenden
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ποία
(poia)
welke
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
χάρις
(charis)
dank
ἐστίν
(estin)
is
καὶ
(kai)
ook
οἱ
(hoi)
de
ἁμαρτωλοὶ
(hamartoloi)
zondaars
τὸ
(to)
het
αὐτὸ
(auto)
zelfde
ποιοῦσιν
(poiousin)
doen
Bron: SBLGNT
34En als jullie lenen aan wie jullie hopen iets van terug te krijgen, welke dank valt jullie dan toe? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te krijgen.
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
δανίσητε
(danisete)
lenen jullie
παρ’
(par’)
van
ὧν
(hon)
wie
ἐλπίζετε
(elpizete)
hopen jullie
λαβεῖν
(labein)
te ontvangen
ποία
(poia)
welke
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
χάρις
(charis)
dank
ἐστίν
(estin)
is
καὶ
(kai)
ook
ἁμαρτωλοὶ
(hamartoloi)
zondaars
ἁμαρτωλοῖς
(hamartolois)
aan zondaars
δανίζουσιν
(danizousin)
lenen
ἵνα
(hina)
opdat
ἀπολάβωσιν
(apolabosin)
terugkrijgen
τὰ
(ta)
het
ἴσα
(isa)
gelijke
Bron: SBLGNT
Uitleg

δανίζω (danizo), ‘lenen’: zie Matt. 5:42.

Zie ookMat 5:42
35Maar heb jullie vijanden lief, doe goed en leen uit, zonder iets terug te verwachten. Dan zal jullie loon groot zijn en zullen jullie zonen van de Allerhoogste zijn, want Hijzelf is goed voor de ondankbaren en slechten.
πλὴν
(plen)
maar
ἀγαπᾶτε
(agapate)
heb lief
τοὺς
(tous)
de
ἐχθροὺς
(echthrous)
vijanden
ὑμῶν
(hymon)
jullie
καὶ
(kai)
en
ἀγαθοποιεῖτε
(agathopoieite)
doe goed
καὶ
(kai)
en
δανίζετε
(danizete)
leen
μηδὲν
(meden)
niets
ἀπελπίζοντες
(apelpizontes)
terugverwachtend
καὶ
(kai)
en
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὁ
(ho)
het
μισθὸς
(misthos)
loon
ὑμῶν
(hymon)
jullie
πολύς
(polys)
groot
καὶ
(kai)
en
ἔσεσθε
(esesthe)
zult zijn
υἱοὶ
(huioi)
zonen
Ὑψίστου
(Hypsistou)
van de Allerhoogste
ὅτι
(hoti)
want
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
χρηστός
(chrestos)
goed
ἐστιν
(estin)
is
ἐπὶ
(epi)
jegens
τοὺς
(tous)
de
ἀχαρίστους
(acharistous)
ondankbaren
καὶ
(kai)
en
πονηρούς
(ponerous)
slechten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπελπίζω (apelpizo) is letterlijk ‘de hoop opgeven’ en wordt hier gelezen als ‘niets terug verwachten’.

Het kan ook ‘niemand laten wanhopen’ zijn. ὁ Ὕψιστος (ho Hypsistos), ‘de Allerhoogste’: een naam voor Elohim; zie Mark. 5:7. χρηστός (chrestos), ‘goed’: vriendelijk.

Lezing

Een aantal handschriften heeft μηδένα ἀπελπίζοντες (medena apelpizontes), ‘zonder iemand te laten wanhopen’.

De SBLGNT heeft μηδὲν ἀπελπίζοντες (meden apelpizontes), ‘zonder iets terug te verwachten’.

Zie ookMar 5:7
36Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is.
γίνεσθε
(ginesthe)
wordt
οἰκτίρμονες
(oiktirmones)
barmhartig
καθὼς
(kathos)
zoals
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
Vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
οἰκτίρμων
(oiktirmon)
barmhartig
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἰκτίρμων (oiktirmon), ‘barmhartig’.

Matt. 5:48 heeft ‘volmaakt’ (τέλειος).

Zie ookMat 5:48

Oordeel niet

37Oordeel niet, en jullie zullen zeker niet geoordeeld worden. Veroordeel niet, en jullie zullen zeker niet veroordeeld worden. Laat vrij, en jullie zullen vrijgelaten worden.
Καὶ
(Kai)
en
μὴ
(me)
niet
κρίνετε
(krinete)
oordeel
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
geenszins
μὴ
(me)
(geenszins)
κριθῆτε
(krithete)
zult geoordeeld worden
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
καταδικάζετε
(katadikazete)
veroordeel
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
geenszins
μὴ
(me)
(geenszins)
καταδικασθῆτε
(katadikasthete)
zult veroordeeld worden
ἀπολύετε
(apolyete)
laat vrij
καὶ
(kai)
en
ἀπολυθήσεσθε
(apolythesesthe)
zult vrijgelaten worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

κρίνω (krino), ‘oordelen’: ook ‘veroordelen’. ἀπολύω (apolyo) is letterlijk ‘losmaken, wegsturen’; hier ‘vrijlaten’, in de zin van kwijtschelden of vergeven.

Het Grieks noemt niet wie oordeelt.

Zie ook Matt. 7:1–2; Mark. 4:24.

38Geef, en er zal aan jullie gegeven worden: een goede maat, aangedrukt, geschud en overlopend, zullen zij in jullie schoot geven. Want met de maat waarmee jullie meten, zal aan jullie teruggemeten worden.”
δίδοτε
(didote)
geef
καὶ
(kai)
en
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
μέτρον
(metron)
maat
καλὸν
(kalon)
goede
πεπιεσμένον
(pepiesmenon)
aangedrukte
σεσαλευμένον
(sesaleumenon)
geschudde
ὑπερεκχυννόμενον
(hyperekchynnomenon)
overlopende
δώσουσιν
(dosousin)
zullen geven
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κόλπον
(kolpon)
schoot
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ᾧ
(ho)
met welke
γὰρ
(gar)
want
μέτρῳ
(metro)
maat
μετρεῖτε
(metreite)
meten jullie
ἀντιμετρηθήσεται
(antimetrethesetai)
zal worden teruggemeten
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόλπος (kolpos), ‘schoot’: de plooi in een kleed waarin men graan droeg. ἀντιμετρέω (antimetreo), ‘terugmeten’.

Blinde leiders en goede vruchten

39Hij zei hun ook een gelijkenis: „Kan een blinde soms een blinde leiden? Zullen zij niet beiden in een kuil vallen?
Εἶπεν
(Eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
Μήτι
(Meti)
toch niet
δύναται
(dynatai)
kan
τυφλὸς
(typhlos)
blinde
τυφλὸν
(typhlon)
blinde
ὁδηγεῖν
(hodegein)
leiden
οὐχὶ
(ouchi)
niet
ἀμφότεροι
(amphoteroi)
beiden
εἰς
(eis)
in
βόθυνον
(bothynon)
kuil
ἐμπεσοῦνται
(empesountai)
zullen vallen
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’. βόθυνος (bothynos), ‘kuil’.

Zie ook Matt. 15:14.

Zie ookMat 15:14
40Een leerling staat niet boven de leraar, maar ieder die volledig opgeleid is, zal zijn als zijn leraar.
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
ὑπὲρ
(hyper)
boven
τὸν
(ton)
de
διδάσκαλον
(didaskalon)
leraar
κατηρτισμένος
(katertismenos)
volledig opgeleid
δὲ
(de)
maar
πᾶς
(pas)
ieder
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὡς
(hos)
als
ὁ
(ho)
de
διδάσκαλος
(didaskalos)
leraar
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατηρτισμένος (katertismenos), ‘volledig opgeleid’: van καταρτίζω (katartizo), ‘toerusten, op orde brengen’.

Zie ook Matt. 10:24.

Zie ookMat 10:24
41Waarom zie je de splinter in het oog van je broer, maar merk je de balk in je eigen oog niet op?
τί
(ti)
waarom
δὲ
(de)
maar
βλέπεις
(blepeis)
zie je
τὸ
(to)
de
κάρφος
(karphos)
splinter
τὸ
(to)
die
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ὀφθαλμῷ
(ophthalmo)
oog
τοῦ
(tou)
van de
ἀδελφοῦ
(adelphou)
broer
σου
(sou)
je
τὴν
(ten)
de
δὲ
(de)
maar
δοκὸν
(dokon)
balk
τὴν
(ten)
die
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ἰδίῳ
(idio)
eigen
ὀφθαλμῷ
(ophthalmo)
oog
οὐ
(ou)
niet
κατανοεῖς
(katanoeis)
merk je op
Bron: SBLGNT
Uitleg

κάρφος (karphos), ‘splinter’; δοκός (dokos), ‘balk’: zie Matt. 7:3.

Zie ook Matt. 7:3–5.

Zie ookMat 7:3
42Hoe kun je tegen je broer zeggen: ‘Broer, laat mij de splinter uit je oog halen’? Je ziet zelf immers de balk in je eigen oog niet! Huichelaar, haal eerst de balk uit je eigen oog. Dan zul je scherp zien om de splinter uit het oog van je broer te halen.
πῶς
(pos)
hoe
δύνασαι
(dynasai)
kun je
λέγειν
(legein)
zeggen
τῷ
(to)
aan de
ἀδελφῷ
(adelpho)
broer
σου
(sou)
je
Ἀδελφέ
(Adelphe)
broer
ἄφες
(aphes)
laat toe
ἐκβάλω
(ekbalo)
haal uit
τὸ
(to)
de
κάρφος
(karphos)
splinter
τὸ
(to)
die
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ὀφθαλμῷ
(ophthalmo)
oog
σου
(sou)
je
αὐτὸς
(autos)
zelf
τὴν
(ten)
de
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ὀφθαλμῷ
(ophthalmo)
oog
σοῦ
(sou)
je
δοκὸν
(dokon)
balk
οὐ
(ou)
niet
βλέπων
(blepon)
ziend
ὑποκριτά
(hypokrita)
huichelaar
ἔκβαλε
(ekbale)
haal uit
πρῶτον
(proton)
eerst
τὴν
(ten)
de
δοκὸν
(dokon)
balk
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
ὀφθαλμοῦ
(ophthalmou)
oog
σοῦ
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
τότε
(tote)
dan
διαβλέψεις
(diablepseis)
zult scherp zien
τὸ
(to)
de
κάρφος
(karphos)
splinter
τὸ
(to)
die
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ὀφθαλμῷ
(ophthalmo)
oog
τοῦ
(tou)
van de
ἀδελφοῦ
(adelphou)
broer
σου
(sou)
je
ἐκβαλεῖν
(ekbalein)
uit te halen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: zie Matt. 6:2.

Zie ookMat 6:2
43Want er is geen goede boom die rotte vrucht voortbrengt, en ook geen rotte boom die goede vrucht voortbrengt.
Οὐ
(Ou)
niet
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
δένδρον
(dendron)
boom
καλὸν
(kalon)
goede
ποιοῦν
(poioun)
voortbrengend
καρπὸν
(karpon)
vrucht
σαπρόν
(sapron)
rotte
οὐδὲ
(oude)
noch
πάλιν
(palin)
opnieuw
δένδρον
(dendron)
boom
σαπρὸν
(sapron)
rotte
ποιοῦν
(poioun)
voortbrengend
καρπὸν
(karpon)
vrucht
καλόν
(kalon)
goede
Bron: SBLGNT
Uitleg

σαπρός (sapros), ‘rot’: verdorven, onbruikbaar.

Zie ook Matt. 7:16–20; 12:33.

44Want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht herkend. Men plukt immers geen vijgen van doornen, en van een braamstruik oogst men geen druiven.
ἕκαστον
(hekaston)
elke
γὰρ
(gar)
want
δένδρον
(dendron)
boom
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἰδίου
(idiou)
eigen
καρποῦ
(karpou)
vrucht
γινώσκεται
(ginosketai)
wordt herkend
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἐξ
(ex)
van
ἀκανθῶν
(akanthon)
doornen
συλλέγουσιν
(syllegousin)
plukken zij
σῦκα
(syka)
vijgen
οὐδὲ
(oude)
noch
ἐκ
(ek)
van
βάτου
(batou)
braamstruik
σταφυλὴν
(staphylen)
druif
τρυγῶσιν
(trygosin)
oogsten zij
Bron: SBLGNT
Uitleg

βάτος (batos), ‘braamstruik’.

Vergelijk Matt. 7:16, waar het over doornen en distels gaat.

Zie ookMat 7:16
45De goede mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort. De slechte mens brengt uit de slechte schat het slechte voort. Want zijn mond spreekt uit de overvloed van het hart.
ὁ
(ho)
de
ἀγαθὸς
(agathos)
goede
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀγαθοῦ
(agathou)
goede
θησαυροῦ
(thesaurou)
schat
τῆς
(tes)
van het
καρδίας
(kardias)
hart
αὐτοῦ
(autou)
zijn
προφέρει
(propherei)
brengt voort
τὸ
(to)
het
ἀγαθόν
(agathon)
goede
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πονηρὸς
(poneros)
slechte
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
πονηροῦ
(ponerou)
slechte
προφέρει
(propherei)
brengt voort
τὸ
(to)
het
πονηρόν
(poneron)
slechte
ἐκ
(ek)
uit
γὰρ
(gar)
want
περισσεύματος
(perisseumatos)
overvloed
καρδίας
(kardias)
van hart
λαλεῖ
(lalei)
spreekt
τὸ
(to)
de
στόμα
(stoma)
mond
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

θησαυρός (thesauros), ‘schat’: een voorraad.

Zie ook Matt. 12:34–35.

De twee bouwers

46Waarom noemen jullie Mij ‘Heer, Heer’ en doen jullie niet wat Ik zeg?
Τί
(Ti)
waarom
δέ
(de)
maar
με
(me)
Mij
καλεῖτε
(kaleite)
noemen jullie
Κύριε
(Kyrie)
Heer
κύριε
(kyrie)
Heer
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
ποιεῖτε
(poieite)
doen jullie
ἃ
(ha)
wat
λέγω
(lego)
zeg Ik
Bron: SBLGNT
Uitleg

Κύριε κύριε (Kyrie kyrie), ‘Heer, Heer’: een aanspreking, geen vertaling van Yahweh; zie Matt. 7:21.

Zie ookMat 7:21
47Ieder die naar Mij toe komt, Mijn woorden hoort en ze doet — Ik zal jullie tonen aan wie hij gelijk is.
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
die
ἐρχόμενος
(erchomenos)
komende
πρός
(pros)
naar
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
ἀκούων
(akouon)
horend
μου
(mou)
Mijn
τῶν
(ton)
de
λόγων
(logon)
woorden
καὶ
(kai)
en
ποιῶν
(poion)
doend
αὐτούς
(autous)
ze
ὑποδείξω
(hypodeixo)
zal Ik tonen
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
τίνι
(tini)
aan wie
ἐστὶν
(estin)
is
ὅμοιος
(homoios)
gelijk
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑποδείκνυμι (hypodeiknymi), ‘tonen, laten zien’.

Zie ook Matt. 7:24–27.

48Die is gelijk aan een man die een huis bouwde, diep groef en het fundament op de rots legde. Toen er een overstroming kwam, beukte de rivier tegen dat huis, maar kon het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was.
ὅμοιός
(homoios)
gelijk
ἐστιν
(estin)
is
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
aan een man
οἰκοδομοῦντι
(oikodomounti)
bouwend
οἰκίαν
(oikian)
huis
ὃς
(hos)
die
ἔσκαψεν
(eskapsen)
groef
καὶ
(kai)
en
ἐβάθυνεν
(ebathynen)
maakte diep
καὶ
(kai)
en
ἔθηκεν
(etheken)
legde
θεμέλιον
(themelion)
fundament
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
πέτραν
(petran)
rots
πλημμύρης
(plemmyres)
overstroming
δὲ
(de)
maar
γενομένης
(genomenes)
gekomen
προσέρηξεν
(proserexen)
beukte tegen
ὁ
(ho)
de
ποταμὸς
(potamos)
rivier
τῇ
(te)
het
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
ἐκείνῃ
(ekeine)
dat
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἴσχυσεν
(ischysen)
kon
σαλεῦσαι
(saleusai)
doen wankelen
αὐτὴν
(auten)
het
διὰ
(dia)
vanwege
τὸ
(to)
het
καλῶς
(kalos)
goed
οἰκοδομῆσθαι
(oikodomesthai)
gebouwd te zijn
αὐτήν
(auten)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

πλημμύρα (plemmyra), ‘overstroming’. ἔσκαψεν καὶ ἐβάθυνεν (eskapsen kai ebathynen), ‘hij groef en maakte diep’: hij groef tot hij op de rots kwam. πέτρα (petra), ‘rots’: zie Matt. 7:24.

Zie ookMat 7:24
49Maar wie hoort en niet doet, is gelijk aan een man die een huis op de grond bouwde, zonder fundament. De rivier beukte ertegen, het stortte meteen in, en de ineenstorting van dat huis was groot.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ποιήσας
(poiesas)
gedaan hebbend
ὅμοιός
(homoios)
gelijk
ἐστιν
(estin)
is
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
aan een man
οἰκοδομήσαντι
(oikodomesanti)
gebouwd hebbend
οἰκίαν
(oikian)
huis
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
grond
χωρὶς
(choris)
zonder
θεμελίου
(themeliou)
fundament
ᾗ
(he)
waartegen
προσέρηξεν
(proserexen)
beukte
ὁ
(ho)
de
ποταμός
(potamos)
rivier
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
συνέπεσεν
(synepesen)
stortte in
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
werd
τὸ
(to)
de
ῥῆγμα
(rhegma)
ineenstorting
τῆς
(tes)
van het
οἰκίας
(oikias)
huis
ἐκείνης
(ekeines)
dat
μέγα
(mega)
groot
Bron: SBLGNT
Uitleg

ῥῆγμα (regma), ‘ineenstorting, scheur’.

Bij Matteüs is het huis gebouwd op zand (Matt. 7:26); Lucas heeft ‘op de grond, zonder fundament’.

Zie ookMat 7:26