Elohim Bijbel

2 Koningen 5

12345678910111213141516171819202122232425

Naäman, de bevelhebber van Aram, en Gechazi

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Naäman is melaats

1Naäman, de bevelhebber van het leger van de koning van Aram, was een groot man bij zijn heer en iemand van aanzien. Want door hem had Yahweh redding gegeven aan Aram. De man was een dappere held, maar hij was melaats.
וְ֠נַעֲמָן
(venaaman)
en Naäman
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
צְבָ֨א
(tseva)
het leger van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אֲרָ֜ם
(aram)
Aram
הָיָ֣ה
(haya)
was
אִישׁ֩
(ish)
een man
גָּד֨וֹל
(gadol)
groot
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֲדֹנָיו֙
(adonav)
zijn heer
וּנְשֻׂ֣א
(unesu)
en opgeheven van
פָנִ֔ים
(panim)
aangezicht
כִּֽי
(ki)
want
ב֛וֹ
(bo)
door hem
נָֽתַן
(natan)
gaf
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
תְּשׁוּעָ֖ה
(teshua)
redding
לַאֲרָ֑ם
(laaram)
aan Aram
וְהָאִ֗ישׁ
(vehaish)
en de man
הָיָ֛ה
(haya)
was
גִּבּ֥וֹר
(gibor)
held van
חַ֖יִל
(chayil)
kracht
מְצֹרָֽע
(metsora)
melaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

Aram lag ten noordoosten van Israël, rond Damascus, in het huidige Syrië.

נְשֻׂא פָנִים (nesu fanim), ‘iemand van aanzien’: letterlijk ‘opgeheven van gezicht’.

תְּשׁוּעָה (teshuah), ‘redding’: Yahweh gaf redding aan Aram door Naäman. Het verhaal zegt niet hoe.

מְצֹרָע (metsora), ‘melaats’: een huidziekte, zoals in Lev. 13. Het is niet dezelfde ziekte als lepra in onze tijd. Wij vertalen steeds ‘melaats’ en ‘melaatsheid’, zoals in Lev. 13 en Num. 12:10.

2De Arameeërs waren in benden uitgetrokken. Zij hadden uit het land Israël een klein meisje gevangen weggevoerd. Zij stond in dienst bij de vrouw van Naäman.
וַאֲרָם֙
(vaaram)
en Aram
יָצְא֣וּ
(yatseu)
gingen uit
גְדוּדִ֔ים
(gedudim)
benden
וַיִּשְׁבּ֛וּ
(vayishbu)
en voerden gevangen weg
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נַעֲרָ֣ה
(naara)
een meisje
קְטַנָּ֑ה
(qetana)
klein
וַתְּהִ֕י
(vatehi)
en zij was
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
de vrouw van
נַעֲמָֽן
(naaman)
Naäman
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְדוּדִים (gedudim), ‘benden’: groepen krijgers die er snel op uit trekken om buit te maken.

Het meisje is uit zo’n overval meegevoerd.

3Zij zei tegen haar meesteres: „Och, was mijn heer maar bij de profeet die in Samaria is! Dan zou hij zijn melaatsheid van hem wegnemen.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zij zei
אֶל
(el)
tot
גְּבִרְתָּ֔הּ
(gevirtah)
haar meesteres
אַחֲלֵ֣י
(achalei)
och dat
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer was
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּשֹׁמְר֑וֹן
(beshomeron)
in Samaria
אָ֛ז
(az)
dan
יֶאֱסֹ֥ף
(yeesof)
zou wegnemen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
מִצָּרַעְתּֽוֹ
(mitsarato)
van zijn melaatsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

Samaria was de hoofdstad van het noordrijk, op een heuvel in het bergland van Efraïm, bij het huidige Sebastiya (Westelijke Jordaanoever).

יֶאֱסֹף (ye’esof), ‘hij zou wegnemen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen’. Bij melaatsheid betekent het: de ziekte wegnemen. Wij vertalen steeds ‘wegnemen’ (verzen 3, 6, 7 en 11).

4Hij ging naar binnen en vertelde het aan zijn heer: „Zo en zo heeft het meisje uit het land Israël gesproken.”
וַיָּבֹ֕א
(vayavo)
en hij ging naar binnen
וַיַּגֵּ֥ד
(vayaged)
en vertelde
לַאדֹנָ֖יו
(ladonav)
aan zijn heer
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כָּזֹ֤את
(kazot)
zo
וְכָזֹאת֙
(vekhazot)
en zo
דִּבְּרָ֣ה
(dibera)
heeft gesproken
הַֽנַּעֲרָ֔ה
(hanaara)
het meisje
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5De koning van Aram zei: „Ga erheen. Ik zal een brief sturen aan de koning van Israël.” Hij ging. Hij nam tien talenten zilver mee, 6.000 sikkel goud en tien stel kleren.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אֲרָם֙
(aram)
Aram
לֶךְ
(lekh)
ga
בֹּ֔א
(bo)
kom
וְאֶשְׁלְחָ֥ה
(veeshlecha)
en ik zal sturen
סֵ֖פֶר
(sefer)
een brief
אֶל
(el)
aan
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּלֶךְ֩
(vayelekh)
en hij ging
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
בְּיָד֜וֹ
(beyado)
in zijn hand
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
כִּכְּרֵי
(kikerei)
talenten van
כֶ֗סֶף
(kesef)
zilver
וְשֵׁ֤שֶׁת
(vesheshet)
en zes
אֲלָפִים֙
(alafim)
duizend
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וְעֶ֖שֶׂר
(veeser)
en tien
חֲלִיפ֥וֹת
(chalifot)
stel van
בְּגָדִֽים
(begadim)
kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

כִּכַּר (kikkar), ‘talent’: een talent is ongeveer 34 kilogram.

Tien talenten zilver zijn dus ongeveer 340 kilogram.

שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: een sikkel is ongeveer 11,4 gram. Het Hebreeuws noemt bij het goud geen eenheid: er staat ‘zesduizend goud’. Wij vullen ‘sikkel’ aan, de gewone eenheid voor goud. Zesduizend sikkel is ongeveer 68 kilogram. De omrekeningen zijn bij benadering.

חֲלִיפוֹת בְּגָדִים (chalifot begadim), ‘stel kleren’: een stel kleren om te verwisselen, dat als geschenk wordt gegeven.

6Hij bracht de brief naar de koning van Israël. Daarin stond: „Nu, zodra deze brief bij u komt: zie, ik heb mijn dienaar Naäman naar u gestuurd. Neem zijn melaatsheid van hem weg.”
וַיָּבֵ֣א
(vayave)
en hij bracht
הַסֵּ֔פֶר
(hasefer)
de brief
אֶל
(el)
aan
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
כְּב֨וֹא
(kevo)
bij het komen van
הַסֵּ֤פֶר
(hasefer)
de brief
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar u
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
שָׁלַ֤חְתִּי
(shalachti)
ik heb gestuurd
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar u
אֶת
(et)
(obj.)
נַעֲמָ֣ן
(naaman)
Naäman
עַבְדִּ֔י
(avdi)
mijn dienaar
וַאֲסַפְתּ֖וֹ
(vaasafto)
en u zult wegnemen
מִצָּרַעְתּֽוֹ
(mitsarato)
zijn melaatsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Toen de koning van Israël de brief las, scheurde hij zijn kleren. Hij zei: „Ben ik Elohim, om te doden en levend te maken? Want deze stuurt een man naar mij om zijn melaatsheid van hem weg te nemen. Merk toch op en zie dat hij een aanleiding tegen mij zoekt.”
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כִּקְרֹא֩
(kiqro)
toen las
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הַסֵּ֜פֶר
(hasefer)
de brief
וַיִּקְרַ֣ע
(vayiqra)
en scheurde
בְּגָדָ֗יו
(begadav)
zijn kleren
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
הַאֱלֹהִ֥ים
(haElohim)
Elohim
אָ֨נִי֙
(ani)
ben ik
לְהָמִ֣ית
(lehamit)
om te doden
וּֽלְהַחֲי֔וֹת
(ulehachayot)
en levend te maken
כִּֽי
(ki)
dat
זֶה֙
(ze)
deze
שֹׁלֵ֣חַ
(sholeach)
stuurt
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
לֶאֱסֹ֥ף
(leesof)
om weg te nemen
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
מִצָּֽרַעְתּ֑וֹ
(mitsarato)
zijn melaatsheid
כִּ֤י
(ki)
want
אַךְ
(akh)
wel
דְּעֽוּ
(deu)
weet
נָא֙
(na)
toch
וּרְא֔וּ
(ureu)
en zie
כִּֽי
(ki)
dat
מִתְאַנֶּ֥ה
(mitane)
hij zoekt een aanleiding
ה֖וּא
(hu)
hij
לִֽי
(li)
tegen mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Kleren scheuren is een teken van rouw of wanhoop (zoals Gen. 37:34).

De koning van Israël zegt dat alleen Elohim kan doden en levend maken. Vergelijk Deut. 32:39 en 1 Sam. 2:6.

מִתְאַנֶּה (mitanneh), ‘een aanleiding zoeken’: hij zoekt een reden voor ruzie.

8Elisa, de man van Elohim, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren had gescheurd. Hij stuurde bericht aan de koning: „Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat hem toch bij mij komen. Dan zal hij weten dat er een profeet is in Israël.”
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֣עַ
(kishmoa)
toen hoorde
אֱלִישָׁ֣ע
(elisha)
Elisa
אִישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
כִּֽי
(ki)
dat
קָרַ֤ע
(qara)
had gescheurd
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֔יו
(begadav)
zijn kleren
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en stuurde
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
קָרַ֖עְתָּ
(qarata)
hebt u gescheurd
בְּגָדֶ֑יךָ
(begadeikha)
uw kleren
יָבֹֽא
(yavo)
laat hem komen
נָ֣א
(na)
toch
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְיֵדַ֕ע
(veyeda)
en hij zal weten
כִּ֛י
(ki)
dat
יֵ֥שׁ
(yesh)
er is
נָבִ֖יא
(navi)
een profeet
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Naäman bij het huis van Elisa

9Naäman kwam met zijn paarden en zijn wagen. Hij bleef staan bij de ingang van het huis van Elisa.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
נַעֲמָ֖ן
(naaman)
Naäman
בְּסוּסָ֣יו
(besusav)
met zijn paarden
וּבְרִכְבּ֑וֹ
(uverikhbo)
en met zijn wagen
וַיַּעֲמֹ֥ד
(vayaamod)
en stond
פֶּֽתַח
(petach)
bij de ingang van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
לֶאֱלִישָֽׁע
(leelisha)
van Elisa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘met zijn paard’, enkelvoud.

De voorgelezen tekst (qere) heeft בְּסוּסָיו (besusav), ‘met zijn paarden’.

Wij volgen het qere.

10Elisa stuurde een bode naar hem met de woorden: „Ga, was je zeven keer in de Jordaan. Dan komt je vlees bij je terug en word je rein.”
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en stuurde
אֵלָ֛יו
(elav)
naar hem
אֱלִישָׁ֖ע
(elisha)
Elisa
מַלְאָ֣ךְ
(malakh)
een bode
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הָל֗וֹךְ
(halokh)
ga
וְרָחַצְתָּ֤
(verachatsta)
en was je
שֶֽׁבַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִים֙
(peamim)
keer
בַּיַּרְדֵּ֔ן
(bayarden)
in de Jordaan
וְיָשֹׁ֧ב
(veyashov)
en zal terugkeren
בְּשָׂרְךָ֛
(besarekha)
je vlees
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
וּטְהָֽר
(utehar)
en wees rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

מַלְאָךְ (mal’akh), ‘bode’: iemand die een boodschap brengt.

Het woord kan ook ‘engel’ betekenen.

Hier is het een gewone bode: Elisa komt zelf niet naar buiten.

וְרָחַצְתָּ (verachatsta), ‘en was je’. Het getal zeven komt ook voor bij het reinigen van de melaatse (Lev. 14:7–8).

11Naäman werd woedend en ging weg. Hij zei: „Zie, ik zei bij mezelf: ‘Hij komt zeker naar buiten en gaat staan. Hij roept de naam van Yahweh, zijn Elohim, aan, beweegt zijn hand over de plek en neemt de melaatsheid weg.’
וַיִּקְצֹ֥ף
(vayiqtsof)
en werd woedend
נַעֲמָ֖ן
(naaman)
Naäman
וַיֵּלַ֑ךְ
(vayelakh)
en ging
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָמַ֜רְתִּי
(amarti)
ik zei
אֵלַ֣י
(elay)
bij mezelf
יֵצֵ֣א
(yetse)
hij zal uitgaan
יָצ֗וֹא
(yatso)
zeker
וְעָמַד֙
(veamad)
en zal gaan staan
וְקָרָא֙
(veqara)
en zal roepen
בְּשֵׁם
(beshem)
bij de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn Elohim
וְהֵנִ֥יף
(vehenif)
en zal bewegen
יָד֛וֹ
(yado)
zijn hand
אֶל
(el)
over
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plek
וְאָסַ֥ף
(veasaf)
en zal wegnemen
הַמְּצֹרָֽע
(hametsora)
de melaatsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאָסַף הַמְּצֹרָע (ve’asaf hametsora), ‘en hij neemt de melaatse weg’: het Hebreeuws heeft hier ‘de melaatse’.

Naäman bedoelt de aangetaste plek op zijn lichaam.

Wij vertalen ‘de melaatsheid’, zoals in de verzen 3, 6 en 7.

הֵנִיף יָדוֹ (henif yado), ‘hij beweegt zijn hand’: een zwaaiende beweging over de plek.

12Zijn de Amana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël? Kan ik mij daarin niet wassen en rein worden?” Hij draaide zich om en ging weg in woede.
הֲלֹ֡א
(halo)
is niet
טוֹב֩
(tov)
beter
אֲמָנָ֨ה
(amana)
Amana
וּפַרְפַּ֜ר
(ufarpar)
en Parpar
נַהֲר֣וֹת
(naharot)
rivieren van
דַּמֶּ֗שֶׂק
(dameseq)
Damascus
מִכֹּל֙
(mikol)
dan alle
מֵימֵ֣י
(meimei)
wateren van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הֲלֹֽא
(halo)
is niet
אֶרְחַ֥ץ
(erchats)
zal ik me wassen
בָּהֶ֖ם
(bahem)
daarin
וְטָהָ֑רְתִּי
(vetaharti)
en zal ik rein zijn
וַיִּ֖פֶן
(vayifen)
en hij draaide zich om
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
בְּחֵמָֽה
(bechema)
in woede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Amana (Abana): De Amana (Abana) is de rivier van Damascus, de huidige Barada.

Zij komt uit het Antilibanon.

Zie Parpar (ligging onzeker): De Parpar is de andere rivier van Damascus.

Meestal wordt gedacht aan de Awaj, ten zuiden van de stad.

Dit is niet zeker.

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

Damascus (Dimasjq) is de hoofdstad van Aram en ligt in het huidige Syrië.

De Amana wordt meestal gezocht bij de rivier die door Damascus stroomt (de Barada).

De Parpar wordt gezocht bij een andere rivier ten zuiden van de stad.

De ligging is niet zeker.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de naam Abana (אֲבָנָה).

De voorgelezen tekst (qere) heeft Amana (אֲמָנָה).

Wij volgen het qere.

13Zijn dienaren kwamen naar hem toe en spraken tegen hem. Zij zeiden: „Mijn vader, als de profeet u iets groots had gezegd, zou u het dan niet doen? Hoeveel te meer nu hij tegen u zegt: ‘Was je en word rein.’”
וַיִּגְּשׁ֣וּ
(vayigeshu)
en kwamen naar hem toe
עֲבָדָיו֮
(avadav)
zijn dienaren
וַיְדַבְּר֣וּ
(vaydaberu)
en spraken
אֵלָיו֒
(elav)
tot hem
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
דָּבָ֣ר
(davar)
een ding
גָּד֗וֹל
(gadol)
groot
הַנָּבִ֛יא
(hanavi)
de profeet
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot jou
הֲל֣וֹא
(halo)
niet
תַעֲשֶׂ֑ה
(taase)
zou je doen
וְאַ֛ף
(veaf)
en hoeveel te meer
כִּֽי
(ki)
dat
אָמַ֥ר
(amar)
hij zei
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot jou
רְחַ֥ץ
(rechats)
was je
וּטְהָֽר
(utehar)
en wees rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָבִי (avi), ‘mijn vader’: een eerbiedige aanspreking door dienaren.

14Hij daalde af en dompelde zich zeven keer onder in de Jordaan, naar het woord van de man van Elohim. Zijn vlees keerde terug, als het vlees van een kleine jongen. Hij werd rein.
וַיֵּ֗רֶד
(vayered)
en daalde af
וַיִּטְבֹּ֤ל
(vayitbol)
en dompelde zich onder
בַּיַּרְדֵּן֙
(bayarden)
in de Jordaan
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֔ים
(peamim)
keer
כִּדְבַ֖ר
(kidvar)
naar het woord van
אִ֣ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וַיָּ֣שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
בְּשָׂר֗וֹ
(besaro)
zijn vlees
כִּבְשַׂ֛ר
(kivsar)
als het vlees van
נַ֥עַר
(naar)
een jongen
קָטֹ֖ן
(qaton)
kleine
וַיִּטְהָֽר
(vayithar)
en werd rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

וַיִּטְבֹּל (vayyitbol), ‘hij dompelde zich onder’: een ander woord dan ‘wassen’ in vers 10.

Zijn huid wordt weer als die van een kleine jongen: de ziekte is helemaal weg.

Naäman belijdt Yahweh

15Hij keerde terug naar de man van Elohim, hij en heel zijn gevolg. Hij kwam en ging voor hem staan. Hij zei: „Zie toch, ik weet dat er op heel de aarde geen Elohim is, behalve in Israël. Neem nu toch een zegengeschenk aan van uw dienaar.”
וַיָּשָׁב֩
(vayashav)
en keerde terug
אֶל
(el)
naar
אִ֨ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֜ים
(haElohim)
Elohim
ה֣וּא
(hu)
hij
וְכָֽל
(vekhal)
en heel
מַחֲנֵ֗הוּ
(machanehu)
zijn gevolg
וַיָּבֹא֮
(vayavo)
en kwam
וַיַּעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en ging staan
לְפָנָיו֒
(lefanav)
voor hem
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֤א
(na)
toch
יָדַ֨עְתִּי֙
(yadati)
ik weet
כִּ֣י
(ki)
dat
אֵ֤ין
(ein)
er is niet
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
בְּכָל
(bekhal)
op heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּ֖י
(ki)
behalve
אִם
(im)
als
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
קַח
(qach)
neem
נָ֥א
(na)
toch
בְרָכָ֖ה
(berakha)
een zegengeschenk
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרָכָה (berakhah), ‘zegengeschenk’: letterlijk ‘zegen’, een geschenk uit dank of eerbetoon.

Zo ook in 1 Sam. 25:27.

מַחֲנֵהוּ (machanehu), ‘zijn gevolg’: letterlijk ‘zijn kamp’, de mensen die met hem reisden.

Naäman belijdt dat er geen Elohim is op heel de aarde behalve in Israël. Vergelijk Deut. 4:35, 39.

16Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft, voor wiens aangezicht ik sta: ik neem het niet aan.” Naäman drong bij hem aan om het aan te nemen, maar hij weigerde.
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
voor wie
עָמַ֥דְתִּי
(amadti)
ik sta
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
אִם
(im)
als
אֶקָּ֑ח
(eqach)
ik neem
וַיִּפְצַר
(vayiftsar)
en hij drong aan
בּ֥וֹ
(bo)
bij hem
לָקַ֖חַת
(laqachat)
om te nemen
וַיְמָאֵֽן
(vaymaen)
en weigerde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי־יְהוָה אֲשֶׁר עָמַדְתִּי לְפָנָיו (chai Yahweh asher amadti lefanav), ‘zo waar Yahweh leeft, voor wiens aangezicht ik sta’: een eedformule, zoals in 1 Kon. 17:1.

Elisa weigert elk geschenk.

Lezing

In de tweede helft van het vers noemt het Hebreeuws geen namen.

Wij schrijven ‘Naäman’, om duidelijk te maken wie aandringt.

17Naäman zei: „Als u het niet aanneemt, laat dan toch aan uw dienaar een lading grond worden gegeven, zoveel als een span muildieren kan dragen. Want uw dienaar zal niet meer brandoffers en slachtoffers brengen aan andere goden, maar alleen aan Yahweh.
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en zei
נַעֲמָן֒
(naaman)
Naäman
וָלֹ֕א
(valo)
en zo niet
יֻתַּן
(yutan)
laat gegeven worden
נָ֣א
(na)
toch
לְעַבְדְּךָ֔
(leavdekha)
aan uw dienaar
מַשָּׂ֥א
(masa)
een last van
צֶֽמֶד
(tsemed)
een span van
פְּרָדִ֖ים
(peradim)
muildieren
אֲדָמָ֑ה
(adama)
grond
כִּ֡י
(ki)
want
לֽוֹא
(lo)
niet
יַעֲשֶׂה֩
(yaase)
zal brengen
ע֨וֹד
(od)
meer
עַבְדְּךָ֜
(avdekha)
uw dienaar
עֹלָ֤ה
(ola)
brandoffer
וָזֶ֨בַח֙
(vazevach)
en slachtoffer
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
aan goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
כִּ֖י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וָלֹא (valo), ‘en niet’: het Hebreeuws begint met ‘en niet’.

Wij begrijpen: ‘als u het niet aanneemt’.

מַשָּׂא צֶמֶד־פְּרָדִים אֲדָמָה (massa tsemed peradim adamah), ‘een last grond van een span muildieren’: zoveel grond als twee muildieren kunnen dragen. Waarom Naäman grond wil meenemen, zegt de tekst niet.

אֱלֹהִים אֲחֵרִים (elohim acherim), ‘andere goden’: zoals in Exod. 20:3.

18In deze zaak moge Yahweh uw dienaar vergeven. Wanneer mijn heer het huis van Rimmon binnengaat om zich daar neer te buigen, steunt hij op mijn hand. Dan buig ik mij neer in het huis van Rimmon. Als ik mij in het huis van Rimmon neerbuig, moge Yahweh dan toch uw dienaar vergeven in deze zaak.”
לַדָּבָ֣ר
(ladavar)
in de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
יִסְלַ֥ח
(yislach)
moge vergeven
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעַבְדֶּ֑ךָ
(leavdekha)
aan uw dienaar
בְּב֣וֹא
(bevo)
wanneer binnengaat
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
בֵית
(beit)
het huis van
רִמּוֹן֩
(rimon)
Rimmon
לְהִשְׁתַּחֲוֺ֨ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
שָׁ֜מָּה
(shama)
daar
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
נִשְׁעָ֣ן
(nishan)
steunt
עַל
(al)
op
יָדִ֗י
(yadi)
mijn hand
וְהִֽשְׁתַּחֲוֵ֨יתִי֙
(vehishtachaveiti)
en ik buig mij neer
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
רִמֹּ֔ן
(rimon)
Rimmon
בְּהִשְׁתַּחֲוָיָ֨תִי֙
(behishtachavayati)
als ik mij neerbuig
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
רִמֹּ֔ן
(rimon)
Rimmon
יִסְלַח
(yislach)
moge vergeven
נא
(na)
toch
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעַבְדְּךָ֖
(leavdekha)
aan uw dienaar
בַּדָּבָ֥ר
(badavar)
in de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִמּוֹן (Rimmon) is hier de naam van een god van Aram.

Wij laten de naam staan.

Het ‘huis van Rimmon’ is zijn tempel.

יִסְלַח (yislach), ‘hij vergeve’: dit werkwoord heeft in de Bijbel meestal Elohim als onderwerp.

Naäman vraagt vergeving voor wat hij moet doen als dienaar van zijn koning: hij steunt op diens hand en buigt zich dan met hem neer. Elisa antwoordt in vers 19 alleen: ‘Ga in vrede.’

Gechazi en de geschenken

19Hij zei tegen hem: „Ga in vrede.” Naäman ging bij hem weg en legde een eind van het land af.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֖וֹ
(lo)
tot hem
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
לְשָׁל֑וֹם
(leshalom)
in vrede
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
מֵאִתּ֖וֹ
(meito)
van hem weg
כִּבְרַת
(kivrat)
een eind van
אָֽרֶץ
(arets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֵךְ לְשָׁלוֹם (lekh leshalom), ‘ga in vrede’: een gewone afscheidsgroet.

כִּבְרַת־אָרֶץ (kivrat arets), ‘een eind van het land’: een niet nader bepaalde afstand (zoals Gen. 35:16; 48:7).

20Gechazi, de jongen van Elisa, de man van Elohim, zei: „Zie, mijn heer heeft deze Aramees Naäman ontzien. Hij heeft niet aangenomen wat hij had meegebracht. Zo waar Yahweh leeft: ik ga hem achterna rennen en neem iets van hem aan.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
גֵּיחֲזִ֗י
(geichazi)
Gechazi
נַעַר֮
(naar)
jongen van
אֱלִישָׁ֣ע
(elisha)
Elisa
אִישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִים֒
(haElohim)
Elohim
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
חָשַׂ֣ךְ
(chasakh)
heeft ontzien
אֲדֹנִ֗י
(adoni)
mijn heer
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַעֲמָ֤ן
(naaman)
Naäman
הָֽאֲרַמִּי֙
(haarami)
de Aramees
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
מִקַּ֥חַת
(miqachat)
door niet aan te nemen
מִיָּד֖וֹ
(miyado)
uit zijn hand
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הֵבִ֑יא
(hevi)
hij had meegebracht
חַי
(chay)
levend is
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
dat
אִם
(im)
zeker
רַ֣צְתִּי
(ratsti)
ik zal rennen
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
achter hem
וְלָקַחְתִּ֥י
(velaqachti)
en ik zal nemen
מֵאִתּ֖וֹ
(meito)
van hem
מְאֽוּמָה
(meuma)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָשַׂךְ (chasakh), ‘ontzien’: letterlijk ‘terughouden’.

Gechazi vindt dat zijn heer Naäman gespaard heeft door niets aan te nemen.

Hij gebruikt dezelfde eedformule als Elisa in vers 16.

21Gechazi rende achter Naäman aan. Naäman zag hem achter zich aan rennen. Hij sprong van de wagen, hem tegemoet, en vroeg: „Is alles goed?”
וַיִּרְדֹּ֥ף
(vayirdof)
en achtervolgde
גֵּיחֲזִ֖י
(geichazi)
Gechazi
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
נַֽעֲמָ֑ן
(naaman)
Naäman
וַיִּרְאֶ֤ה
(vayire)
en zag
נַֽעֲמָן֙
(naaman)
Naäman
רָ֣ץ
(rats)
rennend
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
achter hem
וַיִּפֹּ֞ל
(vayipol)
en liet zich vallen
מֵעַ֧ל
(meal)
van
הַמֶּרְכָּבָ֛ה
(hamerkava)
de wagen
לִקְרָאת֖וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הֲשָׁלֽוֹם
(hashalom)
is alles goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Hij zei: „Het is goed. Mijn heer heeft mij gestuurd met de woorden: ‘Zie, zojuist zijn twee jongens uit het bergland van Efraïm bij mij gekomen. Zij zijn van de zonen van de profeten. Geef hun toch een talent zilver en twee stel kleren.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁל֗וֹם
(shalom)
goed
אֲדֹנִי֮
(adoni)
mijn heer
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
עַתָּ֡ה
(ata)
nu
זֶ֠ה
(ze)
zojuist
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
אֵלַ֧י
(elay)
naar mij
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
נְעָרִ֛ים
(nearim)
jongens
מֵהַ֥ר
(mehar)
van het bergland van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
הַנְּבִיאִ֑ים
(haneviim)
de profeten
תְּנָה
(tena)
geef
נָּ֤א
(na)
toch
לָהֶם֙
(lahem)
hun
כִּכַּר
(kikar)
een talent
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
וּשְׁתֵּ֖י
(ushtei)
en twee
חֲלִפ֥וֹת
(chalifot)
stel van
בְּגָדִֽים
(begadim)
kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

Gechazi spreekt hier zonder opdracht van Elisa; zie de verzen 25–26.

Onze woorden ‘mijn heer heeft mij gestuurd’ zijn Gechazi’s aanhaling van Elisa, daarom staan ze in enkele aanhalingstekens.

23Naäman zei: „Wees zo goed twee talenten aan te nemen.” Hij drong bij hem aan. Hij bond twee talenten zilver in twee buidels, met twee stel kleren, en gaf ze aan twee van zijn jongens. Zij droegen het voor hem uit.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
נַעֲמָ֔ן
(naaman)
Naäman
הוֹאֵ֖ל
(hoel)
wees zo goed
קַ֣ח
(qach)
neem
כִּכָּרָ֑יִם
(kikarayim)
twee talenten
וַיִּפְרָץ
(vayifrats)
en hij drong aan
בּ֗וֹ
(bo)
bij hem
וַיָּצַר֩
(vayatsar)
en bond
כִּכְּרַ֨יִם
(kikerayim)
twee talenten
כֶּ֜סֶף
(kesef)
zilver
בִּשְׁנֵ֣י
(bishnei)
in twee
חֲרִטִ֗ים
(charitim)
buidels
וּשְׁתֵּי֙
(ushtei)
en twee
חֲלִפ֣וֹת
(chalifot)
stel van
בְּגָדִ֔ים
(begadim)
kleren
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en gaf
אֶל
(el)
aan
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
נְעָרָ֔יו
(nearav)
zijn jongens
וַיִּשְׂא֖וּ
(vayisu)
en zij droegen
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹאֵל (hoel), ‘wees zo goed’: een beleefd verzoek.

Twee talenten zilver zijn ongeveer 68 kilogram (zie vers 5).

24Toen hij bij de heuvel kwam, nam hij het uit hun hand en borg het op in het huis. Hij liet de mannen gaan en zij gingen weg.
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
הָעֹ֔פֶל
(haofel)
de heuvel
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en nam
מִיָּדָ֖ם
(miyadam)
uit hun hand
וַיִּפְקֹ֣ד
(vayifqod)
en borg op
בַּבָּ֑יִת
(babayit)
in het huis
וַיְשַׁלַּ֥ח
(vayshalach)
en liet gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
וַיֵּלֵֽכוּ
(vayelekhu)
en zij gingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָעֹפֶל (ha’ofel), ‘de heuvel’: een heuvel of burchtheuvel.

Waarschijnlijk is het een heuvel bij Samaria, in de buurt van het huis van Elisa.

De ligging is onzeker.

Elisa spreekt Gechazi aan

25Hij ging naar binnen en ging bij zijn heer staan. Elisa zei tegen hem: „Waar kom je vandaan, Gechazi?” Hij zei: „Uw dienaar is nergens heen gegaan.”
וְהוּא
(vehu)
en hij
בָא֙
(ba)
kwam
וַיַּעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en ging staan
אֶל
(el)
bij
אֲדֹנָ֔יו
(adonav)
zijn heer
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
אֱלִישָׁ֔ע
(elisha)
Elisa
מֵאַ֖יִן
(meayin)
waarvandaan
גֵּחֲזִ֑י
(gechazi)
Gechazi
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
לֹֽא
(lo)
niet
הָלַ֥ךְ
(halakh)
is gegaan
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
uw dienaar
אָ֥נֶה
(ane)
hierheen
וָאָֽנָה
(vaana)
en daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָנָה וָאָנָה (anah va’anah), ‘hierheen en daarheen’: nergens heen.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters מאן.

De voorgelezen tekst (qere) heeft מֵאַיִן (me’ayin), ‘waarvandaan’.

Wij volgen het qere.

26Hij zei tegen hem: „Ging mijn hart niet mee, toen een man zich van zijn wagen omkeerde, jou tegemoet? Is dit de tijd om het zilver aan te nemen en kleren aan te nemen, olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, dienaren en dienaressen?
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
לֹא
(lo)
niet
לִבִּ֣י
(libi)
mijn hart
הָלַ֔ךְ
(halakh)
ging
כַּאֲשֶׁ֧ר
(kaasher)
toen
הָֽפַךְ
(hafakh)
keerde zich om
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
מֵעַ֥ל
(meal)
van boven
מֶרְכַּבְתּ֖וֹ
(merkavto)
zijn wagen
לִקְרָאתֶ֑ךָ
(liqratekha)
jou tegemoet
הַעֵ֞ת
(haet)
is het de tijd
לָקַ֤חַת
(laqachat)
om te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֨סֶף֙
(hakesef)
het zilver
וְלָקַ֣חַת
(velaqachat)
en om te nemen
בְּגָדִ֔ים
(begadim)
kleren
וְזֵיתִ֤ים
(vezeitim)
en olijfbomen
וּכְרָמִים֙
(ukheramim)
en wijngaarden
וְצֹ֣אן
(vetson)
en schapen
וּבָקָ֔ר
(uvaqar)
en runderen
וַעֲבָדִ֖ים
(vaavadim)
en dienaren
וּשְׁפָחֽוֹת
(ushefachot)
en dienaressen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Ging mijn hart niet mee’: Elisa heeft gezien wat gebeurde, ook al was hij er niet bij.

Het Hebreeuws zegt niet hoe.

De opsomming gaat verder dan wat Gechazi had gevraagd.

27De melaatsheid van Naäman zal aan jou blijven kleven en aan je nageslacht, voor eeuwig.” Hij ging bij hem weg, melaats, wit als sneeuw.
וְצָרַ֤עַת
(vetsaraat)
en de melaatsheid van
נַֽעֲמָן֙
(naaman)
Naäman
תִּֽדְבַּק
(tidbaq)
zal kleven
בְּךָ֔
(bekha)
aan jou
וּֽבְזַרְעֲךָ
(uvezarakha)
en aan je nageslacht
לְעוֹלָ֑ם
(leolam)
voor eeuwig
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en hij ging weg
מִלְּפָנָ֖יו
(milefanav)
van voor hem
מְצֹרָ֥ע
(metsora)
melaats
כַּשָּֽׁלֶג
(kashaleg)
als sneeuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Wit als sneeuw’ beschrijft de kleur van de huid, zoals in Num. 12:10.

Wij schrijven ‘wit’ erbij; het Hebreeuws heeft alleen ‘als sneeuw’ (כַּשָּׁלֶג, kashsheleg).

De melaatsheid van Naäman gaat over op Gechazi en zijn nageslacht, ‘voor eeuwig’ (לְעוֹלָם, le’olam).