Elohim Bijbel

2 Samuël 21

123456789101112131415161718192021222324

De hongersnood, de Gibeonieten en de afstammelingen van Rafa

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Drie jaar hongersnood

1Er was een hongersnood in de dagen van David, drie jaar lang, jaar na jaar. David zocht het aangezicht van Yahweh. Yahweh zei: „Het ligt aan Saul en aan het huis van bloedschuld, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
רָעָב֩
(raav)
hongersnood
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
דָוִ֜ד
(david)
David
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֗ים
(shanim)
jaren
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וַיְבַקֵּ֥שׁ
(vayvaqesh)
en zocht
דָּוִ֖ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וְאֶל
(veel)
en over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הַדָּמִ֔ים
(hadamim)
de bloedschulden
עַל
(al)
omdat
אֲשֶׁר
(asher)
hij
הֵמִ֖ית
(hemit)
doodde
אֶת
(et)
(obj.)
הַגִּבְעֹנִֽים
(hagivonim)
de Gibeonieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּמִים (damim), ‘bloedschuld’: letterlijk ‘bloeden’, het meervoud van ‘bloed’.

Het gaat om bloed dat is vergoten en dat het land ontwijdt (Num. 35:33–34).

De Gibeonieten hadden van Israël een eed gekregen (Joz. 9:3–27). Waarom en wanneer Saul hen trof, staat niet in 1 Samuël.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord: ‘over Saul en over het huis van de bloeden’.

Wij vullen aan met ‘Het ligt aan’.

David en de Gibeonieten

2De koning riep de Gibeonieten en sprak tot hen. De Gibeonieten waren geen zonen van Israël, maar een rest van de Amorieten. De zonen van Israël hadden hun gezworen. Toch probeerde Saul hen neer te slaan, uit ijver voor de zonen van Israël en Juda.
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לַגִּבְעֹנִ֖ים
(lagivonim)
de Gibeonieten
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tegen hen
וְהַגִּבְעֹנִ֞ים
(vehagivonim)
en de Gibeonieten
לֹ֣א
(lo)
niet
מִבְּנֵ֧י
(mibenei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
כִּ֚י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
מִיֶּ֣תֶר
(miyeter)
van de rest van
הָאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
נִשְׁבְּע֣וּ
(nishbeu)
hadden gezworen
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
וַיְבַקֵּ֤שׁ
(vayvaqesh)
en zocht
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
לְהַכֹּתָ֔ם
(lehakotam)
om hen te slaan
בְּקַנֹּאת֥וֹ
(beqanoto)
in zijn ijver
לִבְנֵֽי
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וִיהוּדָֽה
(vihuda)
en Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Gibeonieten sloten in de dagen van Jozua een verbond met Israël (Joz. 9:15).

Zij zijn een rest van de Amorieten.

Dat Saul hen wilde neerslaan ‘uit ijver’, wordt alleen hier verteld.

3David zei tegen de Gibeonieten: „Wat moet ik voor jullie doen? Waarmee kan ik verzoening doen, zodat jullie het erfdeel van Yahweh zegenen?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
הַגִּבְעֹנִ֔ים
(hagivonim)
de Gibeonieten
מָ֥ה
(ma)
wat
אֶעֱשֶׂ֖ה
(eese)
ik zal doen
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
וּבַמָּ֣ה
(uvama)
en waarmee
אֲכַפֵּ֔ר
(akhaper)
ik zal verzoening doen
וּבָרְכ֖וּ
(uvarekhu)
zodat jullie zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלַ֥ת
(nachalat)
het erfdeel van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: zie Lev. 16:30.

Het ‘erfdeel van Yahweh’ is Israël (Deut. 32:9).

4De Gibeonieten zeiden tegen hem: „Het gaat ons niet om zilver of goud van Saul en van zijn huis. En het is niet aan ons om iemand in Israël te doden.” Hij zei: „Wat zeggen jullie dan? Ik zal het voor jullie doen.”
וַיֹּ֧אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
הַגִּבְעֹנִ֗ים
(hagivonim)
de Gibeonieten
אֵֽין
(ein)
er is niet
לָ֜נוּ
(lanu)
voor ons
כֶּ֤סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָב֙
(vezahav)
en goud
עִם
(im)
met
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
וְעִם
(veim)
en met
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְאֵֽין
(veein)
en er is niet
לָ֥נוּ
(lanu)
voor ons
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
לְהָמִ֣ית
(lehamit)
om te doden
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מָֽה
(ma)
wat
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
אֹמְרִ֖ים
(omerim)
zeggen
אֶעֱשֶׂ֥ה
(eese)
ik zal doen
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Gibeonieten willen geen losgeld.

Vergelijk Num. 35:31–33: voor een bloedschuld wordt geen losgeld aangenomen.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘voor mij’.

Het voorgelezen woord (qere) heeft ‘voor ons’.

Wij volgen het qere.

5Zij zeiden tegen de koning: „De man die ons heeft vernietigd en die plannen tegen ons heeft gesmeed: wij zijn verdelgd. Wij kunnen ons nergens meer handhaven in heel het gebied van Israël.
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
כִּלָּ֔נוּ
(kilanu)
hij maakte ons een einde
וַאֲשֶׁ֖ר
(vaasher)
en die
דִּמָּה
(dima)
hij bedacht
לָ֑נוּ
(lanu)
tegen ons
נִשְׁמַ֕דְנוּ
(nishmadnu)
wij zijn verdelgd
מֵֽהִתְיַצֵּ֖ב
(mehityatsev)
om stand te houden
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּבֻ֥ל
(gevul)
het gebied van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּמָה (damah), ‘bedenken’, ‘plannen smeden’.

נִשְׁמַד (nishmad), ‘verdelgd worden’.

Lezing

Dit vers is moeilijk Hebreeuws.

Wij vertalen: ‘wij zijn verdelgd; wij kunnen ons nergens meer handhaven in heel het gebied van Israël.’

6Laat zeven mannen van zijn zonen aan ons worden gegeven. Dan zullen wij hen voor Yahweh ophangen in Gibea van Saul, de uitverkorene van Yahweh.” De koning zei: „Ik zal ze geven.”
יֻתַּן
(yutan)
laat worden gegeven
לָ֜נוּ
(lanu)
aan ons
שִׁבְעָ֤ה
(shiva)
zeven
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
מִבָּנָ֔יו
(mibanav)
van zijn zonen
וְהוֹקַֽעֲנוּם֙
(vehoqaanum)
en wij zullen hen ophangen
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּגִבְעַ֥ת
(begivat)
in Gibea van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
בְּחִ֣יר
(bechir)
de uitverkorene van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲנִ֥י
(ani)
ik
אֶתֵּֽן
(eten)
zal geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibea van Saul is Gibea in Benjamin, waarschijnlijk Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is waarschijnlijk, niet zeker.

Uitleg

הוֹקִיעַ (hoqia), ‘ophangen’: hetzelfde werkwoord als in Num. 25:4.

Of zij de mannen levend of dood ophingen, zegt de tekst niet.

In vers 9 staat dat zij ‘gedood’ werden.

Saul is de uitverkorene van Yahweh (1 Sam. 10:24).

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft een iets andere werkwoordsvorm (ינתן).

Het qere (יֻתַּן) betekent ‘laat gegeven worden’.

Wij volgen het qere.

Zeven zonen van Saul worden opgehangen

7De koning spaarde Mefiboset, de zoon van Jonatan, de zoon van Saul. Hij deed dat vanwege de eed bij Yahweh die er tussen hen was, tussen David en Jonatan, de zoon van Saul.
וַיַּחְמֹ֣ל
(vayachmol)
en spaarde
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
vanwege
מְפִי
(mefi)
Mefi
בֹ֖שֶׁת
(boshet)
boset
בֶּן
(ben)
de zoon van
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
de zoon van
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
עַל
(al)
vanwege
שְׁבֻעַ֤ת
(shevuat)
de eed van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בֵּֽינֹתָ֔ם
(beinotam)
tussen hen
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
דָּוִ֔ד
(david)
David
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
יְהוֹנָתָ֥ן
(yehonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
de zoon van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mefiboset is de zoon van Jonatan (2 Sam. 9:1–13).

De eed bij Yahweh staat in 1 Sam. 20:14–17 en 20:42.

In 2 Sam. 4:4 wordt hij ook genoemd. Het Hebreeuws schrijft zijn naam ‘Mefibosjet’; wij houden de vaste spelling ‘Mefiboset’. Een andere Mefiboset is de zoon van Rizpa (vers 8).

8De koning nam de twee zonen van Rizpa, de dochter van Aja, die zij aan Saul had gebaard: Armoni en Mefiboset. Ook nam hij de vijf zonen van Michal, de dochter van Saul. Zij had hen aan Adriël gebaard, de zoon van Barzillai, de Mecholatiet.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁ֠נֵי
(shenei)
twee
בְּנֵ֨י
(benei)
zonen van
רִצְפָּ֤ה
(ritspa)
Rizpa
בַת
(bat)
dochter van
אַיָּה֙
(aya)
Aja
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָלְדָ֣ה
(yaleda)
zij baarde
לְשָׁא֔וּל
(leshaul)
aan Saul
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְמֹנִ֖י
(armoni)
Armoni
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מְפִבֹ֑שֶׁת
(mefivoshet)
Mefiboset
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲמֵ֗שֶׁת
(chameshet)
vijf
בְּנֵי֙
(benei)
zonen van
מִיכַ֣ל
(mikhal)
Michal
בַּת
(bat)
dochter van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָלְדָ֛ה
(yaleda)
zij baarde
לְעַדְרִיאֵ֥ל
(leadriel)
aan Adriël
בֶּן
(ben)
zoon van
בַּרְזִלַּ֖י
(barzilay)
Barzillai
הַמְּחֹלָתִֽי
(hamecholati)
de Mecholatiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Rizpa was Sauls bijvrouw (2 Sam. 3:7).

Barzillai de Mecholatiet is een andere man dan Barzillai uit Gilead (2 Sam. 17:27).

Mecholat is Abel-Mechola (1 Kon. 19:16).

Lezing

De Masoretische tekst heeft hier ‘Michal’.

Maar Michal kreeg geen kinderen (2 Sam. 6:23), en Merab was getrouwd met Adriël (1 Sam. 18:19).

Sommige oude vertalingen lezen daarom ‘Merab’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

9Hij gaf hen in de hand van de Gibeonieten. Zij hingen hen op de berg op, voor het aangezicht van Yahweh. Alle zeven vielen tegelijk. Zij werden gedood in de dagen van de oogst, in de eerste dagen, bij het begin van de gerstoogst.
וַֽיִּתְּנֵ֞ם
(vayitenem)
en gaf hen
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
הַגִּבְעֹנִ֗ים
(hagivonim)
de Gibeonieten
וַיֹּקִיעֻ֤ם
(vayoqium)
en zij hingen hen op
בָּהָר֙
(bahar)
op de berg
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en vielen
שְׁבַעְתָּ֖ם
(shevatam)
alle zeven
יָ֑חַד
(yachad)
samen
וְהֵ֨מָּה
(vehema)
en zij
הֻמְת֜וּ
(humtu)
werden gedood
בִּימֵ֤י
(bimei)
in de dagen van
קָצִיר֙
(qatsir)
oogst
בָּרִ֣אשֹׁנִ֔ים
(barishonim)
in de eerste (dagen)
בִּתְחִלַּ֖ת
(bitchilat)
bij het begin van
קְצִ֥יר
(qetsir)
oogst van
שְׂעֹרִֽים
(seorim)
gerst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De gerstoogst begint in het voorjaar, ongeveer in april.

Vergelijk Deut. 21:22–23 over het ophangen van iemand en over het begraven.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere vorm voor ‘alle zeven’ (שבעתים).

Wij volgen het qere, שבעתם.

Rizpa waakt bij de lichamen

10Rizpa, de dochter van Aja, nam het rouwkleed en spreidde het voor zichzelf uit op de rots. Dat deed zij vanaf het begin van de oogst tot het water uit de hemel over hen werd uitgegoten. Overdag liet zij geen vogel van de hemel op hen neerstrijken. ’s Nachts liet zij geen wilde dieren van het veld toe.
וַתִּקַּ֣ח
(vatiqach)
en nam
רִצְפָּה֩
(ritspa)
Rizpa
בַת
(bat)
dochter van
אַיָּ֨ה
(aya)
Aja
אֶת
(et)
(obj.)
הַשַּׂ֜ק
(hasaq)
het rouwkleed
וַתַּטֵּ֨הוּ
(vatatehu)
en spreidde het uit
לָ֤הּ
(lah)
voor zich
אֶל
(el)
op
הַצּוּר֙
(hatsur)
de rots
מִתְּחִלַּ֣ת
(mitechilat)
vanaf het begin van
קָצִ֔יר
(qatsir)
oogst
עַ֛ד
(ad)
totdat
נִתַּךְ
(nitakh)
uitgegoten werd
מַ֥יִם
(mayim)
water
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נָתְנָה֩
(natena)
zij liet toe
ע֨וֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemel
לָנ֤וּחַ
(lanuach)
om neer te strijken
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
op hen
יוֹמָ֔ם
(yomam)
overdag
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חַיַּ֥ת
(chayat)
wild dier van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
לָֽיְלָה
(layela)
’s nachts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een kleed van grove stof, dat in rouw werd gedragen (Gen. 37:34).

‘Het water uit de hemel’ is de eerste regen van het najaar. Rizpa waakte daarom waarschijnlijk maanden lang.

11Er werd David verteld wat Rizpa, de dochter van Aja, de bijvrouw van Saul, had gedaan.
וַיֻּגַּ֖ד
(vayugad)
en werd verteld
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
aan David
אֵ֧ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשְׂתָ֛ה
(aseta)
had gedaan
רִצְפָּ֥ה
(ritspa)
Rizpa
בַת
(bat)
dochter van
אַיָּ֖ה
(aya)
Aja
פִּלֶ֥גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De beenderen van Saul en Jonatan worden begraven

12David ging en nam de beenderen van Saul en de beenderen van zijn zoon Jonatan mee van de burgers van Jabes in Gilead. Zij hadden die gestolen van het plein van Bet-Sean. Daar hadden de Filistijnen hen opgehangen, op de dag dat de Filistijnen Saul op de Gilboa versloegen.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
דָּוִ֗ד
(david)
David
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמ֤וֹת
(atsmot)
de beenderen van
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַצְמוֹת֙
(atsmot)
de beenderen van
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
מֵאֵ֕ת
(meet)
van
בַּעֲלֵ֖י
(baalei)
de burgers van
יָבֵ֣ישׁ
(yaveish)
Jabes
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
גָּנְב֨וּ
(ganevu)
hadden gestolen
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
מֵרְחֹ֣ב
(merechov)
van het plein van
בֵּֽית
(beit)
Bet
שַׁ֗ן
(shan)
Sean
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
תְּלָא֥וּם
(telaum)
hadden opgehangen hen
שָׁ֨מָּה֙
(shama)
daar
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag
הַכּ֧וֹת
(hakot)
dat sloegen
פְּלִשְׁתִּ֛ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
בַּגִּלְבֹּֽעַ
(bagilboa)
op de Gilboa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jabes in Gilead lag in het oosten van de Jordaan, waarschijnlijk bij Tell el-Maqlub in Jordanië.

Dat is onzeker.

Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Gilboa: De Gilboa is een bergrug aan de zuidoostkant van de vallei van Jizreël.

Bet-Sean ligt bij Tell el-Husn, in het huidige Bet-Sean (Israël). Dat is zeker.

De Gilboa is het bergland ten zuiden van de vallei van Jizreël (Israël).

Uitleg

Zie 1 Sam. 31:8–13: de mannen van Jabes haalden de lichamen van Saul en zijn zonen van de muur van Bet-Sean.

13Hij bracht vandaar de beenderen van Saul en de beenderen van zijn zoon Jonatan omhoog. Men verzamelde ook de beenderen van de opgehangenen.
וַיַּ֤עַל
(vayaal)
en liet komen omhoog
מִשָּׁם֙
(misham)
vandaar
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמ֣וֹת
(atsmot)
de beenderen van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַצְמ֖וֹת
(atsmot)
de beenderen van
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
בְּנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
וַיַּ֣אַסְפ֔וּ
(vayaasfu)
en zij verzamelden
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמ֖וֹת
(atsmot)
de beenderen van
הַמּוּקָעִֽים
(hamuqaim)
de opgehangenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Zij begroeven de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonatan in het land van Benjamin. Dat was in Sela, in het graf van Kis, zijn vader. Zij deden alles wat de koning had geboden. Daarna liet Elohim Zich verbidden voor het land.
וַיִּקְבְּר֣וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמוֹת
(atsmot)
de beenderen van
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
וִיהוֹנָֽתָן
(vihonatan)
en Jonatan
בְּ֠נוֹ
(beno)
zijn zoon
בְּאֶ֨רֶץ
(beerets)
in het land van
בִּנְיָמִ֜ן
(binyamin)
Benjamin
בְּצֵלָ֗ע
(betsela)
in Sela
בְּקֶ֨בֶר֙
(beqever)
in het graf van
קִ֣ישׁ
(qish)
Kis
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַֽיַּעֲשׂ֔וּ
(vayaasu)
en zij deden
כֹּ֥ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖ה
(tsiva)
had geboden
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֵּעָתֵ֧ר
(vayeater)
en liet Zich verbidden
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
לָאָ֖רֶץ
(laarets)
voor het land
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
כֵֽן
(ken)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sela lag in het gebied van Benjamin (Joz. 18:28).

De precieze ligging is onzeker.

Uitleg

וַיֵּעָתֵר (wayye’ater), ‘liet Zich verbidden’: Elohim hoorde het gebed en werd het land weer gunstig gezind.

In vers 1 was de hongersnood het gevolg van de bloedschuld.

De oorlogen tegen de afstammelingen van Rafa

15Er was weer oorlog tussen de Filistijnen en Israël. David ging met zijn dienaren af en zij streden tegen de Filistijnen. David werd moe.
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
ע֧וֹד
(od)
weer
מִלְחָמָ֛ה
(milchama)
oorlog
לַפְּלִשְׁתִּ֖ים
(lapelishtim)
voor de Filistijnen
אֶת
(et)
met
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּ֨רֶד
(vayered)
en ging af
דָּוִ֜ד
(david)
David
וַעֲבָדָ֥יו
(vaavadav)
en zijn dienaren
עִמּ֛וֹ
(imo)
met hem
וַיִּלָּחֲמ֥וּ
(vayilachamu)
en zij streden
אֶת
(et)
tegen
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיָּ֥עַף
(vayaaf)
en werd moe
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

16Jisbi-Benob was een van de afstammelingen van Rafa. Het gewicht van zijn speerpunt was 300 sikkel koper. Hij was omgord met iets nieuws. Hij zei dat hij David zou slaan.
וְיִשְׁבִּ֨י
(veyishbi)
en Jisbi
בְּנֹ֜ב
(benov)
Benob
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בִּילִידֵ֣י
(bilidei)
van de afstammelingen van
הָרָפָ֗ה
(harafa)
Rafa
וּמִשְׁקַ֤ל
(umishqal)
en het gewicht van
קֵינוֹ֙
(qeino)
zijn speerpunt
שְׁלֹ֤שׁ
(shelosh)
drie
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
מִשְׁקַ֣ל
(mishqal)
gewicht van
נְחֹ֔שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
חָג֣וּר
(chagur)
omgord
חֲדָשָׁ֑ה
(chadasha)
nieuw
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
לְהַכּ֥וֹת
(lehakot)
om te slaan
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרָפָה (harafah), ‘Rafa’: een volk of een stamvader van grote mensen.

Het woord is verwant aan de Refaïeten (Deut. 3:11).

Wij schrijven ‘afstammelingen van Rafa’.

קֵינוֹ (qeno), ‘speerpunt’: het woord komt maar één keer voor; de betekenis is onzeker. 300 sikkel is ongeveer 3,4 kg.

Op ‘iets nieuws’ (חֲדָשָׁה) mist het zelfstandig naamwoord; waarschijnlijk is een nieuw zwaard of een nieuwe uitrusting bedoeld. Wij laten het open.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) leest anders dan het qere ‘Jisbi’ (וִישְׁבִּי).

Wij volgen het qere, dat de naam Jisbi-Benob geeft.

17Maar Abisai, de zoon van Zeruja, kwam hem te hulp. Hij sloeg de Filistijn en doodde hem. Toen zwoeren de mannen van David hem: „U mag niet meer met ons ten oorlog uittrekken. U mag de lamp van Israël niet doven.”
וַיַּֽעֲזָר
(vayaazar)
en hielp
לוֹ֙
(lo)
hem
אֲבִישַׁ֣י
(avishay)
Abisai
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֔ה
(tseruya)
Zeruja
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיְמִיתֵ֑הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
אָ֣ז
(az)
toen
נִשְׁבְּעוּ֩
(nishbeu)
zwoeren
אַנְשֵׁי
(anshei)
de mannen van
דָוִ֨ד
(david)
David
ל֜וֹ
(lo)
hem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
תֵצֵ֨א
(tetse)
je zult uittrekken
ע֤וֹד
(od)
meer
אִתָּ֨נוּ֙
(itanu)
met ons
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
naar de oorlog
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תְכַבֶּ֖ה
(tekhabe)
je zult doven
אֶת
(et)
(obj.)
נֵ֥ר
(ner)
de lamp van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De lamp van Israël’ is David, de koning: zie 1 Kon. 11:36 en 2 Sam. 22:29.

18Daarna was er weer oorlog bij Gob met de Filistijnen. Toen versloeg Sibbechai, de Chusatiet, Saf, een van de afstammelingen van Rafa.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en was
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֔ן
(ken)
dit
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
ע֧וֹד
(od)
weer
הַמִּלְחָמָ֛ה
(hamilchama)
de oorlog
בְּג֖וֹב
(begov)
in Gob
עִם
(im)
met
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
אָ֣ז
(az)
toen
הִכָּ֗ה
(hika)
sloeg
סִבְּכַי֙
(sibekhay)
Sibbechai
הַחֻ֣שָׁתִ֔י
(hachushati)
de Chusatiet
אֶת
(et)
(obj.)
סַ֕ף
(saf)
Saf
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בִּילִדֵ֥י
(bilidei)
van de afstammelingen van
הָרָפָֽה
(harafa)
Rafa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gob: de ligging is onbekend. 1 Kron. 20:4 noemt op deze plaats Gezer.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Sibbechai de Chusatiet staat ook in 1 Kron. 11:29 (vergelijk 2 Sam. 23:27).

In 1 Kron. 20:4 heet Saf ‘Sippai’.

19Weer was er oorlog bij Gob met de Filistijnen. Elchanan, de zoon van Jaäre-Oregim, de Betlehemiet, sloeg Goliat, de Gattiet. De schacht van zijn speer was als een weversboom.
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
ע֧וֹד
(od)
weer
הַמִּלְחָמָ֛ה
(hamilchama)
de oorlog
בְּג֖וֹב
(begov)
in Gob
עִם
(im)
met
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיַּ֡ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶלְחָנָן֩
(elchanan)
Elchanan
בֶּן
(ben)
zoon van
יַעְרֵ֨י
(yarei)
Jaäre
אֹרְגִ֜ים
(oregim)
Oregim
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
הַלַּחְמִ֗י
(halachmi)
de Lechemiet
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
גָּלְיָ֣ת
(galeyat)
Goliat
הַגִּתִּ֔י
(hagiti)
de Gattiet
וְעֵ֣ץ
(veets)
en de schacht van
חֲנִית֔וֹ
(chanito)
zijn speer
כִּמְנ֖וֹר
(kimnor)
als de balk van
אֹרְגִֽים
(oregim)
wevers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gob (ligging onzeker): Gob was een plaats waar de Filistijnen streden.

Het lag bij de grens met de Filistijnen; 1 Kronieken 20:4 noemt Gezer.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

אֹרְגִים (oregim), ‘wevers’: de naam ‘Jaäre-Oregim’ bevat hetzelfde woord als ‘weversboom’ aan het eind van het vers.

Lezing

De Masoretische tekst zegt dat Elchanan ‘Goliat de Gattiet’ sloeg.

In 1 Sam. 17:49–51 doodt David Goliat.

In 1 Kron. 20:5 staat: Elchanan, de zoon van Jair, sloeg Lachmi, de broer van Goliat.

In het Hebreeuws lijken ‘de Betlehemiet’ (bet hal-lachmi) en ‘Lachmi’ (et lachmi) sterk op elkaar.

Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk.

20Weer was er oorlog bij Gat. Daar was een man van grote lengte. De vingers van zijn handen en de tenen van zijn voeten waren zes en zes: 24 in totaal. Ook hij was een afstammeling van Rafa.
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
ע֥וֹד
(od)
weer
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
בְּגַ֑ת
(begat)
in Gat
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
מָד֗וֹן
(madon)
lengte
וְאֶצְבְּעֹ֣ת
(veetsbeot)
en de vingers van
יָדָיו֩
(yadav)
zijn handen
וְאֶצְבְּעֹ֨ת
(veetsbeot)
en de tenen van
רַגְלָ֜יו
(raglav)
zijn voeten
שֵׁ֣שׁ
(shesh)
zes
וָשֵׁ֗שׁ
(vashesh)
en zes
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבַּע֙
(vearba)
en vier
מִסְפָּ֔ר
(mispar)
in aantal
וְגַם
(vegam)
en ook
ה֖וּא
(hu)
hij
יֻלַּ֥ד
(yulad)
was geboren
לְהָרָפָֽה
(leharafa)
aan Rafa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat was een Filistijnse stad, waarschijnlijk Tell es-Safi (Israël).

Uitleg

מָדוֹן (madon), ‘lengte’ of ‘twist’: de betekenis is onzeker.

Het geschreven woord (ketiv) heeft מדין; wij volgen het qere. 1 Kron. 20:6 heeft ‘een man van (grote) maat’ (middah).

Het gaat om 24 vingers en tenen: zes aan elke hand en zes aan elke voet.

21Hij hoonde Israël. Toen sloeg Jonatan, de zoon van Simea, de broer van David, hem neer.
וַיְחָרֵ֖ף
(vaycharef)
en hij hoonde
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיַּכֵּ֨הוּ֙
(vayakehu)
en sloeg hem neer
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁמְעָ֖ה
(shima)
Simea
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
דָוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Simea is een broer van David (1 Kron. 2:13).

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Simi’.

Wij volgen het qere, ‘Simea’.

22Deze vier waren geboren aan Rafa in Gat. Zij vielen door de hand van David en door de hand van zijn dienaren.
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְבַּ֥עַת
(arbaat)
vier
אֵ֛לֶּה
(ele)
dezen
יֻלְּד֥וּ
(yuledu)
werden geboren
לְהָרָפָ֖ה
(leharafa)
aan Rafa
בְּגַ֑ת
(begat)
in Gat
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en zij vielen
בְיַד
(beyad)
door de hand van
דָּוִ֖ד
(david)
David
וּבְיַ֥ד
(uveyad)
en door de hand van
עֲבָדָֽיו
(avadav)
zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

Uitleg

Dit zijn de vier afstammelingen van Rafa uit de verzen 16–21.