Elohim Bijbel

1 Samuël 3

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Yahweh roept Samuël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het woord van Yahweh is zeldzaam

1De jongen Samuël diende Yahweh voor het aangezicht van Eli. Het woord van Yahweh was zeldzaam in die dagen. Er was geen visioen dat doorbrak.
וְהַנַּ֧עַר
(vehanaar)
en de jongen
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
מְשָׁרֵ֥ת
(mesharet)
dienend
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
עֵלִ֑י
(eli)
Eli
וּדְבַר
(udevar)
en woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הָיָ֤ה
(haya)
was
יָקָר֙
(yaqar)
zeldzaam
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
אֵ֥ין
(ein)
er was niet
חָז֖וֹן
(chazon)
visioen
נִפְרָֽץ
(nifrats)
dat doorbrak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּרַץ (parats), ‘doorbreken’: een visioen dat ‘doorbreekt’ is een visioen dat zich verbreidt en vaak voorkomt.

Er was geen vaste stroom van woorden van Yahweh.

דְּבַר יְהוָה (devar Yahweh), ‘het woord van Yahweh’, en חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: twee manieren waarop Yahweh zich laat horen en zien.

2Op die dag lag Eli op zijn plaats. Zijn ogen begonnen dof te worden. Hij kon niet zien.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
וְעֵלִ֖י
(veeli)
en Eli
שֹׁכֵ֣ב
(shokhev)
liggend
בִּמְקֹמ֑וֹ
(bimqomo)
op zijn plaats
וְעֵינָיו֙
(veeinav)
en zijn ogen
הֵחֵ֣לּוּ
(hechelu)
begonnen
כֵה֔וֹת
(kehot)
dof te zijn
לֹ֥א
(lo)
niet
יוּכַ֖ל
(yukhal)
hij kon
לִרְאֽוֹת
(lirot)
te zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֵּהוֹת (kehot), ‘dof’: Eli kan door zijn ouderdom niet meer goed zien.

Zie ook 4:15.

3De lamp van Elohim was nog niet gedoofd. Samuël lag in het heiligdom van Yahweh, waar de ark van Elohim stond.
וְנֵ֤ר
(vener)
en lamp van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
טֶ֣רֶם
(terem)
nog niet
יִכְבֶּ֔ה
(yikhbe)
was gedoofd
וּשְׁמוּאֵ֖ל
(ushemuel)
en Samuël
שֹׁכֵ֑ב
(shokhev)
liggend
בְּהֵיכַ֣ל
(beheikhal)
in het heiligdom van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אֲר֥וֹן
(aron)
ark van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵר אֱלֹהִים (ner Elohim), ‘de lamp van Elohim’: de lamp in de tent van samenkomst, die van de avond tot de morgen moest branden (Exod. 27:20–21; Lev. 24:2–3).

Dat het licht nog brandt, laat zien dat het nog nacht is.

הֵיכָל (heichal), ‘heiligdom’: zie bij 1:9.

Yahweh roept Samuël

4Yahweh riep Samuël. Hij zei: „Hier ben ik.”
וַיִּקְרָ֧א
(vayiqra)
en riep
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִנְנִי (hinneni), ‘hier ben ik’: het antwoord van iemand die klaarstaat om te luisteren.

Zie ook Gen. 22:1.

5Hij rende naar Eli en zei: „Hier ben ik, want u hebt mij geroepen.” Eli zei: „Ik heb niet geroepen. Ga terug, ga liggen.” Hij ging en ging liggen.
וַיָּ֣רָץ
(vayarats)
en hij rende
אֶל
(el)
naar
עֵלִ֗י
(eli)
Eli
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנְנִי֙
(hinni)
hier ben ik
כִּֽי
(ki)
want
קָרָ֣אתָ
(qarata)
u hebt geroepen
לִּ֔י
(li)
mij
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹֽא
(lo)
niet
קָרָ֖אתִי
(qarati)
ik heb geroepen
שׁ֣וּב
(shuv)
keer terug
שְׁכָ֑ב
(shekhav)
ga liggen
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וַיִּשְׁכָּֽב
(vayishkav)
en hij ging liggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘hij zei’ zonder naam.

Wij noemen de naam Eli in ‘Eli zei’, omdat in de Nederlandse zin anders niet te zien is wie spreekt.

Zo ook in vers 6.

Zie ook1 Sam 3:6
6Yahweh riep Samuël nog een keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: „Hier ben ik, want u hebt mij geroepen.” Eli zei: „Ik heb niet geroepen, mijn zoon. Ga terug, ga liggen.”
וַיֹּ֣סֶף
(vayosef)
en voegde toe
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
קְרֹ֣א
(qero)
te roepen
עוֹד֮
(od)
nog
שְׁמוּאֵל֒
(shemuel)
Samuël
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֶל
(el)
naar
עֵלִ֔י
(eli)
Eli
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנְנִ֔י
(hinni)
hier ben ik
כִּ֥י
(ki)
want
קָרָ֖אתָ
(qarata)
u hebt geroepen
לִ֑י
(li)
mij
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹֽא
(lo)
niet
קָרָ֥אתִי
(qarati)
ik heb geroepen
בְנִ֖י
(beni)
mijn zoon
שׁ֥וּב
(shuv)
keer terug
שְׁכָֽב
(shekhav)
ga liggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Samuël kende Yahweh nog niet. Het woord van Yahweh was hem nog niet geopenbaard.
וּשְׁמוּאֵ֕ל
(ushemuel)
en Samuël
טֶ֖רֶם
(terem)
nog niet
יָדַ֣ע
(yada)
kende
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְטֶ֛רֶם
(veterem)
en nog niet
יִגָּלֶ֥ה
(yigale)
was geopenbaard
אֵלָ֖יו
(elav)
aan hem
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָדַע (yada), ‘kennen’: Samuël dient in het heiligdom, maar kent Yahweh nog niet door een eigen ontmoeting.

De zonen van Eli ‘kenden Yahweh niet’ (2:12), maar op een andere manier: zij hielden zich niet aan Zijn voorschriften.

8Yahweh riep Samuël voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: „Hier ben ik, want u hebt mij geroepen.” Toen begreep Eli dat Yahweh de jongen riep.
וַיֹּ֨סֶף
(vayosef)
en voegde toe
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
קְרֹא
(qero)
te roepen
שְׁמוּאֵל֮
(shemuel)
Samuël
בַּשְּׁלִשִׁית֒
(bashelishit)
de derde keer
וַיָּ֨קָם֙
(vayaqam)
en stond op
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֶל
(el)
naar
עֵלִ֔י
(eli)
Eli
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנְנִ֔י
(hinni)
hier ben ik
כִּ֥י
(ki)
want
קָרָ֖אתָ
(qarata)
u hebt geroepen
לִ֑י
(li)
mij
וַיָּ֣בֶן
(vayaven)
en begreep
עֵלִ֔י
(eli)
Eli
כִּ֥י
(ki)
dat
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
קֹרֵ֥א
(qore)
riep
לַנָּֽעַר
(lanaar)
de jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּשְּׁלִשִׁית (bashshelishit), ‘de derde keer’.

Eli begrijpt nu dat het Yahweh is die roept.

9Eli zei tegen Samuël: „Ga liggen. Als Hij je roept, zeg dan: ‘Spreek, Yahweh, want Uw dienaar luistert.’” Samuël ging en ging op zijn plaats liggen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
עֵלִ֣י
(eli)
Eli
לִשְׁמוּאֵל֮
(lishmuel)
tot Samuël
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
שְׁכָב֒
(shekhav)
ga liggen
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
יִקְרָ֣א
(yiqra)
Hij roept
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot jou
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en je zult zeggen
דַּבֵּ֣ר
(daber)
spreek
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
שֹׁמֵ֖עַ
(shomea)
luistert
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וַיִּשְׁכַּ֖ב
(vayishkav)
en ging liggen
בִּמְקוֹמֽוֹ
(bimqomo)
op zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eli leert Samuël hoe hij moet antwoorden: ‘Spreek, Yahweh, want Uw dienaar luistert.’

Samuël spreekt Yahweh aan met ‘U’.

10Yahweh kwam, ging staan en riep zoals de vorige keren: „Samuël, Samuël!” Samuël zei: „Spreek, want Uw dienaar luistert.”
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתְיַצַּ֔ב
(vayityatsav)
en ging staan
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
כְפַֽעַם
(kefaam)
zoals keer
בְּפַ֖עַם
(befaam)
op keer
שְׁמוּאֵ֣ל
(shemuel)
Samuël
שְׁמוּאֵ֑ל
(shemuel)
Samuël
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
דַּבֵּ֔ר
(daber)
spreek
כִּ֥י
(ki)
want
שֹׁמֵ֖עַ
(shomea)
luistert
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
Uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּתְיַצֵּב (vayyityatsev), ‘en Hij ging staan’: Yahweh is nu ook zelf aanwezig bij Samuël.

Wij zetten de roep ‘Samuël, Samuël!’ rood, omdat Yahweh zelf spreekt.

De eerdere roepen (3:4, 3:6, 3:8) hebben in de tekst geen woorden.

Het woord over het huis van Eli

11Yahweh zei tegen Samuël: „Zie, Ik ga in Israël iets doen. Van ieder die het hoort, zullen beide oren tuiten.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
הִנֵּ֧ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
Ik
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
doend
דָבָ֖ר
(davar)
iets
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
כָּל
(kal)
ieder
שֹׁ֣מְע֔וֹ
(shomeo)
die het hoort
תְּצִלֶּ֖ינָה
(tetsileina)
zullen tuiten
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee van
אָזְנָֽיו
(azenav)
zijn oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָלַל (tsalal), ‘tuiten’: de oren klinken van schrik.

Zie ook 2 Kon. 21:12 en Jer. 19:3.

12Op die dag laat Ik tegen Eli alles uitkomen wat Ik over zijn huis heb gesproken, van begin tot einde.
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
אָקִ֣ים
(aqim)
Ik zal doen uitkomen
אֶל
(el)
tegen
עֵלִ֔י
(eli)
Eli
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
אֶל
(el)
over
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
הָחֵ֖ל
(hachel)
beginnen
וְכַלֵּֽה
(vekhale)
en voleindigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit verwijst naar de woorden van de man van Elohim aan Eli in 2:27–36.

13Ik heb hem laten weten dat Ik zijn huis voor altijd zal richten. Dat is vanwege de schuld die hij kende: zijn zonen brengen een vloek over zichzelf, en hij heeft hen niet teruggehouden.
וְהִגַּ֣דְתִּי
(vehigadti)
en Ik heb bekendgemaakt
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
כִּֽי
(ki)
dat
שֹׁפֵ֥ט
(shofet)
richtend
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
בַּעֲוֺ֣ן
(baavon)
om de schuld
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָדַ֗ע
(yada)
hij kende
כִּֽי
(ki)
omdat
מְקַֽלְלִ֤ים
(meqallim)
vervloekend
לָהֶם֙
(lahem)
zichzelf
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
כִהָ֖ה
(kiha)
hij hield tegen
בָּֽם
(bam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּהָה (kahah), ‘terughouden’: letterlijk ‘dof zijn’, ‘tegenhouden’.

Eli zag wat zijn zonen deden (2:22–25) en hield hen niet tegen.

Lezing

מְקַלְלִים לָהֶם (meqallelim lahem), ‘zij vervloeken zichzelf’ of ‘zij brengen een vloek over zichzelf’.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘zij vervloeken Elohim’.

Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk.

14Daarom heb Ik het huis van Eli een eed gezworen. Voor de schuld van het huis van Eli zal nooit verzoening worden gedaan, met een slachtoffer of een offergave, tot in eeuwigheid.”
וְלָכֵ֥ן
(velakhen)
en daarom
נִשְׁבַּ֖עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לְבֵ֣ית
(leveit)
aan het huis van
עֵלִ֑י
(eli)
Eli
אִֽם
(im)
nooit
יִתְכַּפֵּ֞ר
(yitkaper)
wordt verzoend
עֲוֺ֧ן
(avon)
schuld van
בֵּית
(beit)
huis van
עֵלִ֛י
(eli)
Eli
בְּזֶ֥בַח
(bezevach)
met slachtoffer
וּבְמִנְחָ֖ה
(uvemincha)
en met offergave
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het woord ‘zweren’ (נִשְׁבַּעְתִּי, nishba’ti) betekent dat Yahweh het oordeel met een eed bekrachtigt.

De schuld van het huis van Eli kan niet door een slachtoffer worden verzoend.

Vergelijk Num. 15:30–31, waar voor zonde ‘met opgeheven hand’ geen offer is.

Samuël vertelt het aan Eli

15Samuël bleef liggen tot de morgen. Toen deed hij de deuren van het huis van Yahweh open. Samuël was bang om Eli het visioen te vertellen.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en lag
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
עַד
(ad)
tot
הַבֹּ֔קֶר
(haboqer)
de morgen
וַיִּפְתַּ֖ח
(vayiftach)
en opende
אֶת
(et)
(obj.)
דַּלְת֣וֹת
(daltot)
deuren van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּשְׁמוּאֵ֣ל
(ushemuel)
en Samuël
יָרֵ֔א
(yare)
was bang
מֵהַגִּ֥יד
(mehagid)
om te vertellen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּרְאָ֖ה
(hamara)
het visioen
אֶל
(el)
aan
עֵלִֽי
(eli)
Eli
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַרְאָה (mar’ah), ‘visioen’: een ander woord dan חָזוֹן (chazon) in 3:1.

Zo ook Num. 12:6.

Het ‘huis van Yahweh’ is het heiligdom van 3:3.

16Eli riep Samuël en zei: „Samuël, mijn zoon!” Hij zei: „Hier ben ik.”
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
עֵלִי֙
(eli)
Eli
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֣ל
(shemuel)
Samuël
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij zei: „Wat is het woord dat Hij tegen je gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij. Zo moge Elohim jou doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen: als je iets verbergt van alles wat Hij tegen je gesproken heeft!”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מָ֤ה
(ma)
wat
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij sprak
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot jou
אַל
(al)
niet
נָ֥א
(na)
toch
תְכַחֵ֖ד
(tekhached)
verberg
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
voor mij
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יַעֲשֶׂה
(yaase)
moge doen
לְּךָ֤
(lekha)
aan jou
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
יוֹסִ֔יף
(yosif)
moge toevoegen
אִם
(im)
als
תְּכַחֵ֤ד
(tekhached)
je verbergt
מִמֶּ֨נִּי֙
(mimeni)
voor mij
דָּבָ֔ר
(davar)
woord
מִכָּל
(mikal)
van heel
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij sprak
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De formule ‘Zo moge Elohim jou doen, en zo moge Hij daaraan toevoegen’ is een eed: wie zweert, vraagt Elohim hem te straffen als hij zijn woord niet houdt.

Zie ook Ruth 1:17.

18Samuël vertelde hem alle woorden en hield niets voor hem verborgen. Hij zei: „Hij is Yahweh. Moge Hij doen wat goed is in Zijn ogen.”
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en vertelde
ל֤וֹ
(lo)
hem
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
כִחֵ֖ד
(kiched)
verborg
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
voor hem
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en hij zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
ה֔וּא
(hu)
Hij
הַטּ֥וֹב
(hatov)
het goede
בְּעֵינָ֖ו
(beeinav)
in Zijn ogen
יַעֲשֶֽׂה
(yaase)
moge Hij doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eli aanvaardt het oordeel.

Hij noemt de naam Yahweh en geeft zich aan Zijn wil over.

Samuël, profeet van Yahweh

19Samuël groeide op. Yahweh was met hem en liet geen van zijn woorden op de grond vallen.
וַיִּגְדַּ֖ל
(vayigdal)
en groeide op
שְׁמוּאֵ֑ל
(shemuel)
Samuël
וַֽיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
הָיָ֣ה
(haya)
was
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הִפִּ֥יל
(hipil)
liet vallen
מִכָּל
(mikal)
van al
דְּבָרָ֖יו
(devarav)
zijn woorden
אָֽרְצָה
(aretsa)
ter aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

‘Zijn woorden’: dit kunnen de woorden van Samuël zijn, zoals wij vertalen, of de woorden van Yahweh.

De tekst zegt alleen dat geen enkel woord op de grond viel: alles kwam uit.

20Heel Israël, van Dan tot Beër-Sjeba, wist dat Samuël betrouwbaar was als profeet van Yahweh.
וַיֵּ֨דַע֙
(vayeda)
en wist
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִדָּ֖ן
(midan)
van Dan
וְעַד
(vead)
en tot
בְּאֵ֣ר
(beer)
Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
כִּ֚י
(ki)
dat
נֶאֱמָ֣ן
(neeman)
betrouwbaar
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
לְנָבִ֖יא
(lenavi)
als profeet
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dan (Tel Dan) lag in het uiterste noorden van Israël en Beër-Sjeba (Tel Beër-Sjeba) in het uiterste zuiden, beide in het huidige Israël.

‘Van Dan tot Beër-Sjeba’ betekent: het hele land.

Uitleg

נֶאֱמָן (ne’eman), ‘betrouwbaar’: zoals de priester van 2:35.

21Yahweh bleef zich in Silo laten zien. Want Yahweh maakte Zich in Silo aan Samuël bekend, door het woord van Yahweh.
וַיֹּ֥סֶף
(vayosef)
en voegde toe
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהֵרָאֹ֣ה
(leherao)
om gezien te worden
בְשִׁלֹ֑ה
(beshilo)
in Silo
כִּֽי
(ki)
want
נִגְלָ֨ה
(nigla)
maakte Zich bekend
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
aan
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
בְּשִׁל֖וֹ
(beshilo)
in Silo
בִּדְבַ֥ר
(bidvar)
door het woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

נִגְלָה (nigleh), ‘zich bekendmaken’: letterlijk ‘zich ontbloten’, dus zich openbaren.

Yahweh maakt Zich bekend door Zijn woord.