Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De beker in Benjamins zak
1Hij gaf bevel aan degene die over zijn huis was: „Vul de zakken van de mannen met voedsel, zoveel als zij kunnen dragen, en leg ieders geld in de opening van zijn zak.
וַיְצַ֞ו
(vaytsav)
en hij gebood
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
degene die
עַל
(al)
over
בֵּיתוֹ֮
(beito)
zijn huis
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggend
מַלֵּ֞א
(male)
vul
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַמְתְּחֹ֤ת
(amtechot)
zakken van
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
אֹ֔כֶל
(okhel)
voedsel
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
יוּכְל֖וּן
(yukhelun)
ze kunnen
שְׂאֵ֑ת
(seet)
dragen
וְשִׂ֥ים
(vesim)
en leg
כֶּֽסֶף
(kesef)
geld van
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
בְּפִ֥י
(befi)
in de mond van
אַמְתַּחְתּֽוֹ
(amtachto)
zijn zak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אשׁר על ביתו (asher al beito), ‘degene die over zijn huis was’: de rentmeester; zie 43:16, 19.
בפי אמתחתו (befi amtachto), ‘in de opening van zijn zak’: letterlijk ‘in de mond van zijn zak’; zie 42:27.
Aanvullend
Jasher 53:23 en Jubileeën 42:25 vertellen hetzelfde plan.
2Mijn beker, de zilveren beker, leg je in de opening van de zak van de jongste, met het geld voor zijn graan.” Hij deed naar het woord van Jozef dat hij gesproken had.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
גְּבִיעִ֞י
(gevii)
mijn beker
גְּבִ֣יעַ
(gevia)
beker van
הַכֶּ֗סֶף
(hakesef)
het zilver
תָּשִׂים֙
(tasim)
leg
בְּפִי֙
(befi)
in de mond van
אַמְתַּ֣חַת
(amtachat)
zak van
הַקָּטֹ֔ן
(haqaton)
de jongste
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כֶּ֣סֶף
(kesef)
geld van
שִׁבְר֑וֹ
(shivro)
zijn graan
וַיַּ֕עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
naar het woord van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֵּֽר
(diber)
hij gesproken had
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גביעי גביע הכסף (gevi’i gevia hakkesef), ‘mijn beker, de zilveren beker’: gavia is een grote drinkbeker; hetzelfde woord in Jer. 35:5.
Aanvullend
Jasher 53:11 beschrijft de beker als zilver, rijk ingelegd met sjohamstenen en bedolach, en zegt dat Jozef erop sloeg om de broers te laten zien dat hij hun volgorde kende.
4Zij waren de stad uit, nog niet ver weg, toen Jozef tegen degene die over zijn huis was zei: „Maak je op, ga de mannen achterna, haal hen in en zeg tegen hen: ‘Waarom hebben jullie kwaad vergolden voor goed?
הֵ֠ם
(hem)
zij
יָֽצְא֣וּ
(yatseu)
ze waren uitgegaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָעִיר֮
(hair)
de stad
לֹ֣א
(lo)
niet
הִרְחִיקוּ֒
(hirchiqu)
ze waren ver weg
וְיוֹסֵ֤ף
(veyosef)
en Jozef
אָמַר֙
(amar)
zei
לַֽאֲשֶׁ֣ר
(laasher)
tot degene die
עַל
(al)
over
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
ק֥וּם
(qum)
sta op
רְדֹ֖ף
(redof)
jaag
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הָֽאֲנָשִׁ֑ים
(haanashim)
de mannen
וְהִשַּׂגְתָּם֙
(vehisagtam)
en je haalt hen in
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zegt
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
לָ֛מָּה
(lama)
waarom
שִׁלַּמְתֶּ֥ם
(shilamtem)
hebben jullie vergolden
רָעָ֖ה
(raa)
kwaad
תַּ֥חַת
(tachat)
in plaats van
טוֹבָֽה
(tova)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁלמתם רעה תחת טובה (shillamtem ra’ah tachat tovah), ‘waarom hebben jullie kwaad vergolden voor goed?’: zie 1 Sam. 25:21.
Aanvullend
Jasher 53:25–26 vertelt dat Jozef de man opdroeg de broers in te halen voordat zij ver van Egypte waren, en dat zij boos werden en zeiden: bij wie de beker gevonden wordt, die zal sterven.
8Zie, het geld dat wij in de opening van onze zakken vonden, hebben wij u uit het land Kanaän teruggebracht; hoe zouden wij dan uit het huis van uw heer zilver of goud stelen?
הֵ֣ן
(hen)
zie
כֶּ֗סֶף
(kesef)
geld
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
מָצָ֨אנוּ֙
(matsanu)
wij vonden
בְּפִ֣י
(befi)
in de mond van
אַמְתְּחֹתֵ֔ינוּ
(amtechoteinu)
onze zakken
הֱשִׁיבֹ֥נוּ
(heshivonu)
wij hebben teruggebracht
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot u
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וְאֵ֗יךְ
(veeikh)
en hoe
נִגְנֹב֙
(nignov)
zouden wij stelen
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
אֲדֹנֶ֔יךָ
(adoneikha)
uw heer
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
א֥וֹ
(o)
of
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
הן כסף (hen kesef), ‘zie, het geld’: zie 43:21–22.
Zij bewijzen hun eerlijkheid met het teruggebrachte geld.
12Hij doorzocht ze; bij de oudste begon hij en bij de jongste eindigde hij. En de beker werd gevonden in de zak van Benjamin.
וַיְחַפֵּ֕שׂ
(vaychapes)
en hij zocht
בַּגָּד֣וֹל
(bagadol)
bij de oudste
הֵחֵ֔ל
(hechel)
begon hij
וּבַקָּטֹ֖ן
(uvaqaton)
en bij de jongste
כִּלָּ֑ה
(kila)
hij eindigde
וַיִּמָּצֵא֙
(vayimatse)
en werd gevonden
הַגָּבִ֔יעַ
(hagavia)
de beker
בְּאַמְתַּ֖חַת
(beamtachat)
in de zak van
בִּנְיָמִֽן
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
החל ובקטן כלה (hechel uvaqqaton killah), ‘bij de oudste begon hij en bij de jongste eindigde hij’: ze worden zo gezocht dat de beker pas bij de laatste komt.
Aanvullend
Jasher 53:27 zegt dat de broers Benjamin onderweg sloegen.
Jubileeën 43:7 zegt dat de beker bij het zoeken in Benjamins zak gevonden werd.
16Juda zei: „Wat zullen wij tot mijn heer zeggen? Wat zullen wij spreken, en hoe zullen wij ons rechtvaardigen? Elohim heeft de schuld van uw dienaren gevonden. Zie, wij zijn slaven van mijn heer, zowel wij als hij in wiens hand de beker gevonden is.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
מַה
(ma)
wat
נֹּאמַר֙
(nomar)
zullen we zeggen
לַֽאדֹנִ֔י
(ladoni)
tot mijn heer
מַה
(ma)
wat
נְּדַבֵּ֖ר
(nedaber)
zullen we spreken
וּמַה
(uma)
en wat
נִּצְטַדָּ֑ק
(nitstadaq)
zullen we ons rechtvaardigen
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
מָצָא֙
(matsa)
heeft gevonden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
הִנֶּנּ֤וּ
(hinenu)
zie ons
עֲבָדִים֙
(avadim)
slaven
לַֽאדֹנִ֔י
(ladoni)
voor mijn heer
גַּם
(gam)
ook
אֲנַ֕חְנוּ
(anachnu)
wij
גַּ֛ם
(gam)
ook
אֲשֶׁר
(asher)
degene die
נִמְצָ֥א
(nimtsa)
gevonden is
הַגָּבִ֖יעַ
(hagavia)
de beker
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
האלהים מצא את עון עבדיך (ha’Elohim matsa et avon avadekha), ‘Elohim heeft de schuld van uw dienaren gevonden’: Juda denkt aan de verkoop van Jozef; zie 42:21.
Aanvullend
Jasher 53:31 laat Juda hetzelfde zeggen: Elohim heeft de ongerechtigheid van zijn dienaren gevonden.
17Maar hij zei: „Het is ondenkbaar dat ik dit doe! De man in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; en jullie, trek in vrede op naar jullie vader.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
חָלִ֣ילָה
(chalila)
ondenkbaar
לִּ֔י
(li)
van mij
מֵעֲשׂ֖וֹת
(measot)
om te doen
זֹ֑את
(zot)
dit
הָאִ֡ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר֩
(asher)
in wiens
נִמְצָ֨א
(nimtsa)
gevonden is
הַגָּבִ֜יעַ
(hagavia)
de beker
בְּיָד֗וֹ
(beyado)
in zijn hand
ה֚וּא
(hu)
hij
יִהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לִּ֣י
(li)
voor mij
עָ֔בֶד
(aved)
slaaf
וְאַתֶּ֕ם
(veatem)
en jullie
עֲל֥וּ
(alu)
trekt op
לְשָׁל֖וֹם
(leshalom)
in vrede
אֶל
(el)
naar
אֲבִיכֶֽם
(avikhem)
jullie vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Toen trad Juda naar hem toe en zei: „Ach, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord spreken in de oren van mijn heer, en laat uw toorn niet ontbranden tegen uw dienaar, want u bent als de farao.
וַיִּגַּ֨שׁ
(vayigash)
en hij trad naar voren
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en hij zei
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנִי֒
(adoni)
mijn heer
יְדַבֶּר
(yedaber)
laat spreken
נָ֨א
(na)
toch
עַבְדְּךָ֤
(avdekha)
uw dienaar
דָבָר֙
(davar)
een woord
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
וְאַל
(veal)
en niet
יִ֥חַר
(yichar)
moge ontbranden
אַפְּךָ֖
(apekha)
uw toorn
בְּעַבְדֶּ֑ךָ
(beavdekha)
tegen uw dienaar
כִּ֥י
(ki)
want
כָמ֖וֹךָ
(kamokha)
zoals u
כְּפַרְעֹֽה
(kefaro)
zoals de farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בי אדני (bi adoni), ‘ach, mijn heer’: zie 43:20.
כי כמוך כפרעה (ki khamokha kePar’oh), ‘want u bent als de farao’.
Aanvullend
Jasher 54:2–8 geeft Juda's openingswoorden.
Jubileeën 43:11–13 geeft een korte vorm van Juda's toespraak.
20Wij zeiden tot mijn heer: ‘Wij hebben een oude vader en een jongen van zijn oude dag, een kleine; zijn broer is dood, en hij is als enige van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.’
וַנֹּ֨אמֶר֙
(vanomer)
en we zeiden
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
יֶשׁ
(yesh)
er is
לָ֨נוּ֙
(lanu)
bij ons
אָ֣ב
(av)
een vader
זָקֵ֔ן
(zaqen)
oud
וְיֶ֥לֶד
(veyeled)
en een kind van
זְקֻנִ֖ים
(zequnim)
oude dagen
קָטָ֑ן
(qatan)
klein
וְאָחִ֨יו
(veachiv)
en zijn broer
מֵ֜ת
(met)
is dood
וַיִּוָּתֵ֨ר
(vayivater)
en hij bleef over
ה֧וּא
(hu)
hij
לְבַדּ֛וֹ
(levado)
alleen
לְאִמּ֖וֹ
(leimo)
van zijn moeder
וְאָבִ֥יו
(veaviv)
en zijn vader
אֲהֵבֽוֹ
(ahevo)
heeft hem lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וילד זקנים קטן (veyeled zequnim qatan), ‘een jongen van zijn oude dag, een kleine’: Benjamin; zie 35:18; 37:3.
26Wij zeiden: ‘Wij kunnen niet afgaan. Als onze jongste broer met ons is, dan gaan wij af; want wij kunnen het gezicht van de man niet zien als onze jongste broer niet met ons is.’
וַנֹּ֕אמֶר
(vanomer)
en we zeiden
לֹ֥א
(lo)
niet
נוּכַ֖ל
(nukhal)
wij kunnen
לָרֶ֑דֶת
(laredet)
afdalen
אִם
(im)
als
יֵשׁ֩
(yesh)
er is
אָחִ֨ינוּ
(achinu)
onze broer
הַקָּטֹ֤ן
(haqaton)
de jongste
אִתָּ֨נוּ֙
(itanu)
met ons
וְיָרַ֔דְנוּ
(veyaradnu)
dan zullen we afdalen
כִּי
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
נוּכַ֗ל
(nukhal)
wij kunnen
לִרְאוֹת֙
(lirot)
om te zien
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
וְאָחִ֥ינוּ
(veachinu)
en onze broer
הַקָּטֹ֖ן
(haqaton)
de jongste
אֵינֶ֥נּוּ
(einenu)
is niet
אִתָּֽנוּ
(itanu)
met ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Nu dan, als ik bij uw dienaar, mijn vader, kom en de jongen is niet met ons, terwijl zijn ziel aan de ziel van de jongen verbonden is,
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
כְּבֹאִי֙
(kevoi)
als ik kom
אֶל
(el)
tot
עַבְדְּךָ֣
(avdekha)
uw dienaar
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
אֵינֶ֣נּוּ
(einenu)
is niet
אִתָּ֑נוּ
(itanu)
met ons
וְנַפְשׁ֖וֹ
(venafsho)
en zijn ziel
קְשׁוּרָ֥ה
(qeshura)
verbonden
בְנַפְשֽׁוֹ
(benafsho)
aan zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ונפשׁו קשׁורה בנפשׁו (venafsho qeshurah venafsho), ‘zijn ziel is verbonden aan zijn ziel’: zijn leven hangt aan het leven van de jongen; vergelijk 1 Sam. 18:1.
31dan zal het gebeuren, als hij ziet dat de jongen er niet is, dat hij sterft; en uw dienaren zullen de grijze haren van uw dienaar, onze vader, met jammer doen neerdalen naar de Sjeol.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּרְאוֹת֛וֹ
(kiroto)
als hij ziet
כִּי
(ki)
dat
אֵ֥ין
(ein)
niet is
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
וָמֵ֑ת
(vamet)
dan sterft hij
וְהוֹרִ֨ידוּ
(vehoridu)
en ze doen dalen
עֲבָדֶ֜יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵׂיבַ֨ת
(seivat)
grijze haren van
עַבְדְּךָ֥
(avdekha)
uw dienaar
אָבִ֛ינוּ
(avinu)
onze vader
בְּיָג֖וֹן
(beyagon)
met jammer
שְׁאֹֽלָה
(sheola)
naar de Sjeol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ביגון שׁאלה (beyagon she’olah), ‘met jammer naar de Sjeol’: zie 42:38.
32Want uw dienaar is borg geworden voor de jongen bij mijn vader, zeggend: ‘Als ik hem niet bij u terugbreng, dan heb ik al de dagen tegen mijn vader gezondigd.’
כִּ֤י
(ki)
want
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
uw dienaar
עָרַ֣ב
(arav)
stond borg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
voor de jongen
מֵעִ֥ם
(meim)
van met
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
als
לֹ֤א
(lo)
niet
אֲבִיאֶ֨נּוּ֙
(avienu)
ik hem terugbreng
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot u
וְחָטָ֥אתִי
(vechatati)
dan heb ik gezondigd
לְאָבִ֖י
(leavi)
tegen mijn vader
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עבדך ערב את הנער (avdekha arav et hanna’ar), ‘uw dienaar is borg geworden voor de jongen’: zie 43:9.
Aanvullend
Jasher 54:57 laat Juda zeggen dat hij borg stond voor de jongen bij zijn vader.
33Nu dan, laat uw dienaar toch blijven in plaats van de jongen als slaaf van mijn heer, en laat de jongen met zijn broers opgaan.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
יֵֽשֶׁב
(yeshev)
laat blijven
נָ֤א
(na)
toch
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
uw dienaar
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
עֶ֖בֶד
(eved)
slaaf
לַֽאדֹנִ֑י
(ladoni)
voor mijn heer
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
יַ֥עַל
(yaal)
laat opgaan
עִם
(im)
met
אֶחָֽיו
(echav)
zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ישׁב נא עבדך תחת הנער עבד לאדני (yeshev na avdekha tachat hanna’ar eved ladoni), ‘laat uw dienaar toch blijven in plaats van de jongen als slaaf van mijn heer’: Juda biedt zijn eigen vrijheid aan.
34Want hoe zou ik naar mijn vader opgaan zonder dat de jongen bij mij is? Ik zou het kwaad zien dat mijn vader zal treffen.”
כִּי
(ki)
want
אֵיךְ֙
(eikh)
hoe
אֶֽעֱלֶ֣ה
(eele)
zal ik opgaan
אֶל
(el)
tot
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
אֵינֶ֣נּוּ
(einenu)
is niet
אִתִּ֑י
(iti)
met mij
פֶּ֚ן
(pen)
opdat niet
אֶרְאֶ֣ה
(ere)
ik zie
בָרָ֔ע
(bara)
het kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
יִמְצָ֖א
(yimtsa)
zal treffen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פן אראה ברע אשׁר ימצא את אבי (pen er’eh vara asher yimtsa et avi), ‘ik zou het kwaad zien dat mijn vader zal treffen’: Juda kan het verdriet van Jakob niet aanzien.