Elohim Bijbel

Numeri 23

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Bileams eerste en tweede spreuk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zeven altaren

1Bileam zei tot Balak: „Bouw hier zeven altaren voor mij en maak hier zeven stieren en zeven rammen voor mij klaar.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
אֶל
(el)
tot
בָּלָ֔ק
(balaq)
Balak
בְּנֵה
(bene)
bouw
לִ֥י
(li)
voor mij
בָזֶ֖ה
(baze)
hier
שִׁבְעָ֣ה
(shiva)
zeven
מִזְבְּחֹ֑ת
(mizbechot)
altaren
וְהָכֵ֥ן
(vehakhen)
en maak klaar
לִי֙
(li)
voor mij
בָּזֶ֔ה
(baze)
hier
שִׁבְעָ֥ה
(shiva)
zeven
פָרִ֖ים
(parim)
stieren
וְשִׁבְעָ֥ה
(veshiva)
en zeven
אֵילִֽים
(eilim)
rammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Balak deed zoals Bileam had gezegd. Balak en Bileam offerden op elk altaar een stier en een ram.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
בָּלָ֔ק
(balaq)
Balak
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
had gesproken
בִּלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en offerde
בָּלָ֧ק
(balaq)
Balak
וּבִלְעָ֛ם
(uvilam)
en Bileam
פָּ֥ר
(par)
een stier
וָאַ֖יִל
(vaayil)
en een ram
בַּמִּזְבֵּֽחַ
(bamizbeach)
op het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘op het altaar’ (enkelvoud).

Wij nemen aan dat op elk van de zeven altaren een stier en een ram werden geofferd; dat zegt Bileam in vers 4.

3Bileam zei tot Balak: „Blijf bij je brandoffer staan, dan ga ik. Misschien komt Yahweh mij tegemoet. Wat Hij mij ook laat zien, ik zal het je vertellen.” Hij ging naar een kale hoogte.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּלְעָ֜ם
(bilam)
Bileam
לְבָלָ֗ק
(levalaq)
tot Balak
הִתְיַצֵּב֮
(hityatsev)
blijf staan
עַל
(al)
bij
עֹלָתֶךָ֒
(olatekha)
je brandoffer
וְאֵֽלְכָ֗ה
(veelekha)
en ik zal gaan
אוּלַ֞י
(ulay)
misschien
יִקָּרֵ֤ה
(yiqare)
komt tegemoet
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִקְרָאתִ֔י
(liqrati)
mij tegemoet
וּדְבַ֥ר
(udevar)
en het woord
מַה
(ma)
wat
יַּרְאֵ֖נִי
(yareni)
Hij mij laat zien
וְהִגַּ֣דְתִּי
(vehigadti)
en ik zal vertellen
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שֶֽׁפִי
(shefi)
naar een kale hoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁפִי (shefi), ‘kale hoogte’: een kale heuvel zonder bomen.

Het woord is zeldzaam.

4Elohim ontmoette Bileam. Hij zei tot Hem: „De zeven altaren heb ik opgesteld, en op elk altaar heb ik een stier en een ram geofferd.”
וַיִּקָּ֥ר
(vayiqar)
en ontmoette
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
בִּלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot Hem
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁבְעַ֤ת
(shivat)
de zeven van
הַֽמִּזְבְּחֹת֙
(hamizbechot)
de altaren
עָרַ֔כְתִּי
(arakhti)
heb ik opgesteld
וָאַ֛עַל
(vaaal)
en ik offerde
פָּ֥ר
(par)
een stier
וָאַ֖יִל
(vaayil)
en een ram
בַּמִּזְבֵּֽחַ
(bamizbeach)
op het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier is het Elohim die Bileam ontmoet; in vers 5 is het Yahweh.

Het is dezelfde Persoon.

5Yahweh legde een woord in de mond van Bileam en zei: „Keer terug naar Balak en spreek zo.”
וַיָּ֧שֶׂם
(vayasem)
en legde
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
דָּבָ֖ר
(davar)
een woord
בְּפִ֣י
(befi)
in de mond van
בִלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
שׁ֥וּב
(shuv)
keer terug
אֶל
(el)
naar
בָּלָ֖ק
(balaq)
Balak
וְכֹ֥ה
(vekho)
en zo
תְדַבֵּֽר
(tedaber)
zul je spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh legt het woord in Bileams mond.

Daarom is wat Bileam daarna zegt, geen woord van hemzelf.

Wij zetten de spreuken van Bileam niet in het rood; alleen de woorden die Yahweh Zelf tot hem spreekt, zijn rood.

6Hij keerde terug naar hem, en zie, hij stond bij zijn brandoffer, hij en alle vorsten van Moab.
וַיָּ֣שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
נִצָּ֖ב
(nitsav)
staand
עַל
(al)
bij
עֹלָת֑וֹ
(olato)
zijn brandoffer
ה֖וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en alle
שָׂרֵ֥י
(sarei)
vorsten van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bileams eerste spreuk

7Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Uit Aram heeft Balak mij hierheen gebracht, de koning van Moab, uit de bergen van het oosten: ‘Kom, vervloek Jakob voor mij. Kom, schel Israël uit.’
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij hief op
מְשָׁל֖וֹ
(meshalo)
zijn spreuk
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
מִן
(min)
uit
אֲ֠רָם
(aram)
Aram
יַנְחֵ֨נִי
(yancheni)
heeft mij gebracht
בָלָ֤ק
(balaq)
Balak
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
מֵֽהַרְרֵי
(meharrei)
uit de bergen van
קֶ֔דֶם
(qedem)
het oosten
לְכָה֙
(lekha)
kom
אָֽרָה
(ara)
vervloek
לִּ֣י
(li)
voor mij
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וּלְכָ֖ה
(ulekha)
en kom
זֹעֲמָ֥ה
(zoama)
schel uit
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Aram en de bergen van het oosten: het gebergte ten oosten van Moab.

Uitleg

מָשָׁל (mashal), ‘spreuk’: een dichterlijk woord.

Zie ook Num. 21:27.

אֲרָם (Aram) ligt in het noorden van het huidige Syrië; het is het land van Bileam (zie Num. 22:5).

קָבַב (qavav), ‘verwensen’, en אָרַר (arar), ‘vervloeken’, zijn twee verschillende werkwoorden. Het derde werkwoord, זָעַם (zaam), vertalen wij ‘uitschelden’: het woord betekent ‘woedend toespreken’.

8Hoe zou ik verwensen wie El niet verwenst? Hoe zou ik uitschelden wie Yahweh niet uitscheldt?
מָ֣ה
(ma)
wat
אֶקֹּ֔ב
(eqov)
zou ik verwensen
לֹ֥א
(lo)
niet
קַבֹּ֖ה
(qabo)
heeft verwenst
אֵ֑ל
(el)
El
וּמָ֣ה
(uma)
en wat
אֶזְעֹ֔ם
(ezom)
zou ik uitschelden
לֹ֥א
(lo)
niet
זָעַ֖ם
(zaam)
heeft uitgescholden
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל (El) is een oud woord voor God.

Wij laten het onvertaald, naast Yahweh in dezelfde zin.

9Want vanaf de top van de rotsen zie ik hen, en vanaf de heuvels aanschouw ik hen. Zie, een volk dat apart woont en zich niet onder de volken rekent.
כִּֽי
(ki)
want
מֵרֹ֤אשׁ
(merosh)
vanaf de top van
צֻרִים֙
(tsurim)
rotsen
אֶרְאֶ֔נּוּ
(erenu)
zie ik hem
וּמִגְּבָע֖וֹת
(umigevaot)
en vanaf heuvels
אֲשׁוּרֶ֑נּוּ
(ashurenu)
aanschouw ik hem
הֶן
(hen)
zie
עָם֙
(am)
een volk
לְבָדָ֣ד
(levadad)
apart
יִשְׁכֹּ֔ן
(yishkon)
het woont
וּבַגּוֹיִ֖ם
(uvagoyim)
en onder de volken
לֹ֥א
(lo)
niet
יִתְחַשָּֽׁב
(yitchashav)
het rekent zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk ‘rekent zich niet onder de volken’: het is anders dan de andere volken, doordat Yahweh het gekozen heeft.

10Wie telt het stof van Jakob, wie telt het vierde deel van Israël? Laat mijn ziel de dood van de oprechten sterven, en laat mijn einde zijn zoals het hunne.”
מִ֤י
(mi)
wie
מָנָה֙
(mana)
heeft geteld
עֲפַ֣ר
(afar)
het stof van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וּמִסְפָּ֖ר
(umispar)
en het aantal van
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֣בַע
(rova)
het vierde deel van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
תָּמֹ֤ת
(tamot)
laat sterven
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
mijn ziel
מ֣וֹת
(mot)
de dood van
יְשָׁרִ֔ים
(yesharim)
de oprechten
וּתְהִ֥י
(utehi)
en laat zijn
אַחֲרִיתִ֖י
(achariti)
mijn einde
כָּמֹֽהוּ
(kamohu)
zoals het zijne
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹבַע (roba), ‘vierde deel’: Israël bestaat uit vier groepen van drie stammen rond de tabernakel.

Het woord wordt ook verstaan als ‘wolk (van stof)’; wij houden ‘vierde deel’.

כָּמֹהוּ (kamohu) is letterlijk ‘zoals het zijne’: het einde van Israël.

Balak is teleurgesteld

11Balak zei tot Bileam: „Wat heb je mij aangedaan? Ik heb je gehaald om mijn vijanden te verwensen, en zie, je hebt hen werkelijk gezegend.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּלָק֙
(balaq)
Balak
אֶל
(el)
tot
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
מֶ֥ה
(me)
wat
עָשִׂ֖יתָ
(asita)
heb je gedaan
לִ֑י
(li)
mij
לָקֹ֤ב
(laqov)
om te verwensen
אֹיְבַי֙
(oyevay)
mijn vijanden
לְקַחְתִּ֔יךָ
(leqachtikha)
heb ik je genomen
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
בֵּרַ֥כְתָּ
(berakhta)
je hebt gezegend
בָרֵֽךְ
(barekh)
werkelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hij antwoordde: „Moet ik niet zorgvuldig spreken wat Yahweh in mijn mond legt?”
וַיַּ֖עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
הֲלֹ֗א
(halo)
niet waar
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יָשִׂ֤ים
(yasim)
legt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּפִ֔י
(befi)
in mijn mond
אֹת֥וֹ
(oto)
het
אֶשְׁמֹ֖ר
(eshmor)
zal ik zorgvuldig bewaren
לְדַבֵּֽר
(ledaber)
om te spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Balak zei tot hem: „Ga toch met mij mee naar een andere plaats, vanwaar je hen kunt zien. Je ziet alleen het uiterste deel van hen; allemaal zul je hen niet zien. Verwens hen vanaf daar voor mij.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tegen hem
בָּלָ֗ק
(balaq)
Balak
לְכָה
(lekha)
ga
נָּ֨א
(na)
toch
אִתִּ֜י
(iti)
met mij
אֶל
(el)
naar
מָק֤וֹם
(maqom)
een plaats
אַחֵר֙
(acher)
andere
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
vanwaar
תִּרְאֶ֣נּוּ
(tirenu)
je hem ziet
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
אֶ֚פֶס
(efes)
alleen
קָצֵ֣הוּ
(qatsehu)
het uiterste ervan
תִרְאֶ֔ה
(tire)
je ziet
וְכֻלּ֖וֹ
(vekhulo)
en alles ervan
לֹ֣א
(lo)
niet
תִרְאֶ֑ה
(tire)
je ziet
וְקָבְנוֹ
(veqaveno)
en verwens hem
לִ֖י
(li)
voor mij
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De tweede plaats

14Hij nam hem mee naar het veld van Tsofim, naar de top van de Pisga. Hij bouwde zeven altaren en offerde op elk altaar een stier en een ram.
וַיִּקָּחֵ֨הוּ֙
(vayiqachehu)
en nam hem
שְׂדֵ֣ה
(sede)
het veld van
צֹפִ֔ים
(tsofim)
Tsofim
אֶל
(el)
naar
רֹ֖אשׁ
(rosh)
de top van
הַפִּסְגָּ֑ה
(hapisga)
de Pisga
וַיִּ֨בֶן֙
(vayiven)
en hij bouwde
שִׁבְעָ֣ה
(shiva)
zeven
מִזְבְּחֹ֔ת
(mizbechot)
altaren
וַיַּ֛עַל
(vayaal)
en offerde
פָּ֥ר
(par)
een stier
וָאַ֖יִל
(vaayil)
en een ram
בַּמִּזְבֵּֽחַ
(bamizbeach)
op het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het veld van Tsofim, ‘veld van de wachters’, ligt op de Pisga, in het gebergte Abarim ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

De ligging is waarschijnlijk.

Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië.

15Hij zei tot Balak: „Blijf hier bij je brandoffer staan. Ik zal daar een ontmoeting afwachten.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
בָּלָ֔ק
(balaq)
Balak
הִתְיַצֵּ֥ב
(hityatsev)
blijf staan
כֹּ֖ה
(ko)
hier
עַל
(al)
bij
עֹלָתֶ֑ךָ
(olatekha)
je brandoffer
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
אִקָּ֥רֶה
(iqare)
zal een ontmoeting afwachten
כֹּֽה
(ko)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Yahweh ontmoette Bileam, legde een woord in zijn mond en zei: „Keer terug naar Balak en spreek zo.”
וַיִּקָּ֤ר
(vayiqar)
en ontmoette
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en legde
דָּבָ֖ר
(davar)
een woord
בְּפִ֑יו
(befiv)
in zijn mond
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
שׁ֥וּב
(shuv)
keer terug
אֶל
(el)
naar
בָּלָ֖ק
(balaq)
Balak
וְכֹ֥ה
(vekho)
en zo
תְדַבֵּֽר
(tedaber)
zul je spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij kwam bij hem terug, en zie, hij stond bij zijn brandoffer, en de vorsten van Moab waren bij hem. Balak zei tot hem: „Wat heeft Yahweh gesproken?”
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam
אֵלָ֗יו
(elav)
naar hem
וְהִנּ֤וֹ
(vehino)
en zie
נִצָּב֙
(nitsav)
staand
עַל
(al)
bij
עֹ֣לָת֔וֹ
(olato)
zijn brandoffer
וְשָׂרֵ֥י
(vesarei)
en de vorsten van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
אִתּ֑וֹ
(ito)
bij hem
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
בָּלָ֔ק
(balaq)
Balak
מַה
(ma)
wat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bileams tweede spreuk

18Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Sta op, Balak, en hoor. Luister naar mij, zoon van Sippor.
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij hief op
מְשָׁל֖וֹ
(meshalo)
zijn spreuk
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
ק֤וּם
(qum)
sta op
בָּלָק֙
(balaq)
Balak
וּֽשֲׁמָ֔ע
(ushama)
en hoor
הַאֲזִ֥ינָה
(haazina)
luister
עָדַ֖י
(aday)
naar mij
בְּנ֥וֹ
(beno)
zoon van
צִפֹּֽר
(tsipor)
Sippor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookRe 3:20
19El is geen man die liegt, geen mensenkind dat berouw krijgt. Heeft Hij gezegd, en zal Hij het niet doen? Heeft Hij gesproken, en zal Hij het niet vervullen?
לֹ֣א
(lo)
niet
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
אֵל֙
(el)
El
וִֽיכַזֵּ֔ב
(vikhazev)
dat liegt
וּבֶן
(uven)
en een zoon van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
וְיִתְנֶחָ֑ם
(veyitnecham)
dat berouw krijgt
הַה֤וּא
(hahu)
Hij
אָמַר֙
(amar)
heeft gezegd
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַעֲשֶׂ֔ה
(yaase)
zal Hij doen
וְדִבֶּ֖ר
(vediber)
en gesproken
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְקִימֶֽנָּה
(yeqimena)
zal Hij het vervullen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִחַם (nicham), ‘berouw hebben’: van mening veranderen.

Vergelijk Gen. 6:6, waar hetzelfde woord bij Yahweh staat.

Hier gaat het om een belofte die Hij niet intrekt.

20Zie, ik heb opdracht gekregen te zegenen. Hij heeft gezegend, en ik kan het niet terugdraaien.
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
בָרֵ֖ךְ
(barekh)
te zegenen
לָקָ֑חְתִּי
(laqachti)
heb ik ontvangen
וּבֵרֵ֖ךְ
(uverekh)
en Hij heeft gezegend
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֲשִׁיבֶֽנָּה
(ashivena)
kan ik het terugdraaien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בָרֵךְ לָקָחְתִּי (barekh laqachti) is letterlijk ‘te zegenen heb ik genomen’.

Wij vertalen ‘ik heb opdracht gekregen te zegenen’.

Het kan ook zijn: ‘ik heb een zegen ontvangen’.

21Hij ziet geen onheil in Jakob en schouwt geen ellende in Israël. Yahweh, zijn Elohim, is met hem, en het gejuich voor een koning is in zijn midden.
לֹֽא
(lo)
niet
הִבִּ֥יט
(hibit)
ziet Hij
אָ֨וֶן֙
(aven)
onheil
בְּיַעֲקֹ֔ב
(beyaaqov)
in Jakob
וְלֹא
(velo)
en niet
רָאָ֥ה
(raa)
schouwt Hij
עָמָ֖ל
(amal)
ellende
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָיו֙
(elohav)
zijn Elohim
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וּתְרוּעַ֥ת
(uteruat)
en het gejuich van
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
een koning
בּֽוֹ
(bo)
in hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרוּעַת מֶלֶךְ (teruat melekh), ‘gejuich voor een koning’: Yahweh is de Koning in het midden van het volk.

22El leidt hen uit Egypte. Zijn kracht is als die van een wilde stier.
אֵ֖ל
(el)
El
מוֹצִיאָ֣ם
(motsiam)
die hen uitleidt
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
כְּתוֹעֲפֹ֥ת
(ketoafot)
als de kracht van
רְאֵ֖ם
(reem)
een wilde stier
לֽוֹ
(lo)
voor Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

Het slot ‘Zijn kracht’ kan op El slaan of op Israël.

Wij nemen El, zoals het voorgaande woord.

23Want er is geen voorteken in Jakob en geen waarzeggerij in Israël. Op zijn tijd wordt tegen Jakob en tegen Israël gezegd: ‘Wat heeft El gedaan!’
כִּ֤י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
נַ֨חַשׁ֙
(nachash)
voorteken
בְּיַעֲקֹ֔ב
(beyaaqov)
in Jakob
וְלֹא
(velo)
en niet
קֶ֖סֶם
(qesem)
waarzeggerij
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
כָּעֵ֗ת
(kaet)
op de tijd
יֵאָמֵ֤ר
(yeamer)
wordt gezegd
לְיַעֲקֹב֙
(leyaaqov)
tegen Jakob
וּלְיִשְׂרָאֵ֔ל
(uleyisrael)
en tegen Israël
מַה
(ma)
wat
פָּ֖עַל
(paal)
heeft gedaan
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַחַשׁ (nachash), ‘voorteken’, en קֶסֶם (qesem), ‘waarzeggerij’: Israël heeft geen waarzeggers nodig.

Zie Num. 22:7 en Lev. 19:26.

24Zie, een volk dat opstaat als een leeuwin en zich verheft als een leeuw. Het ligt niet neer voordat het prooi heeft gegeten en het bloed van gedoden heeft gedronken.”
הֶן
(hen)
zie
עָם֙
(am)
een volk
כְּלָבִ֣יא
(kelavi)
als een leeuwin
יָק֔וּם
(yaqum)
het staat op
וְכַאֲרִ֖י
(vekhaari)
en als een leeuw
יִתְנַשָּׂ֑א
(yitnasa)
het verheft zich
לֹ֤א
(lo)
niet
יִשְׁכַּב֙
(yishkav)
het ligt neer
עַד
(ad)
totdat
יֹ֣אכַל
(yokhal)
het eet
טֶ֔רֶף
(teref)
prooi
וְדַם
(vedam)
en het bloed van
חֲלָלִ֖ים
(chalalim)
gedoden
יִשְׁתֶּֽה
(yishte)
het drinkt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲלָלִים (chalalim), ‘gedoden’: mensen die zijn gevallen of doorstoken.

Vergelijk Num. 19:16.

Een derde poging

25Balak zei tot Bileam: „Verwens hen helemaal niet, maar zegen hen ook niet.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּלָק֙
(balaq)
Balak
אֶל
(el)
tot
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
גַּם
(gam)
ook
קֹ֖ב
(qov)
verwens
לֹ֣א
(lo)
niet
תִקֳּבֶ֑נּוּ
(tiqovenu)
je zult hem verwensen
גַּם
(gam)
ook
בָּרֵ֖ךְ
(barekh)
zegen
לֹ֥א
(lo)
niet
תְבָרֲכֶֽנּוּ
(tevarakhenu)
je zult hem zegenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookPs 2:1–3
26Bileam antwoordde en zei tot Balak: „Heb ik niet tegen je gezegd: ‘Alles wat Yahweh spreekt, dat zal ik doen’?”
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en antwoordde
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
בָּלָ֑ק
(balaq)
Balak
הֲלֹ֗א
(halo)
niet waar
דִּבַּ֤רְתִּי
(dibarti)
heb ik gesproken
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
tot je
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֛ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יְדַבֵּ֥ר
(yedaber)
spreekt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֥וֹ
(oto)
het
אֶֽעֱשֶֽׂה
(eese)
zal ik doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Balak zei tot Bileam: „Kom toch, ik neem je mee naar een andere plaats. Misschien is het goed in de ogen van Elohim dat je hen vanaf daar voor mij verwenst.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּלָק֙
(balaq)
Balak
אֶל
(el)
tot
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
לְכָה
(lekha)
kom
נָּא֙
(na)
toch
אֶקָּ֣חֲךָ֔
(eqachakha)
ik zal je nemen
אֶל
(el)
naar
מָק֖וֹם
(maqom)
een plaats
אַחֵ֑ר
(acher)
andere
אוּלַ֤י
(ulay)
misschien
יִישַׁר֙
(yishar)
is het goed
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וְקַבֹּ֥תוֹ
(veqaboto)
en verwens hem
לִ֖י
(li)
voor mij
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Balak nam Bileam mee naar de top van de Peor, die uitkijkt over de woestenij.
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en nam
בָּלָ֖ק
(balaq)
Balak
אֶת
(et)
(obj.)
בִּלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de top van
הַפְּע֔וֹר
(hapeor)
de Peor
הַנִּשְׁקָ֖ף
(hanishqaf)
die uitkijkt
עַל
(al)
over
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הַיְשִׁימֹֽן
(hayshimon)
de woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Peor is een berg in het gebergte Abarim, in het huidige Jordanië, tegenover Jericho.

De ligging is onzeker.

Zie ook Num. 25:3.

Zie Bet-Peor: Bet-Peor lag in Moab, in het dal tegenover Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

29Bileam zei tot Balak: „Bouw hier zeven altaren voor mij en maak hier zeven stieren en zeven rammen voor mij klaar.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
אֶל
(el)
tot
בָּלָ֔ק
(balaq)
Balak
בְּנֵה
(bene)
bouw
לִ֥י
(li)
voor mij
בָזֶ֖ה
(baze)
hier
שִׁבְעָ֣ה
(shiva)
zeven
מִזְבְּחֹ֑ת
(mizbechot)
altaren
וְהָכֵ֥ן
(vehakhen)
en maak klaar
לִי֙
(li)
voor mij
בָּזֶ֔ה
(baze)
hier
שִׁבְעָ֥ה
(shiva)
zeven
פָרִ֖ים
(parim)
stieren
וְשִׁבְעָ֥ה
(veshiva)
en zeven
אֵילִֽים
(eilim)
rammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Balak deed zoals Bileam had gezegd en offerde op elk altaar een stier en een ram.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
בָּלָ֔ק
(balaq)
Balak
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
אָמַ֣ר
(amar)
zei
בִּלְעָ֑ם
(bilam)
Bileam
וַיַּ֛עַל
(vayaal)
en offerde
פָּ֥ר
(par)
een stier
וָאַ֖יִל
(vaayil)
en een ram
בַּמִּזְבֵּֽחַ
(bamizbeach)
op het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)