Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het woord van Yahweh is zeldzaam
1De jongen Samuël diende Yahweh voor het aangezicht van Eli. Het woord van Yahweh was zeldzaam in die dagen. Er was geen visioen dat doorbrak.
וְהַנַּ֧עַר
(vehanaar)
en de jongen
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
מְשָׁרֵ֥ת
(mesharet)
dienend
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
עֵלִ֑י
(eli)
Eli
וּדְבַר
(udevar)
en woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הָיָ֤ה
(haya)
was
יָקָר֙
(yaqar)
zeldzaam
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
אֵ֥ין
(ein)
er was niet
חָז֖וֹן
(chazon)
visioen
נִפְרָֽץ
(nifrats)
dat doorbrak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּרַץ (parats), ‘doorbreken’: een visioen dat ‘doorbreekt’ is een visioen dat zich verbreidt en vaak voorkomt.
Er was geen vaste stroom van woorden van Yahweh.
דְּבַר יְהוָה (devar Yahweh), ‘het woord van Yahweh’, en חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: twee manieren waarop Yahweh zich laat horen en zien.
3De lamp van Elohim was nog niet gedoofd. Samuël lag in het heiligdom van Yahweh, waar de ark van Elohim stond.
וְנֵ֤ר
(vener)
en lamp van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
טֶ֣רֶם
(terem)
nog niet
יִכְבֶּ֔ה
(yikhbe)
was gedoofd
וּשְׁמוּאֵ֖ל
(ushemuel)
en Samuël
שֹׁכֵ֑ב
(shokhev)
liggend
בְּהֵיכַ֣ל
(beheikhal)
in het heiligdom van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אֲר֥וֹן
(aron)
ark van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֵר אֱלֹהִים (ner Elohim), ‘de lamp van Elohim’: de lamp in de tent van samenkomst, die van de avond tot de morgen moest branden (Exod. 27:20–21; Lev. 24:2–3).
Dat het licht nog brandt, laat zien dat het nog nacht is.
6Yahweh riep Samuël nog een keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: „Hier ben ik, want u hebt mij geroepen.” Eli zei: „Ik heb niet geroepen, mijn zoon. Ga terug, ga liggen.”
וַיֹּ֣סֶף
(vayosef)
en voegde toe
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
קְרֹ֣א
(qero)
te roepen
עוֹד֮
(od)
nog
שְׁמוּאֵל֒
(shemuel)
Samuël
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֶל
(el)
naar
עֵלִ֔י
(eli)
Eli
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנְנִ֔י
(hinni)
hier ben ik
כִּ֥י
(ki)
want
קָרָ֖אתָ
(qarata)
u hebt geroepen
לִ֑י
(li)
mij
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹֽא
(lo)
niet
קָרָ֥אתִי
(qarati)
ik heb geroepen
בְנִ֖י
(beni)
mijn zoon
שׁ֥וּב
(shuv)
keer terug
שְׁכָֽב
(shekhav)
ga liggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Yahweh riep Samuël voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: „Hier ben ik, want u hebt mij geroepen.” Toen begreep Eli dat Yahweh de jongen riep.
וַיֹּ֨סֶף
(vayosef)
en voegde toe
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
קְרֹא
(qero)
te roepen
שְׁמוּאֵל֮
(shemuel)
Samuël
בַּשְּׁלִשִׁית֒
(bashelishit)
de derde keer
וַיָּ֨קָם֙
(vayaqam)
en stond op
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֶל
(el)
naar
עֵלִ֔י
(eli)
Eli
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנְנִ֔י
(hinni)
hier ben ik
כִּ֥י
(ki)
want
קָרָ֖אתָ
(qarata)
u hebt geroepen
לִ֑י
(li)
mij
וַיָּ֣בֶן
(vayaven)
en begreep
עֵלִ֔י
(eli)
Eli
כִּ֥י
(ki)
dat
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
קֹרֵ֥א
(qore)
riep
לַנָּֽעַר
(lanaar)
de jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Ik heb hem laten weten dat Ik zijn huis voor altijd zal richten. Dat is vanwege de schuld die hij kende: zijn zonen brengen een vloek over zichzelf, en hij heeft hen niet teruggehouden.
וְהִגַּ֣דְתִּי
(vehigadti)
en Ik heb bekendgemaakt
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
כִּֽי
(ki)
dat
שֹׁפֵ֥ט
(shofet)
richtend
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
בַּעֲוֺ֣ן
(baavon)
om de schuld
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָדַ֗ע
(yada)
hij kende
כִּֽי
(ki)
omdat
מְקַֽלְלִ֤ים
(meqallim)
vervloekend
לָהֶם֙
(lahem)
zichzelf
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
כִהָ֖ה
(kiha)
hij hield tegen
בָּֽם
(bam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Daarom heb Ik het huis van Eli een eed gezworen. Voor de schuld van het huis van Eli zal nooit verzoening worden gedaan, met een slachtoffer of een offergave, tot in eeuwigheid.”
וְלָכֵ֥ן
(velakhen)
en daarom
נִשְׁבַּ֖עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לְבֵ֣ית
(leveit)
aan het huis van
עֵלִ֑י
(eli)
Eli
אִֽם
(im)
nooit
יִתְכַּפֵּ֞ר
(yitkaper)
wordt verzoend
עֲוֺ֧ן
(avon)
schuld van
בֵּית
(beit)
huis van
עֵלִ֛י
(eli)
Eli
בְּזֶ֥בַח
(bezevach)
met slachtoffer
וּבְמִנְחָ֖ה
(uvemincha)
en met offergave
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het woord ‘zweren’ (נִשְׁבַּעְתִּי, nishba’ti) betekent dat Yahweh het oordeel met een eed bekrachtigt.
De schuld van het huis van Eli kan niet door een slachtoffer worden verzoend.
Vergelijk Num. 15:30–31, waar voor zonde ‘met opgeheven hand’ geen offer is.
16Eli riep Samuël en zei: „Samuël, mijn zoon!” Hij zei: „Hier ben ik.”
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
עֵלִי֙
(eli)
Eli
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֣ל
(shemuel)
Samuël
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij zei: „Wat is het woord dat Hij tegen je gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij. Zo moge Elohim jou doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen: als je iets verbergt van alles wat Hij tegen je gesproken heeft!”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מָ֤ה
(ma)
wat
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij sprak
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot jou
אַל
(al)
niet
נָ֥א
(na)
toch
תְכַחֵ֖ד
(tekhached)
verberg
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
voor mij
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יַעֲשֶׂה
(yaase)
moge doen
לְּךָ֤
(lekha)
aan jou
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
יוֹסִ֔יף
(yosif)
moge toevoegen
אִם
(im)
als
תְּכַחֵ֤ד
(tekhached)
je verbergt
מִמֶּ֨נִּי֙
(mimeni)
voor mij
דָּבָ֔ר
(davar)
woord
מִכָּל
(mikal)
van heel
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij sprak
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De formule ‘Zo moge Elohim jou doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen’ is een eed: wie zweert, vraagt Elohim hem te straffen als hij zijn woord niet houdt.