Hebreeën 5
Een hogepriester volgens de orde van Melchisedek, geleerd door lijden; melk en vast voedsel
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wat een hogepriester is
ἀρχιερεύς (archiereus), ‘hogepriester’: zie 2:17.
Hij wordt uit de mensen genomen en voor de mensen aangesteld. τὰ πρὸς τὸν θεόν (ta pros ton theon), ‘wat Elohim betreft’: zoals in 2:17. προσφέρω (prosfero), ‘offeren, aanbieden’: wij vertalen het overal met ‘offeren’; δῶρον (doron), ‘gave’, θυσία (thysia), ‘offer’ (slachtoffer).
Zie ook Lev. 16:6.
μετριοπαθέω (metriopatheo), ‘mild omgaan, zijn gevoel in toom houden’: de hogepriester voelt mee zonder in woede of onverschilligheid te vervallen. ἀγνοέω (agnoeo), ‘onwetend zijn’; πλανάω (planao), ‘dwalen’. περίκειται ἀσθένειαν (perikeitai astheneian), letterlijk ‘hij ligt omringd met zwakheid’.
De zin loopt door in vers 3.
De hogepriester moest ook voor zichzelf een zondeoffer brengen, vóór het offer voor het volk (Lev. 16:6, 16:11).
De zwakheid van vers 2 is de reden.
Zie ook Lev. 16:6; Lev. 16:11.
De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘vanwege haar’ (δι᾽ αὐτήν), ‘zichzelf’ (αὑτοῦ) en ‘voor’ (περί).
Wij volgen de SBLGNT.
τιμή (time), ‘eer’: het ambt van hogepriester is een eer die men zich niet zelf geeft.
Aäron werd geroepen: zie Exod. 28:1.
Zie ook Exod. 28:1.
De SBLGNT markeert bij ‘zoals’ (καθώσπερ) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De Messias, hogepriester volgens de orde van Melchisedek
Aanhaling van Ps. 110:4.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Jij bent priester voor eeuwig, volgens de wijze van Melchisedek’; Hebreeën heeft τάξις (taxis), ‘orde, rangorde’, voor het Hebreeuwse עַל דִּבְרָתִי (al divrati), dat moeilijk is (zie de Lezing-voetnoot bij Ps. 110:4).
De woorden zijn in Ps. 110:4 een eed van Yahweh; zij staan rood.
Over Melchisedek: Gen. 14:18–20 en hoofdstuk 7.
Zie ook Ps. 110:4; Gen. 14:18–20.
De verzen 7–10 zijn moeilijk en worden verschillend verstaan.
‘In de dagen van Zijn vlees’: in Zijn aardse leven. δέησις (deesis), ‘smeekbede’; ἱκετηρία (hiketeria), ‘smeekgebed’.
Het werkwoord προσφέρω, ‘offeren’, is hetzelfde als in vers 1: Hij bracht gebeden en smeekbeden als offer. κραυγή (krauge), ‘geroep’.
‘Aan Hem die Hem uit de dood kon redden’: Elohim. εὐλάβεια (eulabeia), ‘ontzag, godvrezendheid’: het Grieks heeft alleen ‘het ontzag’, zonder bezittelijk voornaamwoord; wij vullen ‘Zijn’ aan; ἀπό (apo) kan ‘vanwege’ zijn, zoals wij vertalen, maar ook ‘uit’ (‘verhoord en bevrijd van de angst’).
Zie ook Matt. 26:39; Mark. 14:36.
καίπερ (kaiper), ‘hoewel’.
Er is een woordspeling in het Grieks: ἔμαθεν (emathen), ‘Hij leerde’, en ἔπαθεν (epathen), ‘Hij leed’. ὑπακοή (hypakoe), ‘gehoorzaamheid’.
De zin loopt door in vers 9.
τελειόω (teleioo), ‘volmaken’: zie 2:10; Hij bereikte Zijn doel. αἴτιος (aitios), ‘oorzaak, bewerker’. ὑπακούω (hypakouo), ‘gehoorzamen’: dezelfde stam als ‘gehoorzaamheid’ in vers 8. σωτηρία αἰώνιος (soteria aionios), ‘eeuwige redding’.
De SBLGNT markeert bij ‘allen die Hem gehoorzamen’ (πᾶσιν τοῖς ὑπακούουσιν αὐτῷ) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Melk en vast voedsel
‘Hierover’ (περὶ οὗ): over Melchisedek, of over de hogepriester volgens zijn orde. δυσερμήνευτος (dysermeneutos), ‘moeilijk uit te leggen’. νωθρός (nothros), ‘traag, afgestompt’; zo ook in 6:12. ἀκοή (akoe), ‘gehoor’.
στοιχεῖα (stoicheia), ‘grondbeginselen’: zoals in Gal. 4:3. λόγια (logia), ‘uitspraken’: zoals in Rom. 3:2. γάλα (gala), ‘melk’; στερεὰ τροφή (sterea trofe), ‘vast voedsel’.
Zie ook Gal. 4:3; Rom. 3:2.
De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘iemand’ (τινά) en bij ‘niet’ (οὐ).
Wij volgen de SBLGNT.
μετέχω (metecho), ‘deelnemen aan, gebruiken’. ἄπειρος (apeiros), ‘onervaren’. λόγος δικαιοσύνης (logos dikaiosynes), ‘woord van gerechtigheid’: het kan het woord over de gerechtigheid zijn of het woord dat gerechtigheid werkt. νήπιος (nepios), ‘klein kind’: zoals in 1 Kor. 3:1.
Zie ook 1 Kor. 3:1–2.
τέλειος (teleios), ‘volmaakt’; het woord kan ook ‘volwassen’ betekenen. ἕξις (hexis), ‘gewenning, geoefendheid’. αἰσθητήριον (aistheterion), ‘zintuig’: het vermogen om waar te nemen. γυμνάζω (gymnazo), ‘trainen, oefenen’. διάκρισις (diakrisis), ‘onderscheiding’.