Elohim Bijbel

Genesis 44

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

De beker; Juda's pleidooi

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De beker in Benjamins zak

1Hij gaf bevel aan degene die over zijn huis was: „Vul de zakken van de mannen met voedsel, zoveel als zij kunnen dragen, en leg ieders geld in de opening van zijn zak.
וַיְצַ֞ו
(vaytsav)
en hij gebood
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
degene die
עַל
(al)
over
בֵּיתוֹ֮
(beito)
zijn huis
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggend
מַלֵּ֞א
(male)
vul
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַמְתְּחֹ֤ת
(amtechot)
zakken van
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
אֹ֔כֶל
(okhel)
voedsel
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
יוּכְל֖וּן
(yukhelun)
ze kunnen
שְׂאֵ֑ת
(seet)
dragen
וְשִׂ֥ים
(vesim)
en leg
כֶּֽסֶף
(kesef)
geld van
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
בְּפִ֥י
(befi)
in de mond van
אַמְתַּחְתּֽוֹ
(amtachto)
zijn zak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אשׁר על ביתו (asher al beito), ‘degene die over zijn huis was’: de rentmeester; zie 43:16, 19.

בפי אמתחתו (befi amtachto), ‘in de opening van zijn zak’: letterlijk ‘in de mond van zijn zak’; zie 42:27.

Aanvullend

Jasher 53:23 en Jubileeën 42:25 vertellen hetzelfde plan.

2Mijn beker, de zilveren beker, leg je in de opening van de zak van de jongste, met het geld voor zijn graan.” Hij deed naar het woord van Jozef dat hij gesproken had.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
גְּבִיעִ֞י
(gevii)
mijn beker
גְּבִ֣יעַ
(gevia)
beker van
הַכֶּ֗סֶף
(hakesef)
het zilver
תָּשִׂים֙
(tasim)
leg
בְּפִי֙
(befi)
in de mond van
אַמְתַּ֣חַת
(amtachat)
zak van
הַקָּטֹ֔ן
(haqaton)
de jongste
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כֶּ֣סֶף
(kesef)
geld van
שִׁבְר֑וֹ
(shivro)
zijn graan
וַיַּ֕עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
naar het woord van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֵּֽר
(diber)
hij gesproken had
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גביעי גביע הכסף (gevi’i gevia hakkesef), ‘mijn beker, de zilveren beker’: gavia is een grote drinkbeker; hetzelfde woord in Jer. 35:5.

Aanvullend

Jasher 53:11 beschrijft de beker als zilver, rijk ingelegd met sjohamstenen en bedolach, en zegt dat Jozef erop sloeg om de broers te laten zien dat hij hun volgorde kende.

3Zodra het morgen werd, was het licht, en de mannen werden weggezonden, zij en hun ezels.
הַבֹּ֖קֶר
(haboqer)
de morgen
א֑וֹר
(or)
werd licht
וְהָאֲנָשִׁ֣ים
(vehaanashim)
en de mannen
שֻׁלְּח֔וּ
(shulechu)
werden weggezonden
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
וַחֲמֹרֵיהֶֽם
(vachamoreihem)
en hun ezels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jubileeën 43:2 noemt de vroege ochtend als het moment van vertrek.

Zie ookJub 43:2
4Zij waren de stad uit, nog niet ver weg, toen Jozef tegen degene die over zijn huis was zei: „Maak je op, ga de mannen achterna, haal hen in en zeg tegen hen: ‘Waarom hebben jullie kwaad vergolden voor goed?
הֵ֠ם
(hem)
zij
יָֽצְא֣וּ
(yatseu)
ze waren uitgegaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָעִיר֮
(hair)
de stad
לֹ֣א
(lo)
niet
הִרְחִיקוּ֒
(hirchiqu)
ze waren ver weg
וְיוֹסֵ֤ף
(veyosef)
en Jozef
אָמַר֙
(amar)
zei
לַֽאֲשֶׁ֣ר
(laasher)
tot degene die
עַל
(al)
over
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
ק֥וּם
(qum)
sta op
רְדֹ֖ף
(redof)
jaag
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הָֽאֲנָשִׁ֑ים
(haanashim)
de mannen
וְהִשַּׂגְתָּם֙
(vehisagtam)
en je haalt hen in
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zegt
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
לָ֛מָּה
(lama)
waarom
שִׁלַּמְתֶּ֥ם
(shilamtem)
hebben jullie vergolden
רָעָ֖ה
(raa)
kwaad
תַּ֥חַת
(tachat)
in plaats van
טוֹבָֽה
(tova)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁלמתם רעה תחת טובה (shillamtem ra’ah tachat tovah), ‘waarom hebben jullie kwaad vergolden voor goed?’: zie 1 Sam. 25:21.

Aanvullend

Jasher 53:25–26 vertelt dat Jozef de man opdroeg de broers in te halen voordat zij ver van Egypte waren, en dat zij boos werden en zeiden: bij wie de beker gevonden wordt, die zal sterven.

5Is dit niet degene waaruit mijn heer drinkt en waarmee hij voorspelt? Jullie hebben kwaad gedaan met wat jullie gedaan hebben.’”
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
זֶ֗ה
(ze)
dit
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waaruit
יִשְׁתֶּ֤ה
(yishte)
drinkt
אֲדֹנִי֙
(adoni)
mijn heer
בּ֔וֹ
(bo)
daaruit
וְה֕וּא
(vehu)
en hij
נַחֵ֥שׁ
(nachesh)
voorspellend
יְנַחֵ֖שׁ
(yenachesh)
hij voorspelt
בּ֑וֹ
(bo)
daarmee
הֲרֵעֹתֶ֖ם
(hareotem)
hebben jullie kwaad gedaan
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עֲשִׂיתֶֽם
(asitem)
jullie gedaan hebben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

והוא נחשׁ ינחשׁ בו (vehu nachesh yenachesh bo), ‘en waarmee hij voorspelt’: nachash is ‘voortekenen aflezen’; zie vers 15; 30:27.

In Lev. 19:26 is dit voor Israël verboden.

Dat Jozef zich als Egyptische geleerde voordoet, past bij zijn rol.

6Hij haalde hen in en sprak deze woorden tot hen.
וַֽיַּשִּׂגֵ֑ם
(vayasigem)
en hij haalde hen in
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 43:2
7Zij zeiden tegen hem: „Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het is ondenkbaar dat uw dienaren zoiets doen.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
לָ֚מָּה
(lama)
waarom
יְדַבֵּ֣ר
(yedaber)
spreekt
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
כַּדְּבָרִ֖ים
(kadevarim)
zoals de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
חָלִ֨ילָה֙
(chalila)
ondenkbaar
לַעֲבָדֶ֔יךָ
(laavadeikha)
van uw dienaren
מֵעֲשׂ֖וֹת
(measot)
van doen
כַּדָּבָ֥ר
(kadavar)
zoals dit woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zie, het geld dat wij in de opening van onze zakken vonden, hebben wij u uit het land Kanaän teruggebracht; hoe zouden wij dan uit het huis van uw heer zilver of goud stelen?
הֵ֣ן
(hen)
zie
כֶּ֗סֶף
(kesef)
geld
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
מָצָ֨אנוּ֙
(matsanu)
wij vonden
בְּפִ֣י
(befi)
in de mond van
אַמְתְּחֹתֵ֔ינוּ
(amtechoteinu)
onze zakken
הֱשִׁיבֹ֥נוּ
(heshivonu)
wij hebben teruggebracht
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot u
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וְאֵ֗יךְ
(veeikh)
en hoe
נִגְנֹב֙
(nignov)
zouden wij stelen
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
אֲדֹנֶ֔יךָ
(adoneikha)
uw heer
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
א֥וֹ
(o)
of
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

הן כסף (hen kesef), ‘zie, het geld’: zie 43:21–22.

Zij bewijzen hun eerlijkheid met het teruggebrachte geld.

9Bij wie van uw dienaren hij gevonden wordt, die moet sterven, en ook wij zullen slaven zijn van mijn heer.”
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
bij wie
יִמָּצֵ֥א
(yimatse)
gevonden wordt
אִתּ֛וֹ
(ito)
bij hem
מֵעֲבָדֶ֖יךָ
(meavadeikha)
van uw dienaren
וָמֵ֑ת
(vamet)
en hij sterft
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנַ֕חְנוּ
(anachnu)
wij
נִֽהְיֶ֥ה
(nihye)
zullen zijn
לַֽאדֹנִ֖י
(ladoni)
voor mijn heer
לַעֲבָדִֽים
(laavadim)
tot slaven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ומת (vamet), ‘en hij sterft’: de straf die de broers zelf bedenken, zoals Jakob in 31:32.

10Hij zei: „Ook nu zal het gaan zoals jullie zeggen: bij wie hij gevonden wordt, die zal mijn slaaf zijn, en jullie zullen vrij van schuld zijn.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
גַּם
(gam)
ook
עַתָּ֥ה
(ata)
nu
כְדִבְרֵיכֶ֖ם
(kedivreikhem)
naar jullie woorden
כֶּן
(ken)
zo
ה֑וּא
(hu)
is het
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
bij wie
יִמָּצֵ֤א
(yimatse)
gevonden wordt
אִתּוֹ֙
(ito)
bij hem
יִהְיֶה
(yihye)
hij zal zijn
לִּ֣י
(li)
voor mij
עָ֔בֶד
(aved)
slaaf
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
תִּהְי֥וּ
(tihyu)
zullen zijn
נְקִיִּֽם
(neqiyim)
vrij van schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נקים (neqiyyim), ‘vrij van schuld’: Jozef verzacht de straf en laat alleen de schuldige slaaf worden.

11Haastig lieten zij ieder zijn zak op de grond neer en openden ieder zijn zak.
וַֽיְמַהֲר֗וּ
(vaymaharu)
en ze haastten zich
וַיּוֹרִ֛דוּ
(vayoridu)
en ze lieten neer
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַמְתַּחְתּ֖וֹ
(amtachto)
zijn zak
אָ֑רְצָה
(aretsa)
naar de grond
וַֽיִּפְתְּח֖וּ
(vayiftechu)
en ze openden
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
אַמְתַּחְתּֽוֹ
(amtachto)
zijn zak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 43:7
12Hij doorzocht ze; bij de oudste begon hij en bij de jongste eindigde hij. En de beker werd gevonden in de zak van Benjamin.
וַיְחַפֵּ֕שׂ
(vaychapes)
en hij zocht
בַּגָּד֣וֹל
(bagadol)
bij de oudste
הֵחֵ֔ל
(hechel)
begon hij
וּבַקָּטֹ֖ן
(uvaqaton)
en bij de jongste
כִּלָּ֑ה
(kila)
hij eindigde
וַיִּמָּצֵא֙
(vayimatse)
en werd gevonden
הַגָּבִ֔יעַ
(hagavia)
de beker
בְּאַמְתַּ֖חַת
(beamtachat)
in de zak van
בִּנְיָמִֽן
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

החל ובקטן כלה (hechel uvaqqaton killah), ‘bij de oudste begon hij en bij de jongste eindigde hij’: ze worden zo gezocht dat de beker pas bij de laatste komt.

Aanvullend

Jasher 53:27 zegt dat de broers Benjamin onderweg sloegen.

Jubileeën 43:7 zegt dat de beker bij het zoeken in Benjamins zak gevonden werd.

13Zij scheurden hun kleren, laadden ieder zijn ezel op en keerden terug naar de stad.
וַֽיִּקְרְע֖וּ
(vayiqreu)
en ze scheurden
שִׂמְלֹתָ֑ם
(simlotam)
hun kleren
וַֽיַּעֲמֹס֙
(vayaamos)
en hij laadde op
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
עַל
(al)
op
חֲמֹר֔וֹ
(chamoro)
zijn ezel
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en ze keerden terug
הָעִֽירָה
(haira)
naar de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויקרעו שׂמלתם (vayyiqre’u simlotam), ‘zij scheurden hun kleren’: het teken van rouw; zie 37:29, 34.

Juda en zijn broers voor Jozef

14Juda en zijn broers kwamen in het huis van Jozef, en hij was er nog; en zij vielen voor hem neer op de grond.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en hij kwam
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
וְאֶחָיו֙
(veechav)
en zijn broers
בֵּ֣יתָה
(beita)
naar het huis
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
van Jozef
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
עוֹדֶ֣נּוּ
(odenu)
nog
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en ze vielen
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor hem
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויפלו לפניו ארצה (vayyippelu lefanav artsah), ‘zij vielen voor hem neer op de grond’: zie 37:7, 9; 42:6; 43:26, 28.

Aanvullend

Jasher 53:28–32 vertelt dat Juda woedend was, dat Jozef Benjamin met geweld van zijn broers scheidde en de deur sloot.

Jasher 54:1–50 vertelt een lange woordenstrijd en worsteling tussen Juda en Jozef, waarbij heel Egypte schrok.

15Jozef zei tegen hen: „Wat is dit voor een daad die jullie gedaan hebben? Wisten jullie niet dat een man zoals ik zeker kan voorspellen?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
מָֽה
(ma)
wat
הַמַּעֲשֶׂ֥ה
(hamaase)
de daad
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עֲשִׂיתֶ֑ם
(asitem)
jullie gedaan hebben
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
יְדַעְתֶּ֔ם
(yedatem)
jullie wisten
כִּֽי
(ki)
dat
נַחֵ֧שׁ
(nachesh)
voorspellend
יְנַחֵ֛שׁ
(yenachesh)
hij voorspelt
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
zoals
כָּמֹֽנִי
(kamoni)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נחשׁ ינחשׁ (nachesh yenachesh), ‘zeker voorspellen’: zie vers 5.

16Juda zei: „Wat zullen wij tot mijn heer zeggen? Wat zullen wij spreken, en hoe zullen wij ons rechtvaardigen? Elohim heeft de schuld van uw dienaren gevonden. Zie, wij zijn slaven van mijn heer, zowel wij als hij in wiens hand de beker gevonden is.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
מַה
(ma)
wat
נֹּאמַר֙
(nomar)
zullen we zeggen
לַֽאדֹנִ֔י
(ladoni)
tot mijn heer
מַה
(ma)
wat
נְּדַבֵּ֖ר
(nedaber)
zullen we spreken
וּמַה
(uma)
en wat
נִּצְטַדָּ֑ק
(nitstadaq)
zullen we ons rechtvaardigen
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
מָצָא֙
(matsa)
heeft gevonden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
הִנֶּנּ֤וּ
(hinenu)
zie ons
עֲבָדִים֙
(avadim)
slaven
לַֽאדֹנִ֔י
(ladoni)
voor mijn heer
גַּם
(gam)
ook
אֲנַ֕חְנוּ
(anachnu)
wij
גַּ֛ם
(gam)
ook
אֲשֶׁר
(asher)
degene die
נִמְצָ֥א
(nimtsa)
gevonden is
הַגָּבִ֖יעַ
(hagavia)
de beker
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

האלהים מצא את עון עבדיך (ha’Elohim matsa et avon avadekha), ‘Elohim heeft de schuld van uw dienaren gevonden’: Juda denkt aan de verkoop van Jozef; zie 42:21.

Aanvullend

Jasher 53:31 laat Juda hetzelfde zeggen: Elohim heeft de ongerechtigheid van zijn dienaren gevonden.

17Maar hij zei: „Het is ondenkbaar dat ik dit doe! De man in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; en jullie, trek in vrede op naar jullie vader.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
חָלִ֣ילָה
(chalila)
ondenkbaar
לִּ֔י
(li)
van mij
מֵעֲשׂ֖וֹת
(measot)
om te doen
זֹ֑את
(zot)
dit
הָאִ֡ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר֩
(asher)
in wiens
נִמְצָ֨א
(nimtsa)
gevonden is
הַגָּבִ֜יעַ
(hagavia)
de beker
בְּיָד֗וֹ
(beyado)
in zijn hand
ה֚וּא
(hu)
hij
יִהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לִּ֣י
(li)
voor mij
עָ֔בֶד
(aved)
slaaf
וְאַתֶּ֕ם
(veatem)
en jullie
עֲל֥וּ
(alu)
trekt op
לְשָׁל֖וֹם
(leshalom)
in vrede
אֶל
(el)
naar
אֲבִיכֶֽם
(avikhem)
jullie vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Juda’s pleidooi

18Toen trad Juda naar hem toe en zei: „Ach, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord spreken in de oren van mijn heer, en laat uw toorn niet ontbranden tegen uw dienaar, want u bent als de farao.
וַיִּגַּ֨שׁ
(vayigash)
en hij trad naar voren
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en hij zei
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנִי֒
(adoni)
mijn heer
יְדַבֶּר
(yedaber)
laat spreken
נָ֨א
(na)
toch
עַבְדְּךָ֤
(avdekha)
uw dienaar
דָבָר֙
(davar)
een woord
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
וְאַל
(veal)
en niet
יִ֥חַר
(yichar)
moge ontbranden
אַפְּךָ֖
(apekha)
uw toorn
בְּעַבְדֶּ֑ךָ
(beavdekha)
tegen uw dienaar
כִּ֥י
(ki)
want
כָמ֖וֹךָ
(kamokha)
zoals u
כְּפַרְעֹֽה
(kefaro)
zoals de farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בי אדני (bi adoni), ‘ach, mijn heer’: zie 43:20.

כי כמוך כפרעה (ki khamokha kePar’oh), ‘want u bent als de farao’.

Aanvullend

Jasher 54:2–8 geeft Juda's openingswoorden.

Jubileeën 43:11–13 geeft een korte vorm van Juda's toespraak.

19Mijn heer vroeg zijn dienaren: ‘Hebben jullie een vader of een broer?’
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
שָׁאַ֔ל
(shaal)
vroeg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
הֲיֵשׁ
(hayesh)
is er
לָכֶ֥ם
(lakhem)
bij jullie
אָ֖ב
(av)
een vader
אוֹ
(o)
of
אָֽח
(ach)
een broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de verzen 19–23 vat Juda de eerdere gesprekken samen; zie 42:13, 15, 20.

20Wij zeiden tot mijn heer: ‘Wij hebben een oude vader en een jongen van zijn oude dag, een kleine; zijn broer is dood, en hij is als enige van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.’
וַנֹּ֨אמֶר֙
(vanomer)
en we zeiden
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
יֶשׁ
(yesh)
er is
לָ֨נוּ֙
(lanu)
bij ons
אָ֣ב
(av)
een vader
זָקֵ֔ן
(zaqen)
oud
וְיֶ֥לֶד
(veyeled)
en een kind van
זְקֻנִ֖ים
(zequnim)
oude dagen
קָטָ֑ן
(qatan)
klein
וְאָחִ֨יו
(veachiv)
en zijn broer
מֵ֜ת
(met)
is dood
וַיִּוָּתֵ֨ר
(vayivater)
en hij bleef over
ה֧וּא
(hu)
hij
לְבַדּ֛וֹ
(levado)
alleen
לְאִמּ֖וֹ
(leimo)
van zijn moeder
וְאָבִ֥יו
(veaviv)
en zijn vader
אֲהֵבֽוֹ
(ahevo)
heeft hem lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וילד זקנים קטן (veyeled zequnim qatan), ‘een jongen van zijn oude dag, een kleine’: Benjamin; zie 35:18; 37:3.

21U zei tegen uw dienaren: ‘Breng hem af naar mij, dat ik mijn ogen op hem richt.’
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en u zei
אֶל
(el)
tot
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
הוֹרִדֻ֖הוּ
(horiduhu)
brengt hem af
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וְאָשִׂ֥ימָה
(veasima)
en ik zal richten
עֵינִ֖י
(eini)
mijn oog
עָלָֽיו
(alav)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואשׂימה עיני עליו (ve’asimah eini alav), ‘dat ik mijn ogen op hem richt’: ten goede of ten kwade; Jozef bedoelde het ten goede, zie 42:20.

22Wij zeiden tegen mijn heer: ‘De jongen kan zijn vader niet verlaten; als hij zijn vader verlaat, zal hij sterven.’
וַנֹּ֨אמֶר֙
(vanomer)
en we zeiden
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֥ל
(yukhal)
kan
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
לַעֲזֹ֣ב
(laazov)
verlaten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וְעָזַ֥ב
(veazav)
en als hij verlaat
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
וָמֵֽת
(vamet)
dan sterft hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Maar u zei tegen uw dienaren: ‘Als jullie jongste broer niet met jullie afkomt, zullen jullie mijn gezicht niet meer zien.’
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en u zei
אֶל
(el)
tot
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
אִם
(im)
als
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵרֵ֛ד
(yered)
afkomt
אֲחִיכֶ֥ם
(achikhem)
jullie broer
הַקָּטֹ֖ן
(haqaton)
de jongste
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
met jullie
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹסִפ֖וּן
(tosifun)
zullen jullie voortaan
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
פָּנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לא תספון לראות פני (lo tosifun lir’ot panai), ‘zullen jullie mijn gezicht niet meer zien’: zie 43:3, 5.

24En toen wij opgingen naar uw dienaar, mijn vader, hebben wij hem de woorden van mijn heer verteld.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כִּ֣י
(ki)
toen
עָלִ֔ינוּ
(alinu)
wij opgingen
אֶֽל
(el)
tot
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
uw dienaar
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
וַנַּ֨גֶּד
(vanaged)
en we vertelden
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Onze vader zei: ‘Ga terug, koop voor ons een beetje voedsel.’
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָבִ֑ינוּ
(avinu)
onze vader
שֻׁ֖בוּ
(shuvu)
keert terug
שִׁבְרוּ
(shivru)
koopt
לָ֥נוּ
(lanu)
voor ons
מְעַט
(meat)
een weinig
אֹֽכֶל
(okhel)
voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Wij zeiden: ‘Wij kunnen niet afgaan. Als onze jongste broer met ons is, dan gaan wij af; want wij kunnen het gezicht van de man niet zien als onze jongste broer niet met ons is.’
וַנֹּ֕אמֶר
(vanomer)
en we zeiden
לֹ֥א
(lo)
niet
נוּכַ֖ל
(nukhal)
wij kunnen
לָרֶ֑דֶת
(laredet)
afdalen
אִם
(im)
als
יֵשׁ֩
(yesh)
er is
אָחִ֨ינוּ
(achinu)
onze broer
הַקָּטֹ֤ן
(haqaton)
de jongste
אִתָּ֨נוּ֙
(itanu)
met ons
וְיָרַ֔דְנוּ
(veyaradnu)
dan zullen we afdalen
כִּי
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
נוּכַ֗ל
(nukhal)
wij kunnen
לִרְאוֹת֙
(lirot)
om te zien
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
וְאָחִ֥ינוּ
(veachinu)
en onze broer
הַקָּטֹ֖ן
(haqaton)
de jongste
אֵינֶ֥נּוּ
(einenu)
is niet
אִתָּֽנוּ
(itanu)
met ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Uw dienaar, mijn vader, zei tegen ons: ‘Jullie weten dat mijn vrouw mij twee zonen heeft gebaard.
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עַבְדְּךָ֥
(avdekha)
uw dienaar
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
אֵלֵ֑ינוּ
(eleinu)
tot ons
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
יְדַעְתֶּ֔ם
(yedatem)
weten
כִּ֥י
(ki)
dat
שְׁנַ֖יִם
(shenayim)
twee
יָֽלְדָה
(yaleda)
heeft gebaard
לִּ֥י
(li)
mij
אִשְׁתִּֽי
(ishti)
mijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁנים ילדה לי אשׁתי (shenayim yaledah li ishti), ‘mijn vrouw heeft mij twee zonen gebaard’: Rachel; zie 30:22–24; 35:16–18.

Aanvullend

Jubileeën 42:11 laat Jakob zeggen: ‘Mijn zoon zal niet met u gaan.’

28De ene ging van mij weg en ik zei: Voorzeker is hij verscheurd; en ik heb hem tot nu toe niet gezien.
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en hij ging uit
הָֽאֶחָד֙
(haechad)
de een
מֵֽאִתִּ֔י
(meiti)
van mij
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
אַ֖ךְ
(akh)
voorzeker
טָרֹ֣ף
(tarof)
verscheurd
טֹרָ֑ף
(toraf)
hij is verscheurd
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
רְאִיתִ֖יו
(reitiv)
ik zag hem
עַד
(ad)
tot
הֵֽנָּה
(hena)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואמר אך טרף טרף (va’omar akh taroph toraph), ‘ik zei: voorzeker is hij verscheurd’: zie 37:33.

29Als jullie ook deze van mijn aangezicht wegnemen en hem een ramp treft, dan doen jullie mijn grijze haren met onheil neerdalen naar de Sjeol.’
וּלְקַחְתֶּ֧ם
(uleqachtem)
en jullie nemen
גַּם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זֶ֛ה
(ze)
deze
מֵעִ֥ם
(meim)
van met
פָּנַ֖י
(panay)
mijn gezicht
וְקָרָ֣הוּ
(veqarahu)
en het treft hem
אָס֑וֹן
(ason)
een ramp
וְהֽוֹרַדְתֶּ֧ם
(vehoradtem)
en jullie doen dalen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵׂיבָתִ֛י
(seivati)
mijn grijze haren
בְּרָעָ֖ה
(beraa)
met onheil
שְׁאֹֽלָה
(sheola)
naar de Sjeol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂיבתי ברעה שׁאלה (sevati bera’ah she’olah), ‘mijn grijze haren met onheil naar de Sjeol’: zie 42:38; 37:35.

30Nu dan, als ik bij uw dienaar, mijn vader, kom en de jongen is niet met ons, terwijl zijn ziel aan de ziel van de jongen verbonden is,
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
כְּבֹאִי֙
(kevoi)
als ik kom
אֶל
(el)
tot
עַבְדְּךָ֣
(avdekha)
uw dienaar
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
אֵינֶ֣נּוּ
(einenu)
is niet
אִתָּ֑נוּ
(itanu)
met ons
וְנַפְשׁ֖וֹ
(venafsho)
en zijn ziel
קְשׁוּרָ֥ה
(qeshura)
verbonden
בְנַפְשֽׁוֹ
(benafsho)
aan zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ונפשׁו קשׁורה בנפשׁו (venafsho qeshurah venafsho), ‘zijn ziel is verbonden aan zijn ziel’: zijn leven hangt aan het leven van de jongen; vergelijk 1 Sam. 18:1.

31dan zal het gebeuren, als hij ziet dat de jongen er niet is, dat hij sterft; en uw dienaren zullen de grijze haren van uw dienaar, onze vader, met jammer doen neerdalen naar de Sjeol.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּרְאוֹת֛וֹ
(kiroto)
als hij ziet
כִּי
(ki)
dat
אֵ֥ין
(ein)
niet is
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
וָמֵ֑ת
(vamet)
dan sterft hij
וְהוֹרִ֨ידוּ
(vehoridu)
en ze doen dalen
עֲבָדֶ֜יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵׂיבַ֨ת
(seivat)
grijze haren van
עַבְדְּךָ֥
(avdekha)
uw dienaar
אָבִ֛ינוּ
(avinu)
onze vader
בְּיָג֖וֹן
(beyagon)
met jammer
שְׁאֹֽלָה
(sheola)
naar de Sjeol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ביגון שׁאלה (beyagon she’olah), ‘met jammer naar de Sjeol’: zie 42:38.

32Want uw dienaar is borg geworden voor de jongen bij mijn vader, zeggend: ‘Als ik hem niet bij u terugbreng, dan heb ik al de dagen tegen mijn vader gezondigd.’
כִּ֤י
(ki)
want
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
uw dienaar
עָרַ֣ב
(arav)
stond borg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
voor de jongen
מֵעִ֥ם
(meim)
van met
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
als
לֹ֤א
(lo)
niet
אֲבִיאֶ֨נּוּ֙
(avienu)
ik hem terugbreng
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot u
וְחָטָ֥אתִי
(vechatati)
dan heb ik gezondigd
לְאָבִ֖י
(leavi)
tegen mijn vader
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עבדך ערב את הנער (avdekha arav et hanna’ar), ‘uw dienaar is borg geworden voor de jongen’: zie 43:9.

Aanvullend

Jasher 54:57 laat Juda zeggen dat hij borg stond voor de jongen bij zijn vader.

33Nu dan, laat uw dienaar toch blijven in plaats van de jongen als slaaf van mijn heer, en laat de jongen met zijn broers opgaan.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
יֵֽשֶׁב
(yeshev)
laat blijven
נָ֤א
(na)
toch
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
uw dienaar
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
עֶ֖בֶד
(eved)
slaaf
לַֽאדֹנִ֑י
(ladoni)
voor mijn heer
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
יַ֥עַל
(yaal)
laat opgaan
עִם
(im)
met
אֶחָֽיו
(echav)
zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ישׁב נא עבדך תחת הנער עבד לאדני (yeshev na avdekha tachat hanna’ar eved ladoni), ‘laat uw dienaar toch blijven in plaats van de jongen als slaaf van mijn heer’: Juda biedt zijn eigen vrijheid aan.

Aanvullend

Jubileeën 43:13 geeft hetzelfde aanbod.

34Want hoe zou ik naar mijn vader opgaan zonder dat de jongen bij mij is? Ik zou het kwaad zien dat mijn vader zal treffen.”
כִּי
(ki)
want
אֵיךְ֙
(eikh)
hoe
אֶֽעֱלֶ֣ה
(eele)
zal ik opgaan
אֶל
(el)
tot
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
אֵינֶ֣נּוּ
(einenu)
is niet
אִתִּ֑י
(iti)
met mij
פֶּ֚ן
(pen)
opdat niet
אֶרְאֶ֣ה
(ere)
ik zie
בָרָ֔ע
(bara)
het kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
יִמְצָ֖א
(yimtsa)
zal treffen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פן אראה ברע אשׁר ימצא את אבי (pen er’eh vara asher yimtsa et avi), ‘ik zou het kwaad zien dat mijn vader zal treffen’: Juda kan het verdriet van Jakob niet aanzien.