Open in de app Alle boeken Spreuken ← 14 16 → Spreuken 15 Spreuken over de tong, het hart, de vrees voor Yahweh en tucht
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1 Een zacht antwoord keert woede af, maar een kwetsend woord doet de toorn opkomen.
מַֽעֲנֶה
(maane)
een antwoord
וּדְבַר
(udevar)
en een woord van
יַעֲלֶה
(yaale)
doet opkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֵמָה (chemah), ‘woede’: een hete, vlammende drift.
אַף (af), ‘toorn’: letterlijk ‘neus’, het snuiven van de boze.
עֶצֶב (etsev), ‘kwetsing’: een woord dat pijn doet.
2 De tong van de wijzen maakt kennis goed, maar de mond van de dwazen laat zotheid uitstromen.
לְשׁ֣וֹן
(leshon)
de tong van
חֲ֭כָמִים
(chakhamim)
wijzen
תֵּיטִ֣יב
(teitiv)
maakt goed
וּפִ֥י
(ufi)
en de mond van
כְ֝סִילִ֗ים
(kesilim)
dwazen
יַבִּ֥יעַ
(yabia)
laat uitstromen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תֵּיטִיב (teitiv), ‘maakt goed’: de wijzen brengen kennis goed en aantrekkelijk over.
יַבִּיעַ (yabia), ‘laat uitstromen’: letterlijk ‘laat opwellen’, zoals een bron. Hetzelfde woord staat in vers 28.
3 Op elke plaats zijn de ogen van Yahweh. Zij houden de slechten en de goeden in het oog.
עֵינֵ֣י
(einei)
de ogen van
צֹ֝פ֗וֹת
(tsofot)
houden in het oog
וטוֹבִֽים
(vtovim)
en goeden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֹפוֹת (tsofot), ‘houden in het oog’: zoals een wachter uitkijkt.
Vergelijk Job 34:21; Ps. 33:13–15 en Spr. 5:21.
4 Een heilzame tong is een boom van leven, maar verdraaidheid erin is een breuk in de geest.
מַרְפֵּ֣א
(marpe)
genezing van
וְסֶ֥לֶף
(veselef)
en verdraaidheid
בְּרֽוּחַ
(beruach)
in de geest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַרְפֵּא (marpe), ‘genezing’: een tong die heelt en rust geeft.
סֶלֶף (seleph), ‘verdraaidheid’: valsheid in wat iemand zegt.
עֵץ חַיִּים (ets chayim), ‘boom van leven’: zie Spr. 3:18; 11:30; 13:12.
5 Een zot minacht de tucht van zijn vader, maar wie terechtwijzing bewaart, wordt slim.
מוּסַ֣ר
(musar)
de tucht van
וְשֹׁמֵ֖ר
(veshomer)
en wie bewaart
תּוֹכַ֣חַת
(tokhachat)
terechtwijzing
יַעְרִֽם
(yarim)
wordt slim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִנְאַץ (yin’ats), ‘minacht’.
יַעְרִם (ya’rim), ‘wordt slim’: het woord hoort bij עָרוּם (arum), ‘slim’, zoals in Spr. 13:16.
6 In het huis van de rechtvaardige is veel schat, maar de opbrengst van de goddeloze wordt in ongeluk gebracht.
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
een rechtvaardige
וּבִתְבוּאַ֖ת
(uvitvuat)
en in de opbrengst van
רָשָׁ֣ע
(rasha)
een goddeloze
נֶעְכָּֽרֶת
(nekaret)
wordt in ongeluk gebracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹסֶן (chosen), ‘schat’: een voorraad, een rijkdom die men bewaart.
נֶעְכָּרֶת (ne’ekheret), ‘wordt in ongeluk gebracht’: van עָכַר (akhar), zoals in Joz. 7:25 en in vers 27.
7 De lippen van de wijzen strooien kennis uit, maar het hart van de dwazen is niet zo.
שִׂפְתֵ֣י
(siftei)
de lippen van
חֲ֭כָמִים
(chakhamim)
wijzen
יְזָ֣רוּ
(yezaru)
strooien uit
וְלֵ֖ב
(velev)
en het hart van
כְּסִילִ֣ים
(kesilim)
dwazen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֹא כֵן (lo khen), ‘niet zo’: het hart van de dwazen doet dat niet.
Het kan ook ‘is niet standvastig’ betekenen.
8 Het slachtoffer van de goddelozen is een gruwel voor Yahweh, maar het gebed van de oprechten is Zijn welbehagen.
זֶ֣בַח
(zevach)
het slachtoffer van
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
gruwel van
וּתְפִלַּ֖ת
(utefilat)
en het gebed van
יְשָׁרִ֣ים
(yesharim)
oprechten
רְצוֹנֽוֹ
(retsono)
Zijn welbehagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’.
תּוֹעֲבָה (to’avah), ‘gruwel’: wat Yahweh verafschuwt.
רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’.
Vergelijk Spr. 21:27 en 28:9.
9 De weg van een goddeloze is een gruwel voor Yahweh, maar wie gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief.
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
gruwel van
רָשָׁ֑ע
(rasha)
een goddeloze
וּמְרַדֵּ֖ף
(umeradef)
en wie najaagt
צְדָקָ֣ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
יֶאֱהָֽב
(yeehav)
heeft Hij lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְרַדֵּף (merraddef), ‘najaagt’; יֶאֱהָב (ye’ehav), ‘heeft Hij lief’: het onderwerp is Yahweh uit de eerste helft.
10 Zware tucht is er voor wie het pad verlaat. Wie terechtwijzing haat, zal sterven.
לְעֹזֵ֣ב
(leozev)
voor wie verlaat
תוֹכַ֣חַת
(tokhachat)
terechtwijzing
יָמֽוּת
(yamut)
zal sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוּסָר רָע (musar ra), ‘zware tucht’: letterlijk ‘kwade tucht’, een harde, pijnlijke straf.
אֹרַח (orach), ‘pad’: het pad van het leven (vers 24).
11 Sjeol en de Afgrond zijn voor het oog van Yahweh. Hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen!
וַ֭אֲבַדּוֹן
(vaavadon)
en de Afgrond
נֶ֣גֶד
(neged)
voor het oog van
לִבּ֥וֹת
(libot)
harten van
בְּֽנֵי
(benei)
kinderen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאוֹל (Sjeol), het dodenrijk.
אֲבַדּוֹן (Avaddon), ‘de Afgrond’: een andere naam voor het dodenrijk.
Zie Job 26:6; 28:22; Ps. 88:12 en Spr. 27:20.
נֶגֶד (neged), ‘voor het oog van’.
12 Een spotter houdt er niet van dat men hem terechtwijst. Naar de wijzen gaat hij niet.
הוֹכֵ֣חַֽ
(hokheach)
terechtwijzen
חֲ֝כָמִ֗ים
(chakhamim)
wijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֵץ (letz), ‘spotter’.
הוֹכֵחַ לוֹ (hokhei’ach lo), letterlijk ‘terechtwijzen hem’: het feit dat men hem terechtwijst.
13 Een blij hart geeft een vrolijk gezicht, maar door verdriet van het hart is de geest terneergeslagen.
יֵיטִ֣ב
(yeitiv)
maakt goed
פָּנִ֑ים
(panim)
het gezicht
וּבְעַצְּבַת
(uveatsevat)
en door verdriet van
נְכֵאָֽה
(nekhea)
is terneergeslagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֵיטִב פָּנִים (yetiv panim), letterlijk ‘maakt het gezicht goed’: het gezicht straalt.
עַצְּבַת (atsevet), ‘verdriet’.
נְכֵאָה (nekheah), ‘terneergeslagen’: gebroken.
14 Het hart van de inzichtige zoekt kennis, maar de mond van de dwazen voedt zich met zotheid.
נָ֭בוֹן
(navon)
een inzichtige
וּפִ֥י
(ufi)
en de mond van
כְ֝סִילִ֗ים
(kesilim)
dwazen
יִרְעֶ֥ה
(yire)
voedt zich met
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִרְעֶה (yir’eh), ‘voedt zich met’: letterlijk ‘weidt’, zoals een kudde graast.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is ופני (ufnei), ‘en het gezicht van’.
De te lezen vorm (qere) is וּפִי (ufi), ‘en de mond van’.
Wij volgen de qere; vergelijk vers 2.
15 Alle dagen van de ellendige zijn slecht, maar een goed hart is voortdurend een feestmaal.
וְטֽוֹב
(vetov)
en een goed
מִשְׁתֶּ֥ה
(mishte)
feestmaal
תָמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָנִי (ani), ‘ellendige’.
טוֹב לֵב (tov lev), ‘goed hart’: een vrolijk, tevreden hart.
מִשְׁתֶּה (mishteh), ‘feestmaal’: letterlijk een drinkgelag.
16 Beter weinig met de vrees voor Yahweh dan een grote schat en onrust daarbij.
בְּיִרְאַ֣ת
(beyirat)
met de vrees voor
מֵאוֹצָ֥ר
(meotsar)
dan een schat
וּמְה֥וּמָה
(umehuma)
en onrust
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְהוּמָה (mehumah), ‘onrust’: verwarring en angst.
Vergelijk Ps. 37:16.
17 Beter een maaltijd van groenten, waar liefde is, dan een os uit de krib, met haat daarbij.
אֲרֻחַ֣ת
(aruchat)
een maaltijd van
וְאַהֲבָה
(veahava)
en liefde
מִשּׁ֥וֹר
(mishor)
dan een os
אָ֝ב֗וּס
(avus)
uit de krib
וְשִׂנְאָה
(vesina)
en haat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲרֻחַת (aruchat), ‘maaltijd’: een vast rantsoen.
אָבוּס (avus), ‘krib’: een os uit de krib is een vette, gemeste os. Vergelijk Spr. 14:4 en 17:1.
18 Een driftig man wekt twist op, maar wie langzaam is tot toorn, brengt een geschil tot rust.
וְאֶ֥רֶך
(veerekh)
en langzaam van
יַשְׁקִ֥יט
(yashqit)
brengt tot rust
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְגָרֶה (yegareh), ‘wekt op’: letterlijk ‘stookt’.
אֶרֶךְ אַפַּיִם (erekh apayim), ‘langzaam tot toorn’: zie Spr. 14:29.
מָדוֹן (madon), ‘twist’; רִיב (riv), ‘geschil’.
19 De weg van een luiaard is als een haag van doorns, maar het pad van de oprechten is gebaand.
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
כִּמְשֻׂ֣כַת
(kimsukhat)
als een haag van
וְאֹ֖רַח
(veorach)
en het pad van
יְשָׁרִ֣ים
(yesharim)
oprechten
סְלֻלָֽה
(selula)
is gebaand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְשֻׂכַת (mesukhat), ‘haag’: een afsluiting van doornen waar men niet doorheen kan.
סְלֻלָה (selulah), ‘gebaand’: opgehoogd en vrijgemaakt.
20 Een wijze zoon maakt een vader blij, maar een dwaas onder de mensen veracht zijn moeder.
יְשַׂמַּח
(yesamach)
maakt blij
וּכְסִ֥יל
(ukhesil)
en een dwaas van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּסִיל אָדָם (kesil adam), ‘een dwaas onder de mensen’.
Vergelijk Spr. 10:1.
21 Zotheid is vreugde voor wie zonder hart is, maar een man van verstand houdt zijn gang recht.
לַחֲסַר
(lachasar)
voor wie zonder
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man van
תְּ֝בוּנָ֗ה
(tevuna)
verstand
יְיַשֶׁר
(yeyasher)
houdt recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲסַר לֵב (chasar lev), ‘zonder hart’: wie geen verstand heeft.
יְיַשֶּׁר לָכֶת (yeyasher lakhet), ‘houdt zijn gang recht’: letterlijk ‘maakt het gaan recht’.
22 Plannen worden verijdeld waar geen overleg is, maar bij veel raadgevers komen ze tot stand.
מַ֭חֲשָׁבוֹת
(machashavot)
plannen
וּבְרֹ֖ב
(uverov)
maar bij veel
יוֹעֲצִ֣ים
(yoatsim)
raadgevers
תָּקֽוּם
(taqum)
komen ze tot stand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סוֹד (sod), ‘overleg’: een vertrouwelijk gesprek met anderen.
הָפֵר (hafer), ‘verijdelen’. Vergelijk Spr. 11:14 en 20:18.
23 Een man heeft vreugde in het antwoord van zijn mond, en een woord op zijn tijd, hoe goed is dat!
לָ֭אִישׁ
(laish)
voor een man
בְּמַעֲנֵה
(bemaane)
in het antwoord van
וְדָבָ֖ר
(vedavar)
en een woord
בְּעִתּ֣וֹ
(beito)
op zijn tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24 Het pad van het leven voert omhoog voor wie doorzicht heeft, zodat hij afwijkt van Sjeol beneden.
לְמַשְׂכִּ֑יל
(lemaskil)
voor wie doorzicht heeft
מִשְּׁא֥וֹל
(misheol)
van Sjeol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשְׂכִּיל (maskil), ‘wie doorzicht heeft’.
Lezing
Het Hebreeuws zegt: ‘het pad van het leven – naar boven – voor de verstandige’.
Wij vullen ‘voert’ aan.
25 Yahweh breekt het huis van de hoogmoedigen af, maar Hij zet de grens van de weduwe vast.
גֵּ֭אִים
(geim)
hoogmoedigen
וְ֝יַצֵּ֗ב
(veyatsev)
en Hij zet vast
גְּב֣וּל
(gevul)
de grens van
אַלְמָנָֽה
(almana)
een weduwe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גְּבוּל (gevul), ‘grens’: de grens van het land van de weduwe, die Yahweh beschermt.
Zie Deut. 19:14 en Spr. 22:28; 23:10.
גֵּאִים (ge’im), ‘hoogmoedigen’.
26 Kwade plannen zijn een gruwel voor Yahweh, maar rein zijn de woorden van vriendelijkheid.
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
gruwel van
מַחְשְׁב֣וֹת
(machshevot)
plannen van
וּ֝טְהֹרִ֗ים
(utehorim)
en rein
אִמְרֵי
(imrei)
woorden van
נֹֽעַם
(noam)
vriendelijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֹעַם (no’am), ‘vriendelijkheid’: lieflijkheid.
טְהֹרִים (tehorim), ‘rein’: de woorden zijn zuiver, zonder kwaad.
27 Wie winst afperst, brengt zijn huis in ongeluk, maar wie giften haat, zal leven.
עֹכֵ֣ר
(okher)
brengt in ongeluk
בּוֹצֵ֣עַ
(botsea)
wie afperst
וְשׂוֹנֵ֖א
(vesone)
en wie haat
יִחְיֶֽה
(yichye)
zal leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹכֵר (okher), ‘brengt in ongeluk’: zoals in vers 6.
בּוֹצֵעַ בָּצַע (botsea batsa), ‘wie winst afperst’: winst die men door onrecht binnenhaalt.
מַתָּנֹת (mattanot), ‘giften’: hier gaven die als steekpenning dienen (shochad, ‘steekpenning’, is een ander woord). Vergelijk Exod. 23:8.
28 Het hart van de rechtvaardige overpeinst hoe hij moet antwoorden, maar de mond van de goddelozen laat kwaad uitstromen.
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
een rechtvaardige
יֶהְגֶּ֣ה
(yehge)
overpeinst
לַעֲנ֑וֹת
(laanot)
om te antwoorden
וּפִ֥י
(ufi)
en de mond van
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
יַבִּ֥יעַ
(yabia)
laat uitstromen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘overpeinst’, zoals in Ps. 1:2.
רָעוֹת (ra’ot), ‘kwaad’.
29 Yahweh is ver van de goddelozen, maar het gebed van de rechtvaardigen hoort Hij.
מֵרְשָׁעִ֑ים
(mereshaim)
van goddelozen
וּתְפִלַּ֖ת
(utefilat)
en het gebed van
צַדִּיקִ֣ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יִשְׁמָֽע
(yishma)
hoort Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30 Het licht van de ogen verblijdt het hart. Een goede tijding verkwikt het gebeente.
מְֽאוֹר
(meor)
het licht van
יְשַׂמַּֽח
(yesamach)
verblijdt
שְׁמוּעָ֥ה
(shemua)
een tijding
תְּדַשֶּׁן
(tedashen)
verkwikt
עָֽצֶם
(atsem)
het gebeente
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְאוֹר עֵינַיִם (me’or einayim), ‘licht van de ogen’: een stralende blik, of wat de ogen aan licht zien.
תְּדַשֶּׁן (tedashen), ‘verkwikt’: letterlijk ‘maakt vet’, zoals in Spr. 13:4.
31 Het oor dat de terechtwijzing van het leven hoort, zal verblijven te midden van de wijzen.
שֹׁ֭מַעַת
(shomaat)
dat hoort
תּוֹכַ֣חַת
(tokhachat)
terechtwijzing van
בְּקֶ֖רֶב
(beqerev)
te midden van
חֲכָמִ֣ים
(chakhamim)
wijzen
תָּלִֽין
(talin)
zal verblijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹכַחַת חַיִּים (tokhachat chayim), ‘terechtwijzing van het leven’: terechtwijzing die tot leven leidt.
32 Wie tucht afwijst, verwerpt zichzelf, maar wie terechtwijzing hoort, verwerft een hart.
פּוֹרֵ֣עַ
(porea)
wie afwijst
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zichzelf
וְשׁוֹמֵ֥עַ
(veshomea)
en wie hoort
תּ֝וֹכַ֗חַת
(tokhachat)
terechtwijzing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פּוֹרֵעַ (pore’a), ‘afwijst’, zoals in Spr. 13:18.
נַפְשׁוֹ (nafsho), ‘zichzelf’: letterlijk ‘zijn ziel’.
קוֹנֶה לֵב (qoneh lev), ‘verwerft een hart’: hij krijgt verstand.
33 De vrees voor Yahweh is een tucht tot wijsheid, en voor de eer gaat nederigheid.
יִרְאַ֣ת
(yirat)
vrees voor
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְלִפְנֵ֖י
(velifnei)
en voor
עֲנָוָֽה
(anava)
nederigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוּסַר חָכְמָה (musar chokhmah), ‘tucht tot wijsheid’: ook ‘onderricht in wijsheid’.
De eerste helft staat ook in Spr. 1:7 en 9:10; de tweede in Spr. 18:12.
כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: bij een mens vertalen wij ‘eer’, bij Yahweh ‘heerlijkheid’.