Elohim Bijbel

Job 18

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Bildad spreekt voor de tweede keer

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Bildad: het lot van de goddeloze

1Bildad uit Sjuach nam het woord en zei:
וַ֭יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
בִּלְדַּ֥ד
(bildad)
Bildad
הַשֻּׁחִ֗י
(hashuchi)
de Sjuchiet
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjuach: De ligging van Sjuach is onzeker; vermoedelijk lag het in het oosten, bij de middenloop van de Eufraat.

2„Hoe lang nog gaan jullie op woorden jagen? Begrijp het, en daarna kunnen we spreken.
עַד
(ad)
tot
אָ֤נָה
(ana)
waar
תְּשִׂימ֣וּן
(tesimun)
zullen jullie maken
קִנְצֵ֣י
(qintsei)
jacht (einde?) van
לְמִלִּ֑ין
(lemilin)
op woorden
תָּ֝בִ֗ינוּ
(tavinu)
begrijp
וְאַחַ֥ר
(veachar)
en daarna
נְדַבֵּֽר
(nedaber)
spreken wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bildad richt zich tot Job in het meervoud (‘jullie’): hij spreekt Job en zijn kring van bijstanders aan.

De uitdrukking קִנְצֵי לְמִלִּין (qintse lemillin) is moeilijk.

Wij begrijpen ‘jacht op woorden’; anderen: ‘een einde aan woorden maken’.

3Waarom worden wij als vee beschouwd en als dom in jullie ogen?
מַ֭דּוּעַ
(madua)
waarom
נֶחְשַׁ֣בְנוּ
(nechshavnu)
worden wij geacht
כַבְּהֵמָ֑ה
(kabehema)
als vee
נִ֝טְמִ֗ינוּ
(nitminu)
zijn wij dom
בְּעֵינֵיכֶֽם
(beeineikhem)
in jullie ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Jij die jezelf verscheurt in je toorn: moet de aarde om jou verlaten worden, en een rots van zijn plaats verhuizen?
טֹֽרֵ֥ף
(toref)
die verscheurt
נַפְשׁ֗וֹ
(nafsho)
zijn ziel
בְּאַ֫פּ֥וֹ
(beapo)
in zijn toorn
הַ֭לְמַעַנְךָ
(halmaankha)
omwille van jou?
תֵּעָ֣זַב
(teazav)
wordt verlaten
אָ֑רֶץ
(arets)
aarde
וְיֶעְתַּק
(veyetaq)
of verplaatst zich
צ֝֗וּר
(tsur)
rots
מִמְּקֹמֽוֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bildad wijst Jobs eis af dat Elohim voor hem de orde van de wereld zou veranderen: zou de aarde of een rots van zijn plaats gaan om één man?

Het licht van de goddelozen dooft

5Ja, het licht van de goddelozen dooft, en de vonk van zijn vuur schijnt niet.
גַּ֤ם
(gam)
ja
א֣וֹר
(or)
licht van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
יִדְעָ֑ךְ
(yidakh)
dooft
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִ֝גַּ֗הּ
(yigah)
schijnt
שְׁבִ֣יב
(sheviv)
vonk van
אִשּֽׁוֹ
(isho)
zijn vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Het licht wordt donker in zijn tent, en de lamp boven hem dooft.
א֭וֹר
(or)
licht
חָשַׁ֣ךְ
(chashakh)
wordt donker
בְּאָהֳל֑וֹ
(beaholo)
in zijn tent
וְ֝נֵר֗וֹ
(venero)
en zijn lamp
עָלָ֥יו
(alav)
boven hem
יִדְעָֽךְ
(yidakh)
dooft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zijn krachtige stappen worden kort, en zijn eigen plan werpt hem neer.
יֵֽ֭צְרוּ
(yetseru)
worden benauwd
צַעֲדֵ֣י
(tsaadei)
stappen van
אוֹנ֑וֹ
(ono)
zijn kracht
וְֽתַשְׁלִיכֵ֥הוּ
(vetashlikhehu)
en werpt hem neer
עֲצָתֽוֹ
(atsato)
zijn plan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Want hij wordt met zijn voeten in een net gedreven, en hij loopt over een vlechtwerk.
כִּֽי
(ki)
want
שֻׁלַּ֣ח
(shulach)
hij wordt gedreven
בְּרֶ֣שֶׁת
(bereshet)
in een net
בְּרַגְלָ֑יו
(beraglav)
door zijn voeten
וְעַל
(veal)
en over
שְׂ֝בָכָ֗ה
(sevakha)
vlechtwerk
יִתְהַלָּֽךְ
(yithalakh)
loopt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Een strik grijpt hem bij de hiel, een valstrik houdt hem vast.
יֹאחֵ֣ז
(yochez)
grijpt
בְּעָקֵ֣ב
(beaqev)
bij de hiel
פָּ֑ח
(pach)
een strik
יַחֲזֵ֖ק
(yachazeq)
houdt vast
עָלָ֣יו
(alav)
hem
צַמִּֽים
(tsamim)
een valstrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Een touw ligt verborgen in de grond, en een val op zijn pad.
טָמ֣וּן
(tamun)
verborgen
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in de grond
חַבְל֑וֹ
(chavlo)
zijn touw
וּ֝מַלְכֻּדְתּ֗וֹ
(umalkudto)
en zijn val
עֲלֵ֣י
(alei)
op
נָתִֽיב
(nativ)
het pad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Rondom jagen verschrikkingen hem angst aan en ze drijven hem uiteen naar zijn voeten.
סָ֭בִיב
(saviv)
rondom
בִּֽעֲתֻ֣הוּ
(biatuhu)
doen hem schrikken
בַלָּה֑וֹת
(balahot)
verschrikkingen
וֶהֱפִיצֻ֥הוּ
(vehefitsuhu)
en verspreiden hem
לְרַגְלָֽיו
(leraglav)
naar zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zijn kracht is uitgehongerd, en het onheil staat klaar aan zijn zij.
יְהִי
(yehi)
is
רָעֵ֥ב
(raev)
hongerig
אֹנ֑וֹ
(ono)
zijn kracht
וְ֝אֵ֗יד
(veeid)
en onheil
נָכ֥וֹן
(nakhon)
gereed
לְצַלְעֽוֹ
(letsalo)
aan zijn zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Het verslindt de stukken van zijn huid. Ja, de eerstgeborene van de dood verslindt zijn ledematen.
יֹ֭אכַל
(yokhal)
verslindt
בַּדֵּ֣י
(badei)
delen van
עוֹר֑וֹ
(oro)
zijn huid
יֹאכַ֥ל
(yokhal)
verslindt
בַּ֝דָּ֗יו
(badav)
zijn delen
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
מָֽוֶת
(mavet)
de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּכוֹר מָוֶת (bekhor mavet), ‘de eerstgeborene van de dood’, is waarschijnlijk een dichterlijk beeld voor een dodelijke ziekte of voor de dood zelf als een machtig wezen.

Wij houden het bij de woordelijke weergave.

14Hij wordt uit zijn tent weggerukt, uit zijn vertrouwen, en men voert hem naar de koning van de verschrikkingen.
יִנָּתֵ֣ק
(yinateq)
wordt weggerukt
מֵ֭אָהֳלוֹ
(meaholo)
uit zijn tent
מִבְטַח֑וֹ
(mivtacho)
zijn vertrouwen
וְ֝תַצְעִדֵ֗הוּ
(vetatsidehu)
en men laat hem stappen
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
naar de koning van
בַּלָּהֽוֹת
(balahot)
verschrikkingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֶלֶךְ בַּלָּהוֹת (melekh ballahot), ‘koning van de verschrikkingen’, is een personificatie van de dood, de heerser van het dodenrijk.

15In zijn tent woont wat niet van hem is. Zwavel wordt over zijn woning gestrooid.
תִּשְׁכּ֣וֹן
(tishkon)
woont
בְּ֭אָהֳלוֹ
(beaholo)
in zijn tent
מִבְּלִי
(mibeli)
wat niet
ל֑וֹ
(lo)
van hem
יְזֹרֶ֖ה
(yezore)
wordt gestrooid
עַל
(al)
over
נָוֵ֣הוּ
(navehu)
zijn woning
גָפְרִֽית
(gaferit)
zwavel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zwavel (גָּפְרִית, gofrit) over een woonplaats strooien is een beeld van oordeel en verwoesting (Gen. 19:24; Deut. 29:23).

Het doet denken aan Sodom en Gomorra.

16Beneden verdorren zijn wortels en boven wordt zijn tak afgesneden.
מִ֭תַּחַת
(mitachat)
beneden
שָֽׁרָשָׁ֣יו
(sharashav)
zijn wortels
יִבָ֑שׁוּ
(yivashu)
verdorren
וּ֝מִמַּ֗עַל
(umimaal)
en boven
יִמַּ֥ל
(yimal)
wordt afgesneden
קְצִירֽוֹ
(qetsiro)
zijn tak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zijn herinnering verdwijnt van de aarde, en hij heeft geen naam op straat.
זִֽכְרוֹ
(zikhro)
zijn herinnering
אָ֭בַד
(avad)
gaat verloren
מִנִּי
(mini)
van
אָ֑רֶץ
(arets)
aarde
וְלֹא
(velo)
en niet
שֵׁ֥ם
(shem)
naam
ל֝֗וֹ
(lo)
voor hem
עַל
(al)
op
פְּנֵי
(penei)
gezicht van
חֽוּץ
(chuts)
de straat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 17–19: het ergste lot is vergeten worden zonder nakomelingen.

Voor Job, die zijn kinderen verloor (1:19), is dit extra pijnlijk.

18Men stoot hem uit het licht in de duisternis en jaagt hem de wereld uit.
יֶ֭הְדְּפֻהוּ
(yehdefuhu)
men stoot hem
מֵא֣וֹר
(meor)
uit licht
אֶל
(el)
naar
חֹ֑שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וּֽמִתֵּבֵ֥ל
(umitevel)
en uit de wereld
יְנִדֻּֽהוּ
(yeniduhu)
verjaagt men hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hij heeft geen kind of kleinkind onder zijn volk, en geen overlevende in zijn woonplaatsen.
לֹ֘א
(lo)
niet
נִ֤ין
(nin)
kind
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
וְלֹא
(velo)
en niet
נֶ֣כֶד
(nekhed)
kleinkind
בְּעַמּ֑וֹ
(beamo)
onder zijn volk
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is er
שָׂ֝רִ֗יד
(sarid)
overlevende
בִּמְגוּרָֽיו
(bimgurav)
in zijn woonplaatsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Over zijn dag staan degenen na hem verbaasd, en wie voor hem kwamen, worden door afschuw gegrepen.
עַל
(al)
over
י֭וֹמוֹ
(yomo)
zijn dag
נָשַׁ֣מּוּ
(nashamu)
staan verbaasd
אַחֲרֹנִ֑ים
(acharonim)
de laatsten
וְ֝קַדְמֹנִ֗ים
(veqadmonim)
en de vorigen
אָ֣חֲזוּ
(achazu)
grijpt
שָֽׂעַר
(saar)
afschuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ja, zo zijn de woningen van de onrechtvaardige, en zo is de plaats van wie El niet kent.”
אַךְ
(akh)
ja
אֵ֭לֶּה
(ele)
dit
מִשְׁכְּנ֣וֹת
(mishkenot)
woningen van
עַוָּ֑ל
(aval)
onrecht
וְ֝זֶ֗ה
(veze)
en dit
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
לֹא
(lo)
niet
יָדַֽע
(yada)
kent
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘plaats van wie El niet kent’: Bildad zegt dat zulk onheil iedereen treft die El niet kent.

Hij bedoelt Job.