Elohim Bijbel

Numeri 5

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Onreinen buiten het kamp, vergoeding van schuld en de jaloezie-wet

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Onreinen buiten het kamp

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Beveel de zonen van Israël om ieder die melaats is uit het kamp weg te sturen. Ook ieder die een vloeiing heeft en ieder die onrein is door een dode moeten zij wegsturen.
צַ֚ו
(tsav)
beveel
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וִֽישַׁלְּחוּ֙
(vishalechu)
en zij zullen wegsturen
מִן
(min)
uit
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
כָּל
(kal)
alle
צָר֖וּעַ
(tsarua)
melaatse
וְכָל
(vekhal)
en alle
זָ֑ב
(zav)
met een vloeiing
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
לָנָֽפֶשׁ
(lanafesh)
voor een dode
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָרוּעַ (tsaru‘a), ‘melaatse’, en זָב (zav), ‘iemand met een vloeiing’: zie Lev. 13 en Lev. 15.

טָמֵא לָנֶפֶשׁ (tame lanefesh), ‘onrein door een dode’: zie Lev. 21:1 en Num. 19:11–13.

3Man of vrouw, jullie moeten hen wegsturen. Buiten het kamp moeten jullie hen wegsturen, zodat zij hun kamp niet onrein maken, waar Ik te midden van hen woon.”
מִזָּכָ֤ר
(mizakhar)
van man
עַד
(ad)
tot
נְקֵבָה֙
(neqeva)
vrouw
תְּשַׁלֵּ֔חוּ
(teshalechu)
jullie zullen wegsturen
אֶל
(el)
naar
מִח֥וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֖ה
(lamachane)
het kamp
תְּשַׁלְּח֑וּם
(teshalechum)
jullie zullen hen wegsturen
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יְטַמְּאוּ֙
(yetameu)
zullen onrein maken
אֶת
(et)
(obj.)
מַ֣חֲנֵיהֶ֔ם
(machaneihem)
hun kampen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
שֹׁכֵ֥ן
(shokhen)
woon
בְּתוֹכָֽם
(betokham)
te midden van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh woont midden in het kamp (Exod. 25:8; 29:45–46).

Daarom moet het kamp rein blijven.

4Zo deden de zonen van Israël: zij stuurden hen buiten het kamp weg. Zoals Yahweh tot Mozes had gesproken, zo deden de zonen van Israël.
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en deden
כֵן֙
(ken)
zo
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיְשַׁלְּח֣וּ
(vayshalechu)
en zij stuurden weg
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֑ה
(lamachane)
het kamp
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֤ר
(diber)
sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כֵּ֥ן
(ken)
zo
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Vergoeding van schuld

5Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6„Spreek tot de zonen van Israël: Wanneer een man of een vrouw een van de zonden van mensen begaat, is die persoon ontrouw aan Yahweh. Die persoon is dan schuldig.
דַּבֵּר֮
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֽוֹ
(o)
of
אִשָּׁ֗ה
(isha)
vrouw
כִּ֤י
(ki)
wanneer
יַעֲשׂוּ֙
(yaasu)
zij doen
מִכָּל
(mikal)
van alle
חַטֹּ֣את
(chatot)
zonden van
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
לִמְעֹ֥ל
(limol)
om ontrouw te plegen
מַ֖עַל
(maal)
ontrouw
בַּיהוָ֑ה
(baYahweh)
aan Yahweh
וְאָֽשְׁמָ֖ה
(veashema)
en schuldig is
הַנֶּ֥פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
הַהִֽוא
(hahi)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָעַל מַעַל (ma‘al ma‘al), ‘ontrouw zijn’: zie Lev. 5:15 en 5:21.

Ook een schuld tegenover een medemens is dus ontrouw aan Yahweh.

7Zij moeten de zonde belijden die zij begaan hebben. Dan moet hij zijn schuld volledig terugbetalen, er een vijfde deel bij doen en het geven aan degene tegen wie hij schuldig is geworden.
וְהִתְוַדּ֗וּ
(vehitvadu)
en zij zullen belijden
אֶֽת
(et)
(obj.)
חַטָּאתָם֮
(chatatam)
hun zonde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשׂוּ֒
(asu)
zij deden
וְהֵשִׁ֤יב
(veheshiv)
en hij zal terugbrengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשָׁמוֹ֙
(ashamo)
zijn schuld
בְּרֹאשׁ֔וֹ
(berosho)
op zijn hoofd
וַחֲמִישִׁת֖וֹ
(vachamishito)
en zijn vijfde
יֹסֵ֣ף
(yosef)
hij zal toevoegen
עָלָ֑יו
(alav)
eraan
וְנָתַ֕ן
(venatan)
en hij zal geven
לַאֲשֶׁ֖ר
(laasher)
aan wie
אָשַׁ֥ם
(asham)
hij schuldig werd
לֽוֹ
(lo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Lev. 5:20–26 voor de regel dat een vijfde deel wordt toegevoegd.

Het Hebreeuws wisselt hier van het meervoud (‘zij moeten belijden’) naar het enkelvoud (‘hij moet terugbetalen’).

Wij volgen dat.

8Heeft de man geen losser aan wie hij de schuld kan terugbetalen, dan is de schuld die aan Yahweh wordt terugbetaald voor de priester. Dat is behalve de ram van de verzoening waarmee voor hem verzoening wordt gedaan.
וְאִם
(veim)
en als
אֵ֨ין
(ein)
niet is
לָאִ֜ישׁ
(laish)
voor de man
גֹּאֵ֗ל
(goel)
losser
לְהָשִׁ֤יב
(lehashiv)
om terug te brengen
הָאָשָׁם֙
(haasham)
de schuld
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
הָאָשָׁ֛ם
(haasham)
de schuld
הַמּוּשָׁ֥ב
(hamushav)
die wordt teruggebracht
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לַכֹּהֵ֑ן
(lakohen)
aan de priester
מִלְּבַ֗ד
(milevad)
behalve
אֵ֚יל
(eil)
ram van
הַכִּפֻּרִ֔ים
(hakipurim)
de verzoeningen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
יְכַפֶּר
(yekhaper)
hij verzoening zal doen
בּ֖וֹ
(bo)
ermee
עָלָֽיו
(alav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: een naaste bloedverwant die voor iemand opkomt (Lev. 25:25).

9Elke heffing van alle heilige gaven van de zonen van Israël die zij de priester brengen, is voor hem.
וְכָל
(vekhal)
en alle
תְּרוּמָ֞ה
(teruma)
heffing
לְכָל
(lekhal)
voor alle
קָדְשֵׁ֧י
(qadeshei)
heilige dingen van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַקְרִ֥יבוּ
(yaqrivu)
zij zullen brengen
לַכֹּהֵ֖ן
(lakohen)
aan de priester
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Ieders heilige gaven zijn voor hem; wat iemand de priester geeft, is voor hem.”
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man
אֶת
(et)
(obj.)
קֳדָשָׁ֖יו
(qodashav)
zijn heilige dingen
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
יִהְי֑וּ
(yihyu)
zullen zijn
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יִתֵּ֥ן
(yiten)
hij zal geven
לַכֹּהֵ֖ן
(lakohen)
aan de priester
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt alleen ‘voor hem’ en noemt niet wie bedoeld is.

Wij lezen: voor de priester, zoals in vers 9.

De wet van de jaloezie

11Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Stel dat de vrouw van een man afdwaalt en hem ontrouw wordt.
דַּבֵּר֙
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en jij zult zeggen
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
אִישׁ֙
(ish)
een man
כִּֽי
(ki)
wanneer
תִשְׂטֶ֣ה
(tiste)
afdwaalt
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וּמָעֲלָ֥ה
(umaala)
en pleegt
ב֖וֹ
(bo)
tegen hem
מָֽעַל
(maal)
ontrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Stel dat een man met haar slaapt met zaadlozing en het verborgen blijft voor de ogen van haar man. Zij heeft zich verborgen en is onrein geworden. Er is geen getuige tegen haar en zij is niet betrapt.
וְשָׁכַ֨ב
(veshakhav)
en slaapt
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
אֹתָהּ֮
(otah)
met haar
שִׁכְבַת
(shikhvat)
slaping van
זֶרַע֒
(zera)
zaad
וְנֶעְלַם֙
(venelam)
en het is verborgen
מֵעֵינֵ֣י
(meeinei)
voor de ogen van
אִישָׁ֔הּ
(ishah)
haar man
וְנִסְתְּרָ֖ה
(venistera)
en zij heeft zich verborgen
וְהִ֣יא
(vehi)
en zij
נִטְמָ֑אָה
(nitmaa)
is onrein geworden
וְעֵד֙
(veed)
en getuige
אֵ֣ין
(ein)
niet is
בָּ֔הּ
(bah)
tegen haar
וְהִ֖וא
(vehi)
en zij
לֹ֥א
(lo)
niet
נִתְפָּֽשָׂה
(nitpasa)
is gegrepen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Stel dat een geest van jaloezie over hem komt en hij jaloers wordt op zijn vrouw, terwijl zij onrein is geworden. Of stel dat een geest van jaloezie over hem komt en hij jaloers wordt op zijn vrouw, terwijl zij niet onrein is geworden.
וְעָבַ֨ר
(veavar)
en komt
עָלָ֧יו
(alav)
over hem
רֽוּחַ
(ruach)
geest van
קִנְאָ֛ה
(qina)
jaloezie
וְקִנֵּ֥א
(veqine)
en hij wordt jaloers op
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְהִ֣וא
(vehi)
en zij
נִטְמָ֑אָה
(nitmaa)
is onrein geworden
אוֹ
(o)
of
עָבַ֨ר
(avar)
komt
עָלָ֤יו
(alav)
over hem
רֽוּחַ
(ruach)
geest van
קִנְאָה֙
(qina)
jaloezie
וְקִנֵּ֣א
(veqine)
en hij wordt jaloers op
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְהִ֖יא
(vehi)
en zij
לֹ֥א
(lo)
niet
נִטְמָֽאָה
(nitmaa)
is onrein geworden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Dan moet de man zijn vrouw naar de priester brengen. Hij moet haar offergave voor haar brengen: een tiende efa gerstemeel. Hij mag er geen olie op gieten en geen wierook op doen. Want het is een graanoffer van jaloezie, een graanoffer van herinnering dat schuld in herinnering brengt.
וְהֵבִ֨יא
(vehevi)
en hij zal brengen
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּוֹ֮
(ishto)
zijn vrouw
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵן֒
(hakohen)
de priester
וְהֵבִ֤יא
(vehevi)
en hij zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
קָרְבָּנָהּ֙
(qarbanah)
haar offergave
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
voor haar
עֲשִׂירִ֥ת
(asirit)
tiende van
הָאֵיפָ֖ה
(haeifa)
de efa
קֶ֣מַח
(qemach)
meel van
שְׂעֹרִ֑ים
(seorim)
gerst
לֹֽא
(lo)
niet
יִצֹ֨ק
(yitsoq)
hij zal gieten
עָלָ֜יו
(alav)
erop
שֶׁ֗מֶן
(shemen)
olie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִתֵּ֤ן
(yiten)
hij zal doen
עָלָיו֙
(alav)
erop
לְבֹנָ֔ה
(levona)
wierook
כִּֽי
(ki)
want
מִנְחַ֤ת
(minchat)
graanoffer van
קְנָאֹת֙
(qenaot)
jaloezieën
ה֔וּא
(hu)
het is
מִנְחַ֥ת
(minchat)
graanoffer van
זִכָּר֖וֹן
(zikaron)
herinnering
מַזְכֶּ֥רֶת
(mazkeret)
dat in herinnering brengt
עָוֺֽן
(avon)
schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een efa is ongeveer 22 liter; een tiende efa is dus ongeveer 2,2 liter.

Een graanoffer heeft gewoonlijk fijn meel, olie en wierook (Lev. 2:1); hier ontbreken olie en wierook, en het meel is van gerst.

מַזְכֶּרֶת עָוֺן (mazkeret avon), ‘dat schuld in herinnering brengt’.

De vrouw voor het aangezicht van Yahweh

16De priester moet haar laten naderen en haar voor het aangezicht van Yahweh laten staan.
וְהִקְרִ֥יב
(vehiqriv)
en hij zal laten naderen
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
וְהֶֽעֱמִדָ֖הּ
(veheemidah)
en hij zal haar laten staan
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De priester moet heilig water in een aarden vat nemen. Ook moet de priester wat stof nemen van de grond van de tabernakel en dat in het water doen.
וְלָקַ֧ח
(velaqach)
en zal nemen
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
מַ֥יִם
(mayim)
water
קְדֹשִׁ֖ים
(qedoshim)
heilig
בִּכְלִי
(bikhli)
in een vat van
חָ֑רֶשׂ
(chares)
aardewerk
וּמִן
(umin)
en van
הֶֽעָפָ֗ר
(heafar)
het stof
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יִהְיֶה֙
(yihye)
is
בְּקַרְקַ֣ע
(beqarqa)
op de bodem van
הַמִּשְׁכָּ֔ן
(hamishkan)
de tabernakel
יִקַּ֥ח
(yiqach)
zal nemen
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en zal doen
אֶל
(el)
in
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַיִם קְדֹשִׁים (mayim qedoshim), ‘heilig water’: de tekst zegt niet waar dit water vandaan komt.

18De priester moet de vrouw voor het aangezicht van Yahweh laten staan, het haar van de vrouw losmaken. Hij moet het graanoffer van herinnering in haar handen leggen, het graanoffer van jaloezie. In de hand van de priester moet het bittere water zijn dat vloek brengt.
וְהֶעֱמִ֨יד
(veheemid)
en hij zal laten staan
הַכֹּהֵ֥ן
(hakohen)
de priester
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאִשָּׁה֮
(haisha)
de vrouw
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וּפָרַע֙
(ufara)
en hij zal losmaken
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וְנָתַ֣ן
(venatan)
en hij zal leggen
עַל
(al)
op
כַּפֶּ֗יהָ
(kapeiha)
haar handpalmen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מִנְחַ֣ת
(minchat)
graanoffer van
הַזִּכָּר֔וֹן
(hazikaron)
de herinnering
מִנְחַ֥ת
(minchat)
graanoffer van
קְנָאֹ֖ת
(qenaot)
jaloezieën
הִ֑וא
(hi)
het is
וּבְיַ֤ד
(uveyad)
en in de hand van
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
יִהְי֔וּ
(yihyu)
zullen zijn
מֵ֥י
(mei)
water van
הַמָּרִ֖ים
(hamarim)
het bittere
הַמְאָֽרֲרִֽים
(hamararim)
dat vloek brengt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּרַע (para‘), ‘losmaken’: het haar van de vrouw wordt losgemaakt (vergelijk Lev. 10:6; 13:45).

מֵי הַמָּרִים הַמְאָרֲרִים (mei hamarim hame’ararim), ‘het bittere water dat vloek brengt’: מָרִים (marim) betekent ‘bitter’, מְאָרֲרִים (me’ararim) ‘vloek brengend’.

19De priester moet haar laten zweren. Hij moet tot de vrouw zeggen: ‘Heeft geen man met je geslapen en ben je niet afgedwaald tot onreinheid onder je man? Wees dan vrij van dit bittere water dat vloek brengt.
וְהִשְׁבִּ֨יעַ
(vehishbia)
en hij zal laten zweren
אֹתָ֜הּ
(otah)
haar
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְאָמַ֤ר
(veamar)
en zal zeggen
אֶל
(el)
tot
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
אִם
(im)
als
לֹ֨א
(lo)
niet
שָׁכַ֥ב
(shakhav)
heeft geslapen
אִישׁ֙
(ish)
een man
אֹתָ֔ךְ
(otakh)
met jou
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׂטִ֛ית
(satit)
jij bent afgedwaald
טֻמְאָ֖ה
(tuma)
onreinheid
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
אִישֵׁ֑ךְ
(ishekh)
je man
הִנָּקִ֕י
(hinaqi)
wees vrij
מִמֵּ֛י
(mimei)
van het water van
הַמָּרִ֥ים
(hamarim)
het bittere
הַֽמְאָרֲרִ֖ים
(hamararim)
dat vloek brengt
הָאֵֽלֶּה
(haele)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Maar jij, als je onder je man bent afgedwaald en onrein bent geworden, en een andere man dan je man met je geslapen heeft —’
וְאַ֗תְּ
(veat)
en jij
כִּ֥י
(ki)
wanneer
שָׂטִ֛ית
(satit)
je bent afgedwaald
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
אִישֵׁ֖ךְ
(ishekh)
je man
וְכִ֣י
(vekhi)
en wanneer
נִטְמֵ֑את
(nitmet)
je onrein bent geworden
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en heeft gegeven
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
בָּךְ֙
(bakh)
in jou
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁכָבְתּ֔וֹ
(shekhavto)
zijn slaping
מִֽבַּלְעֲדֵ֖י
(mibaladei)
behalve
אִישֵֽׁךְ
(ishekh)
je man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookNum 5:12
21De priester moet de vrouw laten zweren met de eed van de vloek. De priester moet tot de vrouw zeggen: ‘Moge Yahweh je tot een vloek en een eed maken te midden van je volk. Dat gebeurt doordat Yahweh je heup laat vallen en je buik laat zwellen.
וְהִשְׁבִּ֨יעַ
(vehishbia)
en hij zal laten zweren
הַכֹּהֵ֥ן
(hakohen)
de priester
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָֽאִשָּׁה֮
(haisha)
de vrouw
בִּשְׁבֻעַ֣ת
(bishvuat)
met de eed van
הָאָלָה֒
(haala)
de vloek
וְאָמַ֤ר
(veamar)
en zal zeggen
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
לָֽאִשָּׁ֔ה
(laisha)
tot de vrouw
יִתֵּ֨ן
(yiten)
moge geven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אוֹתָ֛ךְ
(otakh)
jou
לְאָלָ֥ה
(leala)
tot een vloek
וְלִשְׁבֻעָ֖ה
(velishvua)
en tot een eed
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
עַמֵּ֑ךְ
(amekh)
je volk
בְּתֵ֨ת
(betet)
door te laten
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יְרֵכֵךְ֙
(yerekhekh)
je heup
נֹפֶ֔לֶת
(nofelet)
vallen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בִּטְנֵ֖ךְ
(bitnekh)
je buik
צָבָֽה
(tsava)
zwellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלָה (alah), ‘eed met een vloek’.

יָרֵךְ (yarekh), ‘heup’, kan ook een omschrijving voor de geslachtsdelen zijn.

Wat er precies gebeurt, zegt de tekst niet; wij vertalen letterlijk.

22Dit water dat vloek brengt moet in je ingewanden komen, zodat je buik zwelt en je heup valt.’ De vrouw moet zeggen: ‘Amen, amen.’
וּ֠בָאוּ
(uvau)
en zullen komen
הַמַּ֨יִם
(hamayim)
het water
הַמְאָרְרִ֤ים
(hamarerim)
dat vloek brengt
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
dit
בְּֽמֵעַ֔יִךְ
(bemeayikh)
in je ingewanden
לַצְבּ֥וֹת
(latsbot)
om te laten zwellen
בֶּ֖טֶן
(beten)
buik
וְלַנְפִּ֣ל
(velanpil)
en om te laten vallen
יָרֵ֑ךְ
(yarekh)
heup
וְאָמְרָ֥ה
(veamera)
en zal zeggen
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
אָמֵ֥ן
(amen)
amen
אָמֵֽן
(amen)
amen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָמֵן אָמֵן (amen amen), ‘zo is het, zo is het’: de vrouw stemt twee keer in met de eed.

23De priester moet deze vloeken in een boek schrijven en ze uitwissen in het bittere water.
וְ֠כָתַב
(vekhatav)
en hij zal schrijven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָלֹ֥ת
(haalot)
de vloeken
הָאֵ֛לֶּה
(haele)
deze
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
בַּסֵּ֑פֶר
(basefer)
in het boek
וּמָחָ֖ה
(umacha)
en hij zal uitwissen
אֶל
(el)
in
מֵ֥י
(mei)
het water van
הַמָּרִֽים
(hamarim)
het bittere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Hij moet de vrouw het bittere water laten drinken dat vloek brengt, en het water dat vloek brengt, komt als bitterheid in haar.
וְהִשְׁקָה֙
(vehishqa)
en hij zal laten drinken
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
מֵ֥י
(mei)
het water van
הַמָּרִ֖ים
(hamarim)
het bittere
הַמְאָֽרֲרִ֑ים
(hamararim)
dat vloek brengt
וּבָ֥אוּ
(uvau)
en zullen komen
בָ֛הּ
(bah)
in haar
הַמַּ֥יִם
(hamayim)
het water
הַֽמְאָרֲרִ֖ים
(hamararim)
dat vloek brengt
לְמָרִֽים
(lemarim)
tot bitterheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De priester moet uit de hand van de vrouw het graanoffer van jaloezie nemen. Hij moet het graanoffer voor het aangezicht van Yahweh zwaaien en het naar het altaar brengen.
וְלָקַ֤ח
(velaqach)
en zal nemen
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִנְחַ֣ת
(minchat)
graanoffer van
הַקְּנָאֹ֑ת
(haqenaot)
de jaloezieën
וְהֵנִ֤יף
(vehenif)
en hij zal zwaaien
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָה֙
(hamincha)
het graanoffer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִקְרִ֥יב
(vehiqriv)
en hij zal brengen
אֹתָ֖הּ
(otah)
het
אֶל
(el)
naar
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De priester moet van het graanoffer een handvol nemen als gedenkdeel en dat op het altaar in rook laten opgaan. Daarna moet hij de vrouw het water laten drinken.
וְקָמַ֨ץ
(veqamats)
en zal een handvol nemen
הַכֹּהֵ֤ן
(hakohen)
de priester
מִן
(min)
van
הַמִּנְחָה֙
(hamincha)
het graanoffer
אֶת
(et)
(obj.)
אַזְכָּ֣רָתָ֔הּ
(azkaratah)
haar gedenkdeel
וְהִקְטִ֖יר
(vehiqtir)
en laat in rook opgaan
הַמִּזְבֵּ֑חָה
(hamizbecha)
naar het altaar
וְאַחַ֛ר
(veachar)
en daarna
יַשְׁקֶ֥ה
(yashqe)
hij zal laten drinken
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: zie Lev. 2:2.

27Heeft hij haar het water laten drinken, dan gebeurt het. Als zij onrein is geworden en ontrouw is geweest aan haar man, dan komt het water dat vloek brengt als bitterheid in haar. En haar buik zwelt en haar heup valt. De vrouw wordt een vloek te midden van haar volk.
וְהִשְׁקָ֣הּ
(vehishqah)
en hij zal haar laten drinken
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּ֗יִם
(hamayim)
het water
וְהָיְתָ֣ה
(vehayeta)
en het zal zijn
אִֽם
(im)
als
נִטְמְאָה֮
(nitmea)
zij onrein is geworden
וַתִּמְעֹ֣ל
(vatimol)
en pleegde
מַ֣עַל
(maal)
ontrouw
בְּאִישָׁהּ֒
(beishah)
aan haar man
וּבָ֨אוּ
(uvau)
en zullen komen
בָ֜הּ
(bah)
in haar
הַמַּ֤יִם
(hamayim)
het water
הַמְאָֽרֲרִים֙
(hamararim)
dat vloek brengt
לְמָרִ֔ים
(lemarim)
tot bitterheid
וְצָבְתָ֣ה
(vetsaveta)
en zal zwellen
בִטְנָ֔הּ
(bitnah)
haar buik
וְנָפְלָ֖ה
(venafela)
en zal vallen
יְרֵכָ֑הּ
(yerekhah)
haar heup
וְהָיְתָ֧ה
(vehayeta)
en zal worden
הָאִשָּׁ֛ה
(haisha)
de vrouw
לְאָלָ֖ה
(leala)
tot een vloek
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
עַמָּֽהּ
(amah)
haar volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Maar als de vrouw niet onrein is geworden en rein is, dan is zij vrijgesproken en zal zij zaad ontvangen.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֤א
(lo)
niet
נִטְמְאָה֙
(nitmea)
zij onrein is geworden
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וּטְהֹרָ֖ה
(utehora)
en rein
הִ֑וא
(hi)
zij
וְנִקְּתָ֖ה
(veniqeta)
en zij is vrijgesproken
וְנִזְרְעָ֥ה
(venizrea)
en zij zal bevrucht worden
זָֽרַע
(zara)
met zaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וְנִזְרְעָה זָרַע (venizre‘ah zara‘) is letterlijk ‘zij wordt met zaad bezaaid’.

Wij vertalen ‘zij zal zaad ontvangen’ en laten de uitleg aan de lezer.

Slot van de wet van de jaloezie

29Dit is de wet van de jaloezie, wanneer een vrouw onder haar man afdwaalt en onrein wordt,
זֹ֥את
(zot)
dit
תּוֹרַ֖ת
(torat)
wet van
הַקְּנָאֹ֑ת
(haqenaot)
de jaloezieën
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wanneer
תִּשְׂטֶ֥ה
(tiste)
afdwaalt
אִשָּׁ֛ה
(isha)
een vrouw
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
אִישָׁ֖הּ
(ishah)
haar man
וְנִטְמָֽאָה
(venitmaa)
en onrein wordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht en voorschrift (vergelijk Exod. 12:49).

30of wanneer een geest van jaloezie over een man komt en hij jaloers wordt op zijn vrouw. Hij moet de vrouw voor het aangezicht van Yahweh laten staan, en de priester moet haar heel deze wet toepassen.
א֣וֹ
(o)
of
אִ֗ישׁ
(ish)
een man
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
תַּעֲבֹ֥ר
(taavor)
komt
עָלָ֛יו
(alav)
over hem
ר֥וּחַ
(ruach)
geest van
קִנְאָ֖ה
(qina)
jaloezie
וְקִנֵּ֣א
(veqine)
en hij wordt jaloers op
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּ֑וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְהֶעֱמִ֤יד
(veheemid)
en hij zal laten staan
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעָ֤שָׂה
(veasa)
en zal doen
לָהּ֙
(lah)
met haar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַתּוֹרָ֖ה
(hatora)
de wet
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31De man is dan vrij van schuld, maar de vrouw draagt haar schuld.”
וְנִקָּ֥ה
(veniqa)
en zal vrij zijn
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
מֵעָוֺ֑ן
(meavon)
van schuld
וְהָאִשָּׁ֣ה
(vehaisha)
en de vrouw
הַהִ֔וא
(hahi)
die
תִּשָּׂ֖א
(tisa)
zal dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנָֽהּ
(avonah)
haar schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא עָוֺן (nasa avon), ‘haar schuld dragen’: de gevolgen van haar schuld komen op haar (Lev. 5:1).